MINISTORY 59
EEN EENVOUDIGE ONTSNAPPING UIT STALAG XI-B
door Marcel Anker

Inleiding
Stanley D. Brooks meldt zich in 1941 als 17-jarige vrijwillig bij The Queen’s Royal Regiment. Na zijn training gaat hij in het volgende jaar over naar de Ist Parachute Brigade, en wordt uiteindelijk ingedeeld bij het 2nd Battalion. Met deze eenheid komt hij in Noord-Afrika en Italië. Bij de laatste gelegenheid is een van de schaarse foto’s van het 7th Platoon van de C-Company gemaakt, de eenheid waar hij deel van uitmaakt.

Arnhem
De volgende operatie waaraan Stan (als Private, ‘gewoon’ soldaat) deelneemt, is de Slag om Arnhem. Enkele weken voor het vertrek naar Nederland wordt hij overgeplaatst naar het 8th Platoon van Lieutenant lan Russell, dat eveneens tot de C-Company behoort. Zijn vriend Frank Goozee blijft bij het 7th Platoon, dat geleid wordt door Lt. David Russell.
Tijdens de landingen op 17 september 1944 breekt Frank zijn enkel (hij is waarschijnlijk een van de eerste gewonden). De rest van de compagnie verzamelt zich en gaat op weg naar haar eerste doel: de spoorbrug over de Rijn. Bij het bereiken van de Polderweg in Oosterbeek, gaat Lieutenant Colonel John Frost met het grootste deel van zijn 2nd Battalion verder via de Benedendorpsweg in de richting van Arnhem. De C- Company draait onder leiding van Major Victor Dover de Rosanclepolder in op weg naar de spoorbrug. Als de eerste mannen het noordelijke deel daarvan oprennen, ziet Stan dat de zuidelijke boog door een grote explosie wordt verwoest. Op dit punt is de Rijn niet meer over te steken. Hiermee is de eerste opdracht mislukt.
Het tweede doel voor de compagnie, de Ortskommandantur op het Nieuwe Plein bij het spoorwegstation in Arnhem, is voor Stan en zijn makkers een onbekend object. Hij herinnert zich nu alleen nog dat ze tussen huizen door de stad inlopen, en op een gegeven moment onder vuur komen. In het

Italië 1943; 8th Platoon, C-Company, 2nd Para Batallion. Stan Brooks staal geheel rechts; naast hem Frank Goozee.
(foto: collectie Stan Brooks)

nauwe gedeelte van de Utrechtsestraat, iets ten wes-ten van het treinstation, wordt de opmars gestuit door enige Duitse mitrailleurs. Omdat verder geen dekking aanwezig is tegen de kogelregen, steken enkele para’s hun hoofd door de ramen van de souterrains van de woonhuizen; ‘als je hoofd niet wordt geraakt, heb je altijd nog een kans’. Gedurende een vuurpauze zoeken ze beschutting in een groot huis, en blijven daar de rest van de nacht.
Op maandag lijkt een doorstoot naar het station vol-gens Dover niet haalbaar. Besloten wordt om in westelijke richting terug te trekken om daar te hergroeperen met andere eenheden. Ten gevolge van een grote Duitse overmacht met tanks en geschut komt de licht bewapende en uitgedunde groep parachutisten niet ver. Uiteindelijk bereiken zo’n 40 man de twee villa’s op de hoek van de Utrechtseweg en het Nachtegaalspad, schuin tegenover het Gemeente Museum. Het gelukt Stan om in het huis dat nu Airborne House heet, te komen, en hij verschanst zich in de voorkamer op de eerste verdieping. Van hieruit ziet hij dat vanuit het oosten tanks komen aanrijden, die de huizen onder vuur willen nemen. De strijd om en in het gebouw is hevig. De Duitsers zitten al binnen en vuren met machinegeweren recht omhoog door het plafond. Opeens voelt Stan een hevige pijn. Eén kogel gaat door zijn rechter enkel, één verdwijnt in zijn ribbenkast, en er zitten granaatscherven in zijn rug, armen en een been; Stan is uitgeschakeld.
Als hij bijkomt, ligt hij in een bed in het St. Elisabeths Gasthuis. Ondanks de morfine heeft hij hevige pijn en verliest het bewustzijn als de chirurg zonder verdoving begint met de operatie. Later wordt hij weer wakker, en ziet als eerste twee voeten naast zich. Het blijkt dat de gewonden door ruimtegebrek samen een bed moeten delen. Na een paar dagen is hij zodanig opgelapt dat hij, met velen, in veewagens wordt geladen en per spoor richting Duitsland wordt getransporteerd.
Na wat omzwervingen komt hij in het krijgsgevan-genkamp Stalag XI-B, Fallingbostel, terecht. Eerst in de ziekenboeg, en later gewoon in een van de vele overbevolkte barakken.

Fallingbostel
Stalag XI-B is een groot kamp, dat samen met Stalag 357 even buiten de stad Fallingbostel in het dorp Oebke ligt. Oorspronkelijk is het barakkenkamp het onderkomen van de ingenieurs en arbeiders die de kazernes voor de (grote) tankdivisies bouwden. Later wordt het veranderd in een krijgsgevangenkamp. Het is onderverdeeld in een aantal subkampen, die zijn ingericht naar nationaliteit. Bijna alle gewonden van Arnhem worden rechtstreeks of via de ziekenhuizen in Apeldoorn naar XI-B gebracht. De opvang gebeurt in hospitaalbarakken naast het Brits/Amerikaanse kamp. Door het grote aanbod en het tekort aan materiaal is de verzorging van de verwondingen nauwelijks mogelijk. Ook het schaarse en slechte voedsel bevordert het herstel niet echt.
Doordat in de loop van de winter en het voorjaar
steeds meer gevangenen uit andere kampen voor de bevrijders uit naar Fallingbostel worden gebracht, raakt het kamp steeds voller en wordt het voedsel steeds kariger. Op een gegeven moment bestaat het dagrantsoen uit 1/7 brood, een kop koolsoep, een kop ‘Ersatzkaffee’ en soms wat beleg. De rodekruispakket- ten zorgen ervoor dat geen mensen overlijden van de honger, maar daar is dan ook alles mee gezegd. De gewonden kunnen nauwelijks worden verzorgd. Er zijn geen verbandmaterialen en geen medicijnen. De mannen van het Royal Army Medical Corps doen hun uiterste best om het leven nog draaglijk te maken in de overvolle lazaretten.
Ondanks zijn verwondingen herstelt Stan langzaam, en wordt na verloop van tijd overgeplaatst naar de gewone, maar nog vollere barakken. Tegen het einde van de oorlog vindt hij het tijd om te proberen uit het kamp weg te komen.
Het nu volgende is min of meer het letterlijke verhaal van Stan Brooks.
“In het kamp zaten toen wij er aankwamen duizenden gevangenen uit verschillende landen. Elke nationaliteit had een eigen gebied, dat was afgebakend met prikkeldraad. 1 iet hele kamp was nog eens een keer omgeven door hekken van prikkeldraad met op verschillende plaatsen hoge houten wachttorens met mitrailleurs en zoeklichten. Alle Engels sprekende gevangenen zaten in hun eigen gebied.
De hoofdingang was ongeveer negen meter breed, met een wachttoren aan elke kant, een klein kantoorgebouw, en een wachtlokaal. Buiten de hoofdingang stond op ca. 10 meter van het hek een houten barak. Hierin werden de rodekruispakketten bewaard. Daarachter stonden drie grote opslaggebouwen met enorme voorraden. Deze waren bestemd voor het grote tanktrainingskamp, dat aan de andere kant van de weg lag. De hoofdweg tussen het trainingskamp en hel krijgsgevangenkamp liep van Fallingbostel naar de heide, waar de trainingen en oefeningen van de tankdivisies werden gehouden.
De Franse krijgsgevangenen zaten al jaren in het kamp, en waren er in de loop van de tijd in geslaagd om via het Rode Kruis verscheidene muziekinstru-menten te verzamelen. Met behulp hiervan werden van tijd tot tijd concerten gegeven. Het theater was een groot gebouw in het kamp met een paar honderd zitplaatsen. De eerste twee rijen werden altijd ingenomen door de Duitse kampofficieren.
Op de een of andere manier was het bij het ontsnap- pingscomité bekend geworden dat ik met twee bevriende Amerikaanse parachutisten wilde ont-vluchten. Het was begin april. Duitsland werd bestookt met tientallen bombardementsvluchten, en de geallieerde legers vorderden gestaag in hun opmars door de Heimat. Tijdens de bombardementen werden we altijd opgesloten in onze houten hutten, en moesten de luiken voor de ramen. Nadat het sein ‘veilig’ was gegeven, verloren onze Duitse beschermers hun gevoel voor humor toen we vroegen of de vliegtuigen van de Luftwaffe waren. We wisten donders goed dat het onze jongens waren, die Hannover ongenadig onder handen namen.
Ons, als aanstaande ontsnappers, werd verteld dat we ons moesten verkleden als Franse collaborateurs. Sommige Franse krijgsgevangenen ‘werkten’ voor de Duitsers. Zij kregen extra rantsoenen omdat ze in de tankkazerne arbeid verrichtten. Wij kregen Franse militaire baretten en hoopten dat het de Duitsers niet zou opvallen dat we geen Tricolore op onze mouwen droegen. Verder werden mijn vrienden en ik in kleren uit het Franse concertgezelschap gestoken.

Stalag XI-B, Fallingbostel, 16 april ‘1945. In een groep ‘Arnhem-krijgsgevangenen’ stunt zesde van rechts Stan Brooks, met links naast hem Frank Goozce.
(foto: Imperial War Museum, BLI 3680)

Eens per week ging een ploegje van acht krijgsgevangenen met een kar via de verschillende sub-kampen en uiteindelijk door de hoofdingang naar de barak van het Rode Kruis. Daar werden pakketten opgehaald, en vervolgens afgeleverd bij het hospitaal, waar ze werden verdeeld.
Het ontsnappingsplan was eenvoudig: de pakketten- ploeg zou zoals gewoonlijk vertrekken. Wij zouden wachten tot de groep met de kar een controlepunt in de omheining was gepasseerd. Op dat moment zou-den we snel naar de wachtpost gaan, en hem vragen om ons door te laten zodat we de kar nog konden inhalen. Ik zou, omdat ik een paar woorden Duits sprak, het woord voeren. We moesten altijd één omheining achterlopen, maar wel net op lijd komen om door het hek te glippen. Als we eenmaal met de groep en de kar door de hoofdingang waren geko-men, gingen zij naar de pakkettenbarak. Wij zouden een geschikte plek opzoeken waar we ons ongezien van de Franse kleding konden ontdoen. Vervolgens zouden we ons tot de schemer onder de Duitse soldaten op het kazerneterrein mengen. We zouden ons naar het oefenterrein begeven en daar verstoppen tot de nacht inviel. Onder dekking van de duisternis moesten we dan over het heidegebied in zuidwestelijke richting onze oprukkende troepen tegemoet lopen.
We kregen de volgende opdrachten mee:
• Onze troepen op de hoogte brengen van de aanwezigheid van de grote hoeveelheid tanks.
• Het zat erin dat de Duitsers zouden proberen om de krijgsgevangenen vanuit het kamp te evacueren. Ze hadden al eerder onder dwang vele gevangenen van Polen naar Fallingbostel laten lopen, waarbij onderweg vele doden vielen. Dit moest nu worden voorkomen.
Met onze boodschap en wat spullen wachtten we de volgende morgen de ‘roll call’ af. Daarna verzamelden we ons. Later werd de kar-ploeg samengesteld, en deze ging op een holletje op pad naar het eerste door- gangspunt. Dit was nog een hele klus omdat het een grote kar was die normaal door een paard getrokken werd. Ik wachtte tot ze bij het volgende hek waren, en benaderde toen de wachtpost. Hij was jong, had nog maar één oog, en een Ijzeren Kruis omdat hij aan het Russische front had gevochten. We wisselden wat woorden, en uiteindelijk liet hij ons door, maar we moesten wel ‘schnell machen’ om de anderen vlug in te halen. Je moet eens proberen om te doen alsof je rent, zonder op te schieten – dat valt niet mee.
Na een tijdje, wat voor ons uren lopen en rennen leek, kwamen we bij het laatste hek. Nu is er geen weg terug meer, dacht ik, en keek alleen nog maar naar de wachtposten. Ze waren overal waar je keek, plus nog eens twee in elke toren, met hun mitrailleurs op ons gericht. De ploeg met de kar mocht er ongehinderd door, stak de weg over, ging rechtsaf en verdween uit het zicht.
Op hetzelfde moment hadden wij hen bijna ingehaald op de manier zoals we ook bij de andere hekken hadden gedaan. We hielden op met rennen en liepen gewoon door het hek naar buiten, staken ook de weg over, en slenterden naar de rodekruisbarak. Hier aangekomen, liepen wij door in de richting van de kazerne, waar wc dwars doorheen moesten om bij het heidegebied te komen.
Nu ging iels wezenlijk mis. Alle wegen stonden vol met rijen tanks, die klaar stonden voor inspectie. Naast elke Panzer stonden de bemanning en een groepje soldaten, die al hun wapens en munitie op de grond hadden uitgestald.
We voelden dat we enorm de aandacht trokken, maar we konden niet meer terug. We moesten zo snel mogelijk van de weg af. Waar konden we ons verstoppen? Ik wilde wel gaan rennen, maar dat zou ons nog verdachter maken. Gelukkig zagen we een klein stenen toiletgebouwtje tussen de weg en de hoofdgebouwen. We liepen met z’n drieën naar binnen. Tot nu toe ging het goed, maar we waren het erover eens dat we hier niet al te lang konden blijven. Na een poosje begaven we ons naar buiten, liepen gewoon weg, sloegen de hoek om, en wandelden in de richting van de heide en de vrijheid.
Helaas wisten wij niet dat uitgerekend op deze dag alle buitenlandse werkeenheden waren afgezegd om in het kamp te werken, en dat we dus nog meer opvielen dan we al vermoedden. We waren pas een paar stappen gevorderd toen iemand uit de groep soldaten ‘Halt’ riep. We deden alsof we hem niet hoorden en liepen rustig verder. Het had geen zin om te rennen, want we konden ons toch nergens verstoppen. De stem bulderde opnieuw ‘Halt’, nu echter gevolgd door een geweerschot. Dit begrepen we wel, en we bleven stokstijf staan. Onder bewaking werden we naar de wachtruimte begeleid, en later ondervraagd door een Engels sprekende Duitse officier. Hij vertelde ons dat we of als spionnen zouden worden doodgeschoten öf zouden worden overgedragen aan het krijgsgevangenkamp.De officier veronderstelde dat we als spionnen waren gedropt tijdens het bombardement van de vorige nacht.
Wij zeiden tegen hem dat we krijgsgevangenen van de overkant waren. De officier kontroleerde dat bij het kamp, maar daar werd gesteld dat niemand ontbrak. Onze makkers hadden hun werk goed gedaan om onze ontsnapping te dekken. Ze konden echter niet weten dat hun listen ons verhaal dat we echt krijgsgevangenen waren juist ongeloofwaardig maakten. Ze hadden een bekende truc gebruikt. Op één of andere manier lukte het de Duitsers niet om rijen van drie te tellen tijdens het appel. We moesten altijd in rijen van vijf staan, wat het voor ons veel gemakkelijker maakte om de afwezigheid van iemand te verdonkeremanen, door tijdens het tellen steeds iets op te schuiven.
De officier legde ons uit dat we niet in het wachtlokaal konden blijven, omdat ze op het punt stonden om te vertrekken. Ik vroeg hem om de kampcommandant te bellen en hem te zeggen dat hij ‘Bed Board Musika’ had opgepakt. Dit was de bijnaam die ik van de Duitsers had gekregen nadat ik in een van de Franse concerten had opgetreden en een komische act met de piano had laten zien.
Na een half uur kwam de officier terug en zei dat een escorte onderweg was om ons op te halen. Hij schudde ons allemaal de hand, en terwijl hij vertrok wenste hij ons veel succes nu hij eenmaal wist dat we alle drie parachutisten waren.
We werden netjes opgehaald en marcheerden terug naar het kamp, waar we onder bewaking bij het kan-toor van de commandant moesten wachten. Hij had

Arnhem-veteranen op hel kerkhof van Beddingen: McConville, Stewart, Baker, Brooks, Shaw, Kemp en Crabtree.
(foto: Marcel Anker, 12 oktober 1997)

Regimental Sergeant Major Lord en een RAF-officier die als erkend tolk dienst deed, laten halen. Ik werd ondervraagd door de commandant, maar hij kon niet accepteren dat we zonder problemen gewoon zijn kamp waren uitgelopen. Hij bleef maar vragen waar de tunnel onder het hek was gegraven en wie van de bewakers op de hoogte was geweest van de vlucht.
Ik bleef aan de waarheid vasthouden, en weid ten-slotte afgevoerd naar de kleine gevangenis binnen deze grote gevangenis om mijn lot af te wachten.”
Uiteindelijk is Stan Brooks, net als alle andere krijgs-gevangenen in Fallingbostel, op 16 april 1945 beviijd door de 7th Armoured Brigade. Bij deze actie zijn fotografen en een filmploeg aanwezig. Op een van de bij die gelegenheid gemaakte groepsfoto’s is Stan te zien, met naast hem zijn vriend Frank Goozee. Ze hebben alle avonturen en hachelijke situaties van de oorlog overleefd, en staan nu, net als in Italië, weer samen op een foto.

Reünie
Na vele ja ren komen Stan en zijn vrouw Pat in 1995 voor het eerst terug naar Arnhem en omgeving om zijn ’Airborne-verleden in te vullen’. Met het opnieuw volgen van de marsroute en het afleggen van bezoeken aan alle belangrijke plaatsen, zoals de dropping- zone, de spoorbrug, de Utrechtsestraat, het ‘Airborne House’ en het St. Elisabeths Gasthuis lijkt de geschiedenis te worden afgesloten. Daarin komt echter verandering als een reünie in Fallingbostel wordt georganiseerd.
Het idee is ontstaan bij Lance Corporal Andy Hone van het Britse 16th Tank Transporter Squadron, dat gelegerd is in de voormalige Duitse legerplaats in Fallingbostel. Het lijkt hem een aardig idee om ex- gevangenen en -bevrijders van Stalag XI-B bij elkaar te brengen. Door een artikel in Pegasus Journal komt hij in contact met Stan Brooks, en raken zij bevriend. Na een lange voorbereiding is het op 9 oktober 1997 zo ver. In totaal 14 veteranen maken de tocht naar Fallingbostel en beleven daar een zeer enerverend weekend. Met name de lezing van de heer Baumann uil Oerbke en het bezoek aan delen van het voormalige kamp roepen herinneringen aan lang vervlogen en vaak weggestopte tijden op.
Het valt in eerste instantie moeilijk te begrijpen dat in de huidige bosrijke omgeving indertijd een enorm kaal barakkenkamp heeft gestaan waar zich zoveel ellende heeft afgespeeld. Dat verandert echter bij het zien van de overbekende toegangstrapjes van een hospitaalbarak, en de resten van een wasplaats waar ze toen zelf regelmatig hebben gestaan.
Gedurende het gehele weekend vervult Stan de rol van de vertegenwoordiger van de groep. Vaak met humor, maar soms ook geëmotioneerd, is hij de woordvoerder. Tijdens het diner wordt uiteraard bovengenoemd ontsnappingsverhaal verteld, waarbij de meeste oud-kampgenoten voor het eerst horen wat zich 52 jaar geleden heeft afgespeeld.
Later vertelt Stan mij dat hij de terugkeer naar deze plek voor geen geld had willen missen, maar dat hij hier nooit meer wil terugkomen.
Deze Ministory heb ik kunnen maken met medewerking en instemming van Stan Brooks. Zonder zijn verhalen, losse opmerkingen, en herinneringen was dit niet mogelijk geweest.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.