Ministory 058 – HERINNERINGEN AAN GENERAAL SIR JOHN WINTHROP HACKETT

MINISTORY 58
HERINNERINGEN AAN GENERAAL SIR JOHN WINTHROP HACKETT
door C. van Roekel

 

Op dinsdag 9 september 1997 overleed omstreeks vijf uur in de morgen in zijn woning bij Cheltenham generaal Sir John Winthrop Hackett, geboren op 5 november 1910 te Geelong in West-Australië. Met hem verliezen wij, behalve een fijne en geïnteresseerde vriend, waarschijnlijk wel de meest briljante militaire strateeg van zijn generatie.
‘Shan’ Hackett was, behalve een zeer intelligente militair, een groot leider en bovenal een zeer dapper man met een staat van dienst die teruggaat tot vóór de 2e Wereldoorlog. Hij vocht in Palestina, Syrië, in de westelijke Afrikaanse woestijn, in Italië en bij Arnhem. In 1936 werd hij ‘Mentioned in Despatches’ voor zijn aandeel in de bestrijding van het terrorisme in Palestina. Het volgende jaar maakte hij deel uil van het Jordaanse Legioen, de enige door Britse officieren begeleide, goed georganiseerde, geregelde strijdmacht in het Midden-Ooslen. Hij werd hier tweemaal ‘Mentioned in Despatches’. Hij raakte gewond in 1940, tijdens de campagne tegen de met de Nazi’s samen-werkende Franse Vicliy-troepen in Syrië.
Tijdens zijn herstelperiode ontmoette hij een jaar later in Palestina Margaret Frena, een Oostenrijkse weduwe. Ofschoon zij vanwege haar vorige huwelijk als Duitse werd beschouwd, wist hij de toestemming voor een huwelijk bij de autoriteiten door te drijven, en dit werd in 1942 gesloten in de kathedraal van Sint George in Jeruzalem.
In dat jaar werd hij nogmaals gewond tijdens de gevechten in West-Afrika. Hier maakte hij deel uit van de staf van generaal Montgomery, en was hij belast met het toezicht op en de organisatie van de z.g. ‘Raiding Forces’. Deze bestonden uit zelfstandige, veelal achter de vijandelijke linies opererende groepen, zoals de Long Range Desert Group, de Special Air Service (S.A.S.) en Popsky’s Private Army.
In 1943 werd hij op 33-jarige leeftijd belast met het commando en de oprichting van de 4e Parachulistenbrigade, en hij was hiermee de jongste brigadier van het Britse leger. Vanwege zijn optreden in Italië werd hij voor de vierde maal ‘Mentioned in Despatches’.
Inmiddels was hij in het bezit van het Military Cross (1941) en de Distinguished Service Order (1942), en had hij tussen de bedrijven door kans gezien in 1937 te promoveren tot Doctor in de Letteren. Over zijn belevenissen na de slag om Arnhem wil ik kort zijn. Talloze publicaties, waaronder de meesterlijke beschrijving van zijn ervaringen in het boek ‘Ik ben een vreemdeling geweest’ (‘I was a Stranger’), geven daarover genoeg informatie. Daarentegen mag het opmerkelijk worden genoemd dat relatief weinig
gepubliceerd is over zijn ervaringen tijdens de gevechtshandelingen in september 1944, tot het tijdstip waarop hij gewond raakte.
Juist die belevenissen, die immers over het tragische verloop van de inzet van de 4e Parachutistenbrigade gingen, waren vaak onderwerp van de gesprekken tussen hem en mij. Steeds weer was er de verbijstering en zijn wrange beschrijving van de ondergang van zijn brigade. Het lijkt mij daarom zinvol hierbij uitvoeriger stil te staan, en u deelgenoot te maken van hetgeen mijn geheugen en zijn incomplete aantekeningen kunnen bieden.
Volgens het opera tieplan van Market Garden zou de brigade op maandag 18 september 1944 landen op de Ginkelse Heide bij Ede. Via de noordelijke route (Leopard), die begrensd werd door de spoorlijn Utrecht-Arnhem en de Amsterdamseweg, zouden de troepen vervolgens Arnhem binnendringen. De opmarsroute zou gaan door de bossen van het Ginkelse Zand en de Buunderkamp, over de lan- dingszone Reijerskamp, en daarna over Papendal/Johannahoeve in de richting van de Dreyenseweg, die de verbinding vormt tussen het dorp Oosterbeek en de Amsterdamseweg.
Van hier zou het primaire aanvalsdoel binnen bereik komen. Dit werd gedomineerd door en omschreven met de naam ‘Koepel’. Deze koepel bevond en bevindt zich ongeveer 1 km. oostelijk van de Dreyenseweg op het landgoed Boschveld aan de Schelmseweg, ten westen van hel landgoed ‘Mariëndaal’. Wie de hoogte van de Koepel beheerst, kijkt in de richting van de Arnhemse wijk ‘Heijenoord’, die op ongeveer 1 km. afstand ligt.
Eenmaal op Heijenoord zou het mogelijk zijn om oprukkend ten noorden van de spoorbaan, de linkerflank van de le Parachutistenbrigade af te schermen, en uiteindelijk de stad binnen te dringen en een ruimer cordon te leggen rondom de toegangswegen naar de Rijnbrug.
Op maandag 18 september landden omstreeks 15.00 uur de parachutisteneenheden van de 4e Brigade op de Ginkelse Heide. Hoofdzakelijk op het stuk ten zuiden van de Amsterdamseweg. De glidereenheden, die het zware materiaal aanvoerden, landden op zone X langs de Telefoonweg bij Renkum, waar de dag ervoor de parachutisten van de le Brigade neergekomen waren.
Hackett vertelde later vaak dat vanwege het feit dat de droppingszone onder vijandelijk vuur lag, het moeilijk was om de brigadestaf (HQ) snel compleet en operationeel te krijgen. Ongeveer ter hoogte van de nu nog aanwezige schaapskooi was het verzamelpunt (Rendez-vous: RV) van het HQ gepland. Het blauwe rooksignaal aldaar gaf de anderen de gelegenheid zich te oriënteren. Spoedig waren de kapiteins Temple, Booty en James, en luitenant-kolonel Heathcoat Amery (de toegevoegde verbindingsofficier van het Algemeen Hoofdkwartier) ter plaatse. Om 15.15 uur was er radiocontact met de drie parachutistenbataljons (het 10e, het 11e en het 156e Bn), die ondanks felle Duitse aanvallen kans zagen zich te verzamelen. Een kwartier later was de brigade een operationele eenheid waarin 75 tot 80 % van de bezetting aanwezig was en functioneerde.
Rond dat tijdstip arriveerde een jeep met luitenant- kolonel Mackenzie, de chef-staf van de divisie. Hij bracht het volgende verontrustende nieuws: de opmars van de le Parachutistenbrigade naar de Rijnbrug was tot staan gebracht; de commandant daarvan, brigadier Hicks, voerde -tijdelijk- het bevel over de divisie; en de 4e Brigade moes’, het He Bn, onder bevel van luitenant-kolonel Lca, afstaan ten behoeve van de le Brigade.
In één klap was Hacketts brigade van een derde van haar sterkte beroofd, en hij gaf de order dat het 1 le Bn vanaf haar RV (in de buurt van de tunnel onder de huidige A12) langs de spoorlijn via Wolfheze naar Oosterbeek zou gaan, en vandaar de Utrcchtseweg zou volgen richting Arnhem. Onderweg naar Wolfheze zou het bataljon haar vervoer en anli-tank- kanonnen treffen. Het volgende RV was hotel Hartenstein, om 18.15 uur.
Tevens werd de opdracht van het 156e Bn, onder commando van luitenant-kolonel Des Voeux, ingrijpend gewijzigd. In plaats van reservebataljon te zijn, kreeg zij de oorspronkelijke taak van het 11e Bn, en moest langs de noordzijde van de spoorlijn richting Wolfheze-Arnhem gaan. Het 10e Bn, onder leiding van luitenant-kolonel Smyth, kreeg tot opdracht het landingsterrein Ginkelse Heide tot de avond vast te houden, en als laatste, nadat de 133e Parachute Field Ambulance het gebied rondom de herberg Zuid- Ginkel had verlaten, de aftocht te dekken. Het HQ bevond zich op dat moment in de buurt van het bovengenoemde tunneltje, en werd bewaakt door het HQ Defence Platoon en het peloton van het Royal Army Service Corps.
Terwijl het 156e Bn oprukte naar het aangegeven punt, ten noorden van de dorpskom van Wolfheze, voegden de eenheden die met de zweefvliegtuigen gearriveerd waren, zich bij de brigade. Behalve over voldoende transportmiddelen beschikte men over de kanonnen van de 2nd Airlanding Anti-Tank Battery (Royal Artillery – RA) onder leiding van majoor I-Iavnes. Elf zesponders en drie zeventienponders waren operationeel.
Tegen 18.00 uur bereikte het 156e Bn haar bestem-ming, en had het 10e de droppingszone verlaten en stelling gekozen op de plaats waar oorspronkelijk het hoofdkwartier was, in de zuidoostetijke hoek van de heide. Het HQ was inmiddels opgeschoven naar het gebied bij Hotel de Buunderkamp, en bereikte omstreeks 19.00 uur Wolfheze, waar overnacht werd. Vier uur later arriveerde daar majoor Linton, de commandant van de 2nd Airlanding Light Battery (RA), met verdere instructies van het divisiehoofdkwartier. Die nacht ging Hackett naar Hartenstein om overleg te plegen over de acties van de volgende dag. Samen met brigadier Hicks. die dienstdoende divisiecommandant was omdat generaal-majoor Urquhart in Arnhem vermist werd, maakte hij het volgende plan

 

De (opmars)routes van de diverse onderdelen van de 4e Parachutistenbrigade in september 1944, aangegeven ov een recente topografische kaart. ó ° H
(productie: Chris van Roekel)

voor dinsdag de 19e: oprukken over de Johannahoeve en de Lichtenbeek met als doel de Koepel te bezetten; de zuidelijke kant van het opmarsterrein kwam voor rekening van het 156e Bn, de noordelijke route langs de Amsterdamseweg zou door het 10e Bn worden gevolgd, zodat infiltratie door de Duitsers vanuit het noorden onmogelijk werd gemaakt.
Vanaf 3.00 uur trok het 10e Bn langs de opmarsroute van de brigade op naar Wolfheze. Ongeveer zes uur later was het 156e Bn over de Johannahoeve opgerukt, en bevond het zich slechts enige honderden meters ten westen van de Dreyenseweg; het 10e Bn had zonder veel problemen de Johannahoeve doorkruist, maar ondervond hevige tegenstand ter hoogte van ’Schweizerhöhe’ aan de Amsterdamseweg. Tussen de beide bataljons bevonden zich eenheden van het 7e Bn van de King’s Own Scottish Borderers (KOSB), die tot taak hadden landingszone L, waar op die dag de zweefvliegtuigen met materiaal voor de Poolse Parachutistenbrigade zouden landen, te beschermen. Omstreeks 10.30 uur verscheen generaal Urquhart, die kans gezien had uit Arnhem te ontsnappen, op het HQ, samen met luitenant-kolonel Loder-Symonds, de artilleriecommandant van de divisie. Besloten werd dat de KOSB-eenheden in het Johannahoevegebied tijdelijk onder bevel van de 4e Brigade zouden komen, en dat zij, behalve één compagnie die de landing van de Poolse gliders zou beschermen, de consolidatie van het gebied Lichtenbeek zouden verzorgen als het 156e eenmaal de Dreyenseweg achter zich had gela-ten. Tevens zouden dan eenheden van de Ist Airlanding Brigade het viaduct bij hel station Oosterbeek Hoog vanuit het zuiden overschrijden, en steun geven op de rechterflank van de aanval.
Hacketts HQ verplaatste zich om 11.00 uur naar een puilt bij de spoorbaan ten zuiden van de boerderij ‘De Slenk’ (op het huidige terrein van het sportcentrum ‘Papendal’). In de loop van de morgen nam de tegenstand van de Duitsers toe, en namen zij het initiatief. Twee pogingen van de compagnieën van het 156e om de Dreyenseweg over te steken, mislukten. Slechts majoor Pott gelukte het met zijn A-Compagnie min of meer vaste voet te krijgen op de Lichtenbeek. Hulp bleef echter uit, en de vijand liep na enige tijd de eenheid onder de voet.
Om circa 14.20 uur bezocht generaal Urquhart weer het HQ van Hackett, en samen bespraken zij de steeds hopelozer wordende situatie van de beide bataljons, die onder hevig vuur waren gekomen van Duitse pantserwagens en half tracks met vierlinggeschut. Besloten werd de troepen terug te nemen. Omdat het spoorwegviaduct in Oosterbeek niet in Britse handen was, moest de terugtocht via de overweg te Wolfheze en een duiker onder de spoorlijn plaatsvinden.
In de loop van de middag werden de orders uitgege-ven. Het 10e Bn maakte zich nabij het pompstation ‘La Cabine’ aan de Amsterdamseweg los van de vijand, en ondernam tegen 16.00 uur de terugtocht. Die voerde hen juist tijdens het neerkomen van de Poolse gliders over en langs het landingsterrein. Dit resulteerde in verwarde vuurgevechten, waarbij de Polen zowel onder vijandelijk als eigen (Brits) vuur kwamen te liggen. Hackett wachtte met zijn HQ en het Defence

Tijdens hel verblijf in ‘The Hollow’ (een aantal inzinkingen in de bossen van de Bilderberg) zag kapitein Jasper Booty, de Slaff Captain, kans met zijn privé-camera een foto te maken van brigadier John Hackett (r) en kapitein B.A.B. Taylor, de Battery Captain van de 2nd Airlanding Light Battery, Royal Artillery.
(foto 20 september 1944)

Platoon totdat de restanten van het 156e zuidelijk van hen richting Wolfheze waren getrokken. Inmiddels hadden de manschappen van het 4th Parachute Squadron van de Royal Engineers kans gezien de duiker in de spoordijk voor voertuigen bruikbaar te maken, en was het de mannen van het 10e Bn gelukt de overga ng bij Wolfheze weer in handen te krijgen. Tegen het vallen van de avond hadden de overgebleven manschappen zich ten zuiden van de spoorlijn ingegraven. De brigadestaf en 270 militairen van het 156e in de Wolfhezer bossen, en de restanten van het 10e (250 man sterk) meer naar het westen. Hacketts doel was door deze bossen en die van de oostelijk daarvan gelegen Bilderberg de perimeter te bereiken, en zich aan te sluiten bij de daar aanwezige troepen.
Op woensdag 20 september om 6.15 uur werd de tocht ondernomen. De volgorde van de opmars was: voorop het 156e, dan de HQ eenheden, en daarna het 10e. Aanvankelijk ging het van een leien dakje, maar bij het volgen van de Bredelaan in zuidoostelijke richting stootte men om 7.15 uur op sterke vijandelijke eenheden ondersteund door tanks. Het 10e Bn trachtte op de rechtervleugel een gesloten front te vormen, en eventueel omtrekkende bewegingen te maken, maar de Duitse linies waren hiervoor te solide. Overste Smyth werd gewond tijdens de voortdurende mortierbeschietingen, en het bataljon raakte verwijderd van de rest. Juist ten noorden van Hotel de Bilderberg en de ‘Koude Herberg’ wist men door te breken, en op het landgoed de Sonnenberg de perimeter te bereiken. Het 156e deed hetzelfde via de bossen ten noorden van de Bredelaan en de Van Tienhovenlaan. Hierbij sneuvelde de commandant, overste Des Voeux.
Om 12.15 uur raakte hel HQ afgesneden van de rest van de brigade, en wist majoor Powell, ondanks dat het gebied krioelde van de Duitsers, een aantal inzinkingen in het terrein te bezetten. In deze ‘Hollow’ nabij de Valkenburglaan nestelde zich hetgeen van de brigade was overgebleven. Rondom werd men aangevallen door de vijand, die de beschikking had over twee a drie tanks die de linies naar believen doorbraken. Het Britse anti-tankgeschut was op de tocht achtergebleven, en slechts een Piat met één bom stond ter beschikking van de verdedigers. De sterkte van de groep bedroeg circa 30 man van het 156e, 12 van het 10e en ongeveer 12 van het HQ.
De vijand naderde de stelling tot op 25 meter. Onder leiding van Hackett, samen met de officieren Powell, Page, Booty en Barron, werden verbeten man-tegen- man gevechten gevoerd. Page werd hier gedood; Temple en Barron raakten gewond. Van de twee overgebleven jeeps (één met munitie, de ander met daarin de zwaargewonde Heathcote-Amory) werd de eerste getroffen en vloog in brand, en terwijl ieder op de explosie stond te wachten, bedacht Hackett zich geen moment en slaagde erin de jeep met de gewonde in veiligheid te brengen.
In de avond zag het kleine groepje kans in oostelijke richting uit te breken en het door de Borders bezette terrein op de Sonnenberg te bereiken.
Op Hartenstein kreeg Hackett vervolgens het com-mando over het oostelijke deel van de perimeter, en vestigde zijn HQ in de villa ‘Westerpark’, op de plaats waar nu de Goede Herderkerk staat. Van hieruit leidde hij bekwaam de verdediging in de zone die zich uitstrekte van de Stationsweg tot bij de Oude Kerk in het Benedendorp. Daar vormden de restanten van het le, het 3e, het 11e en het South Staffordshire-bataljon onder de naam ‘Lonsdale Force’ de verdediging. In de morgen van zondag de 24e werd Hackett ongeveer ter hoogte van het huidige monument langs de noordelijke oprijlaan van Hartenstein, getroffen door een scherf van een mortierbom. Nadat dokter Randall in de Regimental Aid Post van het hotel eerste hulp had verleend, werd de brigadier naar het St. Elisabeths Gasthuis in Arnhem gebracht. Daar voerde dokter Lipmann Kessel onder moeilijke omstandigheden en met bescheiden middelen een zeer zware buikoperatie uit. Tien dagen na de operatie zag het Verzet kans hem uit het ziekenhuis te ontvoeren, en volgde een liefdevolle verpleging door de familie De Nooy in Ede. Voorzien van een speldje voor slechthorenden, en onder de bekwame leiding van Johan Snoek, de zoon van een van de zusters De Nooy, slaagde hij erin na een avontuurlijke fietstocht door bezet Nederland de Biesbosch te bereiken. Op 6 februari 1945 werd tussen Sliedrecht en Lage Zwaluwe de overtocht naar het bevrijde zuiden gewaagd. Een dag later kwam
Hackett terug in Engeland, en ‘s avonds werd het codebericht ‘De gans is gevlogen’ tijdens de Nederlandse uitzending van de BBC uitgesproken. Vanwege zijn optreden tijdens de Slag om Arnhem werd hij op 24 mei 1945 onderscheiden met een tweede Distinguished Service Order, op 20 september van dat jaar gevolgd door een vijfde ‘Mentioned in Despa tches’.
Na de oorlog steeg de ster van brigadier Hackett tot grote hoogte, zowel op het militaire als het weten-schappelijke vlak.
Hij commandeerde in 1947 de Transjordaanse Frontier Force, de enige geduchte strijdmacht in het Midden-Oosten, en was betrokken bij de schermutselingen en vervolgens het ontbinden van dit leger in het zicht van het ontstaan van de staat Israël. Na in 1951 zijn studie aan het Imperial Defence College succesvol te hebben afgesloten, werd hij, na een periode waarin hij de 20e Britse Pantserbrigade in Duitsland met succes commandeerde, in 1956 bevorderd tot generaal-majoor, en benoemd tot commandant van de 7e Britse Pantserdivisie. Tot twee jaar daarna leidde hij op briljante wijze deze eenheid gedurende het tijdvak dal de koude oorlog op zijn dieptepunt was. Behalve acht andere talen, waaronder Arabisch, Italiaans en Grieks, sprak hij vloeiend Duits, en had bovendien en mede daardoor een zeer positieve invloed op de Brits-Duitse betrekkingen.
In 1958 werd hij benoemd tot directeur van het Royal Military College of Science in Shrivenham. Drie jaar later volgde zijn promotie tot luitenant-generaal, en werd hij General Officer – Commander in Chief van de Britse strijdkrachten in Noord-Ierland. Tijdens deze periode verraste hij de militaire wereld met een serie uitstekende colleges in Cambridge over strate- gisch-militaire onderwerpen.
In 1963 werd hij benoemd tot plaatsvervangend Chef van de Generale Staf bij het Ministerie van Defensie, en was hij verantwoordelijk voor de organisatie en de wapenontwikkeling van het gehele Britse leger. Zijn recht-door-zee-mentaliteit, gepaard gaande met een hoge intelligentie, bracht hem hier keer op keer in aanvaring met de politici, en toen hij in 1966 als ‘Full General’ Whitehall verliet, was hij bij het ministerie een gevreesde en controversiële persoon 1 ijkheid geworden.
In zijn volgende functie werd hij commandant van het Britse Rijnleger en tevens van de Noordelijke NAVO- legergroep. Zijn veeltaligheid, zijn wetenschappelijke benadering van de problemen, en bovenal zijn scherpe analytische vermogens stelden hem in staat dit verantwoordelijke werk op sublieme wijze uit te voeren. Een in de Times gepubliceerde kritische beschouwing over de, in zijn ogen, te flegmatieke Britse benadering van de belangrijkheid van de NAVO-strijdkrachten in Europa echode door tot in Whitehall.
Inmiddels was het duidelijk geworden dat de hoogste Britse militaire positie, die van Chef van de Defensiestaf, aan hem voorbij zou gaan. Hij was te intelligent voor de politici, en misschien ook wel voor het leger, maar hij bezat niet de diplomatieke gaven die nodig zijn om in deze politieke wereld te kunnen functioneren.
In 1968 verliet hij op 58-jarige leeftijd het leger, en wijdde zich aan wetenschappelijke studies. Hij werd benoemd tot rector van het King’s College in Londen. Hackett was zeer geliefd bij zijn studenten en het personeel, die in hem een begenadigd docent en een serieuze begeleider troffen. Hij was een meedogenloze superieur voor docenten die niet voldeden.
Tekenend voor hem is dat hij in 1973, compleet met bolhoed en paraplu, aan de studenten-protestmars dooi Londen deelnam toen hun rechten in het geding kwamen. Hackett stond altijd op de bres als het een goede en in zijn ogen rechtvaardige zaak betrof.
Na zijn pensionering van het King’s College hield hij veel lezingen, en begon hij te schrijven. Behalve door 1 was a stranger’ werd hij bekend door zijn briljante analyse van de Westers-Russische betrekkingen in zijn futuristische werken ‘The Third World War’ en The Third World War; the untold Story’, waarin hij toen al de desintegratie van de Sovjetunie beschreef, en de aandacht vestigde op de strategische belangrijkheid van het Midden-Oosten.
Vele eervolle benoemingen vielen hem ten deel, en tijdens spannende dagen werden zijn onbetwiste autoriteit en zijn scherp analiserende vermogen graag via radio of televisie of in de belangrijke kranten beluisterd en gelezen. Zowel tijdens de oorlog op de Falkland Eilanden als tijdens de Golfoorlog was hij een gewaardeerde commentator.
Vele keren was Hackett bij ons in Oosterbeek, Arnhem en Ede, en heb ik de gelegenheid mogen hebben hem te vergezellen bij de herdenkingen. Begeleid door zijn echtgenote en zijn oude strijdmakker majoor Boone was hij de onbetwiste leider van die plechtigheden. Tijdens de vele autoritjes heb ik genoten van zijn diepgaande filosofie over alles, maar over wat destijds bij Arnhem gebeurde in hel bijzonder. Geïnteresseerd in mijn gezondheid troostte hij me in een periode van medische problemen met de volgende woorden: ‘Christopher, het leven begint bij zeventig; je hebt dan je dagen gehad, en iedere dag daarna is een kostbaar geschenk dat je goed moet benutten en waarvan je moet genieten’. Of over ‘Arnhem’: ‘De plannenmakers hadden er een soort Airborne Picknick van gemaakt, waarbij zij de vijand als zout en peper beschouwden’.
Hoogtepunten waren er vele; verschil van mening ook wel eens.
De eerste botsing (figuurlijk weliswaar) herinner ik me als de dag van gisteren. Ik vergezelde hem en zijn vrouw Margaret voor het eerst (1986), en hij had de gewoonte mij als zijn militaire chauffeur te commanderen. Dat ging in de trant van: ‘Switch on’ en ‘Switch off’. Dit begon me behoorlijk te vervelen, ik stopte de auto, en tot grote hilariteit van hem zei ik in mijn beste Engels: ‘I do the driving Sir, and you are for the clever entertainment!’ Ik dacht dat ik het grondig had verpest. Maar integendeel, hij begon smakelijk te lachen, en ik zag in het spiegeltje dat zijn echtgenote stilletjes zat te genieten en me een goedkeurend knikje gaf. Vanaf dat ogenblik was het ijs tussen ons gebroken, en kon ‘Christopher’ geen kwaad meer doen. Hij waardeerde het als je je woordje deed, maar had een scherp gevoel voor kruiperige onechtheid. Veel autoriteiten werden door hem als door een chirurg geestelijk geanalyseerd.

September 1994. Samen met Johan Snoek (uiterst rechts) en mevrouw drs. Elsa Caspers staat generaal John Hackett voor het kcetshuis/garage van het Huis te Maarn. Uiterst Ihi’w mevrouw M. Hackett-Frena, en naast haar de heer Idenburg.
(foto: Chris van Roekel)

Een onbetwist hoogtepunt was de tocht die we aan de vooravond van de 50e herdenking van de Slag om Arnhem maakten langs de plaatsen die hij en Johan Snoek op gammele fietsen in de strenge winter van 1944-1945 gepasseerd waren. Met Johan en Marie Snoek werd ons door mevrouw Elsa Caspers en de familie Idenburg een warm welkom bereid bij de garage in Maarn waar zij destijds uitgeput arriveerden en verzorgd werden door deze mensen. En waar Hackett door de artsen Lipmann Kessel, Redman en Ridler voor de tweede keer geopereerd werd, met behulp van door het Verzet geleverde instrumenten. Samen gingen we na iedere herdenkingsdienst naar het graf van dokter Lipmann Kessel op de Oosterbeekse Algemene Begraafplaats.
Samen naar de raadsvergadering in Ede (hij had in eerste instantie geen zin, en moest op andere gedachten worden gebracht) waarin hij de erepenning van de gemeente in ontvangst mocht nemen. Achteraf vond hij dat het hoogtepunt van de herdenking, en in een briljante, geïmproviseerde speech bedankte hij voor de onderscheiding.
Samen met Prins Charles dronken we op de Ginkelse Heide wodka uit één glaasje! En samen knalden we, nota bene onder politie-escorte, met een vaartje van 90 km/u tegen een ons pad kruisende auto die niet op tijd door de politie werd tegengehouden. Daarna de flegmatieke Britse kalmte. Kolonel Waddy: ‘Dat is nu de tweede keer dat u problemen hebt op dit kruispunt, generaal’. (De plaats van het ongeval was namelijk op de kruising Amsterdamseweg/Dreyenseweg.

In 1944 werd hier hevig gevochten, en gelukte het het 10e Bn niet om het kruispunt in handen te krijgen). Vervolgens het onvermijdelijke flesje gin tegen de zenuwen. De zuster van de ambulance informeerde naar de aard van de drank, zei verder niets, stopte een verbandgaasje in het bekertje met kostbaar vocht, en bette hiermee het beschadigde oor van Hackett. Dit veroorzaakte de nodige hilariteit met betrekking tot de Hollandse geneeskunst!
Samen in het ziekenhuis; hij hechtingen in het oor, ik in de lip. Samen hebben we gelachen toen de zuster een telefoontje kreeg waarin aangekondigd werd dat Prins Charles enige woorden met de generaal wilde wisselen; gevat antwoordde zij dat zij de Koningin van Sheba was, omdat zij een collegiale grap vermoedde. Ik voelde me gewoon een gewaardeerde vriend, en heb nooit gedacht aan ‘sterren en balken’. Hij was een intelligente, sociaal bewogen man, pedant maar aardig. We zijn goede vrienden geworden, en ik voelde mij trots toen hij, met de nodige overdrijving, zei: ‘Christopher, je hebt mijn leven gered’. Dit was mij meer waard dan alle rompslomp rondom het ongeval.
In 1990 groeven we jonge beukjes uit ‘The Hollow met het doel ze op Coberley Mill (waar hij woonde) te planten- Ik heb spijt dat het hiermee gepaard gaande verhaal over wat daar plaatsvond in 1944 niet is opgenomen. De mimiek en de voordracht toen hij vertelde dat hij als brigadier, gewapend met een Duitse karabijn, samen met zijn overgebleven stafleden een Duitse mitrailleuropstelling bestormde, en de enige krijgsgevangene liet gaan omdat het in zijn ogen nog maar een kind was! En dan zijn verontwaardigde gezicht toen hij vertelde hoe ‘die snotaap’ het hun even later weer lastig maakte. Hoe ze daarna een vertwijfelde sprint naar de eigen linies op de ‘Sonnenberg’ maakten. Jammer, hiervan had een geluidsopname moeten worden gemaakt!
Generaal Hackett was ijdel, en ik herinner me dat ik voordat de officiële plechtigheden begonnen, werd verzocht zijn onderscheidingen op te spelden omdat ze recht moesten hangen en de grote speld precies in de gaatjes van het streepjespak moest worden gestoken. Dan dacht ik weleens: ‘Al dat gerinkel weerspiegelt een levensloop die richting heeft gegeven aan de geschiedenis van onze wereld en dus aan ons beslaan. Geen groter genoegen kon ik Lady Margaret doen dan door een geluidsbandje met Weense muziek af te spelen op onze langere ritten. Ik zag de waardering op haar gezicht voor het feit dat er ook aan haar werd gedacht. Ik bewonder haar mateloos voor het geduld en de tact waarmee zij ongemerkt richting gaf aan een groot deel van het handelen van haar man; ze was altijd aanwezig, maar op de achtergrond.
Ik herinner mij nog Hacketts ondiplomatieke opmerking over de lengte van de vele speeches van de autoriteiten, en de poging van haar om het af te zwakken. Shan, voor geen gat gevangen, riposteerde met de opmerking dat hij eigenlijk ook Nederlander was, en als Johan van Dalen (de naam op zijn valse persoonsbewijs) best gerechtigd was tot dergelijke kritiek.
In het najaar van 1995 was ik voor het laatst op Coberley Mill, samen met Robert Voskuil. De eige
naar leidde ons rond in de eeuwenoude watermolen alsof we belangrijke gasten waren. Feitelijk waren we nog méér, want stel je voor: een viersterren-generaal gaal met zijn gasten naar het toilet, doet de vloermat opzij, en opent een luik dat toegang geeft tot de kelder, waar de constructie van het reusachtige waterrad zichtbaar is.’ Als dat geen V.I.P.-behandeling is, wat dan wel?!
Het afscheid was aandoénlijk. Lady Margaret en ik voelden dat dit mijn laatste echte contact met hem zou zijn. Brieven en telefoontjes van majoor Boone hielden ons vervolgens op de hoogte.
Johan Snoek was de laatste Nederlandse bezoeker. De geest van de generaal dwaalde toen rond in zo’n gecompliceerd verleden dat het hem onmogelijk werd dit nog te omvatten. Alleen Ede en de periode in de rustgevende omgeving van de familie De Nooy hielden hem op het laatst bezig. Van Johan kreeg ik hierover verslag, en hij was gelukkig dat hij deze ervaringen met de oude man kon delen en begrijpen. Ik denk dat dit een gunstige invloed heeft gehad op de laatste periode dat John Hackett nog hier was.

Generaal Sir john Hackett in een karakteristieke houding op latere leeftijd.
(foto: coll. Chris van Roekel)

Hij was briljant, dapper, eigenzinnig, vriendelijk, gevoelig, ijdel en scherp van geest. En mocht dat zijn.
Shan Hackett, Grey Goose, Johan van Dalen, we zullen je missen.

Voor deze Ministory werd gebruik gemaakt van krantenartikelen uit The Evening Standard, The Guardian en The Times. Verder werd informatie benut uit ‘Who was Who, during the battle of Arnhem’ (2e druk), een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek. Geput werd tevens uit feiten en gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens mijn veelvuldige tochten met Sir John, en uit het verslag dat hij uit zijn geheugen samenstelde tijdens zijn verblijf in het St. Elisabeths Gasthuis en in Ede.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.