Ministory 73
IN DE VOETSPOREN VAN LOUIS HAGEN
Door Ruurd Kok

Inleiding
Dit verhaal begint eigenlijk op 7 november 1998 bij De Slegte in Leiden. Daar ontdek ik het boekje Arnhem Lift, het in 1945 anoniem gepubliceerde dagboek van een zweefvliegtuigpiloot. Het trekt mijn aandacht omdat het handelt over de Slag om Arnhem, die mijn moeder als twaalfjarig meisje in Arnhem heeft meegemaakt. Door haar verhalen voel ik een persoonlijke betrokkenheid bij de Slag, hoe vreemd dat ook klinkt voor een kind van de naoorlogse generatie dat bovendien nooit in Arnhem heeft gewoond. Met het boekje op zak ga ik vanuit Leiden naar Oosterbeek, om te zien of ik de beschreven plekken kan terugvinden. Het is het begin van een lange speurtocht. Arnhem Lift was een van de eerste boeken over de Slag die ik kocht. Inmiddels staat een behoorlijke rij Arnhem-literatuur in mijn kast, waaronder vijf verschillende uitgaven van Arnhem Lift. Hoe meer ik me erin verdiep, hoe meer vragen er boven komen. Wie was Louis Plagen, de auteur van het boekje? Klopt het wat hij beschrijft? Hoe is het boekje tot stand gekomen? Hagen leefde nog, dus zou ik hem eens persoonlijk de vragen kunnen stellen, waarop ik in zijn boekje geen antwoord kan vinden. Toen ik in mei 2001 hoorde dat Hagen eind 2000 was overleden, kwam dat dan ook als een schok. Ik had hem nog graag eens willen ontmoeten in zijn woonplaats Londen.
Arnhem Lift is namelijk niet zomaar een van de vele uitgaven in de aanhoudende stroom publikaties over de Slag om Arnhem. Het boekje verscheen in januari 1945 al in druk en is daarmee voor zover bekend het eerste in boekvorm verschenen ooggetuigeverslag van de strijd. Behalve door de vroege uitgave valt Hagens verhaal ook op door de persoonlijke en zeer gedetailleerde beschrijving van zijn ervaringen. Doel van deze Ministory is in de eerste plaats te bekijken of de beschreven gevechtshandelingen kunnen worden gelokaliseerd. Hiermee kan ook de betrouwbaarheid van de beschrijvingen worden bepaald. In de tweede plaats tracht ik de betekenis van Hagens verslag te bepalen aan de hand van een vergelijking met andere.

Inleiding
Dit verhaal begint eigenlijk op 7 november 1998 bij De Slegte in Leiden. Daar ontdek ik het boekje Arnhem Lift, het in 1945 anoniem gepubliceerde dagboek van een zweefvliegtuigpiloot. Het trekt mijn aandacht omdat het handelt over de Slag om Arnhem, die mijn moeder als twaalfjarig meisje in Arnhem heeft meegemaakt. Door haar verhalen voel ik een persoonlijke betrokkenheid bij de Slag, hoe vreemd dat ook klinkt voor een kind van de naoorlogse generatie dat bovendien nooit in Arnhem heeft gewoond. Met het boekje op zak ga ik vanuit Leiden naar Oosterbeek, om te zien of ik de beschreven plekken kan terugvinden. Het is het begin van een lange speurtocht. Arnhem Lift was een van de eerste boeken over de Slag die ik kocht. Inmiddels staat een behoorlijke rij Arnhem-literatuur in mijn kast, waaronder vijf verschillende uitgaven van Arnhem Lift. Hoe meer ik me erin verdiep, hoe meer vragen er boven komen. Wie was Louis Plagen, de auteur van het boekje? Klopt het wat hij beschrijft? Hoe is het boekje tot stand gekomen? Hagen leefde nog, dus zou ik hem eens persoonlijk de vragen kunnen stellen, waarop ik in zijn boekje geen antwoord kan vinden. Toen ik in mei 2001 hoorde dat Hagen eind 2000 was overleden, kwam dat dan ook als een schok. Ik had hem nog graag eens willen ontmoeten in zijn woonplaats Londen.
Arnhem Lift is namelijk niet zomaar een van de vele uitgaven in de aanhoudende stroom publikaties over de Slag om Arnhem. Het boekje verscheen in januari 1945 al in druk en is daarmee voor zover bekend het eerste in boekvorm verschenen ooggetuigeverslag van de strijd. Behalve door de vroege uitgave valt Hagens verhaal ook op door de persoonlijke en zeer gedetailleerde beschrijving van zijn ervaringen. Doel van deze Ministory is in de eerste plaats te bekijken of de beschreven gevechtshandelingen kunnen worden gelokaliseerd. Hiermee kan ook de betrouwbaarheid van de beschrijvingen worden bepaald. In de tweede plaats tracht ik de betekenis van Hagens verslag te bepalen aan de hand van een vergelijking met andere.

Biografie 1)
Louis Edmund Hagen wordt op 30 mei 1916 geboren in Potsdam (Duitsland) als tweede zoon van een bankiersfamilie uit een intellectueel joods milieu. 2) Zijn ouders verkeren met de Berlijnse beau-monde en zijn onder anderen bevriend met die van prins
Bernhard. 3) Zijn vader was als marine-officier onderscheiden in de Eerste Wereldoorlog. De familie heeft een tuinman, een kinderjuffrouw, een kok en een privé boksring waar Louis zelf ook bokst. De vijf kinderen uit het gezin krijgen een vrije opvoeding. Louis wordt altijd ‘Büdi’ genoemd, verkleinwoord van ‘Brüderlein’, broertje. Hij gaat in Potsdam naar een privé-school en naar de middelbare school, waar hij naar eigen zeggen de domkop is (Hagen 1951, p. 289).
Het gezin maakt de opkomst van de nazi’s zeer bewust mee. Louis komt begin 1934 terecht in het concentratiekamp Schloss Lichtenburg bij Torgau 4), omdat hij op een ansichtkaart aan zijn zus Nina een grap had gemaakt over Hitlers bruinhemden, leden van de SA (Sturm Abteilung). De vader van zijn schoolvriend Claus Fuhrmann, partijlid en rechter, weet hem na zes weken vrij te krijgen. Zijn vier jaar oudere broer Karl Viclor vlucht in 1934 het land uit en twee jaar later vertrekt Louis naar Engeland. Uiteindelijk verlaten alle kinderen Duitsland. De ouders blijven achter en vluchten pas in 1941 via de Trans-Siberische spoorlijn naar Japan en daarvandaan naar Amerika.

 Louis Hagen.
(portret op de achterkaft van Indian Route March)

Na verschillende baantjes te hebben gehad, meldt Hagen zich aan als vrijwilliger voor het leger. Aanvankelijk wordt hij met andere joodse vluchtelingen ingedeeld bij het Pioneer Corps, maar eind 1943 wordt hij toegelaten tot het Glider Pilot Regiment, dat in februari 1942 was gevormd. Alle soldaten van Duitse en Oostenrijkse komaf moeten Engelse namen aannemen om problemen te voor-komen bij een eventuele gevangenneming en Hagen noemt zich Lewis Haig. 5) Na zijn opleiding tot glider pilot wordt hij als co-piloot ingezet bij de Slag om Arnhem, zijn eerste gevechtsactie. 6) Na de slag wordt hij onderscheiden met de Military Medal (MM). 7)
Eind 1944 wordt Hagen naar India gezonden. 8) Nadat hij zes maanden heeft doorgebracht in een legerkamp, volgt een intensief trainingsprogramma. De piloten moeten luchtlandingstroepen van het 14th Army vliegen, maar Japan capituleert voordat ze in actie komen. Na de oorlog werkt hij nog een tijd voor Phoenix, een legerkrant voor de troepen in Zuid-Oost Azië. Hij reist door heel India en wordt daarna uitgezonden naar Birma, Maleisië, Singapore en Siam (nu Thailand). In Indo-China (nu Vietnam) interviewt hij als eerste Westerse journalist FIo Chi Minh. Zijn artikelen over India zijn gebundeld in Indian Route March, waarin hij een beeld geeft van het soldaten¬leven en vooral een zeer gedetailleerde en kritische beschrijving van India, variërend van de stinkende vuilnisbelten van Calcutta en de religieuze festivals tot de geneeskunde en het onafliankelijkheids- vraagstuk. In februari 1946 komt Hagen na veertien maanden terug in Engeland.
Uit nieuwsgierigheid naar het gevallen Derde Rijk keert Hagen zo snel mogelijk na de oorlog terug naar Duitsland. Hij werkt in Berlijn als journalist voor de Sunday Express en voor de tijdschriften John Buil en Country Life. Enkele daarvoor geschreven artikelen gebruikt hij voor zijn boek Follow my Leader, waaraan hij twee jaar heeft gewerkt. Het verschijnt in 1951 en is opgedragen aan zijn gesneuvelde broer Karl Victor. 9) In dit boek beschrijft Hagen het leven in Nazi- Duitsland aan de hand van ervaringen van negen gewone Duitsers. De vier nazi’s, drie niet-nazi’s en twee anti-nazi’s die hij interviewt, zijn allen bekenden van hem. Ook uit enkele boeken die Hagen later heeft vertaald en/of bewerkt, blijkt zijn belangstelling voor Duitsland onder het nazi-regime. Zoals de biografie van Hitlers propaganda-minister Joseph Goebbels (1953) en de memoires van Walter Schellenberg, in de oorlog hoofd van de Buitenlandse Politieke Inlichtingendienst van de Sicherheitsdienst (1956). Verder heeft hij een roman vertaald (1953), een verslag gepubliceerd van een reis door Zuid-Amerika (1958) en een studie gedaan naar spionage in Duitsland tijdens de Koude Oorlog (1968), waarvoor hij twee jaar in München heeft gewoond.
Hagen trouwt in 1950 met de Noorse kunstschilder Anne Mie en krijgt twee dochters: Siri en Caroline. Het gezin woont afwisselend in Londen en in Noorwegen. In 1950 richt hij Primrose Film Productions op, waarmee hij 25 kinderfilms produceert. Hagen is na de oorlog twee keer in Arnhem terug geweest. De eerste keer in 1948 om zijn verloofde de plaatsen te laten zien waar hij heeft gevochten en in 1994 bij de vijftigste herdenking van de Slag om Arnhem. 10) In een artikel vertelt hij, dat hij eigenlijk niet van plan was naar de herdenking te komen: ‘But the idea of parading with hundreds of old veterans like myself wearing rows of medals and red berets did not appeal to me’ (Hagen 1995).1]) Zijn uitgever heeft hem uiteindelijk overgehaald te gaan om de heruitgave van Arnhem Lift te promoten. Louis Hagen overlijdt op 17 augustus 2000 op 84-jarige leeftijd en wordt begraven in Asker bij Oslo. 12) Zijn ongepubliceerde autobiografie wordt mogelijk door zijn weduwe in eigen beheer uitgegeven.

Arnhem Lift: het boek
Hagen beschrijft van dag tot dag zijn ervaringen in de twaalf dagen tussen zijn vertrek uit Engeland en de terugkeer op zijn vliegbasis. Tussen de bespreking van de oorlogshandelingen neemt hij ook enkele overdenkingen op. Nergens uit Arnhem Lift blijkt dat Louis Hagen een dagboek bijhield of aantekeningen maakte. Het kan echter niet worden uitgesloten, want onder de persoonlijke spullen die hij kwijt raakt bij het overzwemmen van de Rijn bevinden zich zijn schrijfbenodigdheden en vulpen. Na terugkomst vat Hagen het idee op zijn ervaringen op papier te zetten, omdat hij er moe van wordt elke keer hetzelfde verhaal te vertellen. Aangespoord door zijn vriendin Dido Milroy schrijft hij het binnen twee weken. Hij legt het verhaal ter goedkeuring voor aan zijn commandant, Lieutenant-Colonel lain Murray, die razend wordt: ‘No Britisher would ever have let his comrades down by writing stuff like this. It Iets down the whole regiment!’ (1993, p. 114). Zonder dat Hagen ervan weet, stuurt zijn vriendin haar exemplaar aan de War Office, dat toestemming geeft voor publikatie. In januari 1945 verschijnt bij Pilot Press 13) in Londen de eerste druk van Arnhem Lift, waarin Hagen om veiligheidsredenen anoniem blijft. u) Hagen zit dan in India en leest in de legerkrant Phoenix dat zijn verhaal is uitgegeven. De tweede en de derde druk volgen respectievelijk in februari en maart en het boekje is in december toe aan de zesde druk.15) Het is net als Indian Route March opgedragen aan zijn vriendin Dido Milroy. Vooralsnog is het onduidelijk wie de ‘C.M.’ is die de inleiding heeft geschreven. Hagen begint zijn verslag met de opmerking: Teder, die met mij in Arnhem heeft gevochten, zou dit verhaal hebben kunnen schrijven. Het mijne is voor de vrienden en verwanten van hen, die niet terugkeerden.’
In Indian Route March vertelt Hagen hoe zijn schrijverschap ter sprake komt op een feest in de residentie van de gouverneur. De dames zijn ‘dressed to kill’ en vijf van hen zijn de eerste blanke vrouwen die de soldaten sinds weken zien. ‘Binnen vijf minuten zag ik me door concurrentie gedwongen om met mijn medaille te gaan zwaaien en te vertellen dat ik een boek had geschreven’, bekent Hagen met enige schroom (p. 27). Dit had succes: hij werd voorgesteld als Sgt. Hagen, M.M., famous author’ en voegt eraan toe ‘that was O.K. by me/ Dat hij in India minstens één exemplaar van zijn boek had, blijkt uit zijn beschrijving van een afspraak met een van de dames. Als Hagen haar boudoir binnenkomt, ligt ze languit op een sofa ‘terwijl ze deed alsof ze mijn boek las’ en zegt ‘Schat, je bent inderdaad een dappere jongen, toch?’ (p. 29). Dit zijn (vooralsnog) de enige bekende verwijzingen naar zijn schrijver-schap tijdens de oorlog.
De eerste Nederlandse vertaling van fragmenten van Hagens verhaal verschijnt in maart of april 1945 in 7 Venster op de vrije wereld, een uitgave van de ‘Amerikaansche, Engelsche en Nederlandsche Voorlichtingsdiensten.’ 16) Dezelfde tekst wordt in 1946 vrijwel geheel opgenomen in Nederland in den oorlog. De Renkumse Koerier plaatst een eigen vertaling van het hele verhaal anoniem onder de titel Zweefvlucht naar Arnhem. 17) Het verschijnt in 43 delen als feuilleton van 2 oktober 1945 tot en met 20 april 1946. 18) In januari of februari 1946 wordt de eerste Nederlandse vertaling in boekvorm uitgegeven door De Koepel in Nijmegen, onder de titel Ik vocht om Arnhem. 19) Bij dezelfde uitgeverij verschijnt een jaar later een uitgave met stills uit de film Theirs is the Glory. 20) Ook de landelijke pers besteedt aandacht aan Hagens verhaal. Onder de kop ‘Het Epos van Arnhem/De slag om de bruggen/Een “Red Devil” doet zijn verhaal’ plaatst De Waarheid op 14 september 1946 een samenvatting van zijn dagboek, overigens zonder de auteur te noemen. 21) Arnhem Lift is verschenen in negen talen, behalve in het Engels en Nederlands onder andere ook in het Frans (1945), Italiaans (1946), Tsjechisch (1947) en Noors (1989).
Op last van de War Office zijn in de eerste Engelse uitgave vrijwel alle passages weggelaten waaruit de Duitse nationaliteit van de auteur zou kunnen worden afgeleid, zoals de opmerking dat Hagen in een concentratiekamp heeft gezeten. De passages waaruit blijkt dat Hagen Duits spreekt, zijn overigens wel gehandhaafd. De censuur blijkt echter verder te gaan: ook kritische opmerkingen van Hagen over de opleiding en over de organisatie van de evacuatie zijn in de eerste uitgaven weggelaten. Verder ontbreken enkele minder positieve passages over Hagen als persoon, zoals de opmerking van een makker over zijn pyjama en Hagens beschrijving van de paniek die hem bevangt bij de evacuatie. Daarnaast zijn er duidelijke verschillen tussen de Engelse tekst en de eerste Nederlandse vertaling. Afgezien van onvolledige of onjuiste vertalingen lijken in de Nederlandse uitgave bepaalde delen bewust te zijn weggelaten, zoals een opmerking over joden-vervolging. De uitroep ‘Trust the Dutch!’ als reactie op het vinden van ingemaakt voedsel in de kelders, werd kennelijk als te schamper ervaren en heeft de Nederlandse vertaling evenmin gehaald. Vreemd genoeg zijn wel de opmerkingen overgenomen over de vele NSB’ers in Oosterbeek en over Nederlandse sluipschutters in burger, die de Britten beschieten. De eerste volledige Engelse uitgave dateert van 1952. De eerste volledige, nieuwe Nederlandse vertaling is in 1974 verschenen bij de dertigste herdenking van de Slag. In 1993 is een Engelse heruitgave uitgegeven, die
is voorzien van een inleiding door Hagen en is aangevuld met de ervaringen van de Duitse majoor Winrich Behr, die tijdens de Slag om Arnhem adjudant was van veldmaarschalk Walter Model, commandant van de Heeresgruppe B. Deze uitgave is niet in het Nederlands verschenen.
Hagens commandant tijdens de Slag om Arnhem, lain Murray, vond het verhaal zoals gezegd een schande, waarschijnlijk vanwege de negatieve uitlatingen over het leger. Dit geldt in ieder geval niet voor Jimmy Plant, een van zijn strijdmakkers die voorkomt in Arnhem Lift. Anders had Plant nooit de titel ervan opgeschreven in het gastenboek van mevrouw Kremer, toen hij op 4 september 1945 terug was in Oosterbeek. In de Engelse pers verschenen lovende besprekingen van het boekje. De achterkaft van Indian Route March vermeldt althans: ‘He became an author almost by accident but his unforced gift for descriptive writing, as unusual as it is refreshing, gained him a tremendous ovation from the reviewers.’ Over de ontvangst van het boek in de Nederlandse pers kan niets worden gezegd, omdat (nog) geen besprekingen bekend zijn. In een typoscript is de overste b.d. Th. A. Boeree zeer kritisch over Arnhem Lift. Hij schrijft hierin: ‘Zelden heb ik zo’n slecht en oppervlakkig boek gezien.’ Zijn kritiek betreft in de eerste plaats de opmerking van Hagen, dat in Nederland geen Ondergrondse heeft bestaan. In de tweede plaats meent Boeree dat Hagen deserteert wanneer hij op 19 september 1944 in de chaos bij Wolfheze op eigen initiatief naar de Rijn trekt. Deze opmerkingen slaan vooral op Plagen zelf en geven geen oordeel over zijn boek

Twee verschillende uitgaven van Arnhem Lift.
(foto: Ruurd Kok)

In de voetsporen van Louis Hagen
In de eerste Engelse uitgave van Hagens boek ontbreekt niet alleen zijn eigen naam, maar ook die van officieren. Zij worden aangeduid als Kapitein Z of Luitenant X en kunnen in de meeste gevallen worden geïdentificeerd. Soldaten worden wel bij name genoemd, meestal alleen met voornaam en soms ook
3

met achternaam. In de Nederlandse vertaling wordt wel Hagens naam vermeld, maar niet die van de officieren. Hagen noemt in zijn verhaal nauwelijks legereenheden, afgezien van het Reconnaissance Squadron (vertaald als ‘Luchtverkenning’) en de K.O.S.B. (King’s Own Scottish Borderers). In het verhaal ontbreken ook namen van terreinen, straten of huizen en komen alleen plaatsnamen voor, zoals Wolfheze en Oosterbeek. Het ontbreken van aanduidingen van personen, eenheden en plaatsen maakt het zeer moeilijk om de ervaringen van Hagen direct te plaatsen. In de heruitgave van 1993 is slechts een deel van deze gegevens aangevuld. Aan de hand van andere bronnen en literatuur over de Slag om Arnhem kunnen de beschreven ervaringen worden gereconstrueerd.
Sergeant Louis Hagen (22 Flight, D Squadron, lst Wing, The Glider Pilot Regiment) vertrekt op maandag 18 september 1944 met een van de eerste toestellen vanaf het vliegveld Keevil, ten oosten van Bath (County Avon). 22) Hij vliegt als tweede piloot van Staff-Sgt. R.A. – Mac – Wheldon op een Horsa- zweefvliegtuig met aan boord drie parachutisten van 156 Battalion (4th Brigade, The Parachute Regiment) en een jeep en trailer vol benzine. Na de geslaagde landing op landingszone X (LZ-X) ten westen van de Jonkershoeve rijden ze met hun jeep naar het station Wolfheze, dat het verzamelpunt is voor de zweefvliegtuigpiloten. Ze worden enthousiast ontvangen in de nabijgelegen Stichting Wolflieze (een inrichting voor psychiatrische patiënten), ondanks het geallieerde bombardement van de vorige dag. Aangezien Hagen zich verstaanbaar kan maken, treedt hij op als tolk. 23) In de verwarring die hier heerst, wordt hij plotseling toegejuicht als prins Bernhard. Het misverstand kon waarschijnlijk ontstaan, doordat voortdurend naar de prins werd geïnformeerd en Hagen het Nederlands niet goed begreep.
Tegen de avond verschijnen de officieren van hun Flight en krijgen de piloten opdracht langs de Johannahoeveweg ten noorden van het spoor richting Arnhem te trekken. Ze vormen de achterhoede van de opmars van 156 Battalion. De opmars stagneert, terwijl uil de richting van de stad toenemend vuur is te horen. De voorhoede is langs de Dreyenseweg op tegenstand gestuit (Middlebrook 1994, p. 252). Tegen twee uur ‘s nachts krijgen ze opdracht terug te keren. Na de helft van de afgelegde afstand terug te hebben gelopen, graven ze zich in langs de spoorlijn. Dinsdagochtend tegen 10 uur worden ze aangevallen door ongeveer vijftien Duitse jachtvliegtuigen. Hierna krijgen ze bevel een bos en heuvels te zuiveren. Deze aanval is in de literatuur bekend geworden als de actie bij de Dreyenseweg en heeft als doel de hoger gelegen gronden van de Lichtenbeek te veroveren. De aanval wordt afgeslagen door eenheden van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’, die stellingen hebben betrokken langs de genoemde weg als deel van de zogenaamde Sperrlinie Spindler. Hagen maakt deel uit van een groep van dertig piloten van D Squadron, die is toegevoegd aan A Company van 156 Battalion (Middlebrook 1994, p. 255). Die
compagnie voert de hoofdaanval uit over de Dreyenseweg. Twee officieren van 22 Flight, Captain I.C. Muir en Lieutenant S.R. Smith, bevinden zich m het midden van de formatie en Hagen is de buitenste man op de linkerflank. De groep glider pilots wordt beschoten vanuit een vooruitgeschoven Duitse mitrailleurstelling en de beide officieren raken gewond, van wie Smith dodelijk.
De mitrailleurstelling bevindt zich op de oostelijke helling van een dal aan de westzijde van de Dreyenseweg. In zijn eentje bestormt Hagen die positie en gaat op twintig meter afstand in dekking. De Duitsers weten dat hij er zit, maar durven hun stelling niet te verlaten. Hij hoort hun geruzie een tijdje aan en beseft hoe slecht het moreel is. Als hij probeert terug te keren naar de Britten, wordt hij van beide kanten beschoten. Minstens twee soldaten zien hem terug komen uit de richting van de Duitse stelling ‘shouting some gibberish about where Jerry was’ zoals een van hen beschrijft (Middlebrook 1994, p. 259). Hagen brengt verslag uit aan een officier van 156 Battalion en neemt daarna stelling in aan een bosrand. Hij is net bezig thee te zetten, als tegen vier uur op Johannahoeve (LZ-L) de eerste gliders landen met materiaal voor de le Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade. Direct breekt het Duitse afweergeschut los: ‘Er was maar één woord voor: hulpeloos en ik geloof dat dit woord nimmer op vreselijker wijze gedemonstreerd werd’ (1946, p. 23). Omdat de Britse troepen omsingeld dreigen te raken, krijgen ze bevel terug te trekken naar Wolflieze. In de chaos die daar op de spoorwegovergang heerst, besluit Hagen op eigen initiatief richting de Rijn te lopen om veilig te zijn voor de Duitsers. Hij realiseert zich dat het niet juist is wat hij doet, De groep bestaat uit twintig man, grotendeels van zijn eigen Flight. Behalve zijn makker Dodd keert de rest onderweg terug naar Wolflieze en Hagen heeft hen niet meer leruggezien. In de schemering worden de twee opgepikt door jeeps van A Troop van het Reconnaissance Squadron (Fairley 1978, p. 107), waarschijnlijk langs de Wolfhezerweg. Tegen donker bereiken ze het hoofdkwartier van die verkenningseenheid aan de westzijde van de Oranjeweg tegenover hotel Hartenstein, waarin inmiddels het hoofdkwartier van de luchtlandings-divisie is ondergebracht. Ze brengen de nacht door in een loopgraaf bij het hoofdkwartier van het Reconnaissance Squadron.
Om 6.30 uur woensdagochtend gaan Hagen en Dodd met mannen van het Reconnaissance Squadron op patrouille richting Dreyensebrug bij het station Oosterbeek-Hoog (Fairley 1978, pp. 111-114; ook Hibbert 1962 p. 136). Ze maken deel uit van 3 Section van A Troop (Lieutenant Graham Wadsworth) die langs de oostkant van de Stationsweg optrekt door de bossen van het landgoed Dennenkamp. Op de Stationsweg stuiten ze op een Duits gemotoriseerd kanon dat met infanterie van de Dreyenseweg af komt. ‘Een schietende tank, die al maar nader komt, is het vreselijkste ding, dat je je kunt voorstellen en ik geloof dat ik nooit weer zo bang ben geweest als in die ogenblikken. Ik geloof dat een tank juist daardoor zo’n vervaarlijk wapen is’ (1946, p. 26).
Een deel van de patrouille weet per jeep te ontkomen, maar Hagen en Dodd blijven in het bos achter. Ze proberen te ontkomen en verstoppen zich in een mestkuil achter een van de huizen in de noordoosthoek van het kruispunt Stationsweg/Utrechtseweg. Nadat ze in het struikgewas een paar uur een beschieting hebben afgewacht, weet een Britse patrouille ze te bereiken en brengt ze terug richting het hoofdkwartier van de glider pilots. Onderweg vindt in het bos een vuurgevecht plaats met een groep Duitsers bij een ommuurd huis, waarschijnlijk het landhuis Dennenkamp. Hagen meldt zich op Hartenstein bij hel hoofdkwartier van het Glider Pilot Regiment en vindt uiteindelijk zes man van zijn eigen Flight.

Stationsweg 18 in 1941.
(collectiefamilie Th. Ykeina)

Na een zware mortieraanval op Hartenstein meldt Hagen zich donderdagochtend als vrijwilliger voor een patrouille, die huizen en tuinen moet zuiveren in een huizenblok tegenover Hartenstein. Nadat ze enkele Duitsers hebben verdreven, krijgen ze opdracht huizen langs de Stationsweg te bezetten. Deze weg vormt dan de oostelijke grens van de inmiddels gevormde perimeter. Hier blijven ze tot de terugtocht over de Rijn op maandagnacht. In eerste instantie bezetten ze alleen de hoekhuizen aan de Utrechtseweg en aan de Paul Krugerstraat. Hagens groep bezet het huis op de noord westhoek van het kruispunt met de Utrechtseweg. De bevelvoerend officier is Captain James Ogilvie (‘kapitein Z’), een stevige Schot met een indrukwekkende snor, die altijd in kilt is. Behalve Ogilvie bestaat de groep uit vijf officieren en vijftig zweefvliegtuigpiloten. De piloten hebben de woningen nauwelijks betrokken of ze worden beschoten vanuit het bos aan de overzijde van de Stationsweg. Ze besluiten elk tweede huis te bezetten, barricaderen de ramen met meubilair en leggen verbindingsloopgraven aan tussen de huizen, zodat ze zich ongezien kunnen verplaatsen. Hagen brengt de nacht door in het hoekhuis aan de Utrechtseweg.
Op vrijdagochtend arriveren versterkingen, die een deel van de huizen overnemen van de glider pilots. De piloten bezetten de zes huizen van de Paul Krugerstraat naar beneden en Ogilvie vestigt zijn hoofdkwartier in het derde huis van boven (Stationsweg 14/16). Hagen blijft het merendeel van de tijd in het huis Stationsweg 18, het tweede huis vanaf de hoek. 25) Enkele huizen worden bezet door Poolse soldaten. 26) Taalproblemen zorgen geregeld voor gevaarlijke situaties, wanneer de Britten langs de Poolse huizen moeten. In de loop van de vrijdagochtend maken de glider pilots voor het eerst kennis met een Duits gemotoriseerd kanon dat de Stationsweg afkomt. Dit wordt een elke ochtend terugkerend ritueel dat deel uitmaakt van zware aanvallen op de perimeter, de zogenaamde morning hate. Samen met Lieutenant K.F. Strathem (‘luitenant X’) brengt Hagen op zolder een Piat (anti-tank wapen) in stelling. Door een gat in het dak kunnen ze het kanon telkens ongezien onder vuur nemen. Ondanks een materieel overwicht durven de Duitsers geen directe aanval te doen op de Britten. In gevechtspauzes verschijnen ambulances om gewonden op te halen en verbeteren de glider pilots hun stellingen. Op deze momenten wordt in de huizen aan de Stationsweg ook opgeruimd en wordt eten verzameld uil de kelders. Plagen gaat samen met Sgt. Stan Graham alle kelders langs en het is zeer waarschijnlijk tijdens deze tocht dat hij ook het huis aandoet van de familie Kremer, Stationsweg 8.
De toen elfjarige zoon Sander beschrijft later het angstige moment dat Hagen als eerste op zijn vader afstapt en vraagt ‘Sprechen Sie deutsch?’ (Middlebrook 1994, p. 368). 27) Zijn zusje Ans zet grote ogen op als ze voor het eerst mannen in kilt ziet. Hun moeder maakt foto’s van de soldaten en laat ze haar gastenboek tekenen; zij vertelt hierover: ‘De latere schrijver van het bekende “Arnhem Lift” (dat speciaal over deze omgeving handelt) was ook dadelijk bereid aan dit verzoek te voldoen, evenals Sgt Graham, die in z’n boek genoemd wordt. Tegelijkertijd nam ik de gelegenheid te baat een kiek van hen te nemen, terwijl hun kameraden in de vlakbij zijnde loopgraven de Duitschers bevochten’ (Kremer-Kingma 1946, p. 115). Mevrouw Kremer heeft twee foto’s gemaakt van een groep van negen soldaten voor haar huis. Plagen staat achter de meest linker soldaat die het gastenboek en de pen in de hand heeft. 28) Hagen schrijft in dit boek: ‘I do hope & beleave that the mess we made of the your lovely house was worth while + good luck for a happier future’ en ondertekent met Lewis Haig (in: Kremer-Kingma 1946).29) Plet is opvallend dat Plagen zelf met geen woord rept over de eerste ontmoeting met de vader of over het maken van de foto’s.
Onder het avondeten wordt Hagen bij Ogilvie geroepen met de vraag of hij op patrouille wil gaan. Captain Ogilvie heeft van Brigadier Plackett en Lieutenant-Colonel Murray opdracht gekregen uit te zoeken waar de Duitsers hun materiaal verzamelen en of de huizen langs de Paul Krugerstraat in Duitse handen zijn.30) Hagen gaat die nacht twee keer met Graham op patrouille en ontdekt de plaats waar de Duitsers ‘s nachts hun materieel en troepen terug¬
5

trekken. Het is een groot open terrein dat bij een landhuis lijkt te horen. Hij beschrijft twee reusachtige eiken met een bankje rond de stam en een heuvel. Deze plek moet worden gezocht in het huizenblok Stationsweg/Mariaweg/Paul Krugerstraat, maar is (nog) niet getraceerd. 31) Zaterdagochtend brengt Hagen op Hartenstein verslag uit aan Hackett, die het bevel voert over het oostelijk deel van de perimeter. Hij maakt de brigadier nijdig door met zijn vieze vinger op een stafkaart te wijzen. Hagen adviseert hem desgevraagd artilleriebeschietingen uit te voeren achter het bos van de Dennekamp, omdat het materieel daarvandaan lijkt te komen en het ontdekte strong-point zelf te dicht bij de Britse posities is. 32) Zaterdagnacht gaat Hagen nog een keer naar Hartenstein op zoek naar munitie.
De zondag verloopt redelijk rustig na de gebruikelijke ochtendaanvallen, waarbij Hagen aan zijn hand gewond raakt. Bij een aanval in de avondschemering werpt Hagen al zijn handgranaten naar binnen in het buurhuis op de hoek van de Paul Krugerstraat, waarbij zijn makkers op het nippertje aan de dood ontsnappen. Zondagnacht meldt Hagen zich weer met Ogilvie op Hartenstein om hun positie door te geven. Maandagmiddag krijgen de soldaten te horen dat ze zich de komende nacht moeten terugtrekken over de Rijn. Voor hun deel van de perimeter is het moment van vertrek vastgesteld op kwart over tien. Via Hartenstein volgen ze de westelijke route, langs de Kneppelhoutweg. Hagen blijft tijdens de hele tocht bij Ogilvie, die gewond is aan zijn arm. In de regen bereiken ze de Rijnoever, waar ze met een steeds groter wordende groep wachten om te worden overgezet. De situatie is wanhopig: ze worden beschoten en er is geen boot te zien. Hagen besluit samen met de kapitein over te zwemmen. Hij gooit halverwege in paniek al zijn spullen weg, maar bereikt veilig de overkant. Daar ontdekt hij dat hij Ogilvie is kwijtgeraakt. Pas in Engeland hoort Plagen dat hij is verdronken, waarschijnlijk omdat zijn kilt zich vol water zoog (Middlebrook 1994, p. 435).
Met een ambulance wordt Hagen naar Nijmegen gebracht, waar de manschappen weer op krachten kunnen komen. Op donderdagochtend vertrekt hij per konvooi naar Leuven en wordt op vrijdag daarvandaan naar Engeland gevlogen. In de avond van vrijdag 29 september 1944 is Hagen terug op het vliegveld Keevil na twaalf dagen te zijn weggeweest. De hutten zijn nog precies zoals de piloten ze hebben achtergelaten en met vier man kijken ze naar de achttien lege bedden. Terugdenkend aan de zeven dagen in Oosterbeek eindigt Hagen zijn verhaal met de woorden: ‘Ineens drong het tot me door, dat ik nu een zuiver beeld had van mezelf. Deze zeven dagen hadden me zeven jaren ervaring en zelfvertrouwen gegeven. Ik wist nu wie ik was … toen viel ik in slaap’ (1946, p. 96).

De persoon Louis Hagen
Door de beschrijvingen leren we Louis Hagen als persoon kennen en ontstaat een beeld hoe hij de strijd
heeft ervaren. Uiteraard is dit beeld vrijwel geheel gebaseerd op zijn eigen woorden Overigens blijkt uit verschillende passages, dat hij niet aarzelde om ook zijn zwakheden en mindere kanten aan het papier toe te vertrouwen. Slechts één passage toont hoe anderen hem zien Op Hartenstein komt Hagen een soldaat tegen over wie hij vertelt: ‘mij schold hij steeds uit voor ‘oud wijf’ en ‘juffrouw Hagen’, omdat ik ‘s nachts in pyjama sliep en nooit vloekte (1974, p. 89, ook Hibbert 1962, p. 187) / ‘calling me ‘la-di-da’ and ‘Miss Hagen’ because I wore pyjamas and did not swear’ (1993, p. 52). Dit wijst erop dat Hagen zijn goede opvoeding zelfs in het leger niet verloochende.
Louis Hagen komt naar voren als iemand die snel actie onderneemt zonder daarvan eerst de consequenties te overzien. Lijdzaam de situatie afwachten ligt niet in zijn aard. Zo vertelt hij bijvoorbeeld dat hij tijdens een patrouille ongeduldig wordt over de trage voortgang (1946, p. 32). Hij schrijft over zichzelf dat hij als schooljongen al graag uitdagingen aanging (‘taking dares’, 1993, p. 5). Door deze eigenschap lijkt hij verschillende keren degene te zijn die het initiatief neemt. Zo besluit hij bij de terugtocht op dinsdag 19 september 1944 bijvoorbeeld om niet in Wolfheze te wachten, maar richting de Rijn te lopen. Ook neemt hij het initiatief bij het organiseren van de versterking van de huizen aan de Stationsweg. Bij de evacuatie is hij opnieuw degene die het uitzichtloze van de situatie inziet en besluit over te zwemmen. Dat zijn ondoordachte initiatieven soms tot roekeloos gedrag leiden, blijkt bijvoorbeeld wanneer hij in z’n eentje een Duitse stelling bestormt: ‘En ik zwoer, dat, wanneer ik nog ooit uit deze hachelijke situatie zou worden verlost, ik nooit van mijn leven weer zo vervloekt stom zou doen’ (1946, p. 19). Wanneer hij enkele dagen later aan de Stationsweg handgranaten bij een huis naar binnen gooit en het blijkt dat zijn eigen kameraden daar zitten, verzucht hij daarentegen: ‘Nooit van mijn leven ben ik zó dankbaar geweest, dat ik een domkop was’ (1946, p. 75). Hagen had z’n granaten namelijk te snel gegooid, zodat z’n makkers ze nog naar buiten konden gooien en zo aan de dood ontsnapten.
Hagen lijkt zichzelf niet als een denker te beschouwen. In Follow my Leader interviewt hij zijn vroegere schoolvriend Claus Fuhrmann, de slimste van de klas, die hem – de domkop – hielp bij de lessen, terwijl hij Claus als bodyguard beschermde (p. 289)’ Het zelf gekozen beeld van de domkop lijkt echter moeilijk te rijmen met het feit dat hij in zijn boeken niet alleen beschrijvingen geeft van gebeurtenissen, maar ook beschouwingen opneemt. Uit Indian Route Mnrch blijken duidelijk zijn brede belangstelling en observatievermogen. In Follow my Leader probeert hij voor zichzelf de vraag te beantwoorden hoe het Derde Rijk heeft kunnen gebeuren. Ook in Oosterbeek gaat hij op onderzoek uit. Hij doorzoekt twee huizen van NSB’ers en rapporteert hierover op zaterdag aan Wolters, de Nederlandse inlichtingenofficier op Hartenstein.
Uit verschillende passages blijkt hoe Hagen omging met het feit dat hij als Duitser tegen Duitsers vocht.

Enkele glider pilots en soldaten van de 21st Independent Parachute Company, achter het pand Stationsweg S te Oosterbeek, 22 september 1944; Hagen staat linksachter,
half verscholen achter de man met het gastenboek in de hand.

(foto mw. A.L.A. Kremer-Kingma; collectie Ans Kremer)

Deze ontbreken in de uitgaven waarin zijn Duitse nationaliteit niet bekend mocht worden gemaakt. Bij de aanval op de Dreyenseweg probeert hij geestdriftig te worden en de vijand te haten. Hij realiseert zich dat hem dat wellicht makkelijker afgaat dan de anderen. Hij hoeft in zijn herinnering maar het beeld op te roepen van de vernedering van een joodse klasgenoot en van een katholieke geestelijke in het concentratiekamp Torgau. Hierdoor voelt hij zich in staat het op te nemen tegen alles wat Duits is. Wanneer Hagen bij die aanval voor het Duitse mitrailleurnest in dekking ligt te luisteren, gruwt hij van het Duits dat hij hoort snauwen. Dat geen sprake is van blinde haat tegen zijn landgenoten blijkt wanneer hij tijdens een gevechtspauze aan de Stationsweg de oorlog overdenkt: ‘Persoonlijk verfoeide ik de oorlog en ik moest telkens aan de vrienden en familieleden van de gesneuvelde terugdenken. Ik ken de Duitsers maar al te goed en ik heb hen de gemeenste en meest bestiale dingen zien uithalen. Ik weet dat er miljoenen joden en andere politieke tegenstanders werden uitgemoord, maar ik vind het niet prettig zelf een ander levend wezen pijn te doen of te doden. Maar als ze me dwingen te vechten wordt het iets anders en dan ga ik er helemaal

in op, dan denk ik niet na over de gevolgen die mijn daden hebben’ (1974, pp. 65-66). 33)
Behalve deze overdenkingen vertrouwt Hagen ook zijn angsten en andere emoties aan het papier toe. Openhartig beschrijft hij zijn ontzetting over het Duitse luchtafweergeschut waarin de Poolse gliders terecht komen en de angst die hij voelt voor het gemotoriseerde kanon. Zo beschrijft hij ook de misselijkmakende paniek die zich van hem meester maakt, wanneer hij bij de evacuatie wordt aangeklampt door gewonden die bang zijn te worden achtergelaten. Juist deze angst blijkt de drijfveer te zijn voor zijn acties aan de Stationsweg, waarvoor hij de Military Medal heeft gekregen. 34) Wanneer Hagen bij een bezoek aan Hartenstein de vermoeide soldaten in de loopgraven ziet, realiseert hij zich dat dit eigenlijk de ware helden zijn van de Slag om Arnhem. Zijn eigen handelen relativerend denkt hij: ‘Het was wel erg moedig om je vrijwillig te melden voor een patrouille door vijandelijk gebied of om sleutel¬posities aan het front te verdedigen, maar ik weet heel goed dat ik me die donderdag niet vrijwillig opgaf uit louter moed of haat tegen de Duitsers en ook niet uit een zeker gevoel van plichtsbetrachting. Dat deed ik uit angst door het voortdurende bombardement mijn zelfbeheersing te verliezen’ (1974, p. 88).
Doordat Hagen ook eerlijk zijn stommiteiten en zwakheden beschrijft, lijkt er geen reden te zijn om aan te nemen dat hij zichzelf in Arnhem Lift beter voordoet dan hij in werkelijkheid is. De soms onwaarschijnlijke voorvallen waarin hij verzeild raakt, lijken verklaard te kunnen worden uit zijn ongeduld en soms ook uit roekeloosheid.

Betrouwbaarheid
Hagen heeft het hele verhaal uit zijn herinnering moeten opschrijven. Dit betekent dat de betrouwbaarheid ervan kan zijn beperkt door de selectieve werking van het geheugen. Aangezien het verhaal direct na terugkomst in Engeland op papier is gezel, mag worden aangenomen dat deze vertekeningen minimaal zijn. Aan de andere kant zou Hagen het verhaal bewust kunnen hebben aangepast, bijvoorbeeld om de leesbaarheid te vergroten of om zijn eigen rol te benadrukken. Het is daarom zaak om de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van zijn beschrijvingen te onderzoeken.
De nauwkeurigheid van zijn beschrijvingen blijkt al uit het feit dat het merendeel van Hagens ervaringen letterlijk is na te lopen. Hij geeft nauwkeurige beschrijvingen van locaties, te beginnen met het uitzicht op het landingsterrein tijdens de landing. Zo is het dal langs de Dreyenseweg, waar hij de Duitse mitrailleurstelling bestormt, bijvoorbeeld terug te vinden aan de hand van zijn beschrijvingen en luchtfoto’s uit die dagen. 35) Dat de soldaten zich tijdens de strijd vaak niet bewust moeten zijn geweest van de plaats, blijkt bijvoorbeeld uit de opmerking dat hij woensdagmiddag uiteindelijk Oosterbeek bereikt, terwijl hij daar al lang is. Vreemd genoeg gaat het fout wanneer hij afstanden vermeldt. Zo schrijft hij dat de kruising Stationsweg/Utrechtseweg op vier mijl (ruim 6400 m) ten oosten van Hartenstein ligt, terwijl het in werkelijkheid ongeveer 350 m is. Bij de evacuatie noemt hij eveneens een afstand van vier mijl tot de Rijn, terwijl het vanaf Hartenstein hooguit 1500 m naar de rivier is. Slechts enkele plaatsen uit Arnhem Lift zijn nog niet gelokaliseerd, waaronder de nauwkeurig beschreven heuvel bij de Stationsweg waar de Duitsers ‘s nachts hun troepen en materieel terugtrekken. Ook de identiteit van een groot aantal genoemde personen kan uit de context worden afgeleid, zoals van Ogilvie, Strathern, Hackett en Wolters. In de heruitgave van 1993 zijn enkele van deze namen toegevoegd. Ook niet bij name vermelde personen kunnen soms met enige moeite worden geïdentificeerd. 36)
Dat de beschreven plaatsen en personen kloppen, wil nog niet zeggen dat de beschreven handelingen ook werkelijk zo zijn gebeurd. Terecht kan ook de vraag worden gesteld of Hagen de beschreven acties allemaal zelf heeft meegemaakt. Een aantal van zijn ervaringen maakt in eerste instantie zelfs een zeer onwaarschijnlijke indruk, met name zijn solo-acties. De meeste hiervan kunnen echter uit andere bronnen worden bevestigd, zoals die bij de Dreyenseweg, het oppikken door het Reconnaissance Squadron en de patrouille op woensdagochtend. De ervaringen van Hagen aan de Stationsweg kunnen worden vergeleken met getuigenissen van andere glider pilots uit de straat. Les Frater zat bijvoorbeeld in het hoekhuis en beschrijft hoe een sergeant overstuur is, nadat hij handgranaten in het huis van z’n eigen makkers heeft geworpen (Chatterton 1982, pp. 200- 201). Deze sergeant is Hagen en dit bevestigt de door hem genoemde stommiteit (1993, pp. 69-70). 37) Slechts enkele passages kunnen (vooralsnog) niet worden geverifieerd, zoals het mooie verhaal dat Hagen in Wolfheze wordt aangezien voor prins Bernhard. Hiervoor is nog geen enkele aanwijzing gevonden. 38) Omgekeerd zijn gebeurtenissen bekend waarbij Hagen was betrokken, maar waarover hij met geen woord rept, zoals de ontmoeting met de familie Kremer aan de Stationsweg.
Uit andere bronnen blijkt, dat er vergissingen in Hagens verslag zijn geslopen. Dit kan ook haast niet anders, gezien de hectiek van de gebeurtenissen en het feit dat het verhaal achteraf is geschreven. Hagen meldt bijvoorbeeld dat ze op vrijdagochtend versterking kregen van de Polen, terwijl deze pas op zondagochtend op de Stationsweg arriveerden. Ook uit vergelijking met andere getuigenissen blijkt, dat er verschillen zijn. Zo kan het ook haast niet kloppen dat Hagen maandagochtend 25 september als rustig beschrijft (1945, p. 79), terwijl Frater in het huis ernaast op diezelfde morgen zware aanvallen meldt (Chatterton 1982, p. 201). Ook de zaterdagochtend was volgens Hagen rustig, terwijl diverse andere verslagen het tegenovergestelde vermelden voor dit deel van de perimeter. Verder vertelt Hagens makker Vic Wade, dat Hagen maandagmiddag met twee kapiteins van Hartenstein terugkomt met informatie over de evacuatie (Chatterton 1982, p. 203). Hagen
beschrijft zelf hoe ze die maandag lang in het ongewisse bleven, nadat Ogilvie met een andere kapitein naar het divisiehoofdkwartier was geweest (1945, p. 79). Het is overigens nog maar de vraag welke van de genoemde verslagen de juiste weergave biedt. De vergissing van een tijdstip is begrijpelijk, zeker gezien het feit dat Hagen uit zijn herinnering schreef. Overigens kunnen andere door hem genoemde tijdstippen wel worden bevestigd. Dergelijke vergissingen lijken de betrouwbaarheid van Hagens verhaal dan ook niet aan te tasten. Concluderend kan worden gesteld dat plaatsen en handelingen zeer nauwkeurig zijn beschreven, maar dat het tijdstip waarop de handelingen zich hebben afgespeeld, niet altijd klopt.
De voordracht voor de Military Medal lijkt ook een bevestiging te vormen voor enkele beschreven handelingen. Deze voordracht luidt:

14623981 Sergeant Lewis Flaig. ‘Through the action at Arnhem, 19lh to 25lh September 1944, Sergeant Flaig showed outstanding leadership and example to the men. He volunteered continuously for patrolling and after hard fighting each day carried ammunition through enemy fire during the hours of darkness. Inspite of being injured whilst firing a bren gun he refused to leave his post. At all times he was a fine example by his complete disregard for his personnel safety. He instilled great confidence to the other ranks and was in large measure responsible for keeping the enemy away from the positions held’ (Cummings zj, p. 144).

De patrouilles en het ophalen van munitie worden inderdaad door Hagen zelf beschreven. De genoemde verwonding stelde volgens hem zelf overigens niet veel voor: een ader in zijn hand was door een splinter geraakt (1945, p. 72). Flierdoor ontstaat de indruk dat Ogilvie, die Hagen heeft voorgedragen, de feiten misschien iets te positief heeft weergegeven. Een rol speelt hierbij mogelijk de bijzondere band tussen Hagen en Ogilvie, die op meerdere plaatsen uit Arnhem Lift blijkt.

Betekenis
Tot slot de vraag naar het belang van Arnhem Lift. De grootste betekenis ervan ligt ongetwijfeld in het feit dat dit boekje een groot publiek het eerste realistisch beeld gaf van de strijd. Dit geldt voor het Engelse lezerspubliek en vooral voor de burgers van Oosterbeek die zich midden in het strijdtoneel bevonden. Door de publikatie als feuilleton in De Renkumse Koerier bereikte Hagens verhaal bovendien een grote groep lezers. De betekenis ervan zou echter nooit zo groot zijn geweest, wanneer Hagen niet een zeer duidelijk en vooral herkenbaar beeld had geschetst van vertrouwde plaatsen in Oosterbeek en omgeving.
Daarnaast is Arnhem Lift door de persoonlijke beschrijvingen een waardevol ego-document, dat inzicht geeft in het functioneren van de schrijver tijdens de gevechtshandelingen. Uit het boek blijkt duidelijk wat Hagen als soldaat bewogen heeft de dingen te doen, die hij heeft gedaan. Angst blijkt zijn grootste drijfveer. De beschreven reacties en emoties zijn weliswaar zeer persoonlijk, maar parallellen ervoor zijn te vinden in verslagen van andere soldaten. Een mooi voorbeeld is Hagens onverwachte reactie in de benarde situatie voor het Duitse mitrailleurnest bij de Dreyenseweg: ‘Ik vroeg me zelf af, of ik nu niet moest bidden, hetgeen ieder ander in mijn hopeloze positie zou gedaan hebben. Maar ik kon niet in de vereiste stemming raken en keek toe, om me zelf te kalmeren, hoe een kolonie mieren ongestoord voortging met haar drukke, systematische bezigheden’ (1946, p. 20).
Ook soldaat James Sims (2nd Para Battalion) bestudeert mieren wanneer hij in dekking ligt (Sims 1978, p. 64), de Poolse oorlogscorrespondent Marek Swiecicki observeert twee wormen waarmee hij zijn loopgraaf deelt (Swiecicki 1945, p. 33) en Ll. Harry Roberts (Royal Electrical and Mechanical Engineers) ligt gewond op de grond ‘studying the beautiful woodgrain on the rifle butt and breathing in the faint smell of oil, as if it was an aphrodisiac’ (Roberts 1999, p. 27). De bestudering van kleine dingen lijkt even de aandacht af te kunnen leiden van het oorlogsgeweld om hen heen. Hiermee lijkt een stukje van de psyche van de soldaat te zijn blootgelegd. Ook andere reacties van Hagen blijken zeer herkenbaar, zoals het opladen voor een aanval door de vijand te haten, de patrouille als afleiding en de tank die meer angst inboezemt dan vliegtuigen. Arnhem Lift blijkt hiermee een waardevol document voor de studie naar bevindingen van de individuele soldaat. Bijzonder is bovendien, dat het is geschreven door een Duitser die tegen zijn landgenoten vocht.
Aangezien Hagens beschrijvingen over het algemeen nauwkeurig en betrouwbaar blijken te zijn, kan ook worden bekeken welke betekenis Arnhem Lift heeft voor onze kennis over de Slag om Arnhem. Deze beperkt zich uiteraard tot de plekken, ervaringen en gesprekken waarover Hagen schrijft. Het boek geelt bijvoorbeeld een duidelijk beeld van het goede moreel onder de Britse troepen in tegenstelling tot dat van de Duitsers. Dit blijkt niet alleen uit beschreven observaties, maar ook uit verschillende gesprekken die Hagen voert met gewonde of krijgsgevangen Duitsers. Het boek geeft echter ook een kritische kijk op de opleiding van de glider pilots en van hun optreden. Het feit dat Hagen herhaalde malen initiatief kon nemen, wijst op het ontbreken van leiderschap en initiatief. Dit vormt een bevestiging van het vaker gesignaleerde gebrek aan initiatie! bij Britse (onder)officieren (Gulmans 1995, p. 158). Dit zal waarschijnlijk de voornaamste reden zijn geweest voor het vernietigende oordeel van Hagens commandant Murray. Arnhem Lift geeft ook inzicht in de organisatie van de Britse verdediging in de noordoosthoek van de perimeter en van e organisatie van de Duitse aanvallen daarop. Zo was de ligging van het door Hagen ontdekte Duitse strong-point een nog onbekend gegeven
Deze gegevens zijn achterhaald dooi een nauwkeurige studie van de tekst en door vergelijking
met andere bronnen. Vooral de acties van Hagen die nog niet aan de hand van andere bronnen zijn getoetst, zijn het waard om nader te worden onderzocht. Juist die handelingen zouden nieuwe informatie kunnen opleveren. Deze potentie van Arnhem Lift lijkt nog door weinig auteurs te zijn onderkend. 39) Hibberts The Batlle of Arnhem (1962) is voor zover bekend het enige boek dat Hagen uitgebreid citeert. 40) Eén opmerking roept een belangwekkende vraag op, die de Slag om Arnhem overstijgt. Hoe kon Hagen in september 1944 al weten dat ‘er miljoenen joden en andere politieke tegenstanders werden uitgemoord’ (1974, p. 65). Hij heeft in 1934 weliswaar zelf in een concentratiekamp gezeten, maar dit verklaart niet dat hij op de hoogte is van de massale vernietiging waartoe in 1942 op de Wannsee-konferenz werd besloten.
Louis Hagen was een van de vele soldaten die bij Arnhem hebben gevochten en hij is ook een van de velen die daarover hebben geschreven. Alhoewel hij toen niet heeft kunnen weten dat hij de eerste was in een lange rij, relativeert hij zijn verhaal met de opmerking dat iedereen die in Arnhem heeft gevochten een dergelijk verhaal verteld zou kunnen hebben. Zonder andere schrijvende veteranen te kort te willen doen, blijkt het toch juist Hagens heldere en beschrijvende pen die Arnhem Lift zo bijzonder maakt.

uiteindelijk zes man van zijn eigen Flight.
Deze Ministory kon ik alleen schrijven door de bereid¬willige medewerking van een groot aantal mensen. Vier personen wil ik graag in het bijzonder noemen. Allereerst de twee dames die me in hun persoonlijk verleden lieten graven: Anne Mie, de weduwe van Louis Hagen en Ans Kremer, die hem als klein meisje al heeft ontmoet. Verder de twee heren die ik voortdurend heb mogen lastig vallen: mijn gids in de wereld van Arnhem-vorsers Geert Maassen (Gemeentearchief Renkum) en glider-expert Luuk Buist (Oosterbeek), die nog door hem te publiceren gegevens beschikbaar stelde. Daarnaast gaat mijn hartelijke dank uit naar: de heer C.J. van Eden (Giesbeek), David Fontijn (Leiden), Aad Groeneweg (Airborne Museum), Hans Houterman (Middelburg), Cor Janse (Rheden), Okko Luursema (Arnhem), Philip Remders (Rheden), Chris van Roekel (Oosterbeek), Martin Sugarman (AJEX, Londen), Hans Timmerman (Gelders Documentatie Centrum, Arnhem), Robert Voskuil (Oosterbeek), Peter Vrolijk (Rotterdam), de familie Th. Ykema .(Oosterbeek), leden van de Zoekgroep en alle bibliothecarissen en archiefmedewerkers die mijn vele vragen hebben beantwoord.
Aanvullingen en reacties zijn welkom en kunnen worden gericht aan de redactie van de Nieuwsbrief.
Llitgaven/bewerkingen/vertalingen van Arnhem Lift
[Hagen, Louis] (January, 1945). Arnhem Lift, Diary of a Glider Pilot. London: Pilot Press.
9

Hagen, Louis (1945). Arnhem. Journal d’ un pilote de planeur. Tr. de 1’anglais par Claire-Eliane Engel. Neuchatel-Paris: Attinger.
Hagen, Louis (1945). Arnhem Lift, Diary of a Glider Pi lot. New York/Toronto: Farrar & Rinehart.
‘Glider Pilot’ (1945). Zweefvlucht naar Arnhem, ‘t Venster op de wereld 2, pp.114-128 [samenvatting].
[Hagen, Louis] Zweefvlucht naar Arnhem [feuilleton in De Renkumse Koerier van 2 oktober 1945 tot en met 20 april 1946].
[Hagen, Louis] (1946). Zweefvlucht naar Arnhem. In Roos van Bergen (Red.), Nederland in den oorlog. Historisch Document met reproducties van officieele stukken, deel 15 en 16. Utrecht: Bruna [samenvatting].
Hagen, Louis E. (1946). Ik vocht om Arnhem, Dagboek van een zweefvliegtuig-piloot. Nijmegen: De Koepel.
Hagen, Luis E. (1946). Discesa su Arnhem. Trad, di E. Billour. Firenze: La Nuova Italia (Document! della crisi europea; 2).
Hagen, Louis E. (1947). Ik vocht om Arnhem, Dagboek van een zweefvliegtuig-piloot. Nijmegen: De Koepel [met foto’s uit de film Theirs is the Glory].
Hagen, Louis E. (1947). Osm dni v Arnhemu; Denik pilota kluzdku. Praha: Na?e vojsko.
Hagen, Louis (1952). Arnhem Lift. London: Brown & Watson (Digit books).
Hagen, Louis (1953). Arnhem Lift. London: Hammond & Hammond. Illustrated by Joseph Deliss; with a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis E. Tegen wil en dank gered na zwemtocht over rivier. Arnhemse Courant, 16 september 1964 [fragment uit Arnhem Lift].
Hagen, Louis (1974). Luchtbrug naar Arnhem. Hoorn: Westfriesland. Met een voorwoord van Sir Frederick A.M. Browning. Illustraties van Joseph Deliss.
Hagen, Louis (1974/1977). Arnhem Lift. London: Futura. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis (1975). The Arnhem Lift. New York: Pinnacle Books. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis (1977). Arnhem Lift. London: Severn House. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning (deze uitgave is eerder gepubliceerd als London: Hammond 1953)
Hagen, Louis (1989). Arnhem dagbok 1944. Oslo: Faktum forlag (illustrert av Joseph Deliss, oversatt av Nils Reming).
Hagen, Louis (1993). Arnhem Lift – and the German Version. A Fighting Glider Pilot Remeinbers. London: Leo Cooper (ook editie van Book Club Associates).
Andere publikaties van Louis Hagen
(1946). hidian Route March. London: Pilot Press.
(1948). Aux Indes, eet autre monde (Indian Route March).
Trad, par S. de la Baume. Paris: Flachette.
(1951). Follow my Leader. London: Wingate.
(1965). The Mark of the Stvaslika. New York: Bantam (heruitgave van Follow my Leader).
(1968). The Secret Warfor Europe. A Dossier of Espionage. London: MacDonald.
(1969). Geschaft ist Geschrift: 9 Deutsche unter Hitler. Hamburg: Merlin. (Follow my Leader)
(1969). Der heimliche Krieg auf deutschen Boden: Seit 1945. Düsseldorf-Wien: Econ (The Secret War for Europe).
(1990). Der Bestsellerparagraph lm Urheberrecht. Baden- Baden: Nomos.
(1995). The Visitors’ Book. Soldier 51/7, pp. 20-21.
(1999). 50 jahre Deutschland: das deutsch-deutsclie Geschichtsbuch von Bild. München: Econ.
Publikaties vertaald en/of bewerkt door Louis Hagen
Peltzer, F. (1953). Maloja Wind. A Novel of Wind, of Weather, and of Flight. London: Hammond & Hammond. Vertaald door Louis Hagen. Oorspronkelijke titel, Malojawind; ein Roman vom Wind, vom Wetter und vom Fliegen. Köln: Volker. 1950.
Plivier, Th. (1954). Berlin. Wien: Desch.
Trilogie met Moskau en Slalingrad, Vertaald door Louis Hagen
Ebermayer, E. & H.O. Meissner (1956). Evil genius. The story of Joseph Goebbels. London: Panther. Oorspronkelijke titel Gefiihrlin des Teufels, Flamburg: Hoffman & Campe, 1952; vertaald en bewerkt door Louis Hagen; eerste Engelse uitgave: Wingate 1953.
Schellenberg, W. (1956). The Schellenberg Memoirs. London: Deutsch. Vertaald en bewerkt door Louis Hagen.
Boeldeke, A. & Louis Hagen (1958). With Graciela to the Head-Hunters. London: Barrie.
Overige bronnen
geraadpleegde archieven
– Airborne Museum ‘Hartenstein’, Oosterbeek
– Gelders Documentatie Centrum (Bibliotheek Arnhem), Arnhem
– Gemeentearchief Renkum, Oosterbeek
– Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Amsterdam
literatuur
Boeree, Th. A. (z.j.). Aan de spoorwegovergang te Wolfheze (typoscript in Documentatiecollectie Gemeentearchief Renkum, dossier GR 6-2-4; origineel in Collectie Boeree, Gemeentearchief Arnhem).
Chatterton, G. (1982). The Wmgs ofPegasus. Nashville: Battery Press.
Cummings, C. [1988]. Arnhem Sacrifice. A miscellany of Information about personnel and units involved in the Baltle of Arnhem 17″‘ to 26,h September 1944. Northampton: Nimbus.
Fairley, J. (1978). Remeinber Arnhem. The Story of the Ist Airborne Reconnaissance Squadron at Arnhem. Aldershot: Pegasus Journal.
Gulmans, J.J. (1995). Operatie Market Garden. In Ch. Klep & B. Schoenmaker (Red.). De bevrijding van Nederland 1944-1945. Oorlog op de flank, pp. 107-160.’s Gravenhage: Sdu.
Hibbert, Chr. (1962). The Baltic of Arnhem. London- Batsford.
Janse, C. (1996). Blik Omhoog 1940-1945: Wolfheze en de Zuid-Veluwe in oorlogstijd. Boek II (september 1944). Zp [Rheden, eigen uitgave].
Kist, ]. & A. Korthals Altes (1977). Opmars naar Nunspeet. Balans van de literatuur over de Slag bij Arnhem. Intermediair 13.25, pp. 9-15.
Kremer, A.W. (1984). Herinneringen aan september 1944. (typoscript).
Kremer-Kingma, A.L.A. (1946). De Stationsweg in de vuurlinie. In Anoniem (Red.), Niet tevergeefs. Oosterbeek ‘s burgers temidden van den strijd der Airbornes September 1944. pp. 113-119. Arnhem: Van Loghum.
McFadyean, M. (2000). Louis Hagen. Wartime torture failed to dim his Creative lust for life. The Guardian, 22 september 2000, p. 22.
Middlebrook, M. (1994). Arnhem 1944. The airborne battle, 17-26 september. London: Viking.
Miller, V. (1994). Nothing is Impossible. A Glider Pilot’s story of Sicily, Arnhem and the Rhine Crossing. Staplehurst: Spellmount.
Roberts, H. (1999). Capture at Arnhem. A diary of disaster & survival. Gloucestershire: Windrush.
Sims, James (1978). Bruggehoofd Arnhem. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck.
Swiecicki, Marek (1945). Wilh the Red Devils al Arnhem. London: MaxLove.
The Eagle Volume 9.. No. 8, april 2001.
Urquhart, R.E. (1958/1960). Arnhem. London: Pan Books.
Voskuil, R.P.G.A. & G. Maassen (1994). Beelden van burgers. Foto’s en films van de Slag om Arnhem, september 1944 (Expositie van 8 september t/m 27 oktober 1994 in het gemeentehuis te Oosterbeek).
Wijnen, H. van (1994). Sprong in de afgrond, Arnhem geofferd aan de ambities van Montgomery. z.p.: Balans.
Noten
1) De persoonlijke informatie is afkomstig uit het overlijdensbericht in The Guardian (McFadyean 2000)., de heruitgave van 1993 en uit de inleidingen bij de interviews in Follow my Leader. Gegevens over zijn militaire loopbaan kunnen ook worden afgeleid uil Arnhem Lift en Indian Route March.
2) Middlebrook citeert Sander Kremer, die ten onrechte vertelt dat Hagen van Oostenrijkse komaf is (Middlebrook 1994, p. 368).
3) Van Wijnen 1994, Hoofdstuk IV, noot 1. Hagen heeft de prins in 1994 nog bezocht (zie Hagen 1995).
4) In Saksen-Anhall aan de Elbe, op ruim 100 km ten zuiden van Berlijn.
5) ‘The army thought it a great name because of the famous First World War general – and my friends because of the even more famous whisky’ (1993, p. 12).
6) Van Wijnen meldt ten onrechte dat Hagen als tolk behoorde tot de eerste verkenningslroepen die op de Ginkelse Heide landden (Van Wijnen 1994, p. 33). Gezien zijn bewoordingen lijkt Van Wijnen deze gegevens te hebben ontleend aan Urquharts beschrijving van de 21st

Independent Parachute Company van Boy Wilson (Urquhart 1958, p. 40; zie ook Middlebrook 1994, p. 33). De verwarring kan mogelijk zijn ontstaan, doordat Hagen in september 1944 samen met leden van deze eenheid is gefotografeerd door de Oosterbeekse mevrouw A.L.A. Kremer-Kingma.
7) De Military Medal wordt toegekend aan onderofficieren en lager personeel voor heldhaftigheid in grondoperaties en staat daarmee gelijk aan het Military Cross voor officieren. Deze onderscheiding kan niet postuum worden gegeven (Cummings zj, p. 105). Van de 28 glider pilots die voor Arnhem zijn voorgedragen, hebben vier uiteindelijk de onderscheiding ontvangen (gegevens Luuk Buist, Oosterbeek).
8) Hagen vermoedt dat de commandant van het Glider Pilot Regiment, Lt.-Col. lain Murray, hem naar India heeft gestuurd vanwege het schrijven van Arnhem Lift (1993, p. 114).
9) Karl Victor was een ‘former officer of the American O.S.S. [Office of Strategie Services, Amerikaanse Militaire Inlichtingendienst] who was killed on the Berlin air lift’ (opdracht Follow my Leader).
10) Zie het verslag hiervan in Nieuwsbrief van de Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek, No. 56, november 1994, p. 6.
u) Een typoscript van dit artikel bevindt zich in het archief van het Airborne Museum ‘Hartenstein’, in het dossier over het G-squadron.
12) The Eagle, het tijdschrift van de Glider Pilot Regimental Association, van april 2001 vermeldt onder het kopje ‘Deceased’ niet meer dan: ‘L Hagen MM, London late 2000.’
13) De eerste titels van Pilot Press dateren uil de jaren 1928- 1930. Nadat er jaren niets is uitgegeven, verschijnen in 1940 veertien litels over de oorlog. Een bijzondere relatie met de War Office ligt voor de hand, gezien het feit dat de uitgever met toestemming van dat departement The Home Guard Training Manual publiceert (bron: website The British Library).
14) In het voorwoord wordt enkel gesproken van ‘goede redenen’, die in de Nederlandse vertaling worden aangeduid als veiligheidsredenen, omdat het nog volop oorlog was toen Hagen begon te schrijven.
15) De oplage per druk is niet bekend.
16) 7 Venster werd in Londen uitgegeven en is alleen in 1945 verschenen. In deze vertaling is overigens een fout gemaakt met de data: het begint op maandag 17 in plaats van maandag 18 september 1944. Met dank aan Flans Houterman (Middelburg) voor de ‘dateringen’ van 7 Venster.
17) Deze vertaling is voorzien van toevoegingen over straatnamen en andere opmerkingen en moet zijn gemaakt door iemand die de situatie in Oosterbeek goed kent.
18) De krant kondigt op 13 november 1945 aan ‘dat na plaatsing van ons feuilleton, deze in brochurevorm zal worden overgedrukt.’ Liet is niet bekend of de aangekondigde brochure daadwerkelijk is verschenen.
19) Fragmenten van deze vertaling staan onder de titel ‘Tegen wil en dank gered na zwemtocht over rivier’ in de Arnhemse Courant van 16 september 1964 in een serie korte verhalen uit oorlogsliteratuur. De maand van uitgave van Ik vocht om Arnhem is gebaseerd op een exemplaar waarin stond geschreven ‘februari 1946’ (met dank aan Okko Luursema, Arnhem).
20) Volgens het overlijdensbericht uit The Guardian vormde Arnhem Lift de basis voor Theirs is the Glory (1946); dit is echter niet herkenbaar in de film (met dank aan Robert Voskuil, Oosterbeek).
21) Deze tekst is niet ontleend aan andere Nederlandse vertalingen. De samenvatting is slordig: zo worden de dagen door elkaar gehaald, Vic heet ineens David en het verhaal eindigt op maandag 2 oktober in plaats van op vrijdag 29 september 1944. Opmerkelijk genoeg bevat deze versie gegevens die noch in Arnhem Lift staan, noch in andere mij bekende Nederlandse vertalingen. Meest bijzonder is de opmerking naar aanleiding van Hagens nachtelijke patrouille: ‘Hun hoofdkwartier ligt anderhalve kilometer verderop, bij het Bovenover.’ Bovenover is een straat in Arnhem op 4 km ten oosten van de Stationsweg; op 1,5 km ten oosten van de Stationsweg ligt het spoorviaduct in de Schelmseweg, maar dat wordt niet Bovenover genoemd.
22) Met dank aan Luuk Buist (Oosterbeek) voor de ligging van Keevil. Hagen heeft het zelf overigens over ‘when I got back to Whitechapel’ (1945, p. 16).
23) Als Duitser begreep Hagen Nederlands, maar sprak het zelf niet, zoals Ans Kremer bevestigt. De betreffende passages zijn onjuist vertaald in de Nederlandse uitgaven: ‘Soon the blokes found out that I could talk to the civilians (…)’ met: ‘De jongens merkten al gauw, dat ik met die mensen in hun taal kon spreken’ (1946, p. 15; wel correct: 1974,p. 21) en ‘(…) probably due to my imperfect knowledge of their language (…)’ met: ‘(…) wellicht te wijten aan mijn gebroken Nederlands’ (1946, p. 15).
24) Ogilvie staat in kilt op een vaak gepubliceerde foto over een jeep gebogen met de rug naar de camera, bijvoorbeeld in Cornelius Ryan’s A Bridge too far (1974) tussen de pagina’s 332 en 333; ook in Janse 1996, p. 646.
25) Hagen zat dus niet in het hoekhuis zoals vaak wordt gedacht. Stationsweg 18 werd in de oorlog bewoond door de familie Van Eden. De zoon herinnert zich dat Ogilvie in hun huis gewond in de geblindeerde achterkamer lag. De heer Van Eden is twintig jaar op zoek geweest naar soldaten die bij hem in huis hebben gezeten. Uiteindelijk heeft hij in The Pegasus Magazine een oproep geplaatst. Na twee jaar reageerde Les Frater hierop, die in het hoekhuis zat. Deze Frater wordt in Middlebrook genoemd (p. 355 en 357; in Chatterton 1982 ten onrechte als Les Foster aangeduid, p. 200-201). De heer Van Eden had in september 2001 nog contact met Les Frater. Met dank aan de heer C.J. van Eden (Giesbeek) en aan de huidige bewoners van het pand, de familie Th. Ykema.
26) Hagen suggereert dat ze op vrijdagochtend al versterking krijgen van Polen die ‘s nachts de Rijn zijn overgestoken. Dit klopt niet, aangezien de Polen pas op zondagochtend aan de Stationsweg arriveerden. Ook de ontmoetingen met Poolse soldaten op zaterdag moeten dus op een later tijdstip hebben plaatsgevonden (met dank aan Geert Maassen, Oosterbeek).
27) Wanneer Ans Kremer in 1984 haar herinneringen op papier zet, vertelt ze dat de soldaat die haar vader aansprak korporaal J.P. Rodley was. Deze John Peter Rodley, 21sl Independent Parachute Company, was ook een Duitse jood en zijn echte naam was Flans Rosenfeld. In Hagens verslag van zijn bezoek in 1994 zegt Ans over dit voorval dat ze er zeker van was, dal het Hagen was toen ze zijn stem weer hoorde;'(…) and I agreed it had to be me’ (blagen 1995).
28) De foto’s zijn beschreven voor de expositie Beelden van Burgers (1994), cat.nr. 146 en 147; ook in Middlebrook 1994, afbeelding 17. Toen Hagen in 1994 deze foto’s kreeg te zien, meende hij pertinent zichzelf niet te herkennen (mededeling Ans Kremer, Oosterbeek).
29) Over het moment dat de Duitsers na de terugtocht van de Britten in haar huis komen, schrijft mevrouw Kremer: ‘Hierop achtte ik het geraden, vóór zij een onderzoek
instelden, de door onze Engelsche vrienden geschreven bladen uil mijn gastenboek te lichten, ze helaas impulsief te verscheuren en ze te verbergen in den oven van de centrale verwarming. (Eenige maanden later kon ik ze daar weer uithalen en zoo goed moogelijk aan elkaar plakken)’ (Kremer-Kingma 1946, p. 119). Dit gastenboek is nog steeds in het bezit van Sander Kremer (Renkum).
30) Letterlijk staat er: uit te zoeken of ‘the houses at the end of our streel opposite the top corner house were occupied by Germans’ (1945, p. 45).
31) Hierbij zou kunnen worden gedacht aan het terrein bij het huis Klein Dennenkamp, aan de noordzijde van de Joubertweg (met dank aan Luuk Buist, Oosterbeek).
32) Vooralsnog zijn er geen geallieerde artilleriebeschietingen in verband te brengen met dit advies van Hagen, ook al merkt hij op dat ze in de loop van zaterdagnacht ondersteuning kregen van de artillerie van over de rivier (Hagen 1945, p. 55); de vraag is ook hoe hij dit kon weten (met dank aan Peter Vrolijk, Rotterdam).
33) Hagen 1945, p. 39; deze zin is weggelaten in de eerste Nederlandse vertaling.
34) Hagen is voorgedragen door Ogilvie ‘who had sent a radio message from the HQ at Oosterbeek recommending me for the award’ (1993, p. 113).
35) Het door Hagen beschreven stuk bos is getraceerd aan de hand van luchtfoto’s (USAF, 17 september 1944, nrs. 212-1 en 213-1; collectie Cor Janse; nr. 213-1 deels afgebeeld in Janse 1996, p. 446). In dit bosperceel is ook het lichaam van Lt. S.R. Smith (D Squadron) gevonden die bij deze aanval sneuvelde (geallieerde coördinaten 699/798). De Zoekgroep heeft hier in augustus 2001 veel Britse patroonhulzen gevonden.
36) Zo kan waarschijnlijk majoor Boy Wilson, de commandant van de 21sl Independent Parachute Company, worden herkend in de officier die de glider pilots bij de evacuatie terugstuurt, omdat zijn groep regelrecht op een Spandau was gelopen en hij dacht de enige overlevende te zijn (Urquharl 1958, p- 180; Hagen 1945, p. 83).
37) De door Hagen als ‘miracleman’ aangeduide zweefvliegtuigpiloot met hoofdwond wordt ook door Frater genoemd (Middlebrook 1994, p. 356 en Chatterton 1982, pp. 199-201).
38) Cor Janse heeft voor Blik Omhoog veel personeelsleden van de stichting geïnterviewd, maar kent geen getuigenissen die dit verhaal kunnen bevestigen. Hagen beschrijft een ontmoeting met de ‘matron’, wat in de Nederlandse vertalingen is aangeduid als ‘directrice’; de stichting kende echter geen vrouwelijke directeur. ‘Matron’ kan echter ook worden vertaald als ‘hoofd van de huishouding’ en slaat dan waarschijnlijk op de huismeesteres, Mej. Tj. Veilenga (geboren 27 april 1890 en overleden omstreeks 1987; met dank aan Cor Janse, Rheden).
39) In hun tussentijdse balans van dertig jaar Arnhem- Jiteratuur (1977) noemen Kist en Korthals Alles Arnhem Lift in één adem met de eveneens in 1945 verschenen With the Red Devils at Arnhem en Bloedende Betuwe en oordelen dat het ‘met de droge naald geëtste understatements zijn’ (Kist & Korthals 1977, p. 15).
40) Hibbert neemt overigens op vele plaatsen letterlijk teksten van Plagen over zonder hem te citeren, zoals bijvoorbeeld passages over de burgers in de kelders en de collaborateur in het buurhuis (Hibbert 1962, pp. 176-178). Hagen is met geïnterviewd door Ryan en Middlebrook.

Louis Edmund Hagen wordt op 30 mei 1916 geboren in Potsdam (Duitsland) als tweede zoon van een bankiersfamilie uit een intellectueel joods milieu. 2) Zijn ouders verkeren met de Berlijnse beau-monde en zijn onder anderen bevriend met die van prins
Bernhard. 3) Zijn vader was als marine-officier onderscheiden in de Eerste Wereldoorlog. De familie heeft een tuinman, een kinderjuffrouw, een kok en een privé boksring waar Louis zelf ook bokst. De vijf kinderen uit het gezin krijgen een vrije opvoeding. Louis wordt altijd ‘Büdi’ genoemd, verkleinwoord van ‘Brüderlein’, broertje. Hij gaat in Potsdam naar een privé-school en naar de middelbare school, waar hij naar eigen zeggen de domkop is (Hagen 1951, p. 289).
Het gezin maakt de opkomst van de nazi’s zeer bewust mee. Louis komt begin 1934 terecht in het concentratiekamp Schloss Lichtenburg bij Torgau 4), omdat hij op een ansichtkaart aan zijn zus Nina een grap had gemaakt over Hitlers bruinhemden, leden van de SA (Sturm Abteilung). De vader van zijn schoolvriend Claus Fuhrmann, partijlid en rechter, weet hem na zes weken vrij te krijgen. Zijn vier jaar oudere broer Karl Viclor vlucht in 1934 het land uit en twee jaar later vertrekt Louis naar Engeland. Uiteindelijk verlaten alle kinderen Duitsland. De ouders blijven achter en vluchten pas in 1941 via de Trans-Siberische spoorlijn naar Japan en daarvandaan naar Amerika.

Louis Hagen.
(portret op de achterkaft van Indian Route March)
Vereniging Vrienden van het Airborne Museum

Na verschillende baantjes te hebben gehad, meldt Hagen zich aan als vrijwilliger voor het leger. Aanvankelijk wordt hij met andere joodse vluchtelingen ingedeeld bij het Pioneer Corps, maar eind 1943 wordt hij toegelaten tot het Glider Pilot Regiment, dat in februari 1942 was gevormd. Alle soldaten van Duitse en Oostenrijkse komaf moeten Engelse namen aannemen om problemen te voor-komen bij een eventuele gevangenneming en Hagen noemt zich Lewis Haig. 5) Na zijn opleiding tot glider pilot wordt hij als co-piloot ingezet bij de Slag om Arnhem, zijn eerste gevechtsactie. 6) Na de slag wordt hij onderscheiden met de Military Medal (MM). 7)
Eind 1944 wordt Hagen naar India gezonden. 8) Nadat hij zes maanden heeft doorgebracht in een legerkamp, volgt een intensief trainingsprogramma. De piloten moeten luchtlandingstroepen van het 14th Army vliegen, maar Japan capituleert voordat ze in actie komen. Na de oorlog werkt hij nog een tijd voor Phoenix, een legerkrant voor de troepen in Zuid-Oost Azië. Hij reist door heel India en wordt daarna uitgezonden naar Birma, Maleisië, Singapore en Siam (nu Thailand). In Indo-China (nu Vietnam) interviewt hij als eerste Westerse journalist FIo Chi Minh. Zijn artikelen over India zijn gebundeld in Indian Route March, waarin hij een beeld geeft van het soldaten¬leven en vooral een zeer gedetailleerde en kritische beschrijving van India, variërend van de stinkende vuilnisbelten van Calcutta en de religieuze festivals tot de geneeskunde en het onafliankelijkheids- vraagstuk. In februari 1946 komt Hagen na veertien maanden terug in Engeland.
Uit nieuwsgierigheid naar het gevallen Derde Rijk keert Hagen zo snel mogelijk na de oorlog terug naar Duitsland. Hij werkt in Berlijn als journalist voor de Sunday Express en voor de tijdschriften John Buil en Country Life. Enkele daarvoor geschreven artikelen gebruikt hij voor zijn boek Follow my Leader, waaraan hij twee jaar heeft gewerkt. Het verschijnt in 1951 en is opgedragen aan zijn gesneuvelde broer Karl Victor. 9) In dit boek beschrijft Hagen het leven in Nazi- Duitsland aan de hand van ervaringen van negen gewone Duitsers. De vier nazi’s, drie niet-nazi’s en twee anti-nazi’s die hij interviewt, zijn allen bekenden van hem. Ook uit enkele boeken die Hagen later heeft vertaald en/of bewerkt, blijkt zijn belangstelling voor Duitsland onder het nazi-regime. Zoals de biografie van Hitlers propaganda-minister Joseph Goebbels (1953) en de memoires van Walter Schellenberg, in de oorlog hoofd van de Buitenlandse Politieke Inlichtingendienst van de Sicherheitsdienst (1956). Verder heeft hij een roman vertaald (1953), een verslag gepubliceerd van een reis door Zuid-Amerika (1958) en een studie gedaan naar spionage in Duitsland tijdens de Koude Oorlog (1968), waarvoor hij twee jaar in München heeft gewoond.
Hagen trouwt in 1950 met de Noorse kunstschilder Anne Mie en krijgt twee dochters: Siri en Caroline. Het gezin woont afwisselend in Londen en in Noorwegen. In 1950 richt hij Primrose Film Productions op, waarmee hij 25 kinderfilms produceert. Hagen is na de oorlog twee keer in Arnhem terug geweest. De eerste keer in 1948 om zijn verloofde de plaatsen te laten zien waar hij heeft gevochten en in 1994 bij de vijftigste herdenking van de Slag om Arnhem. 10) In een artikel vertelt hij, dat hij eigenlijk niet van plan was naar de herdenking te komen: ‘But the idea of parading with hundreds of old veterans like myself wearing rows of medals and red berets did not appeal to me’ (Hagen 1995).1]) Zijn uitgever heeft hem uiteindelijk overgehaald te gaan om de heruitgave van Arnhem Lift te promoten. Louis Hagen overlijdt op 17 augustus 2000 op 84-jarige leeftijd en wordt begraven in Asker bij Oslo. 12) Zijn ongepubliceerde autobiografie wordt mogelijk door zijn weduwe in eigen beheer uitgegeven.
Arnhem Lift: het boek
Hagen beschrijft van dag tot dag zijn ervaringen in de twaalf dagen tussen zijn vertrek uit Engeland en de terugkeer op zijn vliegbasis. Tussen de bespreking van de oorlogshandelingen neemt hij ook enkele overdenkingen op. Nergens uit Arnhem Lift blijkt dat Louis Hagen een dagboek bijhield of aantekeningen maakte. Het kan echter niet worden uitgesloten, want onder de persoonlijke spullen die hij kwijt raakt bij het overzwemmen van de Rijn bevinden zich zijn schrijfbenodigdheden en vulpen. Na terugkomst vat Hagen het idee op zijn ervaringen op papier te zetten, omdat hij er moe van wordt elke keer hetzelfde verhaal te vertellen. Aangespoord door zijn vriendin Dido Milroy schrijft hij het binnen twee weken. Hij legt het verhaal ter goedkeuring voor aan zijn commandant, Lieutenant-Colonel lain Murray, die razend wordt: ‘No Britisher would ever have let his comrades down by writing stuff like this. It Iets down the whole regiment!’ (1993, p. 114). Zonder dat Hagen ervan weet, stuurt zijn vriendin haar exemplaar aan de War Office, dat toestemming geeft voor publikatie. In januari 1945 verschijnt bij Pilot Press 13) in Londen de eerste druk van Arnhem Lift, waarin Hagen om veiligheidsredenen anoniem blijft. u) Hagen zit dan in India en leest in de legerkrant Phoenix dat zijn verhaal is uitgegeven. De tweede en de derde druk volgen respectievelijk in februari en maart en het boekje is in december toe aan de zesde druk.15) Het is net als Indian Route March opgedragen aan zijn vriendin Dido Milroy. Vooralsnog is het onduidelijk wie de ‘C.M.’ is die de inleiding heeft geschreven. Hagen begint zijn verslag met de opmerking: Teder, die met mij in Arnhem heeft gevochten, zou dit verhaal hebben kunnen schrijven. Het mijne is voor de vrienden en verwanten van hen, die niet terugkeerden.’
In Indian Route March vertelt Hagen hoe zijn schrijverschap ter sprake komt op een feest in de residentie van de gouverneur. De dames zijn ‘dressed to kill’ en vijf van hen zijn de eerste blanke vrouwen die de soldaten sinds weken zien. ‘Binnen vijf minuten zag ik me door concurrentie gedwongen om met mijn medaille te gaan zwaaien en te vertellen dat ik een boek had geschreven’, bekent Hagen met enige schroom (p. 27). Dit had succes: hij werd voorgesteld als Sgt. Hagen, M.M., famous author’ en voegt eraan
2

toe ‘that was O.K. by me/ Dat hij in India minstens één exemplaar van zijn boek had, blijkt uit zijn beschrijving van een afspraak met een van de dames. Als Hagen haar boudoir binnenkomt, ligt ze languit op een sofa ‘terwijl ze deed alsof ze mijn boek las’ en zegt ‘Schat, je bent inderdaad een dappere jongen, toch?’ (p. 29). Dit zijn (vooralsnog) de enige bekende verwijzingen naar zijn schrijver-schap tijdens de oorlog.
De eerste Nederlandse vertaling van fragmenten van Hagens verhaal verschijnt in maart of april 1945 in 7 Venster op de vrije wereld, een uitgave van de ‘Amerikaansche, Engelsche en Nederlandsche Voorlichtingsdiensten.’ 16) Dezelfde tekst wordt in 1946 vrijwel geheel opgenomen in Nederland in den oorlog. De Renkumse Koerier plaatst een eigen vertaling van het hele verhaal anoniem onder de titel Zweefvlucht naar Arnhem. 17) Het verschijnt in 43 delen als feuilleton van 2 oktober 1945 tot en met 20 april 1946. 18) In januari of februari 1946 wordt de eerste Nederlandse vertaling in boekvorm uitgegeven door De Koepel in Nijmegen, onder de titel Ik vocht om Arnhem. 19) Bij dezelfde uitgeverij verschijnt een jaar later een uitgave met stills uit de film Theirs is the Glory. 20) Ook de landelijke pers besteedt aandacht aan Hagens verhaal. Onder de kop ‘Het Epos van Arnhem/De slag om de bruggen/Een “Red Devil” doet zijn verhaal’ plaatst De Waarheid op 14 september 1946 een samenvatting van zijn dagboek, overigens zonder de auteur te noemen. 21) Arnhem Lift is verschenen in negen talen, behalve in het Engels en Nederlands onder andere ook in het Frans (1945), Italiaans (1946), Tsjechisch (1947) en Noors (1989).
Op last van de War Office zijn in de eerste Engelse uitgave vrijwel alle passages weggelaten waaruit de Duitse nationaliteit van de auteur zou kunnen worden afgeleid, zoals de opmerking dat Hagen in een concentratiekamp heeft gezeten. De passages waaruit blijkt dat Hagen Duits spreekt, zijn overigens wel gehandhaafd. De censuur blijkt echter verder te gaan: ook kritische opmerkingen van Hagen over de opleiding en over de organisatie van de evacuatie zijn in de eerste uitgaven weggelaten. Verder ontbreken enkele minder positieve passages over Hagen als persoon, zoals de opmerking van een makker over zijn pyjama en Hagens beschrijving van de paniek die hem bevangt bij de evacuatie. Daarnaast zijn er duidelijke verschillen tussen de Engelse tekst en de eerste Nederlandse vertaling. Afgezien van onvolledige of onjuiste vertalingen lijken in de Nederlandse uitgave bepaalde delen bewust te zijn weggelaten, zoals een opmerking over joden-vervolging. De uitroep ‘Trust the Dutch!’ als reactie op het vinden van ingemaakt voedsel in de kelders, werd kennelijk als te schamper ervaren en heeft de Nederlandse vertaling evenmin gehaald. Vreemd genoeg zijn wel de opmerkingen overgenomen over de vele NSB’ers in Oosterbeek en over Nederlandse sluipschutters in burger, die de Britten beschieten. De eerste volledige Engelse uitgave dateert van 1952. De eerste volledige, nieuwe Nederlandse vertaling is in 1974 verschenen bij de dertigste herdenking van de Slag. In 1993 is een Engelse heruitgave uitgegeven, die
is voorzien van een inleiding door Hagen en is aangevuld met de ervaringen van de Duitse majoor Winrich Behr, die tijdens de Slag om Arnhem adjudant was van veldmaarschalk Walter Model, commandant van de Heeresgruppe B. Deze uitgave is niet in het Nederlands verschenen.
Hagens commandant tijdens de Slag om Arnhem, lain Murray, vond het verhaal zoals gezegd een schande, waarschijnlijk vanwege de negatieve uitlatingen over het leger. Dit geldt in ieder geval niet voor Jimmy Plant, een van zijn strijdmakkers die voorkomt in Arnhem Lift. Anders had Plant nooit de titel ervan opgeschreven in het gastenboek van mevrouw Kremer, toen hij op 4 september 1945 terug was in Oosterbeek. In de Engelse pers verschenen lovende besprekingen van het boekje. De achterkaft van Indian Route March vermeldt althans: ‘He became an author almost by accident but his unforced gift for descriptive writing, as unusual as it is refreshing, gained him a tremendous ovation from the reviewers.’ Over de ontvangst van het boek in de Nederlandse pers kan niets worden gezegd, omdat (nog) geen besprekingen bekend zijn. In een typoscript is de overste b.d. Th. A. Boeree zeer kritisch over Arnhem Lift. Hij schrijft hierin: ‘Zelden heb ik zo’n slecht en oppervlakkig boek gezien.’ Zijn kritiek betreft in de eerste plaats de opmerking van Hagen, dat in Nederland geen Ondergrondse heeft bestaan. In de tweede plaats meent Boeree dat Hagen deserteert wanneer hij op 19 september 1944 in de chaos bij Wolfheze op eigen initiatief naar de Rijn trekt. Deze opmerkingen slaan vooral op Plagen zelf en geven geen oordeel over zijn boek

Twee verschillende uitgaven van Arnhem Lift.
(foto: Ruurd Kok)
In de voetsporen van Louis Hagen
In de eerste Engelse uitgave van Hagens boek ontbreekt niet alleen zijn eigen naam, maar ook die van officieren. Zij worden aangeduid als Kapitein Z of Luitenant X en kunnen in de meeste gevallen worden geïdentificeerd. Soldaten worden wel bij name genoemd, meestal alleen met voornaam en soms ook
3

met achternaam. In de Nederlandse vertaling wordt wel Hagens naam vermeld, maar niet die van de officieren. Hagen noemt in zijn verhaal nauwelijks legereenheden, afgezien van het Reconnaissance Squadron (vertaald als ‘Luchtverkenning’) en de K.O.S.B. (King’s Own Scottish Borderers). In het verhaal ontbreken ook namen van terreinen, straten of huizen en komen alleen plaatsnamen voor, zoals Wolfheze en Oosterbeek. Het ontbreken van aanduidingen van personen, eenheden en plaatsen maakt het zeer moeilijk om de ervaringen van Hagen direct te plaatsen. In de heruitgave van 1993 is slechts een deel van deze gegevens aangevuld. Aan de hand van andere bronnen en literatuur over de Slag om Arnhem kunnen de beschreven ervaringen worden gereconstrueerd.
Sergeant Louis Hagen (22 Flight, D Squadron, lst Wing, The Glider Pilot Regiment) vertrekt op maandag 18 september 1944 met een van de eerste toestellen vanaf het vliegveld Keevil, ten oosten van Bath (County Avon). 22) Hij vliegt als tweede piloot van Staff-Sgt. R.A. – Mac – Wheldon op een Horsa- zweefvliegtuig met aan boord drie parachutisten van 156 Battalion (4th Brigade, The Parachute Regiment) en een jeep en trailer vol benzine. Na de geslaagde landing op landingszone X (LZ-X) ten westen van de Jonkershoeve rijden ze met hun jeep naar het station Wolfheze, dat het verzamelpunt is voor de zweefvliegtuigpiloten. Ze worden enthousiast ontvangen in de nabijgelegen Stichting Wolflieze (een inrichting voor psychiatrische patiënten), ondanks het geallieerde bombardement van de vorige dag. Aangezien Hagen zich verstaanbaar kan maken, treedt hij op als tolk. 23) In de verwarring die hier heerst, wordt hij plotseling toegejuicht als prins Bernhard. Het misverstand kon waarschijnlijk ontstaan, doordat voortdurend naar de prins werd geïnformeerd en Hagen het Nederlands niet goed begreep.
Tegen de avond verschijnen de officieren van hun Flight en krijgen de piloten opdracht langs de Johannahoeveweg ten noorden van het spoor richting Arnhem te trekken. Ze vormen de achterhoede van de opmars van 156 Battalion. De opmars stagneert, terwijl uil de richting van de stad toenemend vuur is te horen. De voorhoede is langs de Dreyenseweg op tegenstand gestuit (Middlebrook 1994, p. 252). Tegen twee uur ‘s nachts krijgen ze opdracht terug te keren. Na de helft van de afgelegde afstand terug te hebben gelopen, graven ze zich in langs de spoorlijn. Dinsdagochtend tegen 10 uur worden ze aangevallen door ongeveer vijftien Duitse jachtvliegtuigen. Hierna krijgen ze bevel een bos en heuvels te zuiveren. Deze aanval is in de literatuur bekend geworden als de actie bij de Dreyenseweg en heeft als doel de hoger gelegen gronden van de Lichtenbeek te veroveren. De aanval wordt afgeslagen door eenheden van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’, die stellingen hebben betrokken langs de genoemde weg als deel van de zogenaamde Sperrlinie Spindler. Hagen maakt deel uit van een groep van dertig piloten van D Squadron, die is toegevoegd aan A Company van 156 Battalion (Middlebrook 1994, p. 255). Die
compagnie voert de hoofdaanval uit over de Dreyenseweg. Twee officieren van 22 Flight, Captain I.C. Muir en Lieutenant S.R. Smith, bevinden zich m het midden van de formatie en Hagen is de buitenste man op de linkerflank. De groep glider pilots wordt beschoten vanuit een vooruitgeschoven Duitse mitrailleurstelling en de beide officieren raken gewond, van wie Smith dodelijk.
De mitrailleurstelling bevindt zich op de oostelijke helling van een dal aan de westzijde van de Dreyenseweg. In zijn eentje bestormt Hagen die positie en gaat op twintig meter afstand in dekking. De Duitsers weten dat hij er zit, maar durven hun stelling niet te verlaten. Hij hoort hun geruzie een tijdje aan en beseft hoe slecht het moreel is. Als hij probeert terug te keren naar de Britten, wordt hij van beide kanten beschoten. Minstens twee soldaten zien hem terug komen uit de richting van de Duitse stelling ‘shouting some gibberish about where Jerry was’ zoals een van hen beschrijft (Middlebrook 1994, p. 259). Hagen brengt verslag uit aan een officier van 156 Battalion en neemt daarna stelling in aan een bosrand. Hij is net bezig thee te zetten, als tegen vier uur op Johannahoeve (LZ-L) de eerste gliders landen met materiaal voor de le Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade. Direct breekt het Duitse afweergeschut los: ‘Er was maar één woord voor: hulpeloos en ik geloof dat dit woord nimmer op vreselijker wijze gedemonstreerd werd’ (1946, p. 23). Omdat de Britse troepen omsingeld dreigen te raken, krijgen ze bevel terug te trekken naar Wolflieze. In de chaos die daar op de spoorwegovergang heerst, besluit Hagen op eigen initiatief richting de Rijn te lopen om veilig te zijn voor de Duitsers. Hij realiseert zich dat het niet juist is wat hij doet, De groep bestaat uit twintig man, grotendeels van zijn eigen Flight. Behalve zijn makker Dodd keert de rest onderweg terug naar Wolflieze en Hagen heeft hen niet meer leruggezien. In de schemering worden de twee opgepikt door jeeps van A Troop van het Reconnaissance Squadron (Fairley 1978, p. 107), waarschijnlijk langs de Wolfhezerweg. Tegen donker bereiken ze het hoofdkwartier van die verkenningseenheid aan de westzijde van de Oranjeweg tegenover hotel Hartenstein, waarin inmiddels het hoofdkwartier van de luchtlandings-divisie is ondergebracht. Ze brengen de nacht door in een loopgraaf bij het hoofdkwartier van het Reconnaissance Squadron.
Om 6.30 uur woensdagochtend gaan Hagen en Dodd met mannen van het Reconnaissance Squadron op patrouille richting Dreyensebrug bij het station Oosterbeek-Hoog (Fairley 1978, pp. 111-114; ook Hibbert 1962 p. 136). Ze maken deel uit van 3 Section van A Troop (Lieutenant Graham Wadsworth) die langs de oostkant van de Stationsweg optrekt door de bossen van het landgoed Dennenkamp. Op de Stationsweg stuiten ze op een Duits gemotoriseerd kanon dat met infanterie van de Dreyenseweg af komt. ‘Een schietende tank, die al maar nader komt, is het vreselijkste ding, dat je je kunt voorstellen en ik geloof dat ik nooit weer zo bang ben geweest als in die ogenblikken. Ik geloof dat een tank juist daardoor
4

zo’n vervaarlijk wapen is’ (1946, p. 26). Een deel van de patrouille weet per jeep te ontkomen, maar Hagen en Dodd blijven in het bos achter. Ze proberen te ontkomen en verstoppen zich in een mestkuil achter een van de huizen in de noordoosthoek van het kruispunt Stationsweg/Utrechtseweg. Nadat ze in het struikgewas een paar uur een beschieting hebben afgewacht, weet een Britse patrouille ze te bereiken en brengt ze terug richting het hoofdkwartier van de glider pilots. Onderweg vindt in het bos een vuurgevecht plaats met een groep Duitsers bij een ommuurd huis, waarschijnlijk het landhuis Dennenkamp. Hagen meldt zich op Hartenstein bij hel hoofdkwartier van het Glider Pilot Regiment en vindt uiteindelijk zes man van zijn eigen Flight.

Stationsweg 18 in 1941.
(collectiefamilie Th. Ykeina)
Na een zware mortieraanval op Hartenstein meldt Hagen zich donderdagochtend als vrijwilliger voor een patrouille, die huizen en tuinen moet zuiveren in een huizenblok tegenover Hartenstein. Nadat ze enkele Duitsers hebben verdreven, krijgen ze opdracht huizen langs de Stationsweg te bezetten. Deze weg vormt dan de oostelijke grens van de inmiddels gevormde perimeter. Hier blijven ze tot de terugtocht over de Rijn op maandagnacht. In eerste instantie bezetten ze alleen de hoekhuizen aan de Utrechtseweg en aan de Paul Krugerstraat. Hagens groep bezet het huis op de noord westhoek van het kruispunt met de Utrechtseweg. De bevelvoerend officier is Captain James Ogilvie (‘kapitein Z’), een stevige Schot met een indrukwekkende snor, die altijd in kilt is. Behalve Ogilvie bestaat de groep uit vijf officieren en vijftig zweefvliegtuigpiloten. De piloten hebben de woningen nauwelijks betrokken of ze worden beschoten vanuit het bos aan de overzijde van de Stationsweg. Ze besluiten elk tweede huis te bezetten, barricaderen de ramen met meubilair en leggen verbindingsloopgraven aan tussen de huizen, zodat ze zich ongezien kunnen verplaatsen. Hagen brengt de nacht door in het hoekhuis aan de Utrechtseweg.
Op vrijdagochtend arriveren versterkingen, die een deel van de huizen overnemen van de glider pilots. De piloten bezetten de zes huizen van de Paul Krugerstraat naar beneden en Ogilvie vestigt zijn hoofdkwartier in het derde huis van boven (Stationsweg 14/16). Hagen blijft het merendeel van de tijd in het huis Stationsweg 18, het tweede huis vanaf de hoek. 25) Enkele huizen worden bezet door Poolse soldaten. 26) Taalproblemen zorgen geregeld voor gevaarlijke situaties, wanneer de Britten langs de Poolse huizen moeten. In de loop van de vrijdagochtend maken de glider pilots voor het eerst kennis met een Duits gemotoriseerd kanon dat de Stationsweg afkomt. Dit wordt een elke ochtend terugkerend ritueel dat deel uitmaakt van zware aanvallen op de perimeter, de zogenaamde morning hate. Samen met Lieutenant K.F. Strathem (‘luitenant X’) brengt Hagen op zolder een Piat (anti-tank wapen) in stelling. Door een gat in het dak kunnen ze het kanon telkens ongezien onder vuur nemen. Ondanks een materieel overwicht durven de Duitsers geen directe aanval te doen op de Britten. In gevechtspauzes verschijnen ambulances om gewonden op te halen en verbeteren de glider pilots hun stellingen. Op deze momenten wordt in de huizen aan de Stationsweg ook opgeruimd en wordt eten verzameld uil de kelders. Plagen gaat samen met Sgt. Stan Graham alle kelders langs en het is zeer waarschijnlijk tijdens deze tocht dat hij ook het huis aandoet van de familie Kremer, Stationsweg 8.
De toen elfjarige zoon Sander beschrijft later het angstige moment dat Hagen als eerste op zijn vader afstapt en vraagt ‘Sprechen Sie deutsch?’ (Middlebrook 1994, p. 368). 27) Zijn zusje Ans zet grote ogen op als ze voor het eerst mannen in kilt ziet. Hun moeder maakt foto’s van de soldaten en laat ze haar gastenboek tekenen; zij vertelt hierover: ‘De latere schrijver van het bekende “Arnhem Lift” (dat speciaal over deze omgeving handelt) was ook dadelijk bereid aan dit verzoek te voldoen, evenals Sgt Graham, die in z’n boek genoemd wordt. Tegelijkertijd nam ik de gelegenheid te baat een kiek van hen te nemen, terwijl hun kameraden in de vlakbij zijnde loopgraven de Duitschers bevochten’ (Kremer-Kingma 1946, p. 115). Mevrouw Kremer heeft twee foto’s gemaakt van een groep van negen soldaten voor haar huis. Plagen staat achter de meest linker soldaat die het gastenboek en de pen in de hand heeft. 28) Hagen schrijft in dit boek: ‘I do hope & beleave that the mess we made of the your lovely house was worth while + good luck for a happier future’ en ondertekent met Lewis Haig (in: Kremer-Kingma 1946).29) Plet is opvallend dat Plagen zelf met geen woord rept over de eerste ontmoeting met de vader of over het maken van de foto’s.
Onder het avondeten wordt Hagen bij Ogilvie geroepen met de vraag of hij op patrouille wil gaan. Captain Ogilvie heeft van Brigadier Plackett en Lieutenant-Colonel Murray opdracht gekregen uit te zoeken waar de Duitsers hun materiaal verzamelen en of de huizen langs de Paul Krugerstraat in Duitse handen zijn.30) Hagen gaat die nacht twee keer met Graham op patrouille en ontdekt de plaats waar de Duitsers ‘s nachts hun materieel en troepen terug¬
5

trekken. Het is een groot open terrein dat bij een landhuis lijkt te horen. Hij beschrijft twee reusachtige eiken met een bankje rond de stam en een heuvel. Deze plek moet worden gezocht in het huizenblok Stationsweg/Mariaweg/Paul Krugerstraat, maar is (nog) niet getraceerd. 31) Zaterdagochtend brengt Hagen op Hartenstein verslag uit aan Hackett, die het bevel voert over het oostelijk deel van de perimeter. Hij maakt de brigadier nijdig door met zijn vieze vinger op een stafkaart te wijzen. Hagen adviseert hem desgevraagd artilleriebeschietingen uit te voeren achter het bos van de Dennekamp, omdat het materieel daarvandaan lijkt te komen en het ontdekte strong-point zelf te dicht bij de Britse posities is. 32) Zaterdagnacht gaat Hagen nog een keer naar Hartenstein op zoek naar munitie.
De zondag verloopt redelijk rustig na de gebruikelijke ochtendaanvallen, waarbij Hagen aan zijn hand gewond raakt. Bij een aanval in de avondschemering werpt Hagen al zijn handgranaten naar binnen in het buurhuis op de hoek van de Paul Krugerstraat, waarbij zijn makkers op het nippertje aan de dood ontsnappen. Zondagnacht meldt Hagen zich weer met Ogilvie op Hartenstein om hun positie door te geven. Maandagmiddag krijgen de soldaten te horen dat ze zich de komende nacht moeten terugtrekken over de Rijn. Voor hun deel van de perimeter is het moment van vertrek vastgesteld op kwart over tien. Via Hartenstein volgen ze de westelijke route, langs de Kneppelhoutweg. Hagen blijft tijdens de hele tocht bij Ogilvie, die gewond is aan zijn arm. In de regen bereiken ze de Rijnoever, waar ze met een steeds groter wordende groep wachten om te worden overgezet. De situatie is wanhopig: ze worden beschoten en er is geen boot te zien. Hagen besluit samen met de kapitein over te zwemmen. Hij gooit halverwege in paniek al zijn spullen weg, maar bereikt veilig de overkant. Daar ontdekt hij dat hij Ogilvie is kwijtgeraakt. Pas in Engeland hoort Plagen dat hij is verdronken, waarschijnlijk omdat zijn kilt zich vol water zoog (Middlebrook 1994, p. 435).
Met een ambulance wordt Hagen naar Nijmegen gebracht, waar de manschappen weer op krachten kunnen komen. Op donderdagochtend vertrekt hij per konvooi naar Leuven en wordt op vrijdag daarvandaan naar Engeland gevlogen. In de avond van vrijdag 29 september 1944 is Hagen terug op het vliegveld Keevil na twaalf dagen te zijn weggeweest. De hutten zijn nog precies zoals de piloten ze hebben achtergelaten en met vier man kijken ze naar de achttien lege bedden. Terugdenkend aan de zeven dagen in Oosterbeek eindigt Hagen zijn verhaal met de woorden: ‘Ineens drong het tot me door, dat ik nu een zuiver beeld had van mezelf. Deze zeven dagen hadden me zeven jaren ervaring en zelfvertrouwen gegeven. Ik wist nu wie ik was … toen viel ik in slaap’ (1946, p. 96).
De persoon Louis Hagen
Door de beschrijvingen leren we Louis Hagen als persoon kennen en ontstaat een beeld hoe hij de strijd
heeft ervaren. Uiteraard is dit beeld vrijwel geheel gebaseerd op zijn eigen woorden Overigens blijkt uit verschillende passages, dat hij niet aarzelde om ook zijn zwakheden en mindere kanten aan het papier toe te vertrouwen. Slechts één passage toont hoe anderen hem zien Op Hartenstein komt Hagen een soldaat tegen over wie hij vertelt: ‘mij schold hij steeds uit voor ‘oud wijf’ en ‘juffrouw Hagen’, omdat ik ‘s nachts in pyjama sliep en nooit vloekte (1974, p. 89, ook Hibbert 1962, p. 187) / ‘calling me ‘la-di-da’ and ‘Miss Hagen’ because I wore pyjamas and did not swear’ (1993, p. 52). Dit wijst erop dat Hagen zijn goede opvoeding zelfs in het leger niet verloochende.
Louis Hagen komt naar voren als iemand die snel actie onderneemt zonder daarvan eerst de consequenties te overzien. Lijdzaam de situatie afwachten ligt niet in zijn aard. Zo vertelt hij bijvoorbeeld dat hij tijdens een patrouille ongeduldig wordt over de trage voortgang (1946, p. 32). Hij schrijft over zichzelf dat hij als schooljongen al graag uitdagingen aanging (‘taking dares’, 1993, p. 5). Door deze eigenschap lijkt hij verschillende keren degene te zijn die het initiatief neemt. Zo besluit hij bij de terugtocht op dinsdag 19 september 1944 bijvoorbeeld om niet in Wolfheze te wachten, maar richting de Rijn te lopen. Ook neemt hij het initiatief bij het organiseren van de versterking van de huizen aan de Stationsweg. Bij de evacuatie is hij opnieuw degene die het uitzichtloze van de situatie inziet en besluit over te zwemmen. Dat zijn ondoordachte initiatieven soms tot roekeloos gedrag leiden, blijkt bijvoorbeeld wanneer hij in z’n eentje een Duitse stelling bestormt: ‘En ik zwoer, dat, wanneer ik nog ooit uit deze hachelijke situatie zou worden verlost, ik nooit van mijn leven weer zo vervloekt stom zou doen’ (1946, p. 19). Wanneer hij enkele dagen later aan de Stationsweg handgranaten bij een huis naar binnen gooit en het blijkt dat zijn eigen kameraden daar zitten, verzucht hij daarentegen: ‘Nooit van mijn leven ben ik zó dankbaar geweest, dat ik een domkop was’ (1946, p. 75). Hagen had z’n granaten namelijk te snel gegooid, zodat z’n makkers ze nog naar buiten konden gooien en zo aan de dood ontsnapten.
Hagen lijkt zichzelf niet als een denker te beschouwen. In Follow my Leader interviewt hij zijn vroegere schoolvriend Claus Fuhrmann, de slimste van de klas, die hem – de domkop – hielp bij de lessen, terwijl hij Claus als bodyguard beschermde (p. 289)’ Het zelf gekozen beeld van de domkop lijkt echter moeilijk te rijmen met het feit dat hij in zijn boeken niet alleen beschrijvingen geeft van gebeurtenissen, maar ook beschouwingen opneemt. Uit Indian Route Mnrch blijken duidelijk zijn brede belangstelling en observatievermogen. In Follow my Leader probeert hij voor zichzelf de vraag te beantwoorden hoe het Derde Rijk heeft kunnen gebeuren. Ook in Oosterbeek gaat hij op onderzoek uit. Hij doorzoekt twee huizen van NSB’ers en rapporteert hierover op zaterdag aan Wolters, de Nederlandse inlichtingenofficier op Hartenstein.
Uit verschillende passages blijkt hoe Hagen omging met het feit dat hij als Duitser tegen Duitsers vocht.

Enkele glider pilots en soldaten van de 21st Independent Parachute Company, achter het pand Stationsweg S te Oosterbeek, 22 september 1944; Hagen staat linksachter, half verscholen achter de man met het gastenboek in de hand.
(foto mw. A.L.A. Kremer-Kingma; collectie Ans Kremer)
Deze ontbreken in de uitgaven waarin zijn Duitse nationaliteit niet bekend mocht worden gemaakt. Bij de aanval op de Dreyenseweg probeert hij geestdriftig te worden en de vijand te haten. Hij realiseert zich dat hem dat wellicht makkelijker afgaat dan de anderen. Hij hoeft in zijn herinnering maar het beeld op te roepen van de vernedering van een joodse klasgenoot en van een katholieke geestelijke in het concentratiekamp Torgau. Hierdoor voelt hij zich in staat het op te nemen tegen alles wat Duits is. Wanneer Hagen bij die aanval voor het Duitse mitrailleurnest in dekking ligt te luisteren, gruwt hij van het Duits dat hij hoort snauwen. Dat geen sprake is van blinde haat tegen zijn landgenoten blijkt wanneer hij tijdens een gevechtspauze aan de Stationsweg de oorlog overdenkt: ‘Persoonlijk verfoeide ik de oorlog en ik moest telkens aan de vrienden en familieleden van de gesneuvelde terugdenken. Ik ken de Duitsers maar al te goed en ik heb hen de gemeenste en meest bestiale dingen zien uithalen. Ik weet dat er miljoenen joden en andere politieke tegenstanders werden uitgemoord, maar ik vind het niet prettig zelf een ander levend wezen pijn te doen of te doden. Maar als ze me dwingen te vechten wordt het iets anders en dan ga ik er helemaal

in op, dan denk ik niet na over de gevolgen die mijn daden hebben’ (1974, pp. 65-66). 33)
Behalve deze overdenkingen vertrouwt Hagen ook zijn angsten en andere emoties aan het papier toe. Openhartig beschrijft hij zijn ontzetting over het Duitse luchtafweergeschut waarin de Poolse gliders terecht komen en de angst die hij voelt voor het gemotoriseerde kanon. Zo beschrijft hij ook de misselijkmakende paniek die zich van hem meester maakt, wanneer hij bij de evacuatie wordt aangeklampt door gewonden die bang zijn te worden achtergelaten. Juist deze angst blijkt de drijfveer te zijn voor zijn acties aan de Stationsweg, waarvoor hij de Military Medal heeft gekregen. 34) Wanneer Hagen bij een bezoek aan Hartenstein de vermoeide soldaten in de loopgraven ziet, realiseert hij zich dat dit eigenlijk de ware helden zijn van de Slag om Arnhem. Zijn eigen handelen relativerend denkt hij: ‘Het was wel erg moedig om je vrijwillig te melden voor een patrouille door vijandelijk gebied of om sleutel¬posities aan het front te verdedigen, maar ik weet heel goed dat ik me die donderdag niet vrijwillig opgaf uit louter moed of haat tegen de Duitsers en ook niet uit een zeker gevoel van plichtsbetrachting. Dat deed ik uit angst door het voortdurende bombardement mijn zelfbeheersing te verliezen’ (1974, p. 88).
Doordat Hagen ook eerlijk zijn stommiteiten en zwakheden beschrijft, lijkt er geen reden te zijn om aan te nemen dat hij zichzelf in Arnhem Lift beter voordoet dan hij in werkelijkheid is. De soms onwaarschijnlijke voorvallen waarin hij verzeild raakt, lijken verklaard te kunnen worden uit zijn ongeduld en soms ook uit roekeloosheid.
Betrouwbaarheid
Hagen heeft het hele verhaal uit zijn herinnering moeten opschrijven. Dit betekent dat de betrouwbaarheid ervan kan zijn beperkt door de selectieve werking van het geheugen. Aangezien het verhaal direct na terugkomst in Engeland op papier is gezel, mag worden aangenomen dat deze vertekeningen minimaal zijn. Aan de andere kant zou Hagen het verhaal bewust kunnen hebben aangepast, bijvoorbeeld om de leesbaarheid te vergroten of om zijn eigen rol te benadrukken. Het is daarom zaak om de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van zijn beschrijvingen te onderzoeken.
De nauwkeurigheid van zijn beschrijvingen blijkt al uit het feit dat het merendeel van Hagens ervaringen letterlijk is na te lopen. Hij geeft nauwkeurige beschrijvingen van locaties, te beginnen met het uitzicht op het landingsterrein tijdens de landing. Zo is het dal langs de Dreyenseweg, waar hij de Duitse mitrailleurstelling bestormt, bijvoorbeeld terug te vinden aan de hand van zijn beschrijvingen en luchtfoto’s uit die dagen. 35) Dat de soldaten zich tijdens de strijd vaak niet bewust moeten zijn geweest van de plaats, blijkt bijvoorbeeld uit de opmerking dat hij woensdagmiddag uiteindelijk Oosterbeek bereikt, terwijl hij daar al lang is. Vreemd genoeg gaat het fout
7

wanneer hij afstanden vermeldt. Zo schrijft hij dat de kruising Stationsweg/Utrechtseweg op vier mijl (ruim 6400 m) ten oosten van Hartenstein ligt, terwijl het in werkelijkheid ongeveer 350 m is. Bij de evacuatie noemt hij eveneens een afstand van vier mijl tot de Rijn, terwijl het vanaf Hartenstein hooguit 1500 m naar de rivier is. Slechts enkele plaatsen uit Arnhem Lift zijn nog niet gelokaliseerd, waaronder de nauwkeurig beschreven heuvel bij de Stationsweg waar de Duitsers ‘s nachts hun troepen en materieel terugtrekken. Ook de identiteit van een groot aantal genoemde personen kan uit de context worden afgeleid, zoals van Ogilvie, Strathern, Hackett en Wolters. In de heruitgave van 1993 zijn enkele van deze namen toegevoegd. Ook niet bij name vermelde personen kunnen soms met enige moeite worden geïdentificeerd. 36)
Dat de beschreven plaatsen en personen kloppen, wil nog niet zeggen dat de beschreven handelingen ook werkelijk zo zijn gebeurd. Terecht kan ook de vraag worden gesteld of Hagen de beschreven acties allemaal zelf heeft meegemaakt. Een aantal van zijn ervaringen maakt in eerste instantie zelfs een zeer onwaarschijnlijke indruk, met name zijn solo-acties. De meeste hiervan kunnen echter uit andere bronnen worden bevestigd, zoals die bij de Dreyenseweg, het oppikken door het Reconnaissance Squadron en de patrouille op woensdagochtend. De ervaringen van Hagen aan de Stationsweg kunnen worden vergeleken met getuigenissen van andere glider pilots uit de straat. Les Frater zat bijvoorbeeld in het hoekhuis en beschrijft hoe een sergeant overstuur is, nadat hij handgranaten in het huis van z’n eigen makkers heeft geworpen (Chatterton 1982, pp. 200- 201). Deze sergeant is Hagen en dit bevestigt de door hem genoemde stommiteit (1993, pp. 69-70). 37) Slechts enkele passages kunnen (vooralsnog) niet worden geverifieerd, zoals het mooie verhaal dat Hagen in Wolfheze wordt aangezien voor prins Bernhard. Hiervoor is nog geen enkele aanwijzing gevonden. 38) Omgekeerd zijn gebeurtenissen bekend waarbij Hagen was betrokken, maar waarover hij met geen woord rept, zoals de ontmoeting met de familie Kremer aan de Stationsweg.
Uit andere bronnen blijkt, dat er vergissingen in Hagens verslag zijn geslopen. Dit kan ook haast niet anders, gezien de hectiek van de gebeurtenissen en het feit dat het verhaal achteraf is geschreven. Hagen meldt bijvoorbeeld dat ze op vrijdagochtend versterking kregen van de Polen, terwijl deze pas op zondagochtend op de Stationsweg arriveerden. Ook uit vergelijking met andere getuigenissen blijkt, dat er verschillen zijn. Zo kan het ook haast niet kloppen dat Hagen maandagochtend 25 september als rustig beschrijft (1945, p. 79), terwijl Frater in het huis ernaast op diezelfde morgen zware aanvallen meldt (Chatterton 1982, p. 201). Ook de zaterdagochtend was volgens Hagen rustig, terwijl diverse andere verslagen het tegenovergestelde vermelden voor dit deel van de perimeter. Verder vertelt Hagens makker Vic Wade, dat Hagen maandagmiddag met twee kapiteins van Hartenstein terugkomt met informatie over de evacuatie (Chatterton 1982, p. 203). Hagen
beschrijft zelf hoe ze die maandag lang in het ongewisse bleven, nadat Ogilvie met een andere kapitein naar het divisiehoofdkwartier was geweest (1945, p. 79). Het is overigens nog maar de vraag welke van de genoemde verslagen de juiste weergave biedt. De vergissing van een tijdstip is begrijpelijk, zeker gezien het feit dat Hagen uit zijn herinnering schreef. Overigens kunnen andere door hem genoemde tijdstippen wel worden bevestigd. Dergelijke vergissingen lijken de betrouwbaarheid van Hagens verhaal dan ook niet aan te tasten. Concluderend kan worden gesteld dat plaatsen en handelingen zeer nauwkeurig zijn beschreven, maar dat het tijdstip waarop de handelingen zich hebben afgespeeld, niet altijd klopt.
De voordracht voor de Military Medal lijkt ook een bevestiging te vormen voor enkele beschreven handelingen. Deze voordracht luidt:
14623981 Sergeant Lewis Flaig. ‘Through the action at Arnhem, 19lh to 25lh September 1944, Sergeant Flaig showed outstanding leadership and example to the men. He volunteered continuously for patrolling and after hard fighting each day carried ammunition through enemy fire during the hours of darkness. Inspite of being injured whilst firing a bren gun he refused to leave his post. At all times he was a fine example by his complete disregard for his personnel safety. He instilled great confidence to the other ranks and was in large measure responsible for keeping the enemy away from the positions held’ (Cummings zj, p. 144).
De patrouilles en het ophalen van munitie worden inderdaad door Hagen zelf beschreven. De genoemde verwonding stelde volgens hem zelf overigens niet veel voor: een ader in zijn hand was door een splinter geraakt (1945, p. 72). Flierdoor ontstaat de indruk dat Ogilvie, die Hagen heeft voorgedragen, de feiten misschien iets te positief heeft weergegeven. Een rol speelt hierbij mogelijk de bijzondere band tussen Hagen en Ogilvie, die op meerdere plaatsen uit Arnhem Lift blijkt.
Betekenis
Tot slot de vraag naar het belang van Arnhem Lift. De grootste betekenis ervan ligt ongetwijfeld in het feit dat dit boekje een groot publiek het eerste realistisch beeld gaf van de strijd. Dit geldt voor het Engelse lezerspubliek en vooral voor de burgers van Oosterbeek die zich midden in het strijdtoneel bevonden. Door de publikatie als feuilleton in De Renkumse Koerier bereikte Hagens verhaal bovendien een grote groep lezers. De betekenis ervan zou echter nooit zo groot zijn geweest, wanneer Hagen niet een zeer duidelijk en vooral herkenbaar beeld had geschetst van vertrouwde plaatsen in Oosterbeek en omgeving.
Daarnaast is Arnhem Lift door de persoonlijke beschrijvingen een waardevol ego-document, dat inzicht geeft in het functioneren van de schrijver tijdens de gevechtshandelingen. Uit het boek blijkt

duidelijk wat Hagen als soldaat bewogen heeft de dingen te doen, die hij heeft gedaan. Angst blijkt zijn grootste drijfveer. De beschreven reacties en emoties zijn weliswaar zeer persoonlijk, maar parallellen ervoor zijn te vinden in verslagen van andere soldaten. Een mooi voorbeeld is Hagens onverwachte reactie in de benarde situatie voor het Duitse mitrailleurnest bij de Dreyenseweg: ‘Ik vroeg me zelf af, of ik nu niet moest bidden, hetgeen ieder ander in mijn hopeloze positie zou gedaan hebben. Maar ik kon niet in de vereiste stemming raken en keek toe, om me zelf te kalmeren, hoe een kolonie mieren ongestoord voortging met haar drukke, systematische bezigheden’ (1946, p. 20).
Ook soldaat James Sims (2nd Para Battalion) bestudeert mieren wanneer hij in dekking ligt (Sims 1978, p. 64), de Poolse oorlogscorrespondent Marek Swiecicki observeert twee wormen waarmee hij zijn loopgraaf deelt (Swiecicki 1945, p. 33) en Ll. Harry Roberts (Royal Electrical and Mechanical Engineers) ligt gewond op de grond ‘studying the beautiful woodgrain on the rifle butt and breathing in the faint smell of oil, as if it was an aphrodisiac’ (Roberts 1999, p. 27). De bestudering van kleine dingen lijkt even de aandacht af te kunnen leiden van het oorlogsgeweld om hen heen. Hiermee lijkt een stukje van de psyche van de soldaat te zijn blootgelegd. Ook andere reacties van Hagen blijken zeer herkenbaar, zoals het opladen voor een aanval door de vijand te haten, de patrouille als afleiding en de tank die meer angst inboezemt dan vliegtuigen. Arnhem Lift blijkt hiermee een waardevol document voor de studie naar bevindingen van de individuele soldaat. Bijzonder is bovendien, dat het is geschreven door een Duitser die tegen zijn landgenoten vocht.
Aangezien Hagens beschrijvingen over het algemeen nauwkeurig en betrouwbaar blijken te zijn, kan ook worden bekeken welke betekenis Arnhem Lift heeft voor onze kennis over de Slag om Arnhem. Deze beperkt zich uiteraard tot de plekken, ervaringen en gesprekken waarover Hagen schrijft. Het boek geelt bijvoorbeeld een duidelijk beeld van het goede moreel onder de Britse troepen in tegenstelling tot dat van de Duitsers. Dit blijkt niet alleen uit beschreven observaties, maar ook uit verschillende gesprekken die Hagen voert met gewonde of krijgsgevangen Duitsers. Het boek geeft echter ook een kritische kijk op de opleiding van de glider pilots en van hun optreden. Het feit dat Hagen herhaalde malen initiatief kon nemen, wijst op het ontbreken van leiderschap en initiatief. Dit vormt een bevestiging van het vaker gesignaleerde gebrek aan initiatie! bij Britse (onder)officieren (Gulmans 1995, p. 158). Dit zal waarschijnlijk de voornaamste reden zijn geweest voor het vernietigende oordeel van Hagens commandant Murray. Arnhem Lift geeft ook inzicht in de organisatie van de Britse verdediging in de noordoosthoek van de perimeter en van e organisatie van de Duitse aanvallen daarop. Zo was de ligging van het door Hagen ontdekte Duitse strong-point een nog onbekend gegeven
Deze gegevens zijn achterhaald dooi een nauwkeurige studie van de tekst en door vergelijking
met andere bronnen. Vooral de acties van Hagen die nog niet aan de hand van andere bronnen zijn getoetst, zijn het waard om nader te worden onderzocht. Juist die handelingen zouden nieuwe informatie kunnen opleveren. Deze potentie van Arnhem Lift lijkt nog door weinig auteurs te zijn onderkend. 39) Hibberts The Batlle of Arnhem (1962) is voor zover bekend het enige boek dat Hagen uitgebreid citeert. 40) Eén opmerking roept een belangwekkende vraag op, die de Slag om Arnhem overstijgt. Hoe kon Hagen in september 1944 al weten dat ‘er miljoenen joden en andere politieke tegenstanders werden uitgemoord’ (1974, p. 65). Hij heeft in 1934 weliswaar zelf in een concentratiekamp gezeten, maar dit verklaart niet dat hij op de hoogte is van de massale vernietiging waartoe in 1942 op de Wannsee-konferenz werd besloten.
Louis Hagen was een van de vele soldaten die bij Arnhem hebben gevochten en hij is ook een van de velen die daarover hebben geschreven. Alhoewel hij toen niet heeft kunnen weten dat hij de eerste was in een lange rij, relativeert hij zijn verhaal met de opmerking dat iedereen die in Arnhem heeft gevochten een dergelijk verhaal verteld zou kunnen hebben. Zonder andere schrijvende veteranen te kort te willen doen, blijkt het toch juist Hagens heldere en beschrijvende pen die Arnhem Lift zo bijzonder maakt.

Woord van dank
Deze Ministory kon ik alleen schrijven door de bereid¬willige medewerking van een groot aantal mensen. Vier personen wil ik graag in het bijzonder noemen. Allereerst de twee dames die me in hun persoonlijk verleden lieten graven: Anne Mie, de weduwe van Louis Hagen en Ans Kremer, die hem als klein meisje al heeft ontmoet. Verder de twee heren die ik voortdurend heb mogen lastig vallen: mijn gids in de wereld van Arnhem-vorsers Geert Maassen (Gemeentearchief Renkum) en glider-expert Luuk Buist (Oosterbeek), die nog door hem te publiceren gegevens beschikbaar stelde. Daarnaast gaat mijn hartelijke dank uit naar: de heer C.J. van Eden (Giesbeek), David Fontijn (Leiden), Aad Groeneweg (Airborne Museum), Hans Houterman (Middelburg), Cor Janse (Rheden), Okko Luursema (Arnhem), Philip Remders (Rheden), Chris van Roekel (Oosterbeek), Martin Sugarman (AJEX, Londen), Hans Timmerman (Gelders Documentatie Centrum, Arnhem), Robert Voskuil (Oosterbeek), Peter Vrolijk (Rotterdam), de familie Th. Ykema .(Oosterbeek), leden van de Zoekgroep en alle bibliothecarissen en archiefmedewerkers die mijn vele vragen hebben beantwoord.
Aanvullingen en reacties zijn welkom en kunnen worden gericht aan de redactie van de Nieuwsbrief.
Llitgaven/bewerkingen/vertalingen van Arnhem Lift
[Hagen, Louis] (January, 1945). Arnhem Lift, Diary of a Glider Pilot. London: Pilot Press.
9

Hagen, Louis (1945). Arnhem. Journal d’ un pilote de planeur. Tr. de 1’anglais par Claire-Eliane Engel. Neuchatel-Paris: Attinger.
Hagen, Louis (1945). Arnhem Lift, Diary of a Glider Pi lot. New York/Toronto: Farrar & Rinehart.
‘Glider Pilot’ (1945). Zweefvlucht naar Arnhem, ‘t Venster op de wereld 2, pp.114-128 [samenvatting].
[Hagen, Louis] Zweefvlucht naar Arnhem [feuilleton in De Renkumse Koerier van 2 oktober 1945 tot en met 20 april 1946].
[Hagen, Louis] (1946). Zweefvlucht naar Arnhem. In Roos van Bergen (Red.), Nederland in den oorlog. Historisch Document met reproducties van officieele stukken, deel 15 en 16. Utrecht: Bruna [samenvatting].
Hagen, Louis E. (1946). Ik vocht om Arnhem, Dagboek van een zweefvliegtuig-piloot. Nijmegen: De Koepel.
Hagen, Luis E. (1946). Discesa su Arnhem. Trad, di E. Billour. Firenze: La Nuova Italia (Document! della crisi europea; 2).
Hagen, Louis E. (1947). Ik vocht om Arnhem, Dagboek van een zweefvliegtuig-piloot. Nijmegen: De Koepel [met foto’s uit de film Theirs is the Glory].
Hagen, Louis E. (1947). Osm dni v Arnhemu; Denik pilota kluzdku. Praha: Na?e vojsko.
Hagen, Louis (1952). Arnhem Lift. London: Brown & Watson (Digit books).
Hagen, Louis (1953). Arnhem Lift. London: Hammond & Hammond. Illustrated by Joseph Deliss; with a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis E. Tegen wil en dank gered na zwemtocht over rivier. Arnhemse Courant, 16 september 1964 [fragment uit Arnhem Lift].
Hagen, Louis (1974). Luchtbrug naar Arnhem. Hoorn: Westfriesland. Met een voorwoord van Sir Frederick A.M. Browning. Illustraties van Joseph Deliss.
Hagen, Louis (1974/1977). Arnhem Lift. London: Futura. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis (1975). The Arnhem Lift. New York: Pinnacle Books. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning.
Hagen, Louis (1977). Arnhem Lift. London: Severn House. With a forew. by Sir Frederick A.M. Browning (deze uitgave is eerder gepubliceerd als London: Hammond 1953)
Hagen, Louis (1989). Arnhem dagbok 1944. Oslo: Faktum forlag (illustrert av Joseph Deliss, oversatt av Nils Reming).
Hagen, Louis (1993). Arnhem Lift – and the German Version. A Fighting Glider Pilot Remeinbers. London: Leo Cooper (ook editie van Book Club Associates).
Andere publikaties van Louis Hagen
(1946). hidian Route March. London: Pilot Press.
(1948). Aux Indes, eet autre monde (Indian Route March).
Trad, par S. de la Baume. Paris: Flachette.
(1951). Follow my Leader. London: Wingate.
(1965). The Mark of the Stvaslika. New York: Bantam (heruitgave van Follow my Leader).
(1968). The Secret Warfor Europe. A Dossier of Espionage. London: MacDonald.
(1969). Geschaft ist Geschrift: 9 Deutsche unter Hitler. Hamburg: Merlin. (Follow my Leader)
(1969). Der heimliche Krieg auf deutschen Boden: Seit 1945. Düsseldorf-Wien: Econ (The Secret War for Europe).
(1990). Der Bestsellerparagraph lm Urheberrecht. Baden- Baden: Nomos.
(1995). The Visitors’ Book. Soldier 51/7, pp. 20-21.
(1999). 50 jahre Deutschland: das deutsch-deutsclie Geschichtsbuch von Bild. München: Econ.
Publikaties vertaald en/of bewerkt door Louis Hagen
Peltzer, F. (1953). Maloja Wind. A Novel of Wind, of Weather, and of Flight. London: Hammond & Hammond. Vertaald door Louis Hagen. Oorspronkelijke titel, Malojawind; ein Roman vom Wind, vom Wetter und vom Fliegen. Köln: Volker. 1950.
Plivier, Th. (1954). Berlin. Wien: Desch.
Trilogie met Moskau en Slalingrad, Vertaald door Louis Hagen
Ebermayer, E. & H.O. Meissner (1956). Evil genius. The story of Joseph Goebbels. London: Panther. Oorspronkelijke titel Gefiihrlin des Teufels, Flamburg: Hoffman & Campe, 1952; vertaald en bewerkt door Louis Hagen; eerste Engelse uitgave: Wingate 1953.
Schellenberg, W. (1956). The Schellenberg Memoirs. London: Deutsch. Vertaald en bewerkt door Louis Hagen.
Boeldeke, A. & Louis Hagen (1958). With Graciela to the Head-Hunters. London: Barrie.

Overige bronnen
geraadpleegde archieven
– Airborne Museum ‘Hartenstein’, Oosterbeek
– Gelders Documentatie Centrum (Bibliotheek Arnhem), Arnhem
– Gemeentearchief Renkum, Oosterbeek
– Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Amsterdam
literatuur
Boeree, Th. A. (z.j.). Aan de spoorwegovergang te Wolfheze (typoscript in Documentatiecollectie Gemeentearchief Renkum, dossier GR 6-2-4; origineel in Collectie Boeree, Gemeentearchief Arnhem).
Chatterton, G. (1982). The Wmgs ofPegasus. Nashville: Battery Press.
Cummings, C. [1988]. Arnhem Sacrifice. A miscellany of Information about personnel and units involved in the Baltle of Arnhem 17″‘ to 26,h September 1944. Northampton: Nimbus.
Fairley, J. (1978). Remeinber Arnhem. The Story of the Ist Airborne Reconnaissance Squadron at Arnhem. Aldershot: Pegasus Journal.
Gulmans, J.J. (1995). Operatie Market Garden. In Ch. Klep & B. Schoenmaker (Red.). De bevrijding van Nederland 1944-1945. Oorlog op de flank, pp. 107-
10

160.’s Gravenhage: Sdu.
Hibbert, Chr. (1962). The Baltic of Arnhem. London- Batsford.
Janse, C. (1996). Blik Omhoog 1940-1945: Wolfheze en de Zuid-Veluwe in oorlogstijd. Boek II (september 1944). Zp [Rheden, eigen uitgave].
Kist, ]. & A. Korthals Altes (1977). Opmars naar Nunspeet. Balans van de literatuur over de Slag bij Arnhem. Intermediair 13.25, pp. 9-15.
Kremer, A.W. (1984). Herinneringen aan september 1944. (typoscript).
Kremer-Kingma, A.L.A. (1946). De Stationsweg in de vuurlinie. In Anoniem (Red.), Niet tevergeefs. Oosterbeek ‘s burgers temidden van den strijd der Airbornes September 1944. pp. 113-119. Arnhem: Van Loghum.
McFadyean, M. (2000). Louis Hagen. Wartime torture failed to dim his Creative lust for life. The Guardian, 22 september 2000, p. 22.
Middlebrook, M. (1994). Arnhem 1944. The airborne battle, 17-26 september. London: Viking.
Miller, V. (1994). Nothing is Impossible. A Glider Pilot’s story of Sicily, Arnhem and the Rhine Crossing. Staplehurst: Spellmount.
Roberts, H. (1999). Capture at Arnhem. A diary of disaster & survival. Gloucestershire: Windrush.
Sims, James (1978). Bruggehoofd Arnhem. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck.
Swiecicki, Marek (1945). Wilh the Red Devils al Arnhem. London: MaxLove.
The Eagle Volume 9.. No. 8, april 2001.
Urquhart, R.E. (1958/1960). Arnhem. London: Pan Books.
Voskuil, R.P.G.A. & G. Maassen (1994). Beelden van burgers. Foto’s en films van de Slag om Arnhem, september 1944 (Expositie van 8 september t/m 27 oktober 1994 in het gemeentehuis te Oosterbeek).
Wijnen, H. van (1994). Sprong in de afgrond, Arnhem geofferd aan de ambities van Montgomery. z.p.: Balans.
Noten
’) De persoonlijke informatie is afkomstig uit het overlijdensbericht in The Guardian (McFadyean 2000)., de heruitgave van 1993 en uit de inleidingen bij de interviews in Follow my Leader. Gegevens over zijn militaire loopbaan kunnen ook worden afgeleid uil Arnhem Lift en Indian Route March.
2) Middlebrook citeert Sander Kremer, die ten onrechte vertelt dat Hagen van Oostenrijkse komaf is (Middlebrook 1994, p. 368).
3) Van Wijnen 1994, Hoofdstuk IV, noot 1. Hagen heeft de prins in 1994 nog bezocht (zie Hagen 1995).
4) In Saksen-Anhall aan de Elbe, op ruim 100 km ten zuiden van Berlijn.
5) ‘The army thought it a great name because of the famous First World War general – and my friends because of the even more famous whisky’ (1993, p. 12).
6) Van Wijnen meldt ten onrechte dat Hagen als tolk behoorde tot de eerste verkenningslroepen die op de Ginkelse Heide landden (Van Wijnen 1994, p. 33). Gezien zijn bewoordingen lijkt Van Wijnen deze gegevens te hebben ontleend aan Urquharts beschrijving van de 21st

Independent Parachute Company van Boy Wilson (Urquhart 1958, p. 40; zie ook Middlebrook 1994, p. 33). De verwarring kan mogelijk zijn ontstaan, doordat Hagen in september 1944 samen met leden van deze eenheid is gefotografeerd door de Oosterbeekse mevrouw A.L.A. Kremer-Kingma.
7) De Military Medal wordt toegekend aan onderofficieren en lager personeel voor heldhaftigheid in grondoperaties en staat daarmee gelijk aan het Military Cross voor officieren. Deze onderscheiding kan niet postuum worden gegeven (Cummings zj, p. 105). Van de 28 glider pilots die voor Arnhem zijn voorgedragen, hebben vier uiteindelijk de onderscheiding ontvangen (gegevens Luuk Buist, Oosterbeek).
8) Hagen vermoedt dat de commandant van het Glider Pilot Regiment, Lt.-Col. lain Murray, hem naar India heeft gestuurd vanwege het schrijven van Arnhem Lift (1993, p. 114).
9) Karl Victor was een ‘former officer of the American O.S.S. [Office of Strategie Services, Amerikaanse Militaire Inlichtingendienst] who was killed on the Berlin air lift’ (opdracht Follow my Leader).
10) Zie het verslag hiervan in Nieuwsbrief van de Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek, No. 56, november 1994, p. 6.
u) Een typoscript van dit artikel bevindt zich in het archief van het Airborne Museum ‘Hartenstein’, in het dossier over het G-squadron.
12) The Eagle, het tijdschrift van de Glider Pilot Regimental Association, van april 2001 vermeldt onder het kopje ‘Deceased’ niet meer dan: ‘L Hagen MM, London late 2000.’
13) De eerste titels van Pilot Press dateren uil de jaren 1928- 1930. Nadat er jaren niets is uitgegeven, verschijnen in 1940 veertien litels over de oorlog. Een bijzondere relatie met de War Office ligt voor de hand, gezien het feit dat de uitgever met toestemming van dat departement The Home Guard Training Manual publiceert (bron: website The British Library).
14) In het voorwoord wordt enkel gesproken van ‘goede redenen’, die in de Nederlandse vertaling worden aangeduid als veiligheidsredenen, omdat het nog volop oorlog was toen Hagen begon te schrijven.
15) De oplage per druk is niet bekend.
16) 7 Venster werd in Londen uitgegeven en is alleen in 1945 verschenen. In deze vertaling is overigens een fout gemaakt met de data: het begint op maandag 17 in plaats van maandag 18 september 1944. Met dank aan Flans Houterman (Middelburg) voor de ‘dateringen’ van 7 Venster.
17) Deze vertaling is voorzien van toevoegingen over straatnamen en andere opmerkingen en moet zijn gemaakt door iemand die de situatie in Oosterbeek goed kent.
18) De krant kondigt op 13 november 1945 aan ‘dat na plaatsing van ons feuilleton, deze in brochurevorm zal worden overgedrukt.’ Liet is niet bekend of de aangekondigde brochure daadwerkelijk is verschenen.
19) Fragmenten van deze vertaling staan onder de titel ‘Tegen wil en dank gered na zwemtocht over rivier’ in de Arnhemse Courant van 16 september 1964 in een serie korte verhalen uit oorlogsliteratuur. De maand van uitgave van Ik vocht om Arnhem is gebaseerd op een exemplaar waarin stond geschreven ‘februari 1946’ (met dank aan Okko Luursema, Arnhem).
20) Volgens het overlijdensbericht uit The Guardian vormde Arnhem Lift de basis voor Theirs is the Glory (1946); dit is echter niet herkenbaar in de film (met dank aan Robert Voskuil, Oosterbeek).
11

21) Deze tekst is niet ontleend aan andere Nederlandse vertalingen. De samenvatting is slordig: zo worden de dagen door elkaar gehaald, Vic heet ineens David en het verhaal eindigt op maandag 2 oktober in plaats van op vrijdag 29 september 1944. Opmerkelijk genoeg bevat deze versie gegevens die noch in Arnhem Lift staan, noch in andere mij bekende Nederlandse vertalingen. Meest bijzonder is de opmerking naar aanleiding van Hagens nachtelijke patrouille: ‘Hun hoofdkwartier ligt anderhalve kilometer verderop, bij het Bovenover.’ Bovenover is een straat in Arnhem op 4 km ten oosten van de Stationsweg; op 1,5 km ten oosten van de Stationsweg ligt het spoorviaduct in de Schelmseweg, maar dat wordt niet Bovenover genoemd.
22) Met dank aan Luuk Buist (Oosterbeek) voor de ligging van Keevil. Hagen heeft het zelf overigens over ‘when I got back to Whitechapel’ (1945, p. 16).
23) Als Duitser begreep Hagen Nederlands, maar sprak het zelf niet, zoals Ans Kremer bevestigt. De betreffende passages zijn onjuist vertaald in de Nederlandse uitgaven: ‘Soon the blokes found out that I could talk to the civilians (…)’ met: ‘De jongens merkten al gauw, dat ik met die mensen in hun taal kon spreken’ (1946, p. 15; wel correct: 1974,p. 21) en ‘(…) probably due to my imperfect knowledge of their language (…)’ met: ‘(…) wellicht te wijten aan mijn gebroken Nederlands’ (1946, p. 15).
24) Ogilvie staat in kilt op een vaak gepubliceerde foto over een jeep gebogen met de rug naar de camera, bijvoorbeeld in Cornelius Ryan’s A Bridge too far (1974) tussen de pagina’s 332 en 333; ook in Janse 1996, p. 646.
25) Hagen zat dus niet in het hoekhuis zoals vaak wordt gedacht. Stationsweg 18 werd in de oorlog bewoond door de familie Van Eden. De zoon herinnert zich dat Ogilvie in hun huis gewond in de geblindeerde achterkamer lag. De heer Van Eden is twintig jaar op zoek geweest naar soldaten die bij hem in huis hebben gezeten. Uiteindelijk heeft hij in The Pegasus Magazine een oproep geplaatst. Na twee jaar reageerde Les Frater hierop, die in het hoekhuis zat. Deze Frater wordt in Middlebrook genoemd (p. 355 en 357; in Chatterton 1982 ten onrechte als Les Foster aangeduid, p. 200-201). De heer Van Eden had in september 2001 nog contact met Les Frater. Met dank aan de heer C.J. van Eden (Giesbeek) en aan de huidige bewoners van het pand, de familie Th. Ykema.
26) Hagen suggereert dat ze op vrijdagochtend al versterking krijgen van Polen die ‘s nachts de Rijn zijn overgestoken. Dit klopt niet, aangezien de Polen pas op zondagochtend aan de Stationsweg arriveerden. Ook de ontmoetingen met Poolse soldaten op zaterdag moeten dus op een later tijdstip hebben plaatsgevonden (met dank aan Geert Maassen, Oosterbeek).
27) Wanneer Ans Kremer in 1984 haar herinneringen op papier zet, vertelt ze dat de soldaat die haar vader aansprak korporaal J.P. Rodley was. Deze John Peter Rodley, 21sl Independent Parachute Company, was ook een Duitse jood en zijn echte naam was Flans Rosenfeld. In Hagens verslag van zijn bezoek in 1994 zegt Ans over dit voorval dat ze er zeker van was, dal het Hagen was toen ze zijn stem weer hoorde;'(…) and I agreed it had to be me’ (blagen 1995).
28) De foto’s zijn beschreven voor de expositie Beelden van Burgers (1994), cat.nr. 146 en 147; ook in Middlebrook 1994, afbeelding 17. Toen Hagen in 1994 deze foto’s kreeg te zien, meende hij pertinent zichzelf niet te herkennen (mededeling Ans Kremer, Oosterbeek).
29) Over het moment dat de Duitsers na de terugtocht van de Britten in haar huis komen, schrijft mevrouw Kremer: ‘Hierop achtte ik het geraden, vóór zij een onderzoek
instelden, de door onze Engelsche vrienden geschreven bladen uil mijn gastenboek te lichten, ze helaas impulsief te verscheuren en ze te verbergen in den oven van de centrale verwarming. (Eenige maanden later kon ik ze daar weer uithalen en zoo goed moogelijk aan elkaar plakken)’ (Kremer-Kingma 1946, p. 119). Dit gastenboek is nog steeds in het bezit van Sander Kremer (Renkum).
30) Letterlijk staat er: uit te zoeken of ‘the houses at the end of our streel opposite the top corner house were occupied by Germans’ (1945, p. 45).
31) Hierbij zou kunnen worden gedacht aan het terrein bij het huis Klein Dennenkamp, aan de noordzijde van de Joubertweg (met dank aan Luuk Buist, Oosterbeek).
32) Vooralsnog zijn er geen geallieerde artilleriebeschietingen in verband te brengen met dit advies van Hagen, ook al merkt hij op dat ze in de loop van zaterdagnacht ondersteuning kregen van de artillerie van over de rivier (Hagen 1945, p. 55); de vraag is ook hoe hij dit kon weten (met dank aan Peter Vrolijk, Rotterdam).
33) Hagen 1945, p. 39; deze zin is weggelaten in de eerste Nederlandse vertaling.
34) Hagen is voorgedragen door Ogilvie ‘who had sent a radio message from the HQ at Oosterbeek recommending me for the award’ (1993, p. 113).
35) Het door Hagen beschreven stuk bos is getraceerd aan de hand van luchtfoto’s (USAF, 17 september 1944, nrs. 212-1 en 213-1; collectie Cor Janse; nr. 213-1 deels afgebeeld in Janse 1996, p. 446). In dit bosperceel is ook het lichaam van Lt. S.R. Smith (D Squadron) gevonden die bij deze aanval sneuvelde (geallieerde coördinaten 699/798). De Zoekgroep heeft hier in augustus 2001 veel Britse patroonhulzen gevonden.
36) Zo kan waarschijnlijk majoor Boy Wilson, de commandant van de 21sl Independent Parachute Company, worden herkend in de officier die de glider pilots bij de evacuatie terugstuurt, omdat zijn groep regelrecht op een Spandau was gelopen en hij dacht de enige overlevende te zijn (Urquharl 1958, p- 180; Hagen 1945, p. 83).
37) De door Hagen als ‘miracleman’ aangeduide zweefvliegtuigpiloot met hoofdwond wordt ook door Frater genoemd (Middlebrook 1994, p. 356 en Chatterton 1982, pp. 199-201).
38) Cor Janse heeft voor Blik Omhoog veel personeelsleden van de stichting geïnterviewd, maar kent geen getuigenissen die dit verhaal kunnen bevestigen. Hagen beschrijft een ontmoeting met de ‘matron’, wat in de Nederlandse vertalingen is aangeduid als ‘directrice’; de stichting kende echter geen vrouwelijke directeur. ‘Matron’ kan echter ook worden vertaald als ‘hoofd van de huishouding’ en slaat dan waarschijnlijk op de huismeesteres, Mej. Tj. Veilenga (geboren 27 april 1890 en overleden omstreeks 1987; met dank aan Cor Janse, Rheden).
39) In hun tussentijdse balans van dertig jaar Arnhem- Jiteratuur (1977) noemen Kist en Korthals Alles Arnhem Lift in één adem met de eveneens in 1945 verschenen With the Red Devils at Arnhem en Bloedende Betuwe en oordelen dat het ‘met de droge naald geëtste understatements zijn’ (Kist & Korthals 1977, p. 15).
40) Hibbert neemt overigens op vele plaatsen letterlijk teksten van Plagen over zonder hem te citeren, zoals bijvoorbeeld passages over de burgers in de kelders en de collaborateur in het buurhuis (Hibbert 1962, pp. 176-178). Hagen is met geïnterviewd door Ryan en Middlebrook.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.