MINISTORY 72
HANS ERTL, KRIEGSBERICHTER
door Bob Gerritsen

In het dagblad de Gelderlander van zaterdag 28 oktober 2000 stond een kort bericht dat Hans Ertl op 23 oktober was overleden. Wie was Hans Ertl, en waarom is het antwoord op die vraag voor de leden van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum interessant om te weten?
Ertl maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van een Duitse eenheid van oorlogsverslaggevers. In de jaren dertig werkte hij al als cameraman mee aan diverse propagandafilms voor het Derde Rijk. In 1935 was hij een van de filmers ten behoeve van een documentaire over het Duitse leger: ‘Tag der Freiheit – Unsere Wehrmacht’. Hel jaar daarop, tijdens de Olympische Spelen in Berlijn, werkte hij voor Leni Riefenstahl, die van Hitler de opdracht gekregen had om daarover een film te maken. Deze documentaire wordt ook nu nog als een van de meesterstukken van de propagandafilm gezien. In een interview met Reuters (13 april 1999) vertelde Ertl:
‘Leni was een kleine vrouw, die een grote hoed droeg, en charmant gekleed was. Ze ging naar Hitler toe, en gaf hem een kus, terwijl de menigte juichte. Hermann Göring gaf Hitler een kleine spiegel, en veegde de lippenstift van zijn gezicht. Ik heb dit alles toen gefilmd, maar werd direct belaagd door de SS, die de film in beslag wilde nemen. Leni Riefenstahl heeft dit kunnen voorkomen.’
In 1939 trof Ertl met zijn medewerker Robert Dahlmeier voorbereidingen voor een film die hij in Zuid-Amerika zou gaan opnemen. De ‘Deutsche Filmgesellschaft’ in Berlijn zou voor de financiering zorgen van deze expeditie. De Chileense partner zou de benodigde deviezen beschikbaar stellen, en tevens voor de figuranten zorgen. Maar het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verhinderde dat. Ertl en Dahlmeier moesten zich melden om hun diensttijd te vervullen. Na eerst een militaire opleiding gevolgd te hebben, werden zij op 1 januari 1940 ingedeeld bij de ‘Propaganda-Ersatz-Kompanie Potsdam’. Hun eerste overplaatsing was naar het ‘Infanterie-Nachrichten- regiment 501’ dat in Trier gelegerd was. Deze uit 40 man bestaande eenheid telde o.a. chauffeurs, technici en soldaten, en zou later een ‘Propaganda- Kompanie’ vormen.
Op 10 mei 1940 gingen Ertl en Dahlmeier op weg naar Echternach bij de Duits-Luxemburgse grens, waar zij de aanval op België en Frankrijk zouden filmen. Samen trokken ze achter de Duitse troepen aan, en maakten opnamen van de verovering van Frankrijk.

Hans Ertl in Libië, 1941.
(Foto uit ‘Hans Ertl als Kriegsberichter, 1939-1945’)

Nadat ze in juni de aanval op Duinkerken hadden vastgelegd, vertrokken ze naar Parijs om daar de intocht van de Duitse troepen te filmen. Het Ministerie van Propaganda had besloten om een documentaire te laten maken met de veelzeggende titel ‘Overwinning in het westen’. Het idee was om een pijl, die de Duitse troepen moest voorstellen, over een kaart van Nederland, België en Frankrijk te laten gaan, en bij de plaatsnamen filmopnamen van de gevechtshandelingen te laten zien. Aangezien de filmers in die tijd nog dim gezaaid waren, ontbraken van belangrijke militaire acties bewegende beelden. Omdat ook geen films van de tegenstanders buitgemaakt waren, moesten deze alsnog gemaakt worden.
Ertl en enkele andere filmers en geluidsmensen werden naar de Maginotlinie gestuurd om in de bunkers opnamen te maken. De Franse soldaten die hier oorspronkelijk gevochten hadden, werden uit de krijgsgevangenkampen gehaald, en moesten de gevechten nog eens voor de documentaire overdoen. Daarna gingen de filmers naar het fort Eben Emael, bij de Nederlands-Belgische grens. Oberfeldwebel Bord- steffen van het Sturmpionier-Bataillon Mikosch beschreef hoe hij met rubber boten met zijn eenheid het fort veroverde. Hij was speciaal door zijn commandant voor deze filmopnamen naar Eben Emael gestuurd. Direct hierna, op 30 juli, ontving Hans Ertl het Ijzeren Kruis II voor de opnamen die hij tijdens de veldtocht in Frankrijk gemaakt had.
De documentaire was in januari 1941 klaar, en de commandant van de propaganda troepen, Oberst Von Wedel, arrangeerde een voorstelling voor Hitler. Ertl schrijft hierover in zijn boek ‘Hans Ertl als Kriegsberichter, 1939 -1945’:

‘Op 20 januari werd de film in de bioscoopruimte in de Rijksdag in het bijzijn van alle makers vertoond. Hitler begroette ons vriendelijk, en vroeg ons waar we vandaan kwamen, en wat ons aandeel in de film was. Hij was zeer enthousiast over de film omdat hij zich herkende in zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog.’

Op 8 maart 1941 werden Hans Ertl en de fotograaf Eric Borchert met een geheimzinnige order naar een vliegveld gebracht, en van hieruit vlogen zij naar Rome. De volgende dag ging de reis naar Sicilië, en in een konvooi van 12 transport-vliegtuigen naar Afrika. De opdracht was om de krijgsverrichtingen in het noorden van dat werelddeel te filmen. Nadat de transportvliegtuigen op een vliegveld bij Tripoli waren geland, werden beide mannen naar hotel ‘Huanda’ gebracht. In de hal herkende Erwin Rommel hem, en de volgende dag moest hij direct mee om filmopnamen te maken. Hij kende de veldmaarschalk van filmvoorstellingen waar zijn documentaires vertoond werden. Hans Ertl heeft vervolgens veel van Rommels successen in Afrika gefilmd.
In november 1941 kwam het bericht dat Ertl zich in Berlijn moest melden. Daar aangekomen kreeg hij van zijn nieuwe chef, eerste luitenant Swatlo-Gesterding, in het hoofdkwartier van het Oberkommando der Wehrmacht / Wehrmachtpropaganda V (OKW/ W.Pr.V) te horen dat hel beeld dat in de journaals van Erwin Rommel gecreëerd was, niet voldeed aan de wensen van het hoofd van generale staf, Franz Halder. Deze had een intrige tegen Rommel opgezet, omdat hij vond dat de daden van de generaals in de veldtocht in Rusland onderbelicht werden. Dus werd Hans Ertl als een soort strafoverplaatsing naar dal land gestuurd.
De cameramensen van een propaganda-eenheid werkten met de standaard verstrekte Arriflex film-camera, die door batterijen aangedreven werd. Ertl gebruikte liever zijn eigen toestel, een Bell & Howell – Typ Eyemo, dal een veermechanisme had. Het voordeel van deze camera was dat hij niet steeds de batterijen moest meeslepen. Deze hingen aan de riem, en bleven hangen aan takken of draad bij het onder vuur naar voren kruipen. Omdat de accu s ook niet altijd dicht waren, werden broeken en achterwerken vaak door accuzuur aangevreten. Dit heeft Ertl meerdere keren aan het propaganda-hoofdkwartier laten weten, maar de verantwoordelijke heren waren hier niet gevoelig voor.
Na op verschillende fronten in Rusland gefilmd te hebben, ging hij in oktober 1943 op verlof naar zijn familie in München. Hier liep hij een verwonding aan zijn nek op bij een geallieerd bombardement. Tol februari 1944 verbleef hij in een ziekenhuis, en in maart van dat jaar kreeg hij bevel om zich te melden bij het hoofdkwartier van de ‘Heeresgruppe B’, die in Frankrijk gelegerd was.
In dat land heeft Ertl vele bezoeken van generaals aan het hoofdkwartier van Rommel (toen commandant van de Heeresgruppe B) vastgelegd, maar ook de visites die de veldmaarschalk bracht aan de Atlantik Wall.
Toen op 6 juni 1944 de geallieerde invasie in Normandië begon, was er volop te filmen. Het front breidde zich langzaam maar zeker naar het noorden uit Op 10 september van dat jaar kwam Ertl in Nederland aan. Zijn groep, die o.a. bestond uit de journalisten eerste luitenant (Siemens von Podewils en luitenant Hans Gert von Esebeck, geluidsman Heini Glieman, fotograaf sergeant Fred Rieder, hun chauffeur Vandenhövel, en de fotograaf/assistent sergeant Roberl Dahlmeier, had de intrek genomen in een boerderij in Arcen, Limburg, waar ze een kleine werkkamer hadden.
Vijf dagen later kregen ze opdracht om zich in de buurt van de staf van het hoofdkwartier van veld-maarschalk Walter Model te vestigen. Die (inmiddels commandant van de Heeresgruppe B) had zijn intrek genomen in hotel ‘de Tafelberg’ in Ooslerbeek. De propaganda-eenheid vond noordwestelijk van Wolfheze (aan de Duitsekampweg) onderdak in een grote schuur van een boerderij. Ertl beschrijft het in zijn eerder genoemde boek als volgt:

‘Ikzelf vond 100 meter hiervandaan, richting Wolfheze, in een kleine villa onderkomen, waar ik van een vriendelijk onderwijzersechtpaar op de eerste verdieping een nette kamer met balkon kreeg. Van hieruit liep een trap naar de groente-tuin, en zodoende kon ik het huis in en uit gaan zonder de eigenaar te storen.’ (waarschijnlijk was dit het huis aan de Duitsekampweg waar het echt-paar Van Delden woonde. -BG-)

Op de ochtend van 17 september 1944 was er veel activiteit in de lucht. Dit was de voorbereiding op de geallieerde luchtlandingen die gingen plaatsvinden. In Wolfheze werden woonhuizen, het psychiatrische ziekenhuis en hol blindeninstituut door Amerikaanse bommen geraakt. Een paar uur daarna kwamen de sleep toestellen met de zweefvliegtuigen, en vervol-gens de Da kola’s met parachutisten.

De adem stokte me in de keel bij het zien van al die vliegtuigen. Uit de nog geopende deuren hin-gen de bekende witte lijnen, en aan de hemel zweefden soldaten aan donker gekleurde para-chutes. Terwijl ze naar beneden kwamen, gooiden ze granaten die op de grond explodeerden.

Vijandelijke parachutisten”, schreeuwde ik tegen mijn mensen, “weg wezen voor het te laat is”. Ik rende zo snel ik kon terug naar het huis, waar ik op de eerste verdieping mijn handcamera, de Bell & Howell, en de rest van mijn spullen had liggen. Tei wijl ik met mijn vuisten op de voordeur bonkte en riep “open doen”, zag ik onze volgepakte VW voorbij snellen. Ik rende nu om de hoek van het huis om via de groentetuin het balkon te bereiken. Daar stonden op tien meter afstand drie vijandelijke parachutisten voor me. Twee waren bezig zich van hun parachute te bevrijden, maar de derde zag mij en richtte zijn machinepistool op mij. Ik sloot de ogen, stak mijn handen in de lucht, en wachtte op de dodelijke schoten, maar ze kwamen niet! Slechts een klik was te horen en een vloek. Ik deed mijn ogen open, en zag dat de man aan zijn wapen stond te klungelen. Het wapen weigerde!
Ik ging snel de hoek van het huis om, en schuin tegenover de straat over. De filmwagen raasde aan mij voorbij, het camouflagenet achter zich aan slepend.’
Ertl kon kruipend door een sloot langs de kant van de weg, bij de afslag aan het einde van de Duitse- kampweg in Wolfheze komen.
‘Voorzichtig bestudeerde ik de afslag in de rich-ting van Oosterbeek. Het was haast niet te gelo-ven, er kwam gemoedelijk een Duitse auto aange-reden. Ik rende in het midden van de weg de auto tegemoet, en zwaaide met beide armen om hem tot stoppen te dwingen. Hij stopte vlak voor mij, en naast de chauffeur zat een wat oudere overste, en achterin een kapitein. Ik schreeuwde tegen ze dat ze direct om moesten omkeren, en mij naar de commandopost van veldmaarschalk Model moesten brengen. “Vijandelijke parachutisten, nog geen 300 meter voor ons”. “Tot uw orders, luitenant Ertl”, sprak de overste grinnikend. Hij gaf zijn chauffeur opdracht om direct om te keren, en hij stelde zich voor als overste Blume van het OKW/W.Pr.V. Hij was met zijn stafofficier op een inspectietocht, en beide heren wilden voordat ze naar Berlijn gingen een kleine propaganda-een- heid bezoeken. Op het hoofdkwartier van Model hadden ze mijn adres gekregen.’
(De beide voorgaande citaten zijn afkomstig uil ‘Hans Ertl als Kriegsberichter, 1939-1945’)
Ertl wist naar Oosterbeek te komen, en meldde zich bij veldmaarschalk Model. Deze hoorde zijn verslag met belangstelling aan. Toen Ertl buiten kwam, besprak hij met overste Blume de situatie, en ze besloten om naar Solingen te gaan. Hier was nog steeds de rest van de eenheid, die onderhoud aan voertuigen en apparatuur moest verrichten. De volgende dag inspecteerde overste Blume de propaganda-eenheid, en gaf uitleg over wat de vorige dag gebeurd was. Op de ochtend van dinsdag 19 september vertrok de hele eenheid richting Arnhem. In hel hoofdkwartier van veldmaarschalk Model in Terborg hoorden ze alle informatie over de luchtlandingen en wat er nog te verwachten was. De inlichtingenofficier bij hel hoofdkwartier, kapitein Lang, vertelde dat om 16.00 uur een bevoorradingsvlucht verwacht werd, die in de buurt van Wolfheze voorraden zou afwerpen, en dus ver-trokken Robert Dahlmeier, Heini Glieman en Max
Reichelt de fotograaf, met de filmgeluidswagen, en Hans Ertl, Fred Rieder en Vandenhövel met de ‘Kübelwagen’. Met een grote boog reden ze ten noorden om Arnhem heen, en bereikten ze de weg naar Ede, de Amsterdamseweg. Hier werd juist zwaar afweergeschut in stelling gebracht. De filmgeluidswagen met Dahlmeier en Glieman bleef in de buurt staan, zodat met de grote camera eventueel synchroon met geluid gefilmd kon worden.
Ertl (in zijn boek): ‘Samen met Fred Rieder en mijn chauffeur reden wij naar het opgegeven afwerp- terrein ten noorden van Wolfheze. Rond om de landbouwgronden waren grenadieren van de SS en een mengelmoes van allerlei eenheden in de bospaden en in de bosrand geplaatst in afwachting van de vliegtuigen.’

September 1944. Een brandend zweefvliegtuig op landings- zone ‘S’.
(Foto: Fred Rieder; collectie Gemeentearchief Arnhem)

Aangezien het nog een uur zou duren voordat de bevoorradingsvlucht arriveerde, probeerde Ertl nog een keer naar het huis op de Duitsekampweg te gaan. Hij wilde zijn eigen camera, de Bell & Howell, ophalen. De woning was wel door artillerievuur beschadigd, maar hij stond er nog, en het echtpaar was ongedeerd. Zij vertelden hem dat SS-soldaten die op zoek waren naar Engelsen, zijn spullen hadden meegenomen.
Toen de bevoorradingsvlucht arriveerde, kon hij nog net op tijd met zijn auto bij een bosrand komen. Vanaf de motorkap filmde hij met zijn Arriflex camera de vliegtuigen die de voorraden afwierpen. Rondom hem heen schoten soldaten van de Rijksarbeidsdienst met machinegeweren op de toestellen. Nadat ze een filmcassette verwisseld hadden, renden Ertl en Vandenhövel naar een vierlingmitrailleur die ze filmden.
Hierna vertrokken ze in westelijke richting, om nog opnamen te maken van de zweefvliegtuigen die eerder al geland waren. Tussen de toestellen vonden zij een jeep, en nadat chauffeur Vandenhövel er wat aan gesleuteld had, konden ze deze meenemen naar hun hoofdkwartier in Terborg.
In de ochtend van de 20e september kwam kapitein Lang vertellen dat in de middag de landingen van de Poolse parachutisten bij Driel zouden plaatsvinden. Er werd besloten dat de filmwagen met Dahlmeier, Glieman, Reichelt en een schrijvende journalist naar de brug in Arnhem zou gaan om daar reportages te maken, en Ertl en Rieder met chauffeur Vandenhövel zouden de landing van de Polen vastleggen. Via een omweg kwamen ze op de noordoever van de Rijn in de buurt van de veerweg naar de Drielse pont aan. Flier waren artilleristen luchtafweer- en andere kanonnen in stelling aan het brengen om de Polen te beschieten.
Via Max Reichelt had Ertl gehoord dat zijn Bell & Howell camera en zijn spullen bij SS-Sturm- bannführer Sepp Krafft waren afgegeven. Krafft was de commandant van een SS-eenheid die in het gebied bij Wolfheze gelegerd was.
Omdat om 16.00 uur de Polen niet kwamen, gingen Rieder en Ertl op zoek naar het hoofdkwartier van Krafft. Na een ‘onvriendelijke’ bejegening door de SS-er kon hij zich melden bij het hoofd van de SS-oorlogsfotografen. Daar wachtte hem opnieuw een teleurstelling. Na onbeschoft door een SS-Obersturm- führer te woord gestaan te zijn, kreeg hij alleen zijn lege filmkoffer mee; de SS beschouwde zijn camera’s, de Bell & Howell en zijn Leica fotocamera, als oorlogsbuit. Bij terugkomst in Terborg kreeg Ertl van kapitein Lang te horen dat zijn verzoek tot overplaatsing was gehonoreerd, hij moest naar Italië.
De volgende dag trok de ploeg er weer op uil om filmbeelden te maken van de landing van de Polen. Na wat opnamen aan de westkant van de perimeter gemaakt te hebben, kwam Ertl weer op de standplaats aan waar hij een dag eerder ook zijn camera opgebouwd had. Hij plaatste zijn Arriflex op een statief, en gebruikte een 300mm-teleobjectief. Tegen vijven begon de landing bij Driel. De vliegtuigen kwamen recht op hem af.
Op 22 september 1944 was de oorlog voor Ertl, Rieder en Dahlmeier in Nederland voorbij. Na de nodige voorbereidingen vertrokken ze naar Italië. Midden oktober kwamen ze na wat omzwervingen bij het Gardameer aan om een documentaire te maken over de bouw van de ‘Alpenvesting’. In dit gebied heeft hij verschillende filmopdrachten uitgevoerd. Toen het einde van de oorlog naderde, probeerden de drie mannen naar Duitsland terug te keren, wat na enige moeilijkheden lukte.
Hans Ertl bleef na de oorlog actief in de filmbranche. Hij deed verschillende uitvindingen op het gebied van lucht- en onderwatercamera’s. Door de firma Siemens werd hij in 1950 naar Bolivia gestuurd om negatieven op grote hoogte te testen op bestendigheid en houdbaarheid. Hij kocht daar een afgelegen landgoed, dat hij de naam ‘La Dolorida’ gaf.
In 1953 heeft hij nog een film gemaakt, Nanga Parbat. Hij deed zowel de regie als het camerawerk. De film
gaat over een expeditie onder leiding van Dr. Karl Herligkoffer naar de top van de Nanga Parbat in het Himalaya-gebergte. Daarnaast heeft hij samen met zijn dochter Monika door heel Bolivia gereisd. Tijdens deze reizen hebben ze o.a. foto’s gemaakt van de Sirione-stam, die waarschijnlijk nu niet meer bestaat. De laatste jaren van zijn leven heeft Hans Ertl aan zijn veestapel en zijn landgoed besteed De oude Leica fotocamera en de Bell & Howell filmcamera had hij toen al weggegeven, en alle banden met zijn oude beroep had hij verbroken.
Was Hans Ertl een nazi? In het eerder genoemde interview met een verslaggever van het persbureau Reuters zei hij hier zelf over.

‘Ik heb nooit de Nazi-idealen gedeeld, en ik heb ook nooit wat tegen de joden gehad, zeker niets tegen de joodse vrouwen. Mijn verbinding tot de Nazi-bonzen en de partij was via mijn werk en niet door mijn politieke geloof.’

Over Duitsland en Bolivia zei hij;
‘Ze hebben in Duitsland zo veel dingen van mij weggenomen dat ik daar nooit meer wil wonen. Hier in Bolivia was ik altijd vrij zonder problemen. Ik wil hier blijven tot aan mijn dood. Ik wil begraven worden op een heuvel op mijn landgoed tussen twee pijnbomen.’
Hans Ertl is op 23 oktober 2000 overleden.
Filmografie
1932-1933: SOS Eisberg. Regie: Dr. Arnold Fanck; makers o.a. Leni Riefenstahl, Ernst Udet, Sepp Rist; Camera: Ernst Schneeberger u. Richard Angst; Protektor: Knud Rasmussen; tevens waren ook aanwezig de leden van de expeditie Alfred Wegeners Groenland-Expedition Dr. Loewe, Dr. Sorge, M. Kraus en. Franz Kelbl; de alpinisten waren: David Zogg, Fritz Steuri, Hans Ertl;
1934: Der ewige Traum (cameraman);
1935: Der Damon des Himalaya (cameraman);
1935: Tag der Freiheit – Unsere Wehrmacht (cameraman);
1936: Olympia (hoofdcameraman);
1938: Olympia, 2. Teil – Fest der Schönheit (hoofd-cameraman);
1938: Liebesbriefe aus dem Engadin. Regie: Luis Trenker (cameraman);
1939: Ein Robinson. Regie: Arnold Fanck in Zu ida meri ka (ca meraman);
1953: Nanga Parbat 1953 (leider, draaiboekauteur en cameraman);
195x: VorstoB nach Paititi;
1958: Hito Hito. Samen met zijn dochter Monika.
Bronnen
– Ertl, H; ‘Hans Ertl als Kriegsberichter, 1939-1945’, Steiger Verlag, Innsbruck, 1985;
– Reuters; Interview, 13 april 1999, Reuters Limited;
– De Gelderlander; 28 oktober 2000;
– Süddeutsche Zeitung, 9 november 2000.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.