MINISTORY No. 86
Niall Cherry
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 98 van de Vereniging Vrienden van het Airbome Museum Oosterbeek
mei 2005

Volgens de meeste historische bronnen leidde het llth Battalion.The Parachute Regiment een zwaar bestaan tij-dens haar korte leven tot 1944. De eenheid werd geformeerd in Kabrit (Egypte) in 1943. Altijd was er een tekort aan mannen aangezien de meer geschikte kandidaten al waren weggekaapt door de twee andere bataljons (lOth en 156) van de 4th Parachute Brigade. Ze genoot de reputatie van een ruwe, taaie eenheid die niet goed getraind was toen ze een onderdeel werd van de Ist British Airbome Division. De eerste commandant was afkomstig van het 156e, en hij, Lieutenant Colonel Mickey Thomas, werd beschouwd als een te nette heer die niet standvastig genoeg was om deze moeilijke eenheid te leiden. In juli 1944 werd hij vervangen door de Brigade Major van de 4th Brigade, George Lea. De nieuwe bevelhebber probeerde het bataljon vorm te geven, geholpen door zijn plaatsvervanger, de beruchte Major Dickie Lonsdale. Diens ‘airborne’ carrière leek tot die tijd te bestaan uit het verplaatsen van zijn uitrusting van het ene onderdeel naar het andere, onderwijl in rang opklimmend. Hun werk leek vruchten af te werpen, en tegen september 1944 stak het bataljon in een betere vorm.

Major Dan Webber, commandant van de stafcompagnie van het llth Bn:
“Na het voltooien van de kaderopleiding werd mij geen bureaubaantje aangeboden, maar kreeg ik te horen dat ik een taak binnen het regiment kreeg omdat mijn brigade binnenkort in actie zou komen. Alle beschikbare officieren en manschappen waren nodig om de onderdelen van de 4th Parachute Brigade gevechtsklaar te maken. Ik was hoogst teleurgesteld toen ik erachter kwam dat ik niet terugging naar mijn geliefde 156 Bn, aan de wieg waarvan ik had gestaan, en waarbij ik commandant van B Company was geweest van 1941 tot 1943. In plaats daarvan kreeg ik te horen dat ik samen met enige andere officieren naar het llth Bn zou gaan. Zij moest dringend versterkt worden omdat zij een complete reorganisatie achter de rug had als gevolg van ernstige disciplinaire en administratieve problemen. Ik begreep dat dat had geresulteerd in het ontslag van de commandant en veel hogere officieren. Ik zou de stafcompagnie onder mijn hoede krijgen, met de opdracht om de administratie van het bataljon op orde te krijgen. Dat was namelijk een verschrikkelijke puinhoop. George Lea zou de nieuwe commandant worden, en Dickie Lonsdale zijn tweede man. Ook herinner ik me David Gilchrist die aan het hoofd van een compagnie werd geplaatst.
In de periode tussen de landingen in Normandië (juni 1944) en de operatie bij Arnhem (ruim drie maanden later) waren we ondergebracht in een kamp bij Melton Mowbray (Leicestershire). Voor zover ik me kan herinneren, moesten we de meeste tijd in het kamp doorbrengen, en was er weinig gelegenheid voor oefeningen of training.
We kregen instructies, en daarna nog eens instructies, voor diverse geplande militaire operaties, maar geen daarvan vond doorgang. Twee keer gingen we daadwerkelijk aan boord van de vliegtuigen, maar als een anticlimax aan het eind van een emotionele en vermoeiende dag, keerden we uiteindelijk onverrichter zake terug naar het kamp. Dit frequente opgewonden raken en daarna stoom afblazen, had naar mijn mening een ongunstig effect op het moreel van de troepen. En dat was al onder- mijnd door de gebeurtenissen die de reorganisatie van het bataljon tot gevolg hadden. Wat mij betreft, was het slechtste aspect van deze onrustige tijd het met de regelmaat van de klok uitdelen en innemen van buitenlands geld. Veel daarvan ging in de tussentijd van hand tot hand omdat de mannen er onderling mee gokten, en dat bezorgde mij menige slapeloze nacht.
Dit en het andere administratieve werk betekenden dat ik niet echt betrokken was bij de veldtraining van de infante- riecompagnieën en de ondersteunende eenheden. Daarom leerde ik maar weinig officieren en manschappen kennen.”
Hoe dan ook, uiteindelijk werd het 18 september 1944. Het llth Bn stond op vliegveld Saltby gereed om te vertrekken naar Arnhem, maar was behoorlijk gefrustreerd door het slechte weer. Men gaat ervan uit dat op het appèl 571 namen werden afgeroepen, maar het is niet bekend hoeveel mannen daadwerkelijk landden op Drop Zone Y, de Ginkelse Heide bij Ede. Parachutisten van verscheidene vliegtuigen van het llth Bn kwamen daar niet aan, en de meest bekenden zijn wellicht Captain Frank King, com-mandant van Support Company, en zijn Company Sergeant Major George Gatland. Een ruwe schatting leert dat zo’n 10 % van het onderdeel de landingszone niet bereikte. Captain King en zijn mannen sloten zich later overigens wel bij hun brigade aan.
Tegen 15.45 uur hadden de meeste eenheden van de bri-gade radiocontact, en waren voor het merendeel op 75 % of meer van hun effectieve sterkte.
De divisiecommandant, Major-General Roy Urquhart, had op dat moment die maandag sinds meer dan 24 uur geen contact met zijn hoofdkwartier. Eerder op de dag stelde de General Staff Officer 1, Lieutenant Colonel C. Mackenzie, aan de enige beschikbare hoge officier voor dat hij het commando over de divisie overnam. Dat betrof Brigadier Philip Hicks, bevelhebber van de Ist Airlanding Brigade. Brigadier Gerald Lathbury (die de Ist Parachute Brigade onder z’n hoede had) was samen met Urquhart uit beeld geraakt, en Brigadier John Hackett (van de 4th Parachute Brigade) was nog niet op het strijdtoneel gearriveerd. Er zat voor Hicks niets anders op dan het commando te aan-vaarden, en nadat hij bijgepraat was, nam hij enige belangrijke besluiten.
Omdat het gebied rond de brug in Arnhem niet in handen was van een substantiële geallieerde strijdmacht, stuurde hij de delen van het 2nd Bn, The South Staffordshire Regiment die al geland waren, ter versterking naar de Gelderse hoofdstad. Daar vocht de Ist Parachute Brigade. Tot dat moment verdedigden deze South Staffords de lan-dingsterreinen.
Hij besloot ook om een van Hacketts bataljons, het lle, van haar oorspronkelijke taak te ontheffen, en naar de brug in Amhem te sturen. Volgens de originele plannen zou de hele 4e Brigade, dus inclusief het llth Bn, naar de hoger gelegen gronden ten noorden van de stad gaan om daar, bij de weg Arnhem-Apeldoorn, het Ist Parachute Battalion af te lossen.
De nieuwe orders werden doorgegeven aan de Brigade Major van 4th Brigade, B. Dawson, die op de 17e was gear-riveerd, behorende tot een vooruitgestuurde eenheid. Op Drop Zone Y was hij in afwachting van zijn commandant. Voor het geval hemzelf iets zou overkomen, vaardigde Dawson extra instructies uit.
In de op de eerste dag gelande groep van 4th Brigade bevond zich ook Lieutenant K. Evans, de plaatsvervangen-de commandant van 1 Troop van het 4th Parachute Squadron, Royal Engineers (de genie). De mannen waren bij elkaar op de Ginkelse Heide, en pas toen het geluid van de naderende Dakota’s hoorbaar was, ging een ieder naar het beoogde verzamelpunt van zijn eigen onderdeel.
Ken Evans vertelt dat Major Dawson hem bij zich riep, en hem: “rustig uitlegde dat ik de ‘reserve boodschapper’ was in het geval hem iets overkwam! Als het nodig was, moest ik naar de Brigadier op het landingsterrein gaan, en hem de boodschap overbrengen. Die liet hij me herhalen om er zeker van te zijn dat ik het goed begrepen had. Het kwam op het volgende neer: ‘Het verloopt niet volgens plan. De vijand veel sterker dan voorzien. Slechts 2nd Para Bn en wat andere eenheden hebben voor zover bekend de brug bereikt. De generaal en Brigadier Lathbury zijn al bijna 24 uur zoek ergens in Arnhem. Brigadier Hicks nu divisie- commandant. De 4e Brigade moet het lle Para Bn afstaan, dat opdracht krijgt onmiddellijk via de zuidelijke route naar Arnhem te gaan. Brigadier Hackett wordt verzocht zo gauw als mogelijk is persoonlijk contact op te nemen met het divisiehoofdkwartier. Einde bericht.’
Gelukkig bleef me bespaard dat ik die boodschap moest overbrengen omdat de Brigade Major en daarna de Division GSO 1 (eerste stafofficier -N.C.) zonder aanwijsba-re problemen Brigadier Hackett bereikten. Later heb ik nog vaak gemijmerd over de mogelijke reactie van de Brigadier als hem het bericht door een luitenant van de Royal Engineers zou zijn gebracht! Als een vermaard klassiek historicus zou hij heel goed de brenger van het slechte nieuws hebben kunnen doodschieten.”

Major D. Webber:
“Toen ik bij het verzamelpunt kwam, gemakkelijk her-kenbaar in het bos dat aan de landingszone grensde (door middel van rook werd dit punt, in de zuidoostelijke hoek van het landingsterrein, aangeduid -NC), trof ik alles en iedereen keurig aan. Het leek net een oefening, en ik ging simpelweg aan de slag teneinde mijn gemengde gezelschap van koks, brancardiers, klerken, seiners etc. op orde te brengen. Allemaal goede vechtjassen als het erom zou spannen.
Terwijl ik daarmee bezig was, werd mij doorgegeven dat het bataljon een nieuwe en onafhankelijke rol had gekre-gen. De oorspronkelijke opdracht en het beoogde doel
waren vervallen. Op dat moment waren echter geen gege-vens beschikbaar over de nieuwe taak. De enige instructie was dat alle overgebleven sub-onderdelen en achterblijvers via de grote weg naar het zuidoosten moesten worden gestuurd. De opdracht was om de al vertrokken hoofdmacht van het bataljon te volgen, en zich daarbij zo snel mogelijk aan te sluiten.
Ik had net mijn ondercommandanten ingelicht toen een nieuwe instructie me bereikte. Ik moest de taken van de plaatsvervangende bevelhebber van het bataljon op me nemen aangezien Major Lonsdale gewond was geraakt, en naar de verbandpost gegaan. Zo gauw ik kon, moest ik me melden bij de commandant. Ik gaf mijn taken over aan de Regimental Sergeant Major aangezien hij de enige andere beschikbare officier was die geen specialistische taak had. Zonder verder dralen ging ik op pad.”
Hoe was Major Dickie Lonsdale gewond geraakt, waardoor hij de aanval van het bataljon in Arnhem misliep?
Volgens de Regimental Medical Officer van het llth Bn, Captain Stewart Mawson, werd Lonsdale door een granaatscherf geraakt in z’n hand.

Mawson:
“Toen ik bij het verzamelpunt van het bataljon aankwam, zag ik commandant Colonel Lea en zijn plaatsvervanger Major Lonsdale druk in gesprek boven een hoeveelheid kaarten die op de motorkap van een jeep waren uitgespreid. De jeep was in een tunnel gereden (onder de A12 – NC). Ik bemerkte een bebloed verband om de rechterhand van de majoor. Nadat hun discussie tot een eind was gekomen, zag Lonsdale mij, en riep me bij zich. Hij zei dat hij gewond was geraakt bij het landen, en dat het verband hem in de weg zat. Hij vroeg me of ik iets kleiners om z’n hand kon doen. Ik begon het verband af te wikkelen, klaar om te behandelen wat in feite mijn eerste oorlogswond was. Uiteindelijk slaagde ik erin het gaasje te verwijderen, en kon ik zien dat de huid en het vlees van z’n pink tot op het bot gespleten waren. Erger was dat bleek dat een en ander nog slechts met een stukje huid aan de rest van de hand vastzat. Ik zei dat het niet iets was dat ik even kon oplappen, en dat hij een gekwalificeerde chirurg nodig had. Volgens mij moest hij naar de eerste-hulppost van 133 Para Field Ambulance. Hij wilde niet echt, maar aangezien ik naar de Regimental Aid Post (hoofdverband- plaats van het regiment -N.C.) moest, zag ik hem niet weer. Zover ik weet, is hij inderdaad naar het 133e gegaan.”
Hoogstwaarschijnlijk is Lonsdale er vervolgens in geslaagd het divisiehoofdkwartier in Hotel Hartenstein te bereiken. Laat in de middag van de 19e kreeg hij de opdracht van Brigadier Hicks om zich aan te sluiten bij de z.g. Thompson force, die het oostelijke deel van de perimeter in Oosterbeek verdedigde.
In het oorlogsdagboek van het hoofdkwartier van de Ist Airborne Division staat op 18 september het volgende genoteerd om 14.30 uur: “Na het arriveren van llth Para Bn ondersteunde deze 2 South Staffords door via de hoofdweg op te rukken tot het kruispunt 697784, daarna naar kerk 796773 en daarna oostwaarts naar ziekenhuis 729780.” Vervolgens om 15.00 uur: “GSO 1 en GSO 3 vertrokken naar Ist Airlanding Brigade HQ om eerder genoemd plan uit te leggen, daarna naar 7th KOSB en naar DZ Y waar commandant 4th Para Brigade, die net gesprongen was, werd geïnformeerd over de veranderde plannen voor llth Para Bn. Hackett besloot echter om bij zijn oorspronkelijke plan te blijven. Zijn taak bleef sub-stantieel ongewijzigd, en die voerde hij uit.’’
Ik geef toe dat ik geen kenner ben, maar nadat ik het bovenstaande had gelezen, en er over had nagedacht, kwam ik tot de volgende theorie over wat gebeurd zou zijn als Hicks sterk genoeg was geweest om Hackett de nieuwe opdracht daadwerkelijk te laten uitvoeren.
De gedachte dat de 4e Brigade het Ist Parachute Battalion moest aflossen wat de verdediging van de hoger gelegen gronden ten noorden van Arnhem betreft, was in die fase van de strijd heel vreemd. Het was bekend bij het divisie- hoofdkwartier dat het Ist Para Bn zich bepaald niet in de buurt van dat deel van de stad bevond, en dat het dus niet afgelost hoefde te worden. Ook was duidelijk dat de omgeving van de verkeersbrug nodig versterkt moest worden.
Het was een fout dat Urquhart degenen die het werkelijk aanging, namelijk Hicks en Hackett, niet vooraf had ver-teld hoe de commandostructuur zou zijn als hij en Lathbury uitgeschakeld werden of, belangrijker bij een luchtlandingsoperatie, het gevechtsgebied niet bereikten. Hierdoor kon de mythe ontstaan dat Hicks en Hackett niet met elkaar konden opschieten. De laatstgenoemde was in theorie rangoudste, en misschien was hij er ontstemd over dat hij met de geschetste situatie werd geconfronteerd. Wellicht wilde hij niet suggereren om al zijn eenheden met het llth Bn mee te sturen via de blijkbaar veiliger Lion route.
Ik heb me vaak afgevraagd wat gebeurd zou zijn in het gebied rond het Elisabeths Gasthuis als de gehele 4th Brigade daar terecht was gekomen. Het vermoedelijke resultaat zou hetzelfde zijn geweest (geen doorbraak naar de brug), maar meer soldaten zouden uiteindelijk Oosterbeek hebben bereikt. Meer dan nu het geval was omdat het lOth en het 156 Battalion de volgende twee dagen onder leiding van de Brigadier aan het dwalen sloe-gen door de bossen.
Behalve dat Hackett op de Ginkelse Heide te horen kreeg dat hij het llth Bn moest afstaan, vroeg de GSO 1 (Lt Col MacKenzie) hem zich zo spoedig mogelijk te melden bij de waarnemende divisiecommandant. Men veronderstelt dat de generaal er eerst verzekerd van wilde zijn dat zijn bri-gade goed op weg was, en dat hij daarom pas rond mid-dernacht op Hartenstein arriveerde. Dat was net nadat hij via Major Linton (Light Regiment, Royal Artillery) van Brigadier Hicks nieuwe opdrachten voor de 4th Parachute Brigade had ontvangen. Die hielden in dat voor de eerste fase van de opmars, het doel een locatie zou zijn die op de kaarten met ‘Koepel’ werd omschreven; een terrein gelegen tussen de Amsterdamseweg en de spoorlijn Utrecht- Arnhem, ongeveer 1,5 kilometer ten westen van de bebouwde kom van de stad. Hackett vroeg Linton naar het tijdpad voor die eerste fase en naar de coördinatie met andere onderdelen van de divisie, maar de laatstgenoemde kende de antwoorden niet.
Hackett ging vervolgens naar Hartenstein, en nu zien we dus opnieuw een voorbeeld van een topofficier die met bijna geen begeleiding in een soort niemandsland rond koerst. Een van de vragen die ik nooit beantwoord heb gekregen, is waarom de twee parachutistenbrigades en het divisiehoofdkwartier geen plaatsvervangende commandant hadden. Wie zou bevelhebber van de 4th Brigade zijn geworden als Hackett was gesneuveld, gewond of gevangen genomen?
Hoe dan ook, ik heb nu genoeg gezegd over Hicks en Hackett.
Het llth Bn had de landingszone in een relatief goede orde verlaten, en telde nu, met een tekort van 50 of 60 man, zo’n 500 soldaten. Op weg naar Arnhem boekten ze een goede voortgang, ondanks een wachtperiode van twee uur bij Hartenstein. Waarom ze daar stopten, is niet echt bekend, al suggereert Middlebrook dat zulks het gevolg was van de twee Brigadiers die het met elkaar oneens waren over het inzetten van een van Hacketts ‘kinderen’. De commandant van A Company, Major David Gilchrist, herinnerde zich deze periode als “een mooi, rustig middagwandelingetje naar Oosterbeek, zonder onder-brekingen en het slagveldgeluid, gevolgd door het gedu-rende enkele uren op onze achterste zitten in de berm vlak bij Hartenstein. Op dat moment voelden wij ons allen zeer prettig.”
Na dat oponthoud werd het bataljon vakkundig Arnhem in geleid door een paar Nederlandse gidsen, en tegen middernacht bereikte men het gebied rond het Elisabeths Gasthuis. Er werden een paar verliezen geleden, waaronder naar verluidt minstens drie doden in de buitenwijken van de stad. Ze werden gevolgd door het tweede deel van de South Staffords. Nu bevonden zich de beste gedeelten van twee relatief frisse bataljons in het gezelschap van de restanten van het Ist en het 3rd Battalion, en die maakten zich op om door te stoten naar de brug. En wat gebeurde er vervolgens?
Daarvoor moeten we eerst even teruggaan in de tijd, namelijk naar 8 uur die avond. De bevelvoerende officier van de South Staffords, Lt Col McCardie, had toen een ontmoeting met de commandant van het Ist Battalion, Lt Col Dobie, in zijn hoofdkwartier, een garage nabij de hoek Utrechtseweg-Oranjestraat. De eerstgenoemde verklaarde zich bereid de wensen van de ander in te willigen omdat Dobie de autoriteit van de Ist Para Bde leek te vertegen-woordigen. Een plan werd gemaakt voor een aanval om 21.00 uur, waarbij de Staffords de weg bovenover zouden gebruiken (de Utrechtseweg langs het Elisabeths Gasthuis), en het Ist Bn de zuidelijke route Onderlangs. Terwijl deze manoeuvre werd voorbereid, ontving het divisie-hoofdkwartier de foutieve melding dat de brug was geval-len. Hicks verordonneerde vervolgens dat elke geplande aanval werd uitgesteld. Later, om 01.00 uur op dinsdag-morgen 19 september, volgde de order dat de hele strijd-macht zich moest terugtrekken op Oosterbeek. Ongeveer een uur daarna werd bekend hoe de werkelijke situatie bij de brug was (men had nog steeds de noordelijke oprit in handen), en Dobie kreeg de opdracht om zijn aanval te hervatten. McCardie werd gevraagd naar een winkel aan de noordzijde van de Utrechtseweg te komen, die als hoofdkwartier van het Ist Bn werd gebruikt. En dat gold ook voor Lt Col Lea van het llth Bn, die net was gearri-veerd. De Intelligence Officer van het Ist Bn, Lieutenant Britneff, beschreef het beraad als volgt: “Het tafereel zag er, zo mag ik stellen, dramatisch uit. Een verduisterd, door kogels geteisterd huis, met Colonel McCardie en anderen zittend en staand rond een tafel, die door één enkele kaars werd verlicht; een radioset piepend en krakend op de achtergrond. Dobie en McCardie waren vastbesloten om, koste wat kost, het 2nd Bn bij de brug voordat de dageraad aanbrak, te bereiken. Dobie gaf zijn orders zittend aan het hoofd van de tafel. ‘We moeten Johnnie Frost helpen’, was het motto. Het plan was dat het Ist Bn de weg langs de rivier de Rijn zou nemen. De South Staffords zouden paral-lel aan ons via de hoofdweg oprukken. Het llth Bn zou hen volgen. Starttijd rond 04.00 uur. We moesten de brug voor het eerste daglicht bereiken, want gesnapt worden op de rivieroever was dodelijk.”
Men ging ervan uit dat het llth Bn de South Staffords zou steunen tijdens hun aanval, en zij werd een paar honderd meter achter de staartgroep van de South Staffs opgesteld. Toen hun opmars vastliep, deed McCardie een beroep op het llth Bn om een flankaanval uit te voeren. Voor dat doel werd de A Company naar voren gestuurd, en die posi-tioneerde zich ten oosten van het ziekenhuis, tussen de Utrechtseweg en de spoorlijn. Maar een order om de aanval te beginnen, kwam niet. De commandant, Major Gilchrist: “Nou, daar zaten we dan, wachtend in onze startpositie; de pelotons ten noorden van de weg onzichtbaar voor de Duitsers, en behoorlijk veilig. We hoorden voor ons uit schieten, maar we konden niets zien door de aanwezigheid van een heg en de helling in de weg.”
Inmiddels was Urquhart teruggekeerd op het divisie- hoofdkwartier. Aangezien hij getuige was geweest van de gevechten in Arnhem, gaf hij duidelijk geen goedkeuring aan het schijnbaar lukraak achter elkaar aan sturen van het ene bataljon na het andere, in wat een vleesmolen leek te zijn. Hij was te laat om de South Staffords te redden, maar hij stuurde om 09.00 uur een boodschapper met de opdracht aan het llth Bn om niet deel te nemen aan het gevecht dat gaande was. Daarna was er een vertraging van zo’n twee uur waarin nieuwe orders werden afgewacht. In die periode wachtten de South Staffords op de steun van een flankaanval die nooit kwam, en werden ze getroffen door Duitse tegenaanvallen, en onder de voet gelopen.
Urquharts bevel bereikte de commanderende officier van A Company van het llth Bn, Major Gilchrist, niet. Eerder die morgen was de compagnie naar voren gegaan, en had posities ingenomen ten oosten van het ziekenhuis, tussen de weg en de spoorlijn. De staf bevond zich aan de andere zijde van de weg, de zuidzijde, tussen de drie pelotons en het hoofdkwartier van McCardie. Terwijl hij daar wachtte op de order om aan te vallen, ontdekte Major Gilchrist dat de compagnies-jeep met aanhangwa- gentje geleend was door aalmoezenier Irwin. Die wilde een gesneuvelde begraven, en had het voertuig nog niet teruggebracht. In dat wagentje lagen alle anti-tankwa- pens die de compagnie had (PIATs). En dat was nog niet alles, zoals David Gilchrist vertelde:
“Mijn compagnie lag in stelling zo’n 200 meter ten oosten van het ziekenhuis, klaar om ter linkerzijde van de Staffords aan te vallen. Ik had geen tegengestelde orders ontvangen. Mijn staf was geraakt door granaten van 88mm kanonnen aan de overzijde van de rivier, circa tien minuten voordat we verwacht werden op te rukken.” Die artillerieaanval doodde de Company Sergeant Major, Warrant Offreer II Ashdown, en verwondde de plaatsver-vangende compagniescommandant, Captain Perse.
De aanval van de South Staffords liep vast in de buurt van het Gemeentemuseum, en tevergeefs wachtten ze op de steun van het llth Bn. Een zware Duitse tegenaanval ver-pletterde het Britse bataljon, en de overlevenden trokken zich terug. Major Gilchrist: “Sommige South Staffs kwamen in onze linie terecht. Ik kwam Major Cain tegen, en die zei: ‘De tanks komen eraan. Geef me PIATs. Ik moest hem zeggen dat het me speet, maar dat we die niet hadden. En dus verdwenen de South Staffs langs de helling achter ons, op de hielen gezeten door Duitse tanks en infanterie. We werden overvleugeld, en konden de tanks niet aanvallen. Wel kregen we met infanterie te maken. Als steun hadden we een batterij 6-ponders bij ons, en die kanonnen stonden kort achter ons. Zij konden niets tegen de tanks uitrichten vanwege de helling in de weg.
We begonnen ons terug te trekken, en met zo’n 20 man namen we posities in in loopgraven pal ten oosten van het ziekenhuis, die ongeveer twee meter diep waren. We probeerden ‘Gammon bombs’ naar de tanks te gooien, maar dat was niet makkelijk vanuit die diepe gaten, en we hadden dan ook geen succes. De tanks naderden tot op 30 a 40 meter, en vuurden op ons. Na zo’n 15 minuten realiseerde ik me dat we niet veel bereikten, vastgepind op de bodem van die loopgraven. We konden niet zien waarop we schoten, en dus besloot ik met mijn groep een uitval naar het noorden te doen, over de in de diepte liggende spoorlijn heen. Dat was behoorlijk riskant, want die uit- graving was 15 tot 20 meter diep. Een Duitse tank stond op een brug over de spoorlijn, een eind verderop in de richting van het station, en die schoot op ons. We renden als bezetenen, de helling af, over de rails, en aan de andere kant naar boven. Een paar mannen werden geraakt door de mitrailleur van de tank, maar de meesten van ons haalden de overkant.
We gingen er eigenlijk vanuit dat het gebied waar we terecht waren gekomen, in handen was van de rest van onze 4th Parachute Brigade. Want we verwachtten dat die nu wel gearriveerd was. We wisten niet dat er Duitsers zaten.”
Zoals Martin Middlebrook schreef: “Major Gilchrist en dat groepje probeerden een onderkomen te zoeken in een huis, maar werden spoedig gevangen genomen. Slechts een van de officieren van A Company, Lieutenant Arthur Vickers, en een paar mannen ontsnapten uit dat gebied.” De rest van de compagnie werd krijgsgevangen, en dus hield de eenheid eigenlijk op te bestaan. Een van degenen die erin slaagden weg te komen, was Private J. Gray. Het volgende komt uit een verhaal dat enkele jaren geleden werd opgetekend.
“We formeerden ons zo goed als mogelijk was, en gingen op weg naar de brug in Arnhem. Overal langs de route lagen doden van een dag eerder, zowel mannen van Ist Airborne als Duitsers. Het duurde tot we in de buitenwijken van Arnhem waren, voordat we de vijand weer tegenkwamen. Mijn peloton (het le), onder commando van Lieutenant A. Vickers, kwam niet verder dan het St. Elisa- beths Gasthuis, waar, zo leek het, de hel losbarstte. We gingen in dekking achter een spoordijk, met “Jerry” aan de overkant van de rails. Een paar keer probeerden we ze te verdrijven, maar ze raakten ingeschoten, en vuurden granaten af die in de bomen explodeerden. Granaatscherven regenden op ons neer, en velen sneuvelden of raakten daardoor gewond. Hoeveel weet ik niet. De grond werd ons te heet onder de voeten, en we konden het gekletter van tanks horen die onze richting uitreden. We trokken ons terug angs de route die we op de heenweg waren gevolgd, en gingen terug naar Oosterbeek.”
Als we ervan uitgaan dat A Company zo’n 100 man sterk was, bleven er nog 400 van het llth Bn over die in dit deel van Arnhem konden vechten. Hoe verliep het hen?

Een kaart uan het westelijke deel van de hoofdstad van Gelderland uit het boek ‘Arnhem : ooggetuigenverslagen van de Slag om Arnhem, 17-26 september 1944’, geschreven door Martin Middlebrook. Daarop heeft Niall Cherry enige wijzigingen aangebracht die het de lezer makkelijk moeten maken om de beschreven troepenbewegingen te volgen.

Op een zeker moment vóór 11.00 uur op die 19e september kwam een order van het divisiehoofdkwartier binnen dat ze noordwaarts moesten optrekken, over de spoorlijn heen, en dat ze een hoog gelegen terrein genaamd Diependal moesten veroveren. Het doel hiervan was dat gebied veilig te stellen omdat de rest van de 4th Brigade er doorheen zou trekken, Arnhem in. Het duurde tot 12.30 uur voordat ze klaar waren de opdracht uit te voeren, en daarbij werd ook C Company van de South Staffs ingeschakeld (die niet bij de aanval van hun bataljon was betrokken). Hun rol was Den Brink te veroveren, en als draaipunt te fungeren voor de aanval van het llth Bn. Ongeveer 100 man van de South Staffords en de rest van het llth Bn bevonden zich nu op de kaartcoördinaten 727778 voor een korte pauze en een reorganisatie. De eerstgenoemden werden in vijf pelotons ingedeeld, en stonden onder commando van Major Cain. Het liep tegen 12.30 uur.
Wat volgt, is een verhaal van een onderofficier van de South Staffords, Sergeant Ken Woolridge.
“Tot nu toe was C Company niet bij de gevechten betrok-ken, maar onze commandant was eerder die dag gesneuveld toen hij naar voren ging naar de rest van het bataljon. Nu, onder Major Cain, kregen we de taak toebedeeld de steile heuvel noordwaarts in te nemen. Het was een goede ouderwetse bajonetcharge: bij het begin schreeuwden we flink, maar al gauw hadden we al onze adem nodig om de helling op te komen en het bos in te gaan. De vijand trok zich schielijk terug.
Bovenop werden we onmiddellijk onthaald op mortiervuur; de granaten ontploften in de bomen. We konden ons vanwege de wirwar van boomwortels niet ingraven,
maar sommigen slaagden erin dekking te vinden in een afwateringssysteem, en dat spaarde vele levens. Spoedig hoorden we tanks aan komen rijden vanuit het noorden, en we kregen opdracht ons terug te laten vallen op de weg (de Utrechtseweg -NC). We moesten velen van onze com-pagnie in dat bos achterlaten.”
Major Cain: “Het zou een pure verspilling van levens zijn geweest als we daar waren gebleven. Ik kreeg geen order om terug te trekken, maar ik wist nog heel goed wat bij het klooster was gebeurd. (Hij bedoelt het Gemeentemuseum, het verste punt dat de South Staffords in Arnhem bereik-ten. De meerderheid werd daar krijgsgevangen gemaakt, en slechts enkele mannen wisten te ontsnappen -NC) Ik voelde me buitengewoon neerslachtig. Ik wist dat onze poging om door te dringen tot de brug was mislukt, en dat we de stad waren uitgegooid.’’
Het was nu 14.30 uur.
Tegen die tijd lag het uitgangspunt voor het llth Bn waarschijnlijk rond de Zwarteweg. Voor zover mij bekend, probeerden de twee resterende compagnieën van het bataljon, B en C, om nu op te rukken richting spoorlijn. Dat gebeurde onder zwaar vuur van de Duitsers, niet alleen van infanterie, maar ook van tanks en mortieren. Ze zagen hoe het lle zich gereed maakte voor de aanval, en richtten er hun mortieren op. Tanks verschenen ten tonele; die hadden de weinige geallieerde anti-tankkanonnen omzeild, en waren via het noorden van de stad gereden. De Britten hadden weinig dekking in de straten, werden door tanks en mortieren onder vuur genomen, en moesten beschutting zoeken in huizen dichtbij. In die omstandigheden was het voor hen moeilijk de boel georganiseerd te houden. Dit alles speelde zich af in de straten ten westen van het Elisabeths Gasthuis.

Een overlevende van het bataljon is Private George Aston (C Company). Hij herinnert zich:
“Onze aanval kwam niet verder dan het rangeerterrein, en de rails heb ik in feite nooit gezien. Mijn groep ging linksaf de weg af (ik denk dat het de Zwarteweg was), een gebied met huizen in ten westen van het ziekenhuis. Na een tijdje gingen we rechtsaf, naar het noorden, naar de spoorlijn. Onze aanval kwam onder zwaar Duits vuur van infanteriewapens te liggen, zowel geweren als mitrailleurs. Ikzelf heb geen tank gezien, en het waren de verliezen die we leden en de kracht van het vijandelijke vuur, die onze opmars stopten. Uiteindelijk gaf een leidinggevende ons opdracht om ons terug te trekken. Ik kwam weer op de Zwarteweg terecht, waar toen we eerder vertrokken, drie of vier Vickersmitrailleurs van de South Staffs stonden opgesteld. Ik meen dat zij in de richting van de steenfabriek (aan de overzijde van de Rijn -NC) schoten. Volgens mij wist niemand wat er precies aan de hand was, en een van ons suggereerde dat we naar Oosterbeek zouden gaan. Dat leek toen een goed idee, en dus liepen we de route terug die we 15 uur eerder op de heenweg hadden gevolgd.”
Het is denkbaar dat dit verhaal verteld kan worden over veel mensen in het bataljon. De commandant, Lt Col Lea, raakte in deze straten gewond, en werd gevangen genomen. Ik denk dat slechts ongeveer 150 man erin slaagden weg te komen, van de oorspronkelijk 400. De rest werd krijgsgevangene.
De situatie kan als volgt worden samengevat. Het bataljon hergroepeerde zich voor de genoemde aanval naar het noorden. Net toen het klaar was om in actie te komen, en alle wapens, inclusief de anti-tankwapens, naar voren werden gebracht voor de opmars, en de compagnieën hun ingegraven posities hadden verlaten, kwam er een Duitse tegenaanval, met tanks in de voorhoede, vanuit het oosten. De South Staffords moesten zich daardoor terugtrekken. Die aanval kwam voor het llth Bn van de rechterflank die als beschermd werd beschouwd, en zorgde ervoor dat de eenheid in wanorde geraakte. Het gevolg was dat men zich in westelijke richting terug moest trekken. Het bleek heel moeilijk om de boel te organiseren, aangezien individuele soldaten en kleine groepjes zich in de huizen ophielden, terwijl Duitse tanks door de straten reden. Daarbij kwam dat de Britse anti-tankwapens uitgeschakeld waren. Uiteindelijk bleek het onder dekking van de duisternis mogelijk om delen van het bataljon terug te trekken naar de perimeter rond het divisiehoofdkwartier. De mannen die er aldus in slaagden Oosterbeek te bereiken, werden ingedeeld bij de z.g. Thompson Force, die later de Lonsdale Force werd genoemd. Dat was een groep soldaten van verschillende eenheden, die het oostelijke deel van Oosterbeek verdedigde onder bevel van de commandant van het Ist Airlanding Light Regiment, Royal Artillery, Lieutenant ColonelW. Thompson. Nadat hij door een verwonding was uitgevallen, werd het commando overgegeven aan Major R. Lonsdale.

Ik wil proberen wat details toe te voegen aan deze naakte feiten, door enige persoonlijke ervaringen van mannen van het llth Bn voor het voetlicht te halen.
Private J. Berry, Mortar Platoon, Support Company:
“We hielden halt op de hoofdweg Arnhem in (Utrechtse- weg -NC), om onze A Company te laten passeren, en gingen vervolgens verder. We stopten weer, en kregen te horen dat we tot het daglicht moesten wachten vanwege de verwarring vóór ons. Toen het licht werd, gingen we verder. We maakten goede vorderingen, waarbij we al onze Bren gun carriers en jeeps met aanhangwagentjes bij ons hadden. We kwamen definitief tot stilstand toen een hevig vuurgevecht gaande was in het gebied vóór ons, en gewonde South Staffs werden afgevoerd. Waar onze A Company was gebleven, weet ik niet. We stopten bij een huis dat als een soort sociëteit was gebruikt door Nederlandse collaborateurs. Lieutenant R. Thomas, de commandant van het Mortar Platoon, richtte een observatiepost in op de bovenste verdieping van een huis aan de overkant. We stelden onze mortier op in de voortuin, en volgens hem schakelden we een 88mm kanon uit met ons derde schot.
Toen kwam de order om ons terug te trekken aangezien er tanks aan kwamen. We trokken ons een klein stukje terug, en vervolgens kregen we te horen dat we ons moesten ingraven. Ik deed dat in de voortuin van een huis, waar omheen een muur stond van een halve meter hoog, op de hoek van een weg die naar het noorden liep. Dat huis stond er nog in 1993, en de muur ook. Dat hielp me om te kunnen vaststellen waar ik destijds precies was geweest.
Vervolgens werd opdracht gegeven om langs deze weg op te trekken (hoogstwaarschijnlijk de Oranjestraat -NC). Later kwam ik te weten dat dat was om aan te sluiten bij de rest van de 4th Parachute Brigade die vanuit het noordwesten kwam. (Dat was de geplande opmars van het lOth Battalion en 156 Battalion vanaf de Amsterdamseweg, – NC). We kwamen bij de brug over de spoorlijn aan, en de voorste eenheden van het bataljon (ik dacht onze Provost Section) kwamen onder vuur te liggen. We knipten ons een weg door een draadhek aan de linkerzijde van de weg, en kwamen bij de spoorlijn uit. Dat was blijkbaar de verdedigingslinie die de Duitsers hadden ingericht om onze opmars te stoppen. 1\vee sergeanten waren erin geslaagd de spoorlijn over te steken, en besprongen een mitrail- leurnest. Een dergelijke post verderop nam hen echter onder vuur, en beiden werden geraakt. Ongeveer zes man van ons staken de brug over om een soort bruggenhoofd te maken, en om te zien of we iets konden doen voor de twee sergeanten. Sergeant Thompson en ik probeerden om bij de lichamen te komen, maar we werden beschoten, en er was ook sprake van het gebruik van handgranaten. Het talud van de spoorlijn bood ons enige dekking. Vervolgens probeerde Sergeant Thompson nog eens om bij ze te komen, maar toen hij uit de dekking kwam, werd hij neergeschoten, en rolde naar beneden de helling af.
Ik ging het talud af, en onderzocht Sergeant Thompson. Hij was dood, en ik realiseerde me dat ik me in een zeer ongezonde positie bevond. (Sergeant Robert W. Thompson; 2190500; leeftijd 34. Zijn veldgraf was bij de Callunastraat. Hij rust nu op de Arnhem (Oosterbeek) War Cemetery, graf 28.C.10. -N.C.)
Het leek erop dat de andere vier terug over de brug waren gegaan, dus ik maakte dat ik ook die richting uitging. Het scheen dat we ons nu probeerden in te graven aan de zuid-zijde van de spoorlijn, in een klein stukje struikgewas tussen de huizen en het talud. Mijn kameraad werd in z’n achterste geraakt, en hij dacht dat hij zwaar bloedde. Maar de kogel was door z’n veldfles gegaan. Hij kon alleen nog “pompeien en ik zei dat hij op pad moest gaan om te zien of hij de Regimental Aid Post kon vinden (De RAP van llth Bn onder leiding van Captain Mawson, en een sectie van 133 Para Held Ambulance, bevonden zich beide aan het begin (het oostelijke deel) van de Klingelbeekse- weg -NC) Ik had ook behoefte aan verzorging wint ik was getroffen door mortiergranaatsplinters. Hoewel het niet teveel pijn deed, was het een te kleine wond voor een noodverband. Ik vroeg de hospik om wat hechtpleister Terwijl ik daarop wachtte, leek de hel los te barsten. Mortiergranaten vielen als regen. Een anti-tankkanon opende het vuur, en schakelde een tank uit. Op zijn beurt werd het stuk geschut geraakt, en het leek me dat de hele bemanning werd gedood.
Ik moet hier vermelden dat ik samen met de hospik in een huis was, en een Glider Pilot kwam de kamer binnen waar wij waren, en zei: ‘Als je kunt lopen, ga er dan achter uit, want deze plek wordt binnen enkele minuten overlopen.’ Vervolgens probeerde ik uit te vinden waar het Mortar Platoon was, en uiteindelijk vond ik ze vlak bij de hoofdweg (Utrechtseweg -N.C.). Ze hadden flink geleden onder de mortierbarrage. Het aanhangwagentje waarin zich mijn ransel bevond, was in vlammen opgegaan, en dat gold ook voor de 400 Woodbines (sigaretten -N.C.). Een officier was bezig een wegversperring te maken met behulp van uitgeschakelde voertuigen. We probeerden hem te helpen. Plotseling verscheen uit het niets een jeep met de boodschap dat we allemaal via de oorspronkelijke opmarsroute moesten terugtrekken. Verdere orders zouden volgen. We moesten dus richting Oosterbeek gaan, en ik was een van de ongeveer 100 die het dorp bereikten.”
Lieutenant J. Blackwood, commandant van 6 Platoon, B Company:
“Voor een groot ziekenhuis, dat vanaf een heuvel over de rivier bij Arnhem uitkeek, kwamen we de South Staffs tegen die blijkbaar een aanval voorbereidden. A Company ontving orders, en rukte op door hun linies. Ik dacht dat tegen die tijd al onze walkietalkies niet meer functioneerden. De bataljonscommandant, Col Lea, positioneerde zijn hoofdkwartier vóór het ziekenhuis, terwijl B Company zich ingroef aan de voorzijde van het oostelijke deel van het gebouw. Om ongeveer 10.00 uur trok B Company zich terug ten westen van het ziekenhuis, en nam posities in die verscheidene wegen dekten. We werden beschoten door mitrailleurs, maar tanks of infanterie verschenen niet. Er was veel geweervuur achter het ziekenhuis, en de situatie was allesbehalve duidelijk.
Rond 12.00 uur kwam een bericht binnen dat de aanval op de brug was afgeslagen, en dat Duitse tanks een omtrekkende beweging door het noorden maakten om ons af te snijden. B Company trok zich terug op een groot kruispunt ten noordwesten van het ziekenhuis, en bezette alle gebouwen die daarop uitkeken. De compagniescommandant, Major G. Blacklidge, verordonneerde dat alle tanks zouden worden aangevallen met granaten, en dat alle infanterie zou worden beschoten. Er zou niet verder worden teruggetrokken. Dientengevolge maakte we de huizen voor de verdediging gereed.
Tegen 13.30 uur kwam de kolonel in een jeep langs, en gaf ons opdracht samen te komen op een oost-west lopende weg iets ten noorden van onze huidige positie. We verlieten de gebouwen, en gingen naar het verzamelpunt. Aldaar was, meen ik, de meerderheid van het bataljon bijeen gekomen. Ik zag de kolonel met zijn stafoffi-cieren, en dat was het laatste dat ik van hem bij Arnhem zag. Terwijl we op orders wachtten, werden we door mor-tieren zwaar onder vuur genomen. We moesten ons ver-spreiden in de tuinen van nabij gelegen woningen. Daarna werd in mijn herinnering opdracht gegeven het bataljon op Oosterbeek terug te trekken, waarbij B Company de achterhoede zou vormen. We groeven ons snel in want een tank- en infanterieaanval werd verwacht. Deze positie was bij een kruising waar het bataljon langs moest komen. We kwamen weer onder zwaar mortiervuur te liggen, en de Luftwaffe viel ons ook aan. Twee tanks kwamen aanrijden, maar de voorste werd uitgeschakeld door het 17-ponder anti-tankkanon dat bij ons was, en de aanval kwam niet tot ontplooiing. Later trokken we ons terug op Oosterbeek, en we namen wat mannen van het Ist Battalion en het 3rd Battalion, en ook enkele South Staffs mee. Daar kregen we nieuwe posities toebedeeld.’’
U kunt zich misschien herinneren dat we de waarnemende plaatsvervangende bataljonscommandant, Major Webber, achterlieten toen hij op zoek was naar zijn bevelhebber. Laten we verder gaan met zijn verhaal.
“Hoe verder naar het oosten ik kwam, des te meer verstopt raakte de weg. Onderdelen van de South Staffords en wat divisietroepen waren tussen mij en het bataljon terechtgekomen. Het tempo waarin ik me kon verplaatsen, werd lager en lager. Sommige eenheden hadden geen orders gekregen, en besloten, geheel terecht volgens mij, de weg te verlaten, dekking te zoeken, en defensieve posities in te nemen. Andere groepen en zwervers zoals ik probeerden door te gaan en onze weg te vervolgen.
Niet ver voor ons uit konden we het geluid van behoorlijk zware gevechten horen. Niet alleen infanteriewapens en mortieren, maar ook zwaar geschut en gepantserde voer-tuigen. Niemand scheen te weten wat er aan de hand was. Simpelweg werd aangenomen dat tegen onverwacht sterke tegenstand was aangelopen. Er werd wat af gespeculeerd door degenen die ik om informatie vroeg, en de meesten waren zelfs ietwat somber gestemd. Maar er was er geen één die echt van de hoed en de rand wist. Niemand scheen de algehele leiding te hebben, en de manschappen leken het vertrouwen in hun officieren te hebben verloren. Met andere woorden, nadat de euforie van de succesvolle landing en de daarop volgende opmars was vervlogen, had het moreel volgens mij een gevaarlijk laag punt bereikt.
Ik realiseerde me dat ik niets aan die situatie kon veran-deren aangezien ik geen betere informatie had dan de anderen. Daarom besloot ik om gewoon door te gaan met het zo goed mogelijk uitvoeren van mijn opdracht. Dat betekende dat ik van de weg afging, en het meer open terrein ten noorden daarvan betrad. Later, na de oorlog, kwam ik tot de conclusie dat het toen 19.00 of 20.00 uur geweest moet zijn, en dat ik me op de kaartcoördinaten 694784 bevond (volgens de toenmalige militaire kaart was dat in de buurt van Hotel Hartenstein).
Wat vervolgens gebeurde, weet ik niet zeker. Toen ik weer bij mijn volle verstand was, lag ik in een greppel zo’n 400 meter ten noorden van de weg (Utrechtseweg). Overal waren huizen met tuinen. Het was donker, en ik had een enorme hoofdpijn. Langzaam onderzocht ik mijn lichaam, en ik bemerkte een behoorlijk diepe snee, die van achter een oor tot aan mijn achterhoofd liep. Die had zwaar gebloed, en mijn schouders en nek dropen van het bloed. Na de eerste schok werd ik erg kwaad op mezelf omdat ik zo’n overdreven zelfverzekerde dwaas was geweest. Ik realiseerde me dat het niet mijn taak was een eenmans- oorlog te voeren. Zwaar bepakt en bewapend rondlopen, zou mij meer hinderen dan helpen als ik ooit het bataljon wilde bereiken. Dus ontdeed ik mij van alles behalve mijn bajonet (ik was bewapend met een geweer) en de kleren die ik aan had. Ik wist dat de spoorlijn in het noorden was, en dat die mijn gids zou zijn waarheen ik wilde gaan. De rails volgend, liep ik Arnhem in. Toen ik het gebied Den Brink had bereikt, vond ik een plek van waaruit ik het rangeerterrein en het ziekenhuis kon observeren. Er was een hevig gevecht gaande rond dat gebouw. Ik kon tanks zien, en verder naar het oosten hoorde ik het geluid van meer pantservoertuigen. Het leek er voor ons niet goed uit te zien, maar het was nog vroeg in de ochtend, en het was moeilijk uniformen te onderscheiden. Ik besloot op meer daglicht te wachten alvorens me in de strijd te mengen. Ik was immers niet van plan de vijand in de armen te lopen. Terwijl ik toekeek, zag ik dat een groep van onze mannen vanuit de dekking naar de brug over de spoorlijn rende, in het gebied ten westen van het ziekenhuis. Als je met een aantal bent, is het veiliger, dus ik sloot me bij hen aan. Vrijwel onmiddellijk trof ik enige manschappen en een onderofficier van het llth Bn aan, en ik vroeg hun de weg naar het bataljonshoofdkwartier. Ik moet er behoorlijk verschrikkelijk hebben uitgezien met mijn gezicht, haar en kleren onder de modder en het bloed, en dat lieten ze me weten ook. Ze herkenden me niet, maar wezen me ongeveer de richting aan waarin ik moest gaan.
De huizen in de woonwijk waren alle aan elkaar gebouwd, maar de blokken waren gescheiden door smalle straten. Van woning tot woning ging ik richting ziekenhuis. Van de bovenverdieping van een huis keek ik neer op een van onze 6-ponder kanonnen, die een positie had ingenomen waarbij het oostwaarts zo’n straat bestreek. Ik meen dat het de Nassaustraat was. De stuksbemanning handelde uitzonderlijk moedig, en bestookte tanks die uit de richting van het ziekenhuis kwamen. Ze gingen daarmee door tot ze allen dood of gewond waren.
Ik ging verder, en vond de commandant uiteindelijk in de kelder van een huis aan de Zwarteweg. Hij vertelde me dat de situatie behoorlijk hopeloos was, aangezien de vijand een enorm numeriek overwicht had en ons ook in wapens dik overtrof. Hij had geen contact met zijn compagnieën, en het bataljon had zware verliezen geleden. Het zou niet lang meer duren of we werden overlopen, en dan zouden we ons moeten overgeven of we werden eruit geschoten met granaten.”
Hier hebben we dus een beeld van wat waarschijnlijk typisch is voor wat het llth Bn overkwam. A Company werd onder de voet gelopen in het gebied rond het ziekenhuis. Dat was in het begin van de gevechten, en wat er van het bataljon over was, hergroepeerde zich. De hoofdmacht daarvan bestond uit B Company en C Company, samen met eenheden van Support Company. Mijn theorie is dat kleine groepjes mannen afgescheiden raakten van de rest, dekking zochten in verschillende huizen, en vervolgens krijgsgevangen werden gemaakt of op eigen initiatief de weg terug namen richting Oosterbeek.
We veronderstellen dat uiteindelijk zo’n 150 mannen van het llth Bn in de Thompson Force in Oosterbeek terecht-kwamen, onder het commando van Major Peter Milo. En wie waren daar nog meer? Milo was de commandant van C Company. Toen Captain Frank King in Oosterbeek aan-kwam op de morgen van de 20e meende hij dat de meeste overlevenden van zijn bataljon van C Company waren. Maar er waren ook soldaten van A Company onder leiding van Lieutenant Vickers, en van B Company onder Major Blacklidge en Lt Blackwood. Groepjes van HQ Company en Support Company waren er eveneens.
Het gebied rond het St. Elisabeths Gasthuis heb ik diverse keren bewandeld, en iedere keer verbaasde het me hoe moeilijk het zal zijn geweest om in de wirwar van straten een effectief commando te voeren. Ik wil zeker niet beweren dat dit het definitieve verhaal is over wat het llth Bn overkwam in de stad Arnhem. Als er andere Vrienden zijn die iets aan het voorgaande kunnen toevoegen, dan hoor ik dat graag.
Er zijn nog een paar mannen van het llth Bn in leven, maar de meesten van hen schijnen terughoudend te zijn om te vertellen over de gebeurtenissen in september 1944. Dat neem ik ze niet kwalijk. Ik beschouw de taak die ze toen hadden als een bijna onmogelijke, en het feit dat ze als een voetbal van het ene commando werden overgegeven aan het andere, droeg daar niet in een positieve zin aan bij. Dat geldt ook voor het ontvangen van orders en tegenorders.
Ik ben er zeker van dat de meeste mensen die wel eens in het genoemde gebied hebben rondgewandeld, het met me eens zijn dat het geen gemakkelijk gevechtsterrein is, met name omdat een efficiënte commandostructuur er moeilijk is te handhaven. De Geallieerde luchtlandingstroepen hadden ook nog eens een groot gebrek aan zware onder- steuningswapens (tanks, artillerie en vliegtuigen), en waren in feite kansloos.

Bronnen / Boeken
Waddy, J. – ATour of the Arnhem Battlefields (1999) Middlebrook, M. – Arnhem 1944 (1994)
Junier and B. Smulders with J. Korsloot, A. – By Land Sea and Air, an illustrated history of the 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment 1940-1945 (2003)
Niet gepubliceerde persoonlijke verslagen en correspondentie (archief Airborne Museum ’Hartenstein’, collectie N. Cherry, en geluidsarchief Imperial War Museum)
llth Parachute Battalion:
Major D. Webber
Major D. Gilchrist
Captain F. King
Private J. Gray
Private B. Kerr
Captain S. Mawson
Lance Corporal Bird
Private Edwards
Private G. Aston
Private J. Berry
Lieutenant J. Blackwood
4th Parachute Squadron, Royal Engineers- Lieutenant K. Evans

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.