MINISTORY No. 82
Jan Crum

Bijlage bij Nieuwsbrief No. 94 van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek, juli 2004

De naam John Hackett zal de meeste lezers bekend zijn. Voor alle zekerheid kort enige informatie over de lotgevallen van deze brigade-generaal tijdens de Slag om Arnhem. Op 18 september 1944 landde hij met zijn 4th Parachute Brigade op de Ginkelse heide bij Ede. Een dag later moest hij met wat er van zijn drie bataljons restte, terugtrekken van de Johannahoeve via Wolfheze naar Oosterbeek. Hackett en zijn mannen kregen daar de taak de oostelijke sector van de perimeter rond het hoofdkwartier Hartenstein tegen de Duitse overmacht te verdedigen. Vier dagen later werd Hackett door granaatsplinters in zijn buik levensgevaarlijk gewond. Overgebracht naar het Arnhemse St Elisabeths Gasthuis (dat inmiddels in Duitse handen was), werd hij door de Zuid-Afrikaanse chirurg kapitein A.W. Lipmann Kessel (krijgsgevangene van de Ist British Airborne Division) geopereerd. De Duitsers waren uiteraard onkundig gelaten van de identititeit en rang van Hackett. Ongeveer acht dagen na de operatie werd de generaal door het Arnhems Verzet (onder leiding van Piet Kruyff) ‘ontvoerd’ en met de auto naar Ede gebracht. Op 9 oktober werd hij overgebracht naar Torenstraat 5 in Ede, het huis van de drie dames de Nooij.

Wie in vredesnaam is Johan Snoek?
Zijn naam is bij insiders bekend, maar er zullen heel wat lezers zijn die hem niet direct kunnen plaatsen. Dat zal zeker het geval zijn als ze de autobiografie van Sir John Hackett niet kennen: I was a stranger’. Het boek verscheen drieëndertig jaar na Hacketts riskante ‘ontvoering’ uit het St Elisabeths Gasthuis en is een aangrijpend relaas van zijn onderduikerstijd (9 oktober 1944 tot 29 januari 1945) in het huis van Mien, Cor en Anna de Nooij in Ede èn de ontsnapping die later zou volgen. Drie zusters onder één dak! Op 1 oktober 1944 kwam er nota bene een vierde zuster bij in de persoon van mevrouw Rie Snoek-de Nooij uit Renkum, in gezelschap van twee van haar kinderen, Johan en Marie”. Op last van de Duitsers hadden zij, net als alle andere bewoners van de gemeente Renkum, huis en haard verlaten en vervolgens onderdak gevonden bij hun familie in Ede. Johan Snoek verbleef daar goed een week toen hij op 9 oktober’1’ 1944 plotseling oog in oog stond met niemand minder dan John Hackett’7, die door twee broers van de tantes werd binnengedragen. ‘Een lange blonde jongeman met een smal gezicht’, luidt het signale-ment dat Hackett van Johan in zijn boek geeft7. Op het moment van hun kennismaking was John Hackett 34 jaar en Johan 24.

Johan Snoek, op de pasfoto van zijn persoonsbewijs.(Archief Johan Snoek)

Anno 2004 is Johans haar weliswaar wat minder blond, maar zijn levendigheid en kwiekheid zijn onaangetast. Hij kan terugzien op een rijk en actief leven, waarin hij nooit voor enige uitdaging uit de weg is gegaan. Aan zijn memoires gaf hij een veelzeggende titel mee: Soms moet een mens kleur bekennen. Wie verwacht dat de auteur lang stilstaat bij zijn ervaringen en belevenissen met John Hackett komt bedrogen uit. Hij volstaat met een paar regels en voor het overige verwijst hij kortweg naar Ik ben een vreemdeling geweest. Wie dus meer wil weten over de vier maanden die Hackett onder hetzelfde dak doorbracht als Johan Snoek, leze laatstgenoemd boek. Wie echter, zoals ik, de door Hackett vertelde geschiedenis ook eens door een andere bril wil bezien en nieuwsgierig is naar de later ontstane vriendschap tussen John en Johan, die moet in gesprek met een van de hoofdpersonen van Ik ben een vreemdeling geweest. Johan Snoek was zo vriendelijk mij bij hem thuis in Rotterdam te ontvangen en mijn vragen te beantwoorden.
Direct maakt Johan mij duidelijk dat hij zijn verzetsver-leden en zijn avonturen met Hackett als een afgesloten episode in zijn leven beschouwt. Hij leeft in het hier en nu en houdt zich liever bezig met brandende kwesties uit de actualiteit (zoals het Israëlisch-Palestijns conflict, waarvoor hij in woord en geschrift onophoudelijk de aandacht vraagt). Zijn leven is immers meer dan de vijf oorlogsjaren! Toch stemt hij in met een gesprek over een tijd die nu bijna zestig jaar achter ons ligt. De eerste vraag die ik hem stel betreft zijn motieven om in het verzet te gaan. ‘Je zou je zelfrespect verliezen als je het niet zou doen. In de eerste oorlogsjaren was ik niet gelovig. Ik deed het dus niet vanuit de Bijbel, maar wel omdat je duidelijk zag wat goed en/of kwaad was. Koningin Wilhelmina had het over de strijd tussen Licht en Duisternis en zoveel jaar later zeg je … Het regime van Hitler was misdadig maar niet iedere Duitse soldaat was een schurk! Het is de vraag of jij en ik het beter hadden gedaan als we als Duitsers geboren waren.’ Wat zeker ook een factor is geweest om een actieve rol in de LOV‘ te gaan spelen was de stimulerende invloed van het netwerk van kerk en familie. ‘Het hielp dat je een sterke familieband had. Op verjaardagen werd er over politiek gesproken. Je telde niet mee als je helemaal niets deed.’ De familie De Nooij (waartoe Johan dus via zijn moeder behoorde) was kerkelijk meelevend (gereformeerd) en actief op het maatschappelijk erf. De familieband was hecht, ook al woonde men in verschillende dorpen (Ede, Bennekom, Renkum, Heelsum).
Van de jongere generatie waren behalve Johan en Wim Snoek o.a. ook neef Zwerus en neef Menno actief in het verzet. Zwerus vinden we in Hacketts boek terug onder de naam Blue Johnnym’ en deze zoon van oom Jan uit Bennekom zou de Arnhemse verzetsleider Piet Kruyff assisteren bij de ‘ontvoering’ van Hackett uit het St Elisabeths Gasthuis. Menno, de zoon van oom Piet, had als schuilnaam Tony en was een van de leiders van het Edese verzet. Deze werkte samen met Hackett een plan uit om laatstgenoemde tussen 20 en 24 december 1944 veilig over de Rijn te brengen'”11. Het plan werd wegens allerlei bezwaren en problemen niet uitgevoerd.
Sprekend over de gereformeerde zuil waartoe zijn familie behoorde, herinnert Johan zich dat Hackett zich tijdens een van de vele gesprekken die ze in Ede met elkaar voerden, liet ontvallen: Ja, ik begrijp in welke hoek jullie zitten. We hebben ze ook in Schotland. Het zijn trouwe vrienden en geduchte vijanden! Johan verklaart dat geduchte vijanden nader: ‘de Duitsers hadden vanwege onze eigengereide rechtlijnigheid geduchte vijanden aan ons …’
Hackett werd dus door het Arnhems Verzet uit het St Elisabeths Gasthuis gesmokkeld en vervolgens per auto naar Ede gebracht. Hoe belandde hij uiteindelijk op het adres Torenstraat 5? Dat ging via Menno de Nooij. Deze had enkele uren tevoren zijn drie tantes benaderd. Johan: ‘Er is wel met hen overlegd maar eigenlijk was het een uitgemaakte zaak dat ze ja zouden zeggen. Nee zeggen was eigenlijk geen optie. Mijn tantes vonden de komst van een zo hoge militair wel leuk en bovendien vonden ze het fijn voor mij, want ik kon me sinds de evacuatie uit Renkum nauwelijks meer nuttig maken. Dat ging nu veranderen …’ De reden waarom het verzet het huis van de dames De Nooij als schuiladres voor Hackett koos, lag voor de hand. Johan legt me uit dat de drie ongetrouwde zusters bij de Duitsers en hun trawanten onverdacht waren, het adres was schoon, d.w.z. nog nooit gebruikt door welke onderduiker dan ook.
Het gesprek komt nu op de drie tantes. Ik vraag aan Johan of hij trots is op zijn familie. ‘Trots is niet het gevoel. Je weet hoe gecompliceerd het allemaal is, hoeveel fouten ieder mens maakt. Ik ben wel dankbaar voor mijn moeder. De tantes waren leuke mensen en Hackett heeft enorm veel aan ze te danken. Hackett beschreef ons als gezien door een roze bril, ofschoon hij de minder positieve kanten wel besefte. Tante Cor was de minst heldhaftige. Zij heeft het langst geleefd. Eens zei ze me: ‘Ik vind het curieus dat ik, die van de drie het minst gedaan hee/t, me het langst heb kunnen zonnen in alle aandacht en waardering na de verschijning van het boek.’ Maar toch heeft ook zij haar leven op het spel gezet.’
Bij de verschijning van de Nederlandse versie van Hacketts boek (1979) heeft tante Cor hem bij wijze van souvenir het wandkleed van Doornroosje1*, dat boven zijn logeerbed in Ede hing, cadeau gegeven. Tante Cor stierf in 1994, 95 jaar oud. Toen Hackett in de herden- kingsweek van september 1994 tante Cor een laatste bezoek bracht, meldde hij zich bij haar als your cousin. ‘Hij zei het met een glimlach, maar hij meende het! Hij voelde zich in de familie opgenomen…’
Tante Anna was volgens Johan een sterke, moedige vrouw, die veel invloed had op haar twee zusters. Helaas overleed ze al in 1949. Opvallend zijn de warme en respectvolle woorden die Hackett aan haar wijdt. Ze had ongeveer dezelfde kijk op het leven als ikzelf, schrijft hij. Johan verzekert me dat zo goed als alle gebeurtenissen die Hackett in zijn boek vertelt, juist zijn weergegeven. Zo bevestigt hij diens verhaal over de illegale brieven die tante Anna in Hacketts gezelschap en onder de neus van een tiental Duitse soldaten postte. Een levensgevaarlijke onderneming! Hackett had grenzeloze bewondering voor dit staaltje van argeloze onverschrokkenheid.*
Ik vraag Johan of de tantes na de oorlog onderscheiden zijn voor hun bijzonder moedige gedrag. Hackett typeert het in zijn boek zo mooi met ‘the unconquerable strength of the gentle’*1. Nee, een officiële onderscheiding hebben zij nooit gehad. Johan denkt dat het feit dat ze over het hoofd zijn gezien ook te maken had met hun vrouw-zijn. En Johan zelf dan? Hij legt me uit dat zowel hij als zijn broer en zus Rie, die generaal Hackett al die weken aan de Torenstraat 5 verpleegd heeft, zich bewust verre hebben gehouden van het ‘onderscheidingencircus’. Wars van alle eerbetoon hebben ze het Verzets- herdenkingskruis niet aangevraagd. ‘Toen Hackett in september 1994 in Oosterbeek was, heeft hij bij Hartenstein een monument*11 onthuld. De tekst op de steen bedankt alle burgers van de provincie Gelderland die op enigerlei wijze de mannen van de 1ste Britse Airbome Divisie hebben geholpen. Deze woorden verwijzen dus ook naar mijn familie en mij. Dat is genoeg.’
Was Hackett een aangenaam iemand om in huis te hebben? ‘Hij heeft zich perfect aangepast aan zijn nieuwe situatie.Hij was een uiterst gezellige gast. Met onderduikers wist je niet van te voren wie je in huis haalde, maar hier had je een man die niet op zijn strepen stond. Als militair was hij gewend hiërarchisch te denken. Dat werd bij ons door de bijzondere situatie helemaal doorbroken. Hij gaf zich tot op zekere hoogte gewonnen en coquetteerde daar
later haast mee. Ik heb grote sympathie voor hem. Ook omdat ik later gezien heb hoe aardig hij omging met zijn vrouw en dochters. Tegen ons was hij altijd bijzonder beminnelijk.’ Johan vertelt dat het hem indertijd heeft verbaasd dat Hackett al in zijn onderduikerstijd bezig was uit te zoeken wie van zijn ondergeschikten in aanmerking moes-ten komen voor een militaire onderscheiding. ‘Het was natuurlijk wel iemand van status en vlagvertoon. Maar dat heeft waarschijnlijk met zijn militair-zijn te maken.’

14 September 1994, nabij het Airborne Museum. Sir John Hackett (geheel rechts) onthult het monument voor de Gelderse burgers. (Foto Berry de Reus)

Chris van Roekel kent in het door hem geschreven in memoriamxlli Hackett nogal wat goede eigenschappen toe, maar hij noemt hem ook ijdel. Is dat eveneens de mening van Johan Snoek?
‘Hij bezat een groot, sterk ego. Hij had wat veel mensen heb-ben die, zoals hij, klein van stuk zijn. Het Gerbrandy-type. Die moeten zich laten gelden. Dat hebben ze als kind al ge-leerd. Als je je niet laat gelden, word je over het hoofd gezien. Je merkte het wèl als hij binnenkwam …’
Het gesprek komt op de levensovertuiging van Hackett. In zijn boek vertelt hij dat hij dagelijks uit de Bijbel las. Was het geloof het raakvlak tussen hem en de drie zusters?
‘Nou kijk, hij kwam uit zo’n andere wereld en ik denk eigen-lijk dat het geloof toen bij hem wat afgezwakt was. Toen hij bij ons op dat zolderkamertje terechtkwam, ontstond er bij hem een geweldige verdieping. Hij ging intensief de bijbel lezen. Hij had alle rumoer van het leger achter zich gelaten en er brak voor hem een soort kloostertijd aan. We praatten natuurlijk ook over het geloof. We hadden het bijvoorbeeld over de al dan niet letterlijke interpretatie van Genesis. Hij was Anglicaan, met opvattingen die veel vrijer waren dan de onze. Dat was leerzaam voor ons. En Hackett van zijn kant stond open voor onze manier van denken en bestreed nooit onze geloofsovertuiging. Hij ging voorzichtig met ons om.
Uiteraard ben ik benieuwd naar Johans persoonlijke relatie met Hackett.
Ongedwongen? Nee, dat is niet het woord. Hij vertelt me dat Rie (de zus van Johan pas vele jaren later voorstelde om Shan en Margaret te zeggen … Dat de verhouding tussen Johan en Hackett lange tijd toch wel wat afstandelijk bleef, heeft Johan mogelijk ook aan zichzelf te wijten. Hackett was heel trouw in het onderhouden van het contact. Telkens als hij in Nederland was, bezocht hij de drie zusters aan de Torenstraat. Johan gaf hij na de oorlog een abonnement op een Engels weekblad en elk jaar kwam er een kerstkaart. ‘Hackett was erg op mij gesteld en dat is altijd zo gebleven. Hij informeerde ook steeds naar mij bij mijn tantes. Maar mijn houding was ietwat bizar: ik van mijn kant liet niets van me horen. Ik was
na de oorlog te druk met de zaak, die opnieuw moest worden opgebouwd. Aan kerstkaarten deed ik niet. In 1950, toen ik voor een studentenconferentie in Londen moest zijn, ben ik bij hem en zijn vrouw op bezoek geweest. Het contact begon pas intensief te worden toen Hackett bezig was met het schrijven van zijn boek. Hij stuurde mij het manuscript en vroeg me na te gaan of alles klopte. Onze verhouding was niet die van meerdere/mindere. Op het schaakbord won ik meestal van hem. We gingen openhartig met elkaar om. Toen ik Hacketts boek The Third World War had gelezen, heb ik hem een pittige brief geschreven om te protesteren tegen de in het boek verwoorde sympathie voor het toenmalige apartheidsregime in Zuid-Afrikaxiv. Politiek waren we het niet altijd eens, maar dat stond een goede verstandhouding niet in de weg.’
Hackett was in zijn denken op en top militair. In zijn omgang met de zes bewoners van Torenstraat 5 was hij een aangename huisgenoot die niet langer dacht in termen van rang en commando. Opvallend was echter dat toen hij in december 1944 samen met neef Menno op minutieuze wijze een ontsnappingsoperatie over de Rijn bij Renkum voorbereidde, de pur sang militair zich weer in hem openbaarde. ‘Ik stond er ook op dat er geen misverstand mocht bestaan over wie de leiding had’xu, schrijft Hackett in zijn boek. Menno zou het commando hebben tot de tweede boerderij, omdat hij daar het terrein kende.Vanaf dat punt tot de oever van de rivier, waar ze geen van beiden bekend waren, zou Hackett het overnemen. Zoals eerder al is vermeld, kon het plan niet worden uitgevoerd. Toen Johan korte tijd later met een heel ander ontsnappingsplan (een route door Zuid- Holland) kwam, stelde Hackett zich, opmerkelijk genoeg, anders op. Hij stemde zonder meer in met wat Johan voorstelde en bij de uitvoering vertrouwde hij zich volledig toe aan de leiding van Johan™.
‘Toen wij eind januari aan onze gevaarlijke fietstocht naar Siedrecht begonnen, zei Hackett dat het voor hem vanzelf-sprekend was dat ik het commando had. Ik had helemaal niet in die termen gedacht. Kom nou (lachend), je doet die dingen samen, hè. Ik voelde me niet onder hem, maar ik wilde hem ook niet boven me hebben …Tijdens de tocht accepteerde hij altijd wat ik voorstelde en was hij uiterst positief.’
Hoe kwam Johan ertoe om de ontsnappingsoperatie via Sliedrecht en de Biesbos te laten lopen? Dat had te maken met het feit dat hij in Gorcum geboren is, daar familie had en ook toegang had tot het netwerk van het Verzet in dat gebied. Hij ging dus op onderzoek uit en ontdekte al gauw dat er reële mogelijkheden waren om Hackett bij Sliedrecht naar bevrijd gebied te krijgen. Hackett had groot vertrouwen in zijn plan en begreep dat de gekozen methode (zich overdag verplaatsen, ongewapend, in burgerkleren, met persoonsbewijs) op dat moment de enige juiste was. Johan verwijst met voldoening naar wat Hackett in zijn boek over zijn plan zegt: ‘Het vooruitzicht dat Johan tenslotte als amateur alle professionals de loef zou afsteken was niet onplezierig’™1. Beiden hadden ze groot vertrouwen in de goede afloop van de onderneming. Bang zijn ze onderweg niet geweest. Op weg naar Schoonhoven moesten ze in een cafeetje hun brood opeten. In de gelagkamer zat ook een man in uniform. Een NSB-er? ‘Als je toen een uniform aanhad, utas je onbetrouwbaar, dus wat deed ik? Ik liep op de man toe en zei: ‘moet u eens horen … U hebt wittebrood en ik roggebrood. Zullen we ruilen? U wat van mijn roggebrood en ik wat van uw wittebrood.’ Hij ging erop in. De man had geen vermoeden dat ik daar zat met brigade-gene- raal Hackett! Ik deed dat omdat ik de ruil interessant vond, maar ook om de geüniformeerde man zand in de ogen te strooien. Ik voelde me ontspannen.’ Johan herinnert zich nog heel goed het volgende voorval bij Sliedrecht, waar ook Hackett over vertelt™*’. Hackett riep in een vlaag van roekeloosheid naar een Duitse soldaat met een blaffende hond, die ze voorbij fietsten ‘Is that your dog?’. Na diens bevestigend antwoord brulde Hackett hem toe: ‘Then keep the bloody thing quiet!’ Ik vraag Johan of hij op dat moment niet door de grond ging. ‘Hij dacht dat ie van mij op z’n dondertje zou krijgen want hij voelde zich onder mijn commando staan. Maar ik lachte want ik begreep het gedrag van Hackett best. Het was een moment van branie en we konden het ons permitteren. Hackett schrijft in zijn boek dat hij niet voor de eerste keer het gevoel had dat ik hem beter begreep dan hij zichzelf. Inderdaad had ik het best door. Ik begreep dat Hackett de behoefte had zich af te reageren. Hij was maandenlang vermomd geweest als anoniem onderduikertje en dan in het zicht van de haven die ontlading …’
Een ander voorval tijdens de tocht naar Sliedrecht: de koerierster*”1 die de opdracht had voor hen uit te fietsen (met alle belastende eigendommen van Hackett in de fietstas) reed in de buurt van Schoonhoven van de dijk af. ‘Dat was niet volgens plan. Het was gevaarlijk, want je moest elkaar onderweg niet kwijtraken. Wij reden haar niet achterna. Ik wenkte haar en riep:’ kom terug!’. Toen ze weer bij ons was, zei ik kortaf:’ als je maar gewoon doet wat ik je zeg …’ Toen schudde Hackett zijn hoofd en zei: ‘Johan, als je je zo tegen dames gedraagt, zul je nooit trouwen!’
In Sliedrecht kwam een einde aan Johans rol in de ont- snappingsoperatie. Hackett schrijft: ‘Maar voor mij werd alles overschaduwd door het feit dat ik nu afscheid moest nemen van Johan’xx. ‘Achtera/, zegt Johan, besef ik dat ik ongevoelig ben geweest voor zijn ontroering. Hij liet Ede achter zich en hij liet mij achter zich als symbool van de hele familie en ik zei ‘Nou dag, het beste.’ Gelukkig hebben we elkaar later nog vaak ontmoet. In 1994, vijftig jaar na de Slag om Arnhem, hebben we samen met mijn zus Rie en het echtpaar Hackett heel leuke dagen gehad.
In 1997 hoorde ik van Elsa Caspers dat Shan ernstig ziek was. Dus heb ik opgebeld en gevraagd ‘Stellen jullie het op prijs als ik een keer kom?’ Dat bleek het geval. Ik werd per taxi van het vliegveld gehaald en naar Cheltenham gebracht. Toen hebben we een dag lang gepraat en gelachen. De twee dochters waren ook aanwezig. Voor het vertrek, de volgende dag, zei ik: ‘Ik wil met jullie uit de Bijbel lezen, bidden en de zegen uitspreken.’ Dat was heel ontroerend. Ik had het gevoel dat ik hem voor de tweede maal begeleidde naar de rivier. De woorden die ik las waren: Filippenzen 4: 4 -7. ‘Verblijdt u in
de Here te allen tijde! (…) En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.”
Hackett overleed op 9 september 1997. Johan Snoek en zijn zus Rie werden met nog een aantal Nederlanders uitgenodigd aanwezig te zijn bij de dienst ter nagedachtenis van General Sir John Winthrop Hackett GCB CBE DSO MC MA BLitt in de kerk St. Martin in the Fields (Trafalgar Square, London) op 24 november 1997. Hem was vooraf verzocht om tijdens deze dienst een van de gebeden uit te spreken. Voor Johan een erkenning van wat hij voor Hackett tijdens diens leven heeft betekend. In de bij de dienst behorende liturgie werd hij aangekondigd als the Reverend Johan Snoek, nephetu of the De Nooij sisters. Nephew of the De Nooij sisters: is deze toevoeging niet een postuum eerbetoon aan zijn drie dappere tantes?
’ Sir John Hackett, I was a stranger, Chatto & Windus 1977. Vertaald in het Nederlands onder de titel Ik ben een vreemdeling geweest, Bosch en Keuning 1979.
“ Haar zoon Wim was niet bij hen omdat hij vanwege zijn verzetsactiviteiten door de Duitsers was gearresteerd.

Deze datum vond ik in de lezenswaardige memoires van Johan Snoek: Soms moet een mens kleur bekennen. Een terugblik op 70 jaar, J.H. Kok 1992. Belangrijke elementen uit zijn curriculum vitae: Geboren 1920 te Gorcum; 1940 – 1945: verzet; 1945 – 1949: manufacturier Renkum; 1949 – 1953: studie theologie VU; 1958 – 1969 predikant Tiberias (Israël); 1970 -1975: Wereldraad van Kerken Genève; 1980 – 1986: pastor in twee verpleeghuizen in Rotterdam.
1V Hackett is in zijn boek minder exact wat de datum betreft: ‘ ….the tenth or eleventh of October …’
v Ik ben een vreemdeling geweest, p. 44.
71 LO, afkorting van Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers, de grootste verzetsorganisatie in Nederland.
vu Ik ben een vreemdeling geweest p. 33 en p. 38. viii Ibidem p. 99,100,101,102.
1X Ibidem p. 45.
x Ibidem p. 137.
X1 I was a stranger, p. 185.
Xli Een fragment van de Engelse tekst: This stone marks our admiration for your great courage remembering especially the women who tended our wounded. In the long winter that folio- ujed your families risked death by hiding Allied soldiers and air- men while members of the Resistance helped many to safety.
xiii Herinneringen aan Generaal Sir John Winthrop Hackett door Chris van Roekel (Ministory No. 58, bijlage bij Nieuwsbrief No 70 van mei 1998).
xiv Hackett antwoordde dat hij weliswaar als eindredacteur van het boek verantwoordelijk was voor de totale inhoud, maar dat het hoofdstuk waarin Zuid-Afrika (dat van het apartheidsregime) een trouwe bondgenoot van het Westen wordt genoemd, niet door hem geschreven was.
xv Ik ben een vreemdeling geweest, p. 100.
XV1 Ibidem, p. 146; zie ook p. 165.
xvii Ik ben een vreemdeling geweest p. 147.
xvni Ibidem p. 177.
xix Elsa Caspers, die tot aan Hacketts dood contact met hem heeft gehouden.
xx Ik ben een vreemdeling geweest p. 178.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.