MINISTORY No.79
door J.W. van Zonneveld

Bijlage bij Nieuwsbrief No. 91, augustus 2003
Dit is het verhaal van Johannes Willem van Zonneveld. Op zondag 17 september 1944 woonde hij met zijn ouders en een jongere broer op het adres Utrechtseweg 76 te Oosterbeek. Daar (in het dubbele pand op de oostelijke hoek met de Molenweg, waar nu Woninginrichting J. van Tuil & Zn. is te vinden) dreef vader J.E. van Zonneveld een groenten- en fruithandel. Zoon Jan was toen 18 jaar oud.
In de jaren 1998-2000 had ik regelmatig contact met hem over zijn ervaringen tijdens de Slag om Arnhem. Hij woonde toen in Breda, en vanuit die stad ontving ik onder andere zijn dagboek. Mede naar aanleiding van vragen en opmerkingen van mij, is uiteindelijk het onderstaande artikel ontstaan. De basis vormt Jans dagboek, de bewerking en de noten zijn van mijn hand.
(Geert Maassen)

September 1944
Hoewel de fronten nog vast lagen in Zuid-Nederland en Noord-België, werd het duidelijk onrustiger in de lucht. Dat bleek onder andere uit geallieerde luchtaanvallen.
Zondag de 17e was er een aanval van negen Mosquito’s om ongeveer 12.00 uur, waarbij zij zeer laag óverkwamen, en op mij een grote indruk maakten. Later bleek dat ze het gemunt hadden op doelen in Arnhem, onder meer de Willemskazerne en Hotel Royal.
Na het landen van de geallieerde zweefvliegtuigen en parachutisten ten westen van Wolfheze werd op die dag op de Utrechtseweg, ter hoogte van de Beukenlaan, nog geen para-activiteit waargenomen. Wel trokken zwaarbewapende SSers in gevechtstenue langs, van west naar oost. Tegelijkertijd kwamen burgers vanuit het Benedendorp per fiets naar boven, op weg naar huis. Zij rookten al Engelse sigaretten. Voor alle zekerheid installeerden we ‘s avonds toch maar vast nachtlogies in de kelder.

Maandag de 18e
‘s Morgens om ca. 6.30 uur hoorden wij gerommel aan de brievenbus, die naast de etalage tegen de gevel stond. Voorzichtig vanuit de winkel naar buiten loerend, zagen wij drie of vier Britse militairen. We wisten nu zeker dat ZE er waren! We roken dat ook aan de geur van echte benzine, vermoedelijk afkomstig van een jeep met draaiende motor.
Maar we durfden nog steeds niet naar buiten te stor-men; in het ochtendduister hebben wij ons dus eerst
gekleed en ontbeten.
Na het ontbijt ging ik met mijn vriend Ger (Steemers) naar het centrum van het dorp. Eerst hadden we bij ons voor de deur nog een ontmoeting met een groepje Engelsen. Een man of vier vijf, van wie één een radio-telegrafist was, met apparatuur op z’n rug, waarbij een grote antenne van wel 2 of 2,5 meter lang. Ze hadden al goudsbloemen laten steken in hun helmnet, wat mij overigens vrij gevaarlijk leek.
We kwamen bij het politiebureau op de oostelijke hoek Utrechtseweg – Jan van Embdenweg. Daar ging juist weer een para-patrouille noord-zuidwaarts de Wilhelminastraat in, waarbij burgers ze voorzagen van appels die in kistjes langs de straat stonden. Voor het bureau, op het voorplein, werden we aangeroepen door Inspecteur Jansen, die ons vroeg koeriersdiensten te verrichten voor de Luchtbeschermingsdienst (LBD). Dat was nodig omdat het beroepspersoneel, gezien de omstandigheden, veelal het gezin niet alleen liet of zelf in de kelder zat. De eerste boodschap moesten we naar een boerderij aan de Rosandeweg brengen. Op de kruising Julianaweg – Mariënbergweg werd knap op ons gevuurd. We hadden Franse helmen van de LBD op, en de Britse ‘snipers’ (sluipschutters) zagen ons voor soldaten aan. Dat bleek na onderzoek door ons: we hielden een helm op een tak omhoog, terwijl we zelf achter een boom schuilden. Zo konden we nagaan dat het vuur op de helm gericht was, en hebben we de missie afgeblazen.
Voor de tweede opdracht moesten we naar de Heuveloordweg, waar op het opgegeven adres een kind zou zijn dat gewond was en naar het ziekenhuis moest worden gebracht. Bij aankomst bij het pand konden we praktisch geen beschadigingen waarnemen. Maar na een nadere rondgang bleek de achterzijde van de gehele gevel verdwenen te zijn. Oma zat met twee kinderen onder de tafel in de keuken. Voor de derde keer togen we op pad: toen we ca. 11.00 / 11.30 uur bij het politiebureau terugkeerden, hoorden we dat vrijwilligers gevraagd werden voor assistentie bij het inrichten van Hotel de Tafelberg tot noodhospitaal. Dat was bedoeld voor gewonde burgers en Engelsen, maar ook Duitsers werden opgenomen. Wij gingen eerst gelijk naar huis, en ondanks het middaguur hebben wij de foerage maar direct meegenomen. Naar mijn idee waren we ongeveer om half twee ‘s middags bij het hotel.
Bij aankomst daar zagen we behalve wat burgerperso-neel ook enige para’s, die ons tot de borrel noodden. Na nog nooit iets anders als ‘imitatie’ te hebben gedronken, kwam de Arak (rijstbrandewijn) behoorlijk stevig aan! Verder werd aangenomen dat wij rookten, maar gelukkig hadden ze Egyptische sigaretten bij zich, waar we maar een beetje aan paften; konden we tenminste nog ergens aan meedoen.
‘s Middags werd de tweede lift binnengevlogen, en zagen wij een lucht vol landende gliders, en daarna parachutes van allerlei kleuren. Na de hand te hebben geschud van een paar Nederlandse Britten (een com- mando-eenheid met groene baretten), waarbij ook onder andere kapitein Wolters in gedeeltelijk een marine-uniform J), konden wij met onze arbeid in De Tafelberg beginnen.
Onze werkzaamheden bestonden uit het om toveren van hotelruimten in hospitaalkamers, waarbij het nor-male meubilair eruit ging naar de dependance, en voor zover aanwezig de bedden, en later alleen matrassen en brancards, in de kamers achterbleven. Zo, kamer voor kamer afwerkend, kwam op een gegeven moment ook die van ‘General Oberst Model’ aan de beurt. 2) Hier was de zaak wel hals over kop verlaten. Z’n diner stond er nog half opgegeten op tafel, terwijl het toetje niet aangeraakt was. In de wastafel lag een verbrand vel papier, wat hij niet kapot gescheurd had, en nog duidelijk leesbaar was: ‘Programm der Sovjet Russischen Armee’. Hier vond ik ook meerdere staf- en speciale overzichtskaarten, voornamelijk van het Westfront. Deze speciale kaarten waren bijgewerkt tot de laatste dag, en gaven onder andere de positie van de geallieerde legers aan: ‘Breda 5 Sept. Montgomery?’ Er lagen veel enveloppen met ‘GEHEIM”, ‘DURCH KURIER’ en ‘An Feldmarschall Walter Model’.
Ook vond ik Engelse tijdschriften, waaronder de London Illustrated (het invasienummer van juni 1944). De teksten onder de foto’s daarin waren in het Duits vertaald en overgeplakt. Bij de foto van een Duitse gevangene die voor op een jeep zat (in Normandië), stond bijvoorbeeld: ‘So werden unsere Gefangene wie Schutz benutzt’ (Zo worden onze gevangenen als dekking gebruikt).
Tussen de bedrijven door kwam Oom Geurt (Veenbrink) met paard en wagen met een gewonde vrouw, die hij in Wolfheze had opgehaald. Op de Wolfhezerweg was hij in zware gevechten terechtgekomen, waar hij staande op de bok in galop uitgekomen was. Zij was onze eerste burgerpatiënt.
Van de Engelsen stond er ook reeds een jeep met twee gewonden (op brancards). Daar sloeg op dat moment met een daverende knal een granaat door de muur van het gebouw aan de kant van de Pietersbergseweg. De chauffeur was in één sprong vanuit zijn zitplaats in een lang gestrekte horizontale houding naast de jeep. Hij werd hierover door Dr. Warrack wel goed terechtgewezen, omdat hij de gewonden aan hun lot had overgelaten. 3)
In de loop van de middag zijn we nog even naar huis geweest. Gedeeltelijk om te foerageren en mijn souvenirs van ‘General Marschall OB Model’ op te bergen. De terugweg van huis ging via parallelwegen van de Utrechtseweg, te weten Jacobaweg – Vredeberg – Cornelis Koningstraat, en dan door tuinen naar de Paasberg en de Pietersbergseweg. Op de Jacobaweg zat zowaar nog een familie te zonnen in de voortuin. Wij hebben ze verteld dat het gezonder was om binnen te blijven.
Zo kwam dan dra de avond, en waren de kamers en zalen geheel met bedden en brancards gevuld. Met uitzondering van de benodigde open plekken dan. Veel van de eerste gewonden moesten al op een brancard blijven liggen omdat er geen lege bedden meer waren. Daarmee begon ook onze gewondenverzorging; dat wil zeggen: wij moesten ons beperken tot het natje en het droogje.
Mij rest aan deze avond het beeld van een para, voor-over op een brancard liggend, en badend in het bloed. Een been lag er wat los of vast bij. Toevallig kwam ik langs toen Dr. Warrack bij hem de deken opsloeg om hem voor een operatie op te halen. Wat werd ik op dat moment beroerd!! Ik moest hard rennen om een WC te halen. Een paar uur later was ik in de buurt, en zag ik hem weer, met z’n been eraf, en ter plekke wit verband.
We konden ons met de lichtgewonden goed onder-houden, maar het verkeer tussen de brancards werd toch steeds moei lijker, vanwege de grote bezetting die je aan voelde komen. Tegen de avond waren de eerste kamers en zalen ingericht, en hadden de Engelsen aan de kant van de Pietersbergseweg, op de begane grond, een volledige operatie-eenheid in gebruik genomen.
Wij sliepen in een kamer aan de zijde van de Pietersbergseweg. De avond werd verder doorgebracht met kleinere boodschappen en praten, want ook waren twee Oosterbeekse artsen veel aanwezig (Dr. Van Maanen en Dr. Onderwater). De eerstgenoemde gaf bij strategische overzichten als zijn mening te kennen dat deze licht bewapende geallieerde troepen het maximaal 24 uur zouden redden. Tussendoor kregen we nog bezoek van een stuk of vijf losgeraakte patiënten van de psychiatrische inrichting te Wolfheze, die zingend in zwaar vuur de vrijheid vierden.

19 september
‘s Morgens verrichtte ik klein hospitaalwerk, en in de loop van de ochtend haalde ik onder andere medicijnen op bij Apotheek de Wit, waarbij ik op de terugweg voor het eerst moest schuilen voor granaatvuur. Daardoor kwam ik op de hoek Paasberg – Pietersbergseweg in het portiek terecht van het huis van Dr. Van Maanen; samen met een Brit, een glider- piloot. Die begon in het Frans tegen mij te praten, waarop ik vroeg of hij geen Engels sprak. Hij zei alleen: ‘German tanks are coming’.
De bezetting van het hospitaal was nu zo dat er normaal gesproken niemand meer bij kon. We moesten al over de brancards heen stappen om bepaalde patiënten te bereiken. Maar de stemming bleef erg goed. We leerden toen ook om met brancards te lopen.
Terwijl ik ‘s middags aan het zoeken was naar een pomp of een ander aftappend apparaat, liep ik bijna in een kuil die door de Engelsen achter het gebouw was gegraven om de operatie-restanten in kwijt te raken. Voor een dubbele opdracht de volgende dag werd de vrijwilligers gevraagd zich het liefst ‘s avonds al te melden. Bij het ochtendkrieken zou vertrokken worden, dus dat werd vroeg uit de veren. Nou … veren! ‘s Nachts werd zwaar gevochten, en wij lagen op een gangvloer waarop de hele tijd verkeer was, te weten de aan- en afvoer van de operatiekamers. Daarin zag je als de deur open ging altijd een paar ontblote bovenlijven, met de bekende rubberschorten, badend in een zee van licht (ze hadden een eigen installatie bij zich). En toen we woensdagmorgen het hoofd om de deur staken, bleken de zalen alleen maar voller te zijn geworden. Het bedrijf draaide op volle toeren, en ook op dat tijdstip ging alles nog door alsof nergens stagnaties waren.

De 20e
Om ca. 7.00 uur startten we voor onze dubbele opdracht: naar het Parochiehuis gaan, en een zeer ernstig gewonde kapelaan ophalen en naar het ziekenhuis brengen, en op de terugweg langs garage Aalbers (Utrechtseweg/ Veritasweg) gaan om daar een Duitse, militaire, BMW-cabriolet op te halen, en deze over te dragen aan de para’s. We gingen met twee wagens: een ziekenwagen en een auto die naar Aalbers moest. Nadat we het Parochiehuis bereikt hadden, kon de ziekenwagen meteen terug: de kapelaan was inmiddels overleden. Ter bescherming hadden we overalls aan, met op de rug een rood kruis in een wit veld. En ook twee grote rodekruisvlaggen waren aanwezig, waarmee Ger en ik op de spatborden van de wagen zaten. Door burgers werden we gewaarschuwd voor sluipschutters, maar we slaagden erin de BMW op te halen. Op topsnelheid vlogen we, soms op twee wielen door de bocht, binnendoor via de dorpskern terug naar De Tafelberg. Het zweet stond in mijn handen. De overdracht van de auto geschiedde in no time. Zonder plichtplegingen werd hij in ontvangst genomen door een kapitein van de para’s. Hij hoorde ver-moedelijk bij het hoofdkwartier van de divisie; onder het uiten van enige krijgshaftige kreten spoot hij met een noodgang weg, richting Schoonoord.
Na een paar uur allerlei kleine klusjes gedaan te hebben, ontmoetten wij onze oude ‘militaire’ bekenden weer: Nederlandse vrijwilligers die hielpen in gewapende dienst, bijvoorbeeld als gids of als bewaker van krijgsgevangenen, die de avond tevoren door de Britten naar huis waren gestuurd vanwege het gevaar bij gevangenneming. Ook George Ruben was erbij, met een Lee Enfield geweer op de rug. Het logistieke werk van ons werd nu veel belangrijker, te meer daar de waterleiding was uitgevallen, en een hospitaal zonder water moeilijk denkbaar is. Uiteindelijk waren we met vier man vrijwilligers daarvoor beschikbaar: George, Ger en ik, en een voor mij onbekende. Om ca. 11.30 uur vertrokken we te voet met een handwagen (die men ook wel achter de fiets aanhing), met daarin vier of vijf lege melkbussen. We gingen door de achtertuin van De Tafelberg naar de Jagerskamp, en dan naar de pomp. Die bevond zich bij de witte woning aan de Weverstraat, ongeveer tegenover Luimers. Die zou veilig zijn. Ogenschijnlijk liep alles op rolletjes, tot ongeveer de kruising Jagerskamp – Plogerheide. In de hoekwoning daar stond de bewoner uit alle macht te wenken dat we terug moesten gaan, maar dat werd door mij weggewuifd, want er was immers geen vuiltje aan de lucht. Wij liepen dus gewoon door naar beneden, tot een naar rechts draaiende bocht (Van Eeghenweg). Daar sloeg een granaat in op de hoekwoning van de bloemist. Wij werden door de luchtdruk op de straat geslagen, en toen ik opkeek zag ik een Duitser die zei: ‘Wo wollen Sie hin?’ Ik: ‘Wasser holen für Spital’. ‘Was für Spital?’ ‘Spital für Bürger und Deutschen, und auch noch ein Paar Englander sind dabei’ (Waar wilt u heen? Water halen voor het hospitaal. Wat voor hospitaal? Voor burgers en Duitsers, en er zitten ook nog een paar Engelsen bij). Maar hoe wij ook probeerden, en bleven zaniken en zeuren, we kregen geen toestemming om met water terug te gaan naar het hospitaal. We konden en mochten maar één richting op, en wel de Weverstraat op. Toen we dat deden, zagen we een Sturmgeschütz (gemotoriseerd geschut) staan, en automatisch gingen we ervan uit dat de geallieerde granaat die het huis van de bloemist trof, daarvoor was bestemd. Terwijl we de Weverstraat opliepen, zagen we aan de oostzijde, de kant van het Zweiersdal, een complete verdedigings- c.q. aanvals- linie, bestaande uit schut tersputten en loopgraven, bemand met SSers. Die lieten weer duidelijk horen dat ze bij elkaar in de buurt zaten; wat een verschil met de Britten! Het gedeelte met winkels, te beginnen met Horlogerie Rijks, was op dezelfde manier bezet. Alleen stonden de MGs (mitrailleurs) in de etalage,

De route die op 20 September werd afgelegd met het “waterwagentje”. Uitsnede uit een kaart van Oosterbeek, 1939; Gelders Archief, Arnhem)

naar buiten gericht, en was al het overbodige etalage- materiaal naar buiten gekieperd. Het was een onvoor-stelbare rommel.
Bij de hoek Annastraat – Weverstraat werden we gesommeerd van de weg af te gaan, en zodoende kwamen we via een pad langs kolenhandel Hooijer in het Zweiersdal terecht. We besloten de gebeurtenissen af te wachten. Van een rustig partijtje scherpschie- ten werd het één of twee uur later het reinste inferno. De Duitsers vielen Britse posities in de Annastraat aan, met Sturmgeschütze gedekt door Panzergrena- diere met MGs.
Het duurde tot een uur of vijf in de middag voordat aan de verschrikkelijke herrie een eind kwam, maar we wachtten nog een uur of twee. Toen vertrokken we richting politiebureau. Dus werd het wagentje, met de inmiddels met water gevulde bussen, het dal uitge-sjouwd naar de Weverstraat. Maar na een paar hon-derd meter, ter hoogte van het Postpad, werden we wederom gesommeerd te stoppen. Nu versperde een meer dan levensgrote Duitser ons de weg, met alle oorlogswerktuigen in de aanslag, en onder het uitstoten van de volgende kreet: ‘Halt. Beweisen Sie dass Sie keine Tommies sind’. Ik viste mijn Persoonsbewijs uit mijn borstzak. Hij graaide het uit mijn handen alsof hij er blij mee was, en ging het grondig bestuderen. Hij werd steeds wantrouwender, en leek er een eind aan te maken door het bewijs met een machtige zwaai in zijn Duitse borstzak te doen verdwijnen. Misschien was hij dan verzamelaar??
Op het moment suprème verscheen een reddende engel. Het bleek een Nederlands sprekende persoon in Duits uniform te zijn. Toen ik goed tussen alle camouflagetoestanden doorkeek, haalde ik een Oosterbeker uit de puzzel. Het was Ludwig Höhn van de Julianaweg, die mij goed kende. 4) Want ik had hem in de bezettingsjaren met onze aardappelen in leven gehouden. Hij was overigens een hele beste vent, die mij begon te ondervragen over allerlei toestanden van en bij de para’s. Zoals de plaats van het hoofdkwartier, waar ze precies zaten, of er nog meer kwamen, en meer van dat soort vragen.
Hij toonde zijn dankbaarheid over de door ons gegeven antwoorden, door te zeggen dat we ‘abmarschie- ren’ konden. ‘Ohne Ausweis?’ dorst ik nog te vragen, maar daar werd niet op ingegaan. Dus begonnen wij met spoed aan de laatste etappe Weverstraat – politie-bureau. Die tocht gaf weinig wetenswaardigs over het verloop van de strijd te zien. Alleen de rommel van al de uitgeruimde etalages, en de krom gereden masten van de electrische tram op de Utrechtseweg. Zo arri-veerden wij dan om ca. 20.00 uur bij het politiebureau, met water en zonder plezier van de naderende bevrij- ding. Het water kon men daar ook goed gebruiken, want er zaten volgens zeggen zo’n 150 a 200 mensen die zich schuilhielden.
We waren niet van plan verder te gaan hoewel mijn ouderlijke woning op misschien 200 meter afstand stond. Een van de politiemensen kwam vragen of wij nog iets wilden. Ik wreef over mijn maag met de mededeling dat we de hele dag nog niets te eten hadden gehad. Dat kon rechercheur Elijzen niet over zijn kant laten gaan. Hij beende met passen van twee meter over de Utrechtsewg naar Bakkerij Van Barneveld, en kwam met vier Oorlogsbroden terug.
Ik heb nog nooit zo lekker gegeten! Nog steeds ben ik vol lof over Elijzens hordenloop, want hij was een aar-dige schietschijf, en het was donker aan het worden.

Donderdag 21 september, en daarna
De volgende morgen om ca. 10.00 uur gingen we allen individueel naar huis. Midden op de Utrechtseweg, ter hoogte van Koffiehuis Bandsma, werd ik aangeroepen door een Nederlandse SSer die me vertelde dat op de Molenweg een gewonde para lag. Ik verzocht hem dit aan de rodekruisdiensten door te geven, waarna hij nog begon te leuteren dat het in Oosterbeek zo’n rotzooi was. Ik bracht hem onder de aandacht dat hij mede-rotzooier was.
Toen ik thuis was gekomen, bracht ik uiteraard verslag uit. Nieuwsgierig als ik was naar de souvenirs van veldmaarschalk Model die ik in De Tafelberg had bemachtigd, kwam ik er vervolgens achter dat toen de Duitsers voor het keldergat verschenen, Moeder – bang geworden, en terecht – alles bij elkaar had geveegd en verbrand, en daarna begraven.
Bij Steemers voor de deur stond een Sturmgeschütz, en dat gemotoriseerde kanon vuurde in de loop van de ochtend drie schoten af. Het was maar goed dat het gevaarte daarna maakte dat het wegkwam, want nog geen halve minuut later sloegen op de plaats waar het gestaan had, twee granaten in; de derde kwam bij Steemers in de etalage.
Op regelmatige tijden kwamen de Duitse etenbrengers voorbij, sluipend met ijzeren containers op de rug. Ze waren op weg naar het centrum van het dorp, waar ze hun eigen afdeling gingen foerageren. Waar ze dat precies deden was mij niet duidelijk, maar ik vermoed langs de Utrechtseweg, ergens tussen De Dennenkamp en de rk-kerk.
Op 22 september spraken we met de buren Steemers en Thissen af dat we de volgende dag rond 15.00 uur, gescheiden van elkaar, zouden vertrekken. Het leek ons beter te vluchten want de in de nabijheid woedende gevechten werden steeds heviger. De volgende dag stonden we op de afgesproken tijd klaar, maar de Royal Air Force gooide roet in het eten. Er werd een bevoorradingsvlucht uitgevoerd, waardoor onze hele straat in een dropzone veranderde. Zodoende liepen we twee uur vertraging op, en vertrokken we tegen vijf uur richting Arnhem, naar de Hoogkamp.

NOTEN
’) Luitenant ter Zee 1e Klasse A. Wolters (Koninklijke Marine) behoorde tot de Dutch Liaison Mission, en was voorbestemd om stadscommandant (Town Commander) van Arnhem te worden.
2) Feldmarschall Walter Model, commandant van Heeres- gruppe B, verbleef met zijn staf in Hotel de Tafelberg toen Operatie Market Garden begon.
3) Colonel G.M. Warrack (Royal Army Medical Corps) was het hoofd van de medische dienst van de Ist British Airborne Division.
4) Ludwig Höhn was een Rijksduitser, die al jaren in Oosterbeek woonde. In 1942 trad hij in Duitse krijgsdienst, en uiteindelijk sneuvelde hij, 52 jaar oud, op 21 september 1944 als SS-Unterscharführer in zijn woonplaats.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.