Ministory
OORLOGSAVONTUREN VAN EEN ARNHEMSE SCHOOLJONGEN
door Robert Voskuil

Inleiding
In 1974 verscheen Cornelius Ryans bestseller ‘A Bridge Too Far’. De basis voor dit boek werd gevormd door honderden interviews met mensen die operatie Market Garden van nabij hadden meegemaakt. Door ruimtegebrek konden uiteindelijk niet alle voor deze publicatie verzamelde verhalen worden gebruikt. Een daarvan was een interview dat de auteur van deze ministory in 1972 maakte met de heer C. Bolderman, die in september 1944 als 14-jarige Arnhemse school-jongen een aantal bizarre avonturen beleefde.
Een toevallige ontmoeting in mei van dit jaar met kolonel J.C.L. Bolderman, de zoon van de hoofdrol¬speler in dit verhaal, vormde de aanleiding om het oorspronkelijke interview, dertig jaar nadat het was gemaakt, uit het archief op te diepen en het alsnog te publiceren 1).


Van Kees Bolderman is geen jeugdfoto beschikbaar en daarom plaatsen we een portret uit 1950. Hij is dan 20 jaar, en korporaal der 1e Klasse bij de Koninklijke Landmacht in Indonesië.
(foto via J.C.L. Bolderman)

Cornelis (Kees) Bolderman
In september 1944 woont Cornelis Bolderman, 14 jaar, met zijn vader, moeder, de 12-jarige broer Jan en het 2-jarig broertje Jaap aan de Van Pallandstraat 50 in Arnhem. Kees, zoals hij wordt genoemd, zit dan in de tweede klas van de HBS op het Willemsplein in de Gelderse hoofd stad. In die tijd heeft hij alleen ‘s mor¬gens school, ‘s Middags wordt het gebouw gebruikt door leerlingen van andere middelbare scholen die door de Duitsers zijn gevorderd. In de tijd die Kees niet op school hoeft door te brengen, zwerft hij vaak door de stad om te kijken naar allerlei militaire activi¬teiten van de Duitse bezetter.

Dinsdag 5 september 1944
Het gerucht gaat dat de Canadezen, Engelsen en Amerikanen bij hun opmars door België snel naar het noorden doorstoten, en dat Nederland elk ogenblik bevrijd kan worden.
Kees Bolderman staat op deze ‘Dolle Dinsdag’ bij de Rijnbrug te kijken naar de enorme colonnes Duitse voertuigen, waaronder tanks, die vanuit de Betuwe Arnhem binnenrijden. Op elke wagen zitten één of twee Duitsers op het spatbord, met de voeten op de bumper en met hel geweer in de aanslag.. Ze speuren de lucht af naar geallieerde vliegtuigen. De voertui¬gen zien er verwaarloosd uit. Ook met volgepakte fietsen rijdt men in deze eindeloze rij in de richting van Duitsland.
Nadat hij bij de brug is uitgekeken, wandelt Kees via het Velperplein en het Willemsplein naar het Nieuweplein. De meeste Duitse wagens rijden onder de Zypse Poort door, richting Apeldoorn. Ze rijden vrij hard, en Kees ziel dat de tanks met hun rupsban¬den diepe afdrukken in het asfalt achterlaten, en dat op andere plaatsen de straatstenen zijn gebroken. Hij verbaast zich over de enorme omvang en het gewicht van deze gepantserde voertuigen.
In hel plantsoen bij Hotel Haarhuis, tegenover het Arnhemse spoorwegstation, staan vier Duitse tanks. Nieuwsgierig loopt Kees overal tussendoor om alles goed te kunnen bekijken. Op de rupsvoertuigen kun je duidelijk de sporen zien van zware gevechten, want de bepantsering vertoont overal beschadigingen. In het plantsoen hebben de Duitsers een gat gegraven waarin ze papieren gooien die ze in brand steken. Overal dwarrelen verkoolde stukjes papier door de lucht. De militairen bij de tanks zien er vermoeid en haveloos uit. Kees probeert te weten te komen bij welk onderdeel deze pantservoertuigen horen, want er staan geen herkenningstekens op. De Duitsers beschouwen Kees waarschijnlijk als een hinderlijke kwajongen, want ze zijn niet erg toeschietelijk. Toch laat een van de soldaten, als Kees vraagt waar zijn eenheid bijhoort, zich ontvallen ‘Hohenstaufen’. ‘s Avonds vertrekken ook deze pantservoertuigen richting Apeldoorn.

Zondag 17 september
Het gezin Bolderman is ‘s ochtends net van plan om naar de kerk te gaan als om half tien het sein ‘Luchtalarm’ klinkt. Zoals gewoonlijk bij een lucht-aanval klimmen Kees en zijn broer Jan onmiddellijk op het platte dak van het huis om te kijken wat er gebeurt.

Een uitsnede uit een vooroorlogse plattegrond van Arnhem. In dit deel van de stad speelt hef merendeel van het verhaal zich af.
(collectie R. Voskuil)

Ze schrijven dan alles wat ze zien, zoals het aantal vliegtuigen dat overkomt, en de doelen die worden gebombardeerd (vaak was dat vliegveld Doelen), met potlood op de dakgoot. Dit doen ze al sinds 1941, en de goot is langzamerhand een volgeschreven logboek geworden.
Om kwart over tien gaat weer de sirene, en om elf uur klinkt opnieuw het luchtalarm. In de lucht is echter nog niets te zien. Pas om half twaalf zien ze de eerste vliegtuigen komen. Het zijn jachtbommenwerpers van het type Typhoon, die met raketten de binnenstad bestoken. Vanaf het dak zien ze dat o.a. doelen bij het Willemsplein worden getroffen. Ze vergeten echter deze keer om alles wat ze zien op de dakgoot te note¬ren, omdat korte tijd later de lucht in het zuidwesten wordt verduisterd door een groot aantal vliegtuigen. Kort daarop zien ze in westelijke richting boven de bossen grote aantallen parachutes naar beneden komen: witte, groene en rode. Sommige vallen pijlsnel naar beneden, wanneer ze niet open gaan.
Gefascineerd turen ze om beurten door de verrekijker. Toch voelt Kees geen echte emotie. Hij is opgegroeid in oorlogstijd, en het doet hem weinig meer, Alleen heeft hij het gevoel: ‘Eindelijk zijn daar de Engelsen!’. Beide broers blijven meer dan een uur op het dak staan kijken.
Na het avondeten glipt Kees, ondanks waarschuwin¬gen van zijn vader, de deur uit, en gaat alleen op onderzoek uit. Door de vrijwel verlaten straten loopt hij in de richting Oosterbeek. Hier en daar staan groepjes mensen druk met elkaar te pralen. Heel in de verte hoort hij onderbroken geweer- en mitrailleur- vuur. Bij de KEMA (Utrechtseweg) besluit hij terug te keren omdat er toch niets bijzonders is te beleven. Hel is dan ongeveer half zeven ‘s avonds.

Maandagmorgen 18 september
De volgende ochtend is Kees vroeg wakker. Om half tien gaal hij er weer vandoor. Hij ontmoet een vriend, en samen lopen ze verder via de Rozenstraat, richting rangeerterrein van de spoorwegen. Plotseling wordt er geschoten. De twee jongens laten zich plat op de
grond vallen achter een laag muurtje. Boven hun hoofd horen ze de kogels inslaan. Van de plaats waar ze liggen kunnen ze precies de Brouwerijweg inkij¬ken. Daar zien ze dicht tegen de huizen een Duitse patrouille van zeven man in ganzenpas aankomen. Ze zijn behangen met patroonbanden. Eén draagt een Spandau mitrailleur, en de anderen zijn bewapend met een Sturmgeweer of een Mauser. Bij de hoek van de Brouwerijweg en de Noordelijke Parallelweg blij¬ven ze staan. De voorste man kijkt om de hoek naar het lager liggende rangeerterrein. Snel steekt hij over naar hel struikgewas bij het hek langs het talud. Uit de richting Lombok, de wijk aan de zuidkant van het rangeerterrein, beginnen de Engelsen te schieten. De mannen van de patrouille schieten terug richting Lombok. Onder dekking van eikaars vuur steken ze één voor één het rangeerterrein over. Snel graven ze een ondiepe schuttersput langs het hek aan de over¬kant. Over en weer wordt geschoten. Dan wordt de eerste Duitser getroffen. Hij geeft een gil, staat halfop, en valt achterover, terwijl zijn wapen uit zijn handen valt. Binnen een korte tijd sneuvelen er drie. De over-gebleven vier hollen, in de richting van de Oranjebrug, die de Noordelijke Parallelweg verbindt met de Oranjestraat.
Na ongeveer een half uur te hebben liggen kijken, besluiten Kees en zijn vriend er achter aan te gaan. Links over de brug zien ze drie dode Duitse soldaten. Een van hen is van het talud afgerold. Ze kunnen niet goed zien of hel de drie man zijn die behoorden bij de patrouille die ze kort daarvoor hadden bekeken. Ze slaan links af, en lopen de Zuidelijke Parallelweg af in de richting van de Zwarte Weg, aan de westkant van het St. Elisabeths Gasthuis. Onderweg worden ze aan¬geroepen door een oude vrouw, die haar huis niet meer in durft omdat er, naar haar zeggen, binnen zul¬ke griezelige dingen liggen. De twee jongen gaan het huis binnen, en zien een hoop rommel, waaronder twee Duitse Panzerfausten en een geweer. Ze dragen die naar buiten, en leggen ze onder een boom. Als ze verder lopen wordt er plotseling hevig gescho¬len. Ze duiken een groen poortje in tussen de Zwarte Weg en de Oranjestraat. Een ogenblik later wordt het poortje opengemaakt en komt er een Engelsman bin¬nen. Het is de eerste Engelse soldaat die ze zien. Als hij de twee jongens ziet, steekt hij zijn hand op maar zegt niets. Geïnteresseerd liggen de jongens op hun buik naar hem te kijken. Hij heeft een camouflagejas aan, en op zijn hoofd draagt hij een rode baret met een parachutistenwing. Hij zet de deur van het poortje op een kier, en gaat op zijn hurken zitten, met zijn Stengun in zijn hand. In de verte horen ze soldaten¬laarzen klossen op de straatstenen. Het geluid komt steeds dichterbij. Voorzichtig doet de parachutist het poortje dicht, en wacht tot de Duitsers voorbij zijn. Dan maakt hij het poortje weer open, en holt gebukt de straat over. De jongens horen een salvo uit een machinepistool, gevolgd door gegil en geschreeuw. Als Kees en zijn vriend voorzichtig het poortje uitlo¬pen zien ze op straat vier dode Duitsers. De Britse parachutist is spoorloos, De vier dode Duitsers liggen in allerlei groteske houdingen op straat. Van een van hen is de helm van zijn hoofd gerold.
De jongens besluiten om naar huis terug te gaan. Wanneer Kees thuiskomt vragen zijn ouders waar hij geweest is, maar hij geeft een ontwijkend antwoord. Zijn ouders kunnen beter niet weten wat voor risico’s hij heeft gelopen.

Dinsdag 19 september
In de loop van de dinsdag gaat Kees opnieuw op stap, op zoek naar avontuur en iets eetbaars voor zijn broertje Jaap. Hij gaat de voetbrug over het rangeer¬terrein over (de Diaconessenbrug), en loopt de Brugstraat af. Op de westhoek van de Brugstraat en de Utrechtsestraat ziet hij de eerste dode Engelsman. Hij heeft rood haar en blauwe ogen. Hij ligt op zijn rug met zijn linkerbeen hoog opgetrokken. Zijn mond staat half open. Hij heeft geen wapen bij zich. Dan ziet Kees tien meter verderop nog een dode parachutist liggen, en aan de overkant nog één.
Kees loopt naar het huis van fotograaf Gazcndam dat aan de Utrechtsestraat tegenover de Brugstraat staat, en dat uitzicht heeft op Onderlangs. De zoon is alleen thuis. Hij geeft Kees vier blikjes gecondenseerde melk en een zakje suikerklontjes. In het huis is het een enor¬me rommel. Waarschijnlijk hebben soldaten het huis gebruikt om Onderlangs onder vuur te nemen. Waar Kees bij is pakt de zoon een stoffer en gooit die naar een spiegel, die rinkelend aan scherven valt, waarbij hij uitroept ‘alles gaat toch kapot!’ Na dit voorval brengt Kees zijn buit snel naar huis.
Woensdag 20 september
Samen met een aantal vrienden probeert Kees in de binnenstad te komen. Overal woeden branden, vooral in de buurt van de Weerdjesstraat. Ze vinden een bak¬fiets, waarop ze een grote witte vlag zetten. Zelf dra¬gen ze parachutistenhelmen die ze langs de weg heb¬ben gevonden en waarover ze witte lappen hebben gespannen. Met de bakfiets rijden ze de Weverstraat in. Daar worden ze door de Duitsers teruggestuurd. In de Jansstraat worden ze aangeroepen door de eige¬naar van een sigarenzaak. Hij vraagt of ze willen hel¬pen met het in veiligheid brengen van zijn winkel¬
voorraad. Met hun bakfiets rijden ze de hele voorraad naar de Sonsbeekweg. Dan gaan ze weer terug naar de binnenstad, waar ze de rest van de dag mensen helpen met evacueren. Hier en daar zien ze Arnhemmers winkels plunderen. Zelf weten ze aan wat levensmiddelen te komen, die ze aan het eind van de dag mee naar huis nemen en in de buurt uitdelen.

Het vaantje dat Kees Bolderman op 21 september 1944 van een Duitse tank afhaalde, ligt nu in het Airborne Museum in Oosterbeek. Tot welke eenheid behoorde dit panservoer- tuig?
(Foto Roland Boekhorst)

Donderdag 21 september
Op donderdag gaat Kees opnieuw op pad. Hij komt terecht bij het Gemeentemuseum aan de Utrechtsestraat. Hij ziet dat daar vreselijk gevochten is, want overal liggen de lijken van gesneuvelde Britse en Duitse soldaten, zowel op de straat als op de hel¬lingen tussen de Utrechtsestraat en Onderlangs. Op een bepaald moment ziet hij hoe een Duitse tank dwars over het lijk van een Duitse soldaat rijdt, die tegenover hel Gemeentemuseum in de bocht van de weg ligt.
In de tuin van het museum ziet Kees vier Duitsers die zitten te kaarten, tenminste dat lijkt zo. Als hij dichter¬bij komt ziet hij dal ze dood zijn. Ze moeten tijdens het kaartspelen zijn doodgeschoten. Ze hebben de kaar¬ten nog in de hand. Ze zitten er tegen een boom geleund of liggen voorover. Ze zitten daar in zo’n natuurlijke houding dal Kees nauwelijks gelooft dat ze zijn gesneuveld.
Verderop ziet Kees Duitse soldaten vanaf Bovenover als tijdverdrijf op koeien schieten die beneden, aan de overkant van de Rijn, in het weiland staan Één voor één zakken de beesten door de polen en vallen om. Wanneer Engelse jachtvliegtuigen overkomen, rich¬ten de Duitsers hun geweren omhoog, en schieten op de toestellen. Ze vliegen zo laag dat Kees de licht- spoorkogels in de romp ziet verdwijnen.
Aan de oostkant van het Gemeentemuseum loopt Kees via een pad naar beneden. De helling ligt bezaaid met lijken van gesneuvelde Britten. In een opwelling besluit Kees te proberen een wapen te pak¬ken te krijgen.
Als hij een zijpaadje inloopt, ziet hij een gesneuvelde korporaal en een sergeant. De sergeant ligt op zijn zij, met zijn arm over een gesloten revolverholster. Kees kijkt om zich heen, en ziet dat er niemand in de buurt is. Hij gaat op zijn knieën zitten, en overwint zijn weerzin om voor het eerst in zijn leven een dode aan te raken. Hij tilt de stijve arm van de man voorzichtig van het holster af, en haalt de revolver, een Smith & Wesson, eruit. Het revolverkoord snijdt hij door. Hij haalt zijn overhemd uit zijn korte broek, en steekt de revolver tussen zijn broekriem. Dan doet hij zijn over¬hemd er weer overheen. Vervolgens pakt hij een vloeistofkompas uit een tasje dat aan de koppel van de soldaat zit.
Bij de korporaal ligt een Stengun Mark V. Voorzichtig pakt Kees het wapen op, en probeert het magazijn er uit te trekken, wat hem niet gelukt. Hij is zo druk bezig dat hij alles om zich heen vergeet. Hij wordt tot de werkelijkheid teruggebracht door een schreeuw van een Duitser, die een tiental meters hoger op de helling staat. Kees beseft dat de Duitser de Stengun niet kan zien door het op de helling aanwezige struik¬gewas. Snel laat hij het wapen vallen en klimt rustig, met de revolver onder zijn overhemd, naar boven. Hij krijgt een geweldige scheldpartij van de Duitse sol-daat over zich heen, en een enorme trap onder zijn achterwerk. Snel maakt hij zich uit de voeten en loopt het Nachtegaalspad in. Achter het PGEM-gebouw ziet hij de eerste Engelse krijgsgevangenen. Het zijn er ongeveer 35. Ze kijken bedrukt, maar zien er goed uil. en roken een sigaret. Ze zijn blootshoofds; sommigen hebben een verband om hun hoofd. Hij passeert ze, en loopt vervolgens over de voetgangersbrug boven aan de Bergstraat. Dan slaat hij links af.
Op de hoek onder aan de Beaulieustraat staat een Duitse tank met de loop gedraaid richting Lombok. Er naast staat een Duitse soldaat zich te scheren. De scheerspiegel heeft hij op een richel van het voertuig gezet. Op de tank zitten twee antennes, waarvan één met een vaantje. Achterop ligt een koppel met een pis¬tool. Zonder dat de zich scherende soldaat het in de gaten heeft, weet Kees de koppel met het pistool in een snelle beweging van de tank te pakken, en ver¬dwijnt hij richting Frombergstraat. Al lopend haalt hij het Luger pistool uit de holster, en steekt hem naast de Smith & Wesson onder zijn overhemd. De koppel met de pistooltas gooit hij over een hek. Thuisgekomen loopt hij achterom het huis binnen, en bergt zijn buit op onder een losse plank in de vloer van de zolder. Een half uur later is hij weer buiten. Hij loopt terug naar de tank bij de Beaulieustraat. Wanneer hij er zeker van is dat niemand kijkt, grijpt hij de onderkant van een van de antennes, en buigt hem zo ver naar beneden dat hij het vaantje er af kan halen. Ook dit oorlogssouvenir wordt meegenomen naar huize Bolderman.

Donderdag 21 / Vrijdag 22 september
In de avond van donderdag 21 september gaat Kees samen met een wat oudere jongen opnieuw op pad. Zonder dat ze worden aangehouden weten ze de Schipbrug bij het Roermondsplein te bereiken. Overmoedig besluiten ze de Rijn over te zwemmen in de hoop aan de zuidkant van de rivier Britse troepen tegen te komen. Ze binden hun kleren in een pakje op hun hoofd, en laten zich in het water glijden, dat kou¬der is dan ze verwachten. Al zwemmend en drijvend zakken ze de rivier af tot voorbij de steenfabriek bij
Meinerswijk. Wanneer Kees op een zeker moment zijn knie op een zeer pijnlijke manier tegen een basalt¬blok stoot, besluiten ze hun kleren weer aan te doen, en verder te lopen langs de zuidoever, in de richting van de spoorbrug. De oudere jongen stelt voor zich op te geven bij het Engelse leger, en Kees volgt nieuws¬gierig. In de buurt van de spoorbrug zien ze een geal¬lieerde militair, die hun aanroept, maar die ze niet kunnen verstaan omdat ze de taal niet herkennen 2). Verderop zit er nog één in een schuttersput. De mili¬tair maakt hen duidelijk dat ze daar weg moeten omdat het te gevaarlijk is. Ze besluiten even voorbij de spoorbrug weer naar de noordoever te zwemmen. Vandaar lopen ze via de uiterwaarden en de bossen terug naar huis, waar Kees in de nacht aankomt. Via de regenpijp weet hij ongezien in zijn slaapkamer te komen. Wanneer hij de volgende ochtend door zijn ouders wordt ondervraagd waar hij de vorige avond is geweest, weet hij ze met een smoes te overtuigen dat hij niets bijzonders heeft gedaan! De rest van die vrijdag houdt hij zich rustig.

Zaterdag 23 september
Kees besluit om in het geheim zijn Smith & Wesson revolver en de Luger uit te proberen. Hij zet zes dikke boeken van Kari May achter elkaar, en probeert dwars door die rij heen te schieten. De kogels blijven echter steken in het vierde boek. Wanneer zijn moeder bezorgd vraagt wat dat lawaai boven betekent, roept hij naar beneden dat hij wat heeft laten vallen.

Zondag 24 september 1944
Zondagmorgen besluit hel gezin Bolderman Arnhem te verlaten, en te vertrekken naar familie in Veenendaal. Kees duwt de kinderwagen met daarin zijn tweejarig broertje en een voorraad levensmidde-len. Ze lopen via de Amsterdamseweg de stad uit. De weg is vol met vluchtende burgers. Voorbij het res¬taurant De Leeren Doedel gaat de weg omhoog. Bovenaan, tegenover het huis Schweizer Höhe, ziet Kees bij kilometerpaal 6 zes of zeven gesneuvelde Britse soldaten. Ter hoogte van de kruising met het tracé van de snelweg E36 schieten Typhoon jacht-vliegtuigen op Duitse luchtafweerstellingen. Vanaf Ede kunnen ze verder mee met een boerenkar naar hun evacuatiebeslemming.

NOTEN
1) Kees Bolderman werd na de oorlog beroepsonderofficier bij de Koninklijke Luchtmacht. Hij overleed op 19 februari 2000 in Bergum (Friesland). Zijn zoon, kolonel J.C.L. Bolderman, werd in mei 2002 benoemd lol commandant van het Koninklijk Tehuis voor oud-Militairen en Museum ‘Bronbeek’ in Arnhem.
2) Dit moeten Poolse parachutisten zijn geweest, die kort tevoren waren afgesprongen op de velden zuidoosteliik van Driel.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.