Jaargang 6, nr. 19, november 2020

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar. Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.

ISSN: 2666-6871 Voor meer informatie: www.kb.nl/issn Redactie Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Jory Brentjens, Bob Gerritsen, Leo van Midden, Rob van Putten Aan deze editie werkten mee Marcel Anker, Wybo Boersma, Jory Brentjens, Gerard Burgers, Bob Gerritsen, Alexander Heusschen, Geert Maassen, Paul Meiboom, Leo van Midden, Berry de Reus, Arjan Vrieze, Otto van Wiggen Ontwerp en lay-out Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst Druk Grafi Advies, Zwolle

Contactgegevens VVAM www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03

Post: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem

Rekeningnr (IBAN): NL33 INGB0 0051 137 51

Contributie VVAM

Individueel lid: € 25 per jaar (feb t/m feb) Gezinslidmaatschap: € 35 per jaar (feb t/m feb) NL 80 INGB 0004 4036 41, o.v.v. Contributie 2021

Archivering & losse nummers

info@vriendenairbornemuseum.nl

INHOUDSOPGAVE

3 Verenigingsnieuws

4 Museumnieuws – Haal Hartenstein in huis

6 Interview – Robert Sigmond

10 Achtergrond – Bruneval en Arnhem

16 Bits and pieces – In een verroeste jeep

18 Persoonlijk – Hard day’s night

20 Ministory 135 – Walter Model

28 Historisch perspectief – Missende foto’s Jacobsen en Wenzel

34 Actueel – Monument Sosabowski

35 Programma 2020 / 2021

BIJDRAGEN

De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties. We verwelkomen bijdragen aan het blad. Vraag naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl

Omslag: “Samen herdachten we thuis”, aldus de Stichting Airborne Herdenkingen. Lege stoelen op de Arnhem-Oosterbeek War Cemetery, voorafgaand aan de herdenking op 20 september (foto: Arjan Vrieze).

BESTUURSMEDEDELINGEN

De ALV van 10 oktober in aangepaste stijl (foto: Alexander Heusschen).

Met Airborne Magazine 19 ontvangt u het derde verenigingstijdschrift van dit jaar. Een jaar dat we door de invloed van het coronavirus niet snel zullen vergeten. De gevolgen van de getroffen maatregelen om dit virus de baas te kunnen worden, zijn voor onze vereniging gelukkig beperkt gebleven. We hebben weliswaar een aantal thema-avonden moeten afgelasten, maar na de zomer hebben we op bescheiden schaal toch weer een aantal geplande activiteiten kunnen uitvoeren. Zo hebben we in oktober de battlefield tour B & C Company, 2nd Battalion, The Parachute Regiment kunnen organiseren.

Ook de initieel afgelaste Algemene Ledenvergadering van maart hebben we naar oktober kunnen verschuiven. Tijdens deze ALV hebben we twee nieuwe bestuursleden gekozen. Herman van Ingen heeft, na twee jaar als penningmeester actief te zijn geweest, deze verantwoordelijkheid overgedragen aan Frans Kalkhoven. Herman heeft met veel inspanning en in zijn eigen tijd de financiën van de VVAM verzorgd; hij laat een financieel gezonde vereniging na aan zijn opvolger. Ik wil hem daarvoor hartelijk danken.

Daarnaast is de functie van hoofd activiteitencommissie overgedragen van Erik Jellema aan Joey Post, voormalig lid en bestuurslid van Border Regiment Living History. Erik heeft deze functie vanaf december 2017 ingevuld. Mede door zijn achtergrond en brede kennis van operatie Market Garden, hebben we nieuwe aspecten van de Slag om Arnhem kunnen belichten in onze tours en thema-avonden. Erik blijft actief en behouden voor de activiteitencommissie. Hij krijgt nu meer tijd en gelegenheid zich te verdiepen in de inhoud.
Vielen de gevolgen van de pandemie voor ons als vereniging zoals aangehaald mee, beduidend anders was dat voor het Airborne Museum. Niet alleen werd de geplande heropening op 13 maart een dag van te voren geannuleerd, de virusuitbraak veroorzaakte ook aanzienlijke financiële problemen. Tot begin juli was het museum gedwongen gesloten. Ook daarna kon slechts een beperkt aantal bezoekers per dag worden toegelaten. Door garantstellingen van het Ministerie van OCW, de gemeente Arnhem en een door het museum geïnitieerde oproep tot financiële steun in de vorm van een Vriendenabonnement is de geleden schade van de eerste drie maanden beperkt gebleven. De VVAM heeft het museum het afgelopen jaar ondersteund met haar reguliere periodieke schenkingen. Daarnaast hebben we ons bereid getoond daar waar nodig financieel bij te springen, mocht de situatie daarom vragen. Tot op dit moment is dat nog niet nodig gebleken. Maar die situatie kan snel veranderen. In dit opzicht is het goed te weten dat al direct na het aantreden van Ronnie Weijers als nieuwe directeur-bestuurder van het Airborne Museum, op 11 september een eerste overleg heeft plaatsgevonden tussen hem en de voorzitter van de Raad van Toezicht, Fred de Graaf. Het is onze ambitie om de samenwerking tussen het museum en VVAM de komende jaren verder te intensiveren.

Ik wens u en uw naasten alvast prettige feestdagen, een veilige jaarwisseling en een gezond en voorspoedig 2021.

— Otto van Wiggen, bestuursvoorzitter VVAM

MUSEUMNIEUWS

HET AIRBORNE MUSEUM ONLINE
Toen half maart duidelijk werd dat de beoogde opening van het museum niet kon doorgaan was de teleurstelling groot. Nadat de eerste mentale klap was verwerkt, rees echter onmiddellijk de vraag hoe we de bijzondere collectie van het museum alsnog onder de aandacht van het publiek konden brengen. Digitaal naar buiten treden bleek de oplossing.
—Jory Brentjens

Ad van Liempt en conservator Jory Brentjens tijdens hun livestream-rondleiding bij het Airborne Museum.

Het Airborne Museum komt al jaren online in contact met zijn bezoekers door middel van de website van het museum en social media. Als gevolg van het CO-VID-19-virus werd digitaal contact nog belangrijker dan voorheen. Drie maanden lang mochten geen bezoekers worden toegelaten en moest het museum creatieve manieren vinden om zijn collectie en verhalen alsnog met het publiek te delen.
De eerste stappen werden gezet met de campagne Haal Hartenstein in Huis. Via de website van het Airborne Museum werden enkele stukken uit de vaste presentatie van extra informatie voorzien en online gedeeld. Zo werd bijvoorbeeld ingegaan op de symbolen die te zien zijn op het baretembleem van de King’s Own Scottish Borderers, de achtergrond van de bungee helmet (een Britse parahelm die met name werd gebruikt tijdens

de opleiding) en Brigadier John Hacketts persoonlijke verhaal achter het speldje voor slechthorenden. Het feit dat alle stukken van de vaste presentatie professioneel gefotografeerd waren voordat ze in de vitrines werden geplaatst, droeg hier geweldig aan bij. Naast de objecten werden ook activiteiten gedeeld die kinderen thuis zouden kunnen ondernemen. Hierbij valt te denken aan handleidingen voor het maken van bliktelefoons en papieren zweefvliegtuigen. Instructies om zelf een parachute te knutselen mochten uiteraard ook niet ontbreken. Als laatste werden enkele van de audioverhalen die voor de vernieuwde vaste presentatie waren ontwikkeld, gebruikt voor Haal Hartenstein in Huis. Dit gaf de bezoeker de kans om nog voordat het museum geopend was een deel van de nieuwe verhalen te beluisteren.

Sinds juni is het museum weer (beperkt) geopend voor het publiek. Toch voelt lang niet iedereen zich comfortabel bij een museumbezoek en blijft het online delen van content een prioriteit. In samenwerking met ABN AMRO Bank is onlangs een rondleiding door de vaste presentatie georganiseerd. Deze rondleiding kon tijdens een livestream bekeken worden. Ad van Liempt en de conservator van het museum zijn samen met de kijkers langs de geschiedenis van operatie Market Garden gelopen en hebben aan de hand van enkele voorwerpen dit verhaal van persoonlijke kleur voorzien. Zo passeerden onder meer de teddybeer van Arnoldus Wolters, de jachthoorn van John Frost en de bolderkar van de familie Timmerman de revue. Aan het einde van de stream kregen kijkers de kans om vragen te stellen. De opnames van de rondleiding zijn via het YouTube-kanaal van het museum terug te kijken.

De meest uitzonderlijke wijze waarop het museum haar collectie digitaal heeft ontsloten was tijdens een livestream die was opgezet door de Easy Company 506 PIR gaming community. De leden van deze community leggen zich toe op de spellen Hell let Loose en Post Scriptum. Beide spellen zijn zogenaamde shooters die in de Tweede Wereldoorlog zijn gesitueerd. Ze onderscheiden zich door een hoog niveau van realisme en een ongekend oog voor detail. Spelers spelen in deze spellen veldslagen uit de oorlog na, waaronder de strijd bij Oos-terbeek. Terwijl 40 spelers het op de kaart van Oosterbeek tegen elkaar opnamen, heeft het Airborne Museum een aantal objecten uit de

vaste presentatie getoond en toegelicht. Onder meer de ‘killscore’ op een stuk behang van sluipschutter Anthony Crane, het divisievaantje van de 1st Airborne Division en de shilling-munt van Harold Bruce kwamen aan bod. Deze voorwerpen waren gekozen omdat ze konden worden gekoppeld aan specifieke locaties die in Oosterbeek te vinden zijn en die ook in het spel te bezoeken zijn. Tijdens de stream werden de kijkers meegenomen naar de locaties op de kaart en konden de objecten ‘ter plekke’ worden belicht.

De samenwerking met de mannen van Easy Company en het deelnemen aan een livestream van een gamemarathon waren volledig nieuwe ervaringen voor het museum. In totaal is met de marathon meer dan €15.000 opgehaald voor het museum. Hiermee werd het oorspronkelijke doel van €2.000, ruimschoots overtroffen. Er kan dan ook met recht gesproken worden van een succesvolle samenwerking. De game community heeft ook iets aan de samenwerking overgehouden. Persicope Games, de ontwikkelaar van Post Scriptum, heeft het huis aan de Pieterbergseweg waarin het behang met de ‘killscore’ van Crane werd aangetroffen, gemodelleerd en het behang erin opgenomen. De gamers kunnen dit prachtige stukje geschiedenis dus nu permanent in het spel bewonderen.

Met de blijvende aanwezigheid van het coronavirus en de daarmee gepaarde maatregelen, kan het museum slechts een beperkt aantal bezoekers blijven ontvangen. Hoewel dit ervoor heeft gezorgd dat veel mensen het nieuwe museum nog niet hebben kunnen bezoeken, heeft het ook kansen gecreëerd. De collectie van het museum is nog nooit zo prominent online aanwezig geweest en door nieuwe samenwerkingen heeft het museum nog nooit eerder betrokken doelgroepen kunnen bereiken.

De spelers van Post Scriptum poseren voor een groepsfoto bij Villa Hartenstein na de veldslag.

INTERVIEW

“MIJN KENNIS REIKT TOT AAN DE STATIONSWEG IN OOSTERBEEK, VERDER NIET”

IN GESPREK MET ROBERT SIGMOND, UITGEVER VAN BOEKEN OVER DE SLAG OM ARNHEM

Robert Nicolaas Sigmond (1950), eertijds horecaondernemer en kenner van het 7th (Galloway) Battalion the King’s Own Scottish Borderers (Airborne) – 7KOSB – is de man achter een reeks van specialistische en veel gezochte publicaties met de slag om Arnhem als thema. Hij heeft al vaker gespeeld met de gedachte de deur van zijn uitgeverij op slot te draaien; alles is wel zo’n beetje gezegd. Zijn aanstekelijke enthousiasme en het honderduit vertellen doen echter anders vermoeden. Voor volgend jaar staat er gewoon weer een boek over de 250 (Airborne) Light Composite Company, RASC op de rol.

Aan de voorgevel wappert de Pegasus-vlag. Binnen verraden alleen een paar swagger sticks in de paraplubak een militaire interesse. “Josette, mijn vrouw, zegt altijd: ‘Je hebt je eigen werkkamer’”, voegt Sigmond er lachend aan toe, terwijl hij voor gaat naar de keuken. Over zijn werkkamer annex tijdscapsule komen we nog te spreken. Eerst maar eens hoe het allemaal begon.

Sigmond leunt achterover in zijn stoel, de benen losjes over elkaar, blik gericht op het zuidwesten. Niet dat daar iets te zien valt door het gebladerte, maar in gedachten ligt daar de wereld. De wereld die op 17 september 1944 werd verstoord met de inleidende bombardementen van Market Garden. In het zuidoosten van Wageningen vielen de bommen op de wijk Hamelakkers (‘de Sahara’). Op de hoek bij de Diedenweg bevond zich een trafohuis van de PGEM. De grootvader van Sigmond, Nicolaas Willem de la Rive Box, ging er als hoofdambtenaar van de PGEM poolshoogte nemen en werd geraakt door een bomscherf. Hij raakte ernstig gewond en overleed in november. Sigmond vertelt hoe Toni Boltini, van het gelijknamige circus uit Zeist, met zijn kermiswagens gewonden, waaronder zijn grootvader, ophaalde in Wage-ningen en overbracht naar Zeist. In 2019 werd in ‘de Sahara’ een monument onthuld ter nagedachtenis aan het ‘vergeten’ bombardement. Sigmond vertelt ook over het huis met het torentje waar hij opgroeide, precies op de plek waar zijn opa en oma woonden. Hun huis werd in november/december 1944 vanuit het zuiden, van geallieerde kant dus, kapotgeschoten.

NAMAAKBARETTEN

Met een vader die na de slag voor de Duitsers moest spitten bij het Rijnpaviljoen in Arnhem, en met een oma in het gezin, was de herinnering aan de oorlog nooit ver weg. Sigmond: “Er werd niet veel over kommer en kwel gesproken bij ons thuis, maar je krijgt het vanzelf mee. Je groeit ermee op, het zit in je hoofd, je wordt er soms mee geconfronteerd en ja gut, dan komt het vanzelf weer een keer naar boven. In mijn geval pas na mijn omzwervingen via de hotelschool in de buurt van München, mijn werk in Zürich en voor de Holland America Line Cruises en na het openen van restaurants in Drenthe, Wolfheze en Bennekom.

Niet dat ik veel bezig was met de slag om Arnhem. Ik kocht weleens een boek, maakte wat foto’s op de Ede-se heide ten tijde van de productie van A Bridge Too Far. Maar de echte interesse in de slag kwam pas toen ik in 1979 samen met mijn vrouw restaurant Het Wol-venbosch opende, bij de spoorwegovergang in Wolfheze waar in ‘44 een groot deel van de 1st Airborne Division is gepasseerd. Ik zette er een kleine vitrine neer, toen

nog met namaakbaretten en wat gevonden spullen. Dat zorgde voor behoorlijk wat aanloop. Eén van de eerste contacten die ik zo met veteranen kreeg, was met Tommie Winter, een Private in de Support Company, Medium Machine Guns, 7KOSB. Via via kwam ik in contact met Captain George Gourlay (second-in-command van D Company, 7KOSB) en in de intensieve correspondentie die ik met George zou gaan voeren, bleek wel dat het airlanding-gedeelte van 1st Airborne nog behoorlijk in de schaduw stond van alle licht dat scheen op met name het 2nd Battalion van John Frost. Ook de Leader of the Pelgrimage tijdens de herdenkingen was vrijwel altijd een parachutist.
UITGEVERIJ

Sigmond gaat eens verzitten en merkt haast nonchalant op: “Ach, voor je het weet ben je een tijdje verder, heb je

De eerste zin uit het war diary van Payton-Reid, 7KOSB.

een heleboel informatie verzameld over 7KOSB en denk je: ‘Zouden we hier niet wat mee kunnen doen?’” Dat doen werd een eerste boek in 1997 met de titel Off at Last, an Illustrated History of the 7th (Galloway) Battalion KOSB 1939-1945. Wie Sigmond hoort praten over het uitgeefproces zou haast denken dat het maken van een dergelijk werk met een oplage van 1500 exemplaren kinderlijk eenvoudig is. Voor wie nog een blauwdruk zoekt voor het maken van een boek: “Ik heb het war diary genomen van de commanding officer van 7KOSB, Lieutenant Colonel Robert Payton-Reid. Bij iedere passage kon ik zo vijf of zes ooggetuigenverslagen voegen die zijn verhaal ondersteunden. Daarna was het nog een kwestie van samenvoegen en redigeren, zodat een begrijpelijke structuur ontstond en de juiste afbeeldingen erbij zoeken. Bij een drukker in Wageningen werd een prijs opgevraagd, Sigmonds team ging aan de slag om het manuscript tot een boek te vormen en ‘hey presto’: een uitgeverijtje was geboren. De uithoeken van Schotland werden met Off at Last bereikt door gewoon bij het plaatselijke filiaal van een internationaal transportbedrijf te vragen of er nog ruimte was in één van de vrachtwagens die toch al die kant op ging. “Ik zie me daar nog staan met twintig dozen en een taart”, zegt Sigmond tot besluit.

STANDAARDWERKEN

Waar andere uitgeverijen zich toeleggen op commercieel aantrekkelijke publieksfavorieten, richt R.N. Sigmond Publishing zich op een kleine groep lezers met de nodige kennis van, of op z’n minst een vérgaande interesse in militaire geschiedenis. Sigmond: “Mijn bijdragen als uitgever zijn naast het regelen van de financiën ook research en editing. Ik hoef zelfs niks te verdienen aan de boeken. Als de kosten worden gedekt, ben ik tevreden. Het is in die zin ook meer hobby dan werk.

We richten ons louter op het publiceren van boeken over de slag om Arnhem, omdat het team en ik daarvan nu eenmaal wat afweten. En ik vind het heerlijk om dingen tot op de bodem uit te zoeken. Met name als het gaat om aannames die keer op keer foutief worden overgenomen in de literatuur. Dat vraagt gewoon om een correctie, zoals zweefvliegtuigen die volgens sommigen geland zouden zijn op de Ginkelse Heide… Hetzelfde met al die 88mm-kanonnen, Tiger-tanks en snipers in verslagen. Niet iedere Duitse militair was een sluipschutter.”

Oral history in boekvorm noemt Sigmond de boeken die hij uitgeeft. “We maken minigeschiedenissen per eenheid die zo compleet mogelijk zijn en we blijven weg van conclusies.” Dat het soms waken is voor een teveel aan details, wil hij wel erkennen. “Ik krijg geregeld voorstellen voor uitgaves. De één wil graag iets schrijven over een geëxecuteerde burger, een ander heeft onderzoek ge

daan naar, bij wijze van spreken, de kleur van iemands ondergoed of vindt dat een bepaalde persoon een podium verdient. Wat we hoe dan ook niet snel zullen maken zijn boeken over ‘mannetjes’: vermeende helden. Daar heb ik helemaal niks mee. ‘They were just ordinary men’, wordt in de film ‘Theirs is the glory’ gezegd. Zo is het. Niet meer en niet minder.”

De meeste boeken zijn inmiddels uitverkocht en gaan soms tegen absurde prijzen van hand tot hand op de tweedehands markt. Van een aantal publicaties heeft Sigmond, mede om dit soort praktijken te voorkomen, één of meerdere herdrukken gemaakt. Iets wat nog niet gelukt is met het veel gezochte B Company Arrived. “De auteur denkt wat anders over een herdruk”, zegt Sigmond neutraal.

GLENGARRY

Naast uitgever is Sigmond zestien jaar lang onbezoldigd vrijwilliger geweest in de bibliotheek en het archief van het Airborne Museum. Na de eerste grote verbouwing van het museum stopte hij met dit werk omdat hij zich niet langer kon vinden in de visie van de directie en het bestuur. Dat zijn kennis naar eigen zeggen “tot aan de Stationsweg in Oosterbeek reikt, verder niet” dient om deze reden misschien met een korrel zout te worden geconsumeerd. Dit blijkt temeer als Sigmond de deur naar zijn werkvertrek, en daarmee naar het verleden, opent. Het blijkt een waar walhalla, in de letterlijke zin van het woord. Militairhistorische boeken over allerhande onderwerpen per strekkende meter, zowel horizontaal als verticaal (Sigmond: “Lukt het om er doorheen te lopen zo?”), archiefkasten vol met eerstehands informatie voor nog een aantal uitgaven, een supply container hier, uniformen en een stapeltje Glengarries daar. Terwijl Sigmond één van deze traditionele Schotse caps in zijn handen neemt, mijmert hij: “Moet je kijken wat een mooi exemplaar. Ik snap wel waarom de mannen van 7KOSB die maroonkleurige baretten van de Airbornes maar niks vonden. De Glengarry staat voor mij ook symbool voor diegenen die hier per zweefvliegtuig zijn geland tijdens Market Garden en voor het gebrek aan erkenning waarmee ze lange tijd te kampen hebben gehad. En in feite is dat nog steeds een beetje zo. Ik heb vorig jaar geholpen bij de organisatie van een driedaagse battlefield tour voor de KOSB Regimental Associaton [The King’s Own Scottish Borderers zijn in 2006 zijn opgegaan in het Royal Regiment of Scotland, AH]. Je bespeurt dan toch enige terughoudendheid met betrekking tot de Slag om Arnhem.

Robert Sigmond met Brigadier Colin Mattingley, de neef van Lieutenant Colonel Robert Payton-Reid (commanding officer van 7KOSB in Arnhem), op de Airborne-begraafplaats in Oosterbeek. Juni 2019 (foto: Berry de Reus).

PASSIE

Voor het antwoord op mijn vraag of Arnhem inmiddels niet gaat vervelen heeft Sigmond niet lang nodig: “Ik heb de laatste jaren inderdaad wel vaker gedacht: het is mooi geweest zo. Er is nog maar een handvol veteranen over en het meeste is wel gezegd, of in ieder geval bekend. Maar dan meldt zich weer iemand met een goed idee en denk ik: ‘Ah, waarom ook niet?!’ Volgend jaar komen we in ieder geval met een boek over 250 Company.” Even later vertelt Sigmond over de grote fotocollectie van de Arnhemse verwoesting in 1944 en 1945 van de Arnhemse fotograaf Herman Truin waarvan hij nu mede-eigenaar is. “Daar zouden we nog iets mee moeten doen”. Hij verhaalt met evenveel passie als vuur over de totstandkoming van het nieuwe monument bij het volledig herbouwde Dreyeroord in Oosterbeek. Sigmond: “Hoezo buizen die parachutelijnen verbeelden?! De mannen die daar vochten landden met zweefvliegtuigen”. En hij haalt herinneringen op aan een dinertje

bij John Frost thuis: “I spent the most rotten days of my life at that bloody bridge at Arnhem”, citeert hij de Lieutenant Colonel.

Dat zijn bijzonder geanimeerde verhalen en anekdotes bepaald niet wijzen op een snelle sluiting van de deur naar het verleden, laat staan op het stoppen met de uitgeverij, is duidelijk. Sigmond: “Zoals het restaureren van een Jeep pure therapie voor mij was na jarenlang zeven dagen in de week in de horeca te hebben gewerkt, zo vind ik het samen maken van boeken gewoon erg leuk om te doen. Voorlopig gaan we dus nog wel even door.”

In december verschijnt een softcover-herdruk van Off at last, met als extraatje het 7KOSB Commemoration booklet (2019) in kleur.

— Tekst en foto’s: Alexander Heusschen

ACHTERGROND

C COMPANY, 2ND PARACHUTE BATTALION BIJ BRUNEVAL EN ARNHEM
Enige jaren geleden zijn mijn vrouw en ik op vakantie geweest naar Normandië. En dan niet naar de bekende landingsstranden, maar een stukje noordelijker naar het gebied bij Bruneval. Door onze gemeenschappelijke interesse in C Company had ik Nicolas Bucourt, de co-auteur van het Franstalige boek Raid de Bruneval, gevraagd ons de belangrijke plekken te laten zien. Gaandeweg de tocht vroegen wij ons af wie van C Company zowel bij deze operatie als bij Market Garden betrokken was. Zo ontstond het idee voor een klein zoekproject.   – Marcel Anker

Nicolas en Marcel bij het monument in Bruneval.

Om te beginnen heb ik de informatie uit onze beide boeken, Raid de Bruneval en The Lost Company, naast elkaar gelegd. We wisten dat er vraagtekens en gaten in onze onderzoeken zaten, dus heb ik twee deskundigen, Bob Hilton en Graham Francis, gevraagd eens in hun

archief te duiken voor wat aanvullingen. Ook Nicolas heeft met een frisse blik zijn archieven opnieuw doorgenomen. Na uitgebreid e-mailcontact met alle drie, ben ik tot nieuwe inzichten gekomen.

Door Anthony Hill gemaakte foto van de Würzburg-radar, linksonder (IWM, D 12870).

VOLGENS PLAN

De Bruneval Raid, operation Biting, was de eerste actie van C Company van het 2nd Parachute Battalion van de 1st Airborne Division. Het bijzondere was dat de operatie zou worden uitgevoerd door de drie takken van de strijdkrachten. De uiteindelijke actie werd uitgevoerd door parachutisten. Zij werden aangevoerd met vliegtuigen van de Royal Air Force en na hun opdracht worden opgepikt door boten van de Royal Navy.

Het doel van de operatie was het verzamelen van foto’s, informatie en onderdelen van een Duitse Würzburg-radarin-stallatie aan de Franse kust. De aanleiding was de ontdekking van een onbekend object op een luchtfoto, gemaakt tijdens een verkenningsvlucht langs de Franse kust tussen Le Havre en Calais. Omdat niet geheel duidelijk was wat er nu precies stond, heeft Flight Lieutenant Anthony Hill op 5 december 1941 een riskante vlucht gemaakt met een Spitfire om foto’s te nemen.

Op de avond van 27 februari 1942 sprongen tegen middernacht 120 man uit hun Whitley-vliegtuigen en landden op Franse bodem. Tot hun verbazing had het gesneeuwd, waardoor ze in hun para-uitrusting wel erg afstaken tegen de witte bodem. De verschillende groepen begonnen met de vooraf besproken taken. De hoofdgroep onder leiding van Major John Frost begon de tocht naar de radarinstal-latie. Tot hun verbazing was daar nauwelijks bewaking. Andere groepen zorgden voor afscherming van de hoofdgroep en pareerden de aanvallen van de Duitse troepen, die inmiddels in de gaten hadden gekregen dat parachutisten waren geland.

Niet alle sticks kwamen op de voorziene landingsplaatsen terecht. De groep onder leiding van Lieutenant Charteris

kwam helaas enkele kilometers verder naar het zuiden neer. Zij hadden de taak de route van de radar naar de pick-uplo-catie op het strand veilig te stellen. Na veel omzwervingen en tegenstand waren ze net op tijd om hun opdracht uit te voeren en de Duitse verdediging te elimineren.

De gehele actie verliep volgens het boekje, al werd de Duitse tegenstand snel intensiever. Bij de radarinstallatie werd, met name door de meegenomen radarspecialist van de RAF, Flight Sergeant Charles Cox, koortsachtig gewerkt en binnen de gestelde tijd kon C Company vrijwel alle plannen uitvoeren: het maken van foto’s, het verzamelen van onderdelen en vernietiging van de rest van de installatie. Op een teken van Major Frost vertrok zijn eenheid naar de verzamelplaats aan het strand.

Na een moeizame tocht richting de kust bij villa Stella Maris, begon het wachten op de landingsvaartuigen, die rond 02.00u arriveerden. De 120 overgebleven mannen werden opgepikt en naar de klaarliggende patrouilleboten brachten.

Kaartje uit The Bruneval Raid van George Millar.

 

Op één van de in Portsmouth terugkerende boten staan drie man die zowel betrokken zijn in Bruneval en Market Garden. Links op de brug staat Major John Frost (met parahelm). Sergeant Jimmy Sharp staat, zonder helm, links op de voorgrond. Schuin achter hem staat Private Fred Barnett met de rug tegen de opbouw van de boot (IWM, H 17365).

Vervolgens voer de vloot terug naar Portsmouth. Van die 120 waren er 104 van C Company. Ze werden bijgestaan door negen Royal Engineers, de radarspecialist van de RAF en zes man van B Company, 2nd Battalion en A Company, 3rd Battalion.

NIEUWE OPERATIE

Na de operatie kon de balans worden opgemaakt. Twee man waren omgekomen: Privates Alan Scott en Hugh McIntyre. Een aantal gewonden kon mee worden genomen naar Engeland, maar nog eens zes man bleven achter omdat ze niet op tijd op het strand waren. Zij zijn uiteindelijk allemaal door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt. Al met al zijn 101 van de 104 leden van C Company teruggekeerd naar Engeland.
Tijdens het verdere verloop van de oorlog was C Company betrokken bij acties in Noord-Afrika, Sicilië en Italië. Door de grote verliezen moest de eenheid voortdurend aangevuld worden met nieuwe manschappen.

In de loop van 1944 volgden trainingen en oefeningen in de buurt van Grantham, waar 2nd Battalion gelegerd was. Regelmatig werden nieuwe acties aangekondigd en voorbereid, maar net zo vaak werden deze weer afgeblazen. In september werd 1st Airborne Division voorbereid voor een nieuwe operatie, genaamd Market Garden. Deze ging uiteindelijk wél door. Op de ochtend van zondag 17 september 1944 vertrokken 113 leden van C Company in Dakota’s richting Arnhem. Ze waren klaar om hun opdracht uit te voeren. Van deze 113 bleken er tien te zijn die ook betrokken waren geweest bij de aanval op Bruneval:

– Tasker, D.R., W/CSM – 2882737

– Campbell, H., W/Sergeant – 2624009

– Coates, A.E., W/Sergeant – 2093098

– Buchanan, P., L/Sergeant – 2931640

– Burns, W., W/Sergeant – 3196639

– Flaming, W.J., W/Sergeant – 2989834

– Laughland, Th. A., W/Sergeant – 2989237

– Barnett, F, W/Corporal – 2934817

– Fleming, J., Private – 2985559

– Flitcroft, H., Private – 3250806

Naast deze tien waren er nog meer ex-leden van C Company die aan beide operaties hadden deelgenomen, maar inmiddels in een andere eenheid zaten:

– Frost, J.D., Lieutenant Colonel – 53721,

CO 2nd Parachute Battalion

– Sharp, J.L., CQSM – 2754054,

2nd Parachute Battalion Seaborne Echelon

– Strachan, RSM – 2751640, G.A.,

2nd Parachute Battalion HQ

– Timothy, J., Major – 164812, OC R Company,

1st Parachute Battalion

– Conroy, M., Sergeant – 2933341,

2nd Parachute Battalion

– Horne, D.S., L/Corporal – 3192533,

2nd Parachute Battalion

– Millington, J., L/Corporal – 3451789,

2nd Parachute Battalion, HQ Signals Platoon

– Ewing, A., Private – 2937469,
2nd Parachute Battalion

– Taylor, S., Private – 3250874, B Company,

2nd Parachute Battalion

– McCausland, F., Private – 2391577,

21st Independent Parachute Company

– Welsh, F., Private – 2885157, HQ Assault Platoon, 2nd Parachute Battalion
Warrant Officer Ellis en Sergeant Halliwell van B Troop, 1st Parachute Squadron Royal Engineers hadden ook aan beide operaties deelgenomen. Net als de medics van 181st Airlanding Field Ambulance die met de Royal Navy meevoeren om de parachutisten op te halen: Cook, Freer, Hatcher, Maltby, Newman, Pusser, Rose en Waters. Tegen de tijd dat Market Garden van start ging, waren sommigen van hen bij andere eenheden ingedeeld, maar allemaal hebben ze aan beide operaties deelgenomen.

HET EINDE

Alle eerdergenoemde personen zijn dus betrokken geweest bij beide operaties. Na het korte relaas over de Bruneval Raid, nu de rol van C Company, 2nd Parachute Battalion tijdens Market Garden. Als onderdeel van 1st Airborne Division kreeg 2nd Parachute Battalion de taak de drie bruggen bij Arnhem intact te veroveren. De spoorbrug tussen Arnhem en Oosterbeek werd het doel van C Company.

Na het verzamelen van de manschappen op zondag 17 september op de dropzone noordelijk van Heelsum, vertrok 2nd Battalion in de richting van Arnhem. De opmars via

 

Locatie waar de laatste momenten van C Company zich afspeelden.

Van de mannen op deze foto van C Company, die in augustus 1944 is genomen, zijn er maar tien die deelgenomen hebben aan zowel de operatie in Bruneval als die bij Arnhem.

Heelsum, Doorwerth, Heveadorp en Oosterbeek verliep relatief rustig. Na het passeren van het oude kerkje in Oos-terbeek, sloeg C Company rechtsaf en nam de Polderweg richting de spoorbrug. De inname van die brug lukte niet, omdat de Duitsers kans zagen een deel op te blazen.

Het tweede doel van de eenheid was het kantoor van de Ortskommandant aan het Nieuwe Plein in Arnhem. De opmars daarnaartoe via de Utrechtseweg verliep soepel, tot ze bij het St. Elisabeths Gasthuis stuitten op Duitse tegenstand. Na een kort gevecht konden ze hun tocht richting het Nieuwe Plein vervolgen. Het was inmiddels donker geworden en in die duisternis werden ze met machinegeweren onder vuur genomen ter hoogte van de Brugstraat. De commandant, Major Victor Dover, zag geen mogelijkheid voor een doorbraak en besloot om in en bij het gebouw van Centraal Beheer (Utrechtsestraat 16) te overnachten om de volgende dag te hergroeperen met opmarcherende eenheden uit de richting van Oosterbeek. Vroeg in de ochtend van maandag 18 september trokken de mannen daarom in westelijke richting. Lopen over de Utrechtseweg was door Duits vuur niet mogelijk. Ze moesten door tuinen en over omheiningen van de huizen aan de noordkant van de Utrechtsestraat terugtrekken.

Ter hoogte van het PGEM-kantoor Bellevue kwam de Utrechtsestraat weer in zicht. Het idee was om de weg over te steken en dan via Onderlangs aan te sluiten bij andere oprukkende eenheden.

Het lukte aanvankelijk slechts een groepje van zeven man, onder Lieutenant David Russell, de weg ongeschonden over te komen. Duits vuur hield de rest aan de noordelijke kant. Vervolgens werd geprobeerd om door de tuinen van de villa’s Amalia en Luneven verder in westelijke richting te komen. Door zware Duitse tegenstand lukte dit niet. De gevechten concentreerden zich nu in en om de twee villa’s en een derde huis, dat na de oorlog de toepasselijke naam ‘Airborne House’ kreeg. De hopeloze situatie met veel ge

wonden, weinig munitie en geen kant op kunnen, deed Major Dover besluiten de strijd rond 12.00u op te geven. Enkele kleine groepjes en mannen probeerden nog om andere eenheden te bereiken en alsnog naar de verkeersbrug te komen. C Company bestond niet meer als eenheid.

DE TIEN

En nu terug naar de tien mannen die sinds de oprichting bij de C company hebben gezeten. Wat is er met hen gebeurd tijdens de slag om Arnhem?

CSM Tasker. Van hem is niet veel bekend. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij tot het einde met de rest van C Company HQ in het Airborne House gezeten en is hij gevangen genomen op 18 september.

Sergeant Campbell. Hij zat in de eerste groep met Lieutenant David Russell, die in de ochtend van 18 september door de tuinen van de huizen aan de Utrechtsestraat terugtrok naar het westen. Het lukte hem niet om in het groepje van David Russell de Utrechtsestraat over te steken. Hij is op 18 september gevangen genomen.

Sergeant Coates. Bezette met de overgeblevenen van zijn sectie enkele kamers in het Airborne House. Gevangen genomen op 18 september.

Sergeant Buchanan. Van hem is niet veel bekend. Op 18 september gevangen genomen.

Sergeant Burns. Zijn sectie van 8 Platoon was betrokken bij de inname van de villa Amalia aan de Utrechtseweg. Toen hij met zijn sectie het gebouw in ging, werd hij dodelijk getroffen. Hij overleed ter plaatse. Helaas is zijn lichaam nooit gevonden of geïdentificeerd, waardoor hij geen bekend graf heeft. Zijn naam staat op de Groesbeek Memorial Wall voor de vermisten.

Sergeant Fleming. William Fleming zat in de groep van Lieutenant David Russell die erin slaagde om de Utrecht-sestraat over te steken. Ze daalden af langs het talud naar Onderlangs en trokken over het voetpad in westelijke richting met het idee om weer aan te sluiten bij de oprukkende troepen om alsnog bij de brug te komen. Maar het groepje eindigde uiteindelijk, samen met A Company, The South Staffordshire Regiment bij het Gemeentemuseum en bezette de dienstwoning van de gebouwbeheerder. Een deel van de 3inch-mortieren van de South Staffs had zich opgesteld in het lagere deel van het talud naast het museum, maar konden van daaruit hun doelen op de Utrechtsestraat niet zien. Het groepje in de dienstwoning was een tijdje de ‘ogen en oren’ van de mortierbemanning, want zij konden wel zien waar de granaten terecht kwamen. Uiteindelijk is William op 19 september gevangen genomen.

Sergeant Laughland. Hoewel Thomas Laughland er ook bij was in Bruneval, heeft hij niet aan alle operaties van C Company deelgenomen. Hij is gevangen genomen tijdens de acties in Noord-Afrika en naar een POW-kamp in Italië overgebracht. Daardoor miste hij de aanval op de Primosole-brug op Sicilië. Na de geallieerde invasie in het zuiden van Italië hebben veel krijgsgevangenen geprobeerd te ontsnappen en hun eigen troepen te bereiken. Dat lukte Thomas ook en hij ontmoette leden van 2nd Parachute Battalion in Altamura. Na terugkeer in Engeland ging hij terug naar zijn eenheid bij Grantham en was net op tijd klaar met zijn trainingen om mee te kunnen naar Arnhem. Zijn sectie was betrokken bij de inname van villa Luneven op de hoek Utrechtseweg/Nachtegaalspad, naast villa Amalia. Thomas was getuige van het fatale moment van Sergeant Burns. Uiteindelijk is hij voor de tweede keer gevangen genomen op 18 september.

Corporal Barnett. Als second in command van een sectie van 8 Platoon heeft Fred gevochten in en om het Airborne House. Toen de situatie in het huis onhoudbaar werd, heeft hij geprobeerd de Utrechtseweg over te komen naar het Museum. Bij die poging is hij ernstig gewond geraakt door Duits vuur. Hij is overgebracht naar het Gemeenteziekenhuis waar hij op 22 september is overleden. Na de oorlog is zijn stoffelijk overschot herbegraven op de begraafplaats in Oosterbeek in graf 6 D 6.

Private Fleming. Van hem is niet veel bekend. Op 18 september gevangen genomen.

Private Flitcroft. Als sniper in 3 Section van 7 Platoon zat hij in de voorste groep die zich door de tuinen van de huizen aan de noordelijke kant van de Utrechtsestraat terugtrok. Aangenomen mag worden dat hij in de omgeving van de villa’s Amalia en Luneven gevangen is genomen op 18 september.

William Burns.

 

Fred Barnett.

Alle andere C Company-leden die bij Market Garden betrokken zijn geweest zijn uiteindelijk gevangen genomen en als krijgsgevangene naar één van de kampen in Duitsland gebracht, waar zij tot de bevrijding in april 1945 hebben gezeten.

Er was echter één uitzondering: Company Quartermaster Sergeant Jimmy Sharp. Hij heeft ‘Arnhem’ niet per vliegtuig bereikt, maar was opgenomen in 2nd Parachute Battalions Seaborne Echelon, dat voorraden en uitrustingsstukken over de weg vanuit het zuiden zou aanvoeren. Hij was in Nijmegen toen de evacuatie van 1st Airborne Division onder de codenaam Operation Berlin plaatsvond. De volgende dag kreeg hij in Nijmegen de opdracht om de overgebleven mannen van 2nd Battalion te verzamelen. Tot zijn grote ontsteltenis meldden zich slechts zeventien man van de 509 na zijn commando “Fall in 2nd Battalion”.

De uitkomst van dit onderzoek is dat tien man van de oorspronkelijke groep die in 1941 bij C Company was begonnen met deze zelfde eenheid hebben deelgenomen aan zowel de Raid bij Bruneval als de gevechten in Arnhem.

Duidelijk mag zijn dat het bijna onmogelijk is een vraag over een gebeurtenis van meer dan 75 jaar geleden voor de volle 100% accuraat te beantwoorden. Hoewel er veel informatie is, blijven er altijd lacunes, vragen en twijfels. Toch ga ik ervan uit dat deze samenvatting grotendeels klopt.
Bronnen:

• Millet, Alain en Bucourt, Nicolas, Raid de Bruneval (Editions Heimdal, St. Martin-des-Entrées 2012).

• Anker, Marcel, The Lost Company

(Maca Publishing 2017).

• Archieven van Nicolas Bucourt, Bob Hilton, Graham Francis en Marcel Anker.
Met dank aan Nicolas Bucourt, Bob Hilton en Graham Francis voor hun bijdragen.

BITS AND PIECES

BITS AND PIECES VERROESTE JEEP
In mijn beroepshalve uitgeoefende leven als archivaris van de gemeente Renkum heb ik het voorrecht gehad vele mooie en interessante historische bescheiden door mijn vingers te laten gaan. Zo vond ik eens vier foto’s met achterop slechts het stempel van Studio Renes te Arnhem, en de negatiefnummers van de fotograaf F 574, F 576, F 577a en F 579a. Mijn eerste gedachte was: “waar zijn die andere minstens 573 foto’s…?” De meeste daarvan zullen wel in Arnhem zijn gemaakt, veronderstelde ik toen, en dat boeide mij niet zo. Maar wat werd op deze vier exemplaren vastgelegd? Beschrijvingen ontbraken helaas, en de vindplaats gaf ook geen indicatie.
— Geert Maassen

In het oog springen twee mensen met indrukwekkende kettingen om de hals. Geen sieraden, althans geen gewone, maar kennelijk officiële ambtskettingen of -ketens. Behalve deze voor mij onbekende vrouw en man, herkende ik slechts de gestalte van Jenze Jan Talsma, die van 1934 tot 1949 burgemeester van Renkum was. Aannemende dat hij in functie was toen de foto werd gemaakt, zou de camera in die periode kunnen zijn gehanteerd. Ik concludeerde dat het na de Slag om Arnhem, of beter nog na het einde van de Tweede Wereldoorlog moest zijn geweest omdat ook het wrak van een Britse Airborne-jeep op de gevoelige plaat werd vastgelegd. Dat voertuig zal gebruikt zijn tijdens de gevechtshandelingen in september 1944, en ter plekke zijn achtergebleven.

De andere drie plaatjes tonen als eerste het eerdergenoemde echtpaar (neem ik aan) in een luxeauto, uitstappend. Een meisje biedt bloemen aan, en een heer kijkt toe. De derde foto laat een jeugdig gezelschap zien, aan de maaltijd in de buitenlucht. En de laatste afbeelding is van de Airborne Begraafplaats, waar een behoorlijk aantal mensen een krans zal leggen.

Als de heer Talsma in functie is gefotografeerd, is het opvallend dat het echtpaar (eveneens burgemeesters?) ook ambtskettingen draagt. In Nederland mag dat volgens mij niet als men buiten de eigen gemeentegrenzen is. En als het een echtpaar is, zal het zeker uit het buitenland komen, want hier kennen we het verschijnsel niet dat de partner van een burgemeester ook een ketting om heeft. RAADSEL

Het duurde lang voordat ik bij toeval historische gegevens vond die duidelijk een relatie hadden met de genoemde foto’s. In het lokale weekblad De Renkumse Koerier van 9 mei 1946 las ik het artikel met de kop ‘Het Engels bezoek. Een zeer geslaagde dag’. De verslaggever maakt melding van het bezoek aan de gemeente Renkum van afgevaardigden van de stad Wolverhampton, en daartoe behoorden Mayor William Lawley en zijn echtgenote Mayoress Lawley. Ik merk hierbij op dat een Britse Mayor niet hetzelfde is als een Nederlandse burgemeester, en dat de functie van de laatstgenoemde in het Engels het beste met Burgomaster kan worden geduid. De krant meldt dat de beide buitenlanders op de bewuste maandag (6 mei) omhangen waren met hun ambtsket-ting, en daarmee kwam de eerste foto die ik beschreef, heel duidelijk in beeld. Verderop schrijft de journalist

Ergens tussen Renkum en Wolfheze [wie weet waar precies? GM], 6 mei 1946. William Lawley, Mayor van Wolverhampton, zit in het wrak van een Britse Airborne-jeep. Zijn echtgenote staat ernaast. Volgens de krant brengt hij de Hitlergroet (?!). Geheel rechts vermoedelijk de Renkumse burgemeester Jenze Jan Talsma (Studio Renes, Arnhem. Gelders Archief, 1579 – Fotocollectie Tweede Wereldoorlog van de gemeente Renkum, aanvullingen -ongenummerd).

dat ook een dertigtal kinderen van scholen uit Wolverhampton aanwezig waren, en dat tijdens een tocht over het voormalige slagveld de heer Lawley in een verroeste jeep ging zitten, ergens tussen Renkum en Wolfheze. Zie hier, het raadsel was opgelost. De vier foto’s hadden betrekking op dit buitenlandse bezoek. Het toont maar weer eens aan dat kranten een waardevolle bron kunnen zijn voor lokaal historisch onderzoek.

GEZAMENLIJKE STRIJD

In De Renkumse Koerier werd ook geschreven over de Engelse stad “wier zonen zulk een groot aandeel hebben gehad in onze gezamenlijke strijd. Hun graven zullen blijven een eeuwige herinnering, welke de ontstane vriendschapsbanden in stand zullen houden en verstevigen.” Het gezelschap bracht uiteraard ook een bezoek aan de oorlogsbegraafplaats, waar de Engelse gasten de graven zochten (en hopelijk vonden) van hun familieleden en bekenden. Met behulp van de Roll of Honour van de Slag om Arnhem (een publicatie die door de

VVAM werd uitgegeven in 2011) en een Engelstalige website over Wolverhampton War Memorials telde ik elf (jonge)mannen, in leeftijd variërend van 19 tot 27 jaar, die tijdens of ten gevolge van de gevechtshandelingen in september 1944 het leven lieten.

Nadat het gezelschap, diep onder de indruk, de Arnhem Oosterbeek War Cemetery had verlaten, nam men afscheid van de gemeente Renkum, en vertrok met auto’s en bussen naar Arnhem, waar het diner zou plaatsvinden. De journalist eindigt zijn verhaal met: “Het is voor onze bezoekers ongetwijfeld een dag geweest om nooit te vergeten!”

Bronnen

• De Renkumse Koerier van 9 mei 1946 (Gelders Archief, 2832 – Collectie kranten van de gemeente Renkum, inventarisnummer 107).

• https://www.wolverhamptonwarmemorials.org.uk/ index.php?page=men-at-arnhem.

BOEKEN

In september verscheen van de hand van Laurens van Aggelen een boek over de geschiedenis van Villa Hartenstein en het Airborne Museum in Oosterbeek. Laurens laat zien dat zowel de villa als het museum in de loop der jaren grote en kleine veranderingen hebben ondergaan, waarbij met name de stroomversnelling aan ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar opvalt. Het voorwoord is geschreven door Judy Urquhart, dochter van Major-General Urquhart en zweefvliegtuig piloot Sergeant Frank Ashleigh. Beiden beschrijven hun relatie met de villa en het museum. In het boek is ook een passage over de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum opgenomen. De uitgave is uitstekend verzorgd, met goede foto’s (deels in kleur), gezet in een duidelijke letter en geschreven in een vlotte stijl die uitnodigt om het werk in één adem uit te lezen. Een paar schoonheidsfoutjes en enkele onvolkomenheden in de fotobijschriften kunnen er wellicht in een volgende editie nog worden uitgehaald.
Laurens van Aggelen, Airborne Museum Hartenstein; De Oosterbeekse villa met een rijke historie (White Elephant Publishing, 2020, pp. 161, geïllustreerd, ISBN-13: 97890-797-6339-9, geïllustreerd, € 27,95). Het boek is onder meer verkrijgbaar bij Boekhandel Meijer & Siegers in Oos-terbeek en in het Airborne Museum — Wybo Boersma

Op 1 oktober is Oorlog in Lingezegen gepubliceerd. Dit boek is het resultaat van archeologisch onderzoek tijdens de aanleg van Park Lingezegen. Het bijzondere van dit werk is dat het zich specifiek richt op de Tweede Wereldoorlog en de bodemsporen- en vondsten die deze periode heeft nagelaten in het groen tussen Arnhem, Elst en Bemmel. Als basis voor de krijgshistorische achtergrond heeft de auteur gebruik gemaakt van de bekende werken van dr. J. Brouwer, H. Bollen, F. van Hemmen en B. Gerritsen. Het boek heeft 143 pagina’s in formaat A4 extra, is rijk geïllustreerd met veel grote kleurenfoto’s en kaarten. De auteur schrijft met regelmaat voor het Airborne Magazine in de rubriek Conflictarcheologie. In Airborne Magazine nr. 20 (maart 2021) zal een bijdrage van Martijn staan over het onderzoek in Park Lingezegen.
Martijn Reinders, Oorlog in Lingezegen (Greenhouse Advies Archeologie, 2020, pp. 143, ISBN-13: 978-90-90-3509-4, rijk geïllustreerd, € 25,00 excl. verzendkosten). Voor meer informatie: https:// greenhouse-advies.nl/ boek-oolog-in-lingezegen/  — Leo van Midden

PERSOONLIJK

HARD DAY’S NIGHT

VOOR EVEN ONDERGRONDS OP VOORMALIG LANDGOED DE OORSPRONG IN OOSTERBEEK
De oorlogsgeschiedenis van het voormalige landgoed De Oorsprong, aan de westkant van Oosterbeek, is goed gedocumenteerd. Geurt van de Kerk (1945) verzamelde zeven ooggetuigenverslagen van burgers die in het gebied waren ten tijde van de slag om Arnhem en bundelde ze in een boekwerkje. Het zijn waardige voetnoten bij een doorlopende vertelling die zich concentreert rond één plek: een schuilkelder in het struweel.
— Tekst en foto’s: Alexander Heusschen

Geurt van de Kerk daalt voorzichtig de trap af van de schuilkelder van Huize De Oorsprong, één hand aan de verroeste leuning. Beneden valt een smalle strook laag nazomerlicht binnen via wat ooit de nooduitgang was. Hij is voor het eerst in de ruimte die hij zo goed kent uit de verhalen van zijn ouders, en uit de verslagen die hij bijeenbracht voor een boekwerkje over de strijd op en om De Oorsprong. Hij neemt het betonnen vertrek van vier bij vijf meter zwijgzaam in zich op, een beetje overweldigd door de geringe omvang ervan en door de persoonlijke verbintenis met de plek. “Sliepen hier werkelijk 24 mensen?”, vraagt hij retorisch. “Ongelooflijk, echt ongelooflijk.”

Boswachter Ben Oosting van Geldersch Landschap en Kasteelen (GLK), beheerder van het voormalige landgoed, laat ondertussen het lampje van zijn telefoon over plafond en muren gaan. Rode verfletters op de wanden verraden wanneer de schuilplaats voor het laatst toegankelijk moet zijn geweest voor de plaatselijke jeugd. ELVIS, ROCKERS, ROLLING STONES, MODS, BEATLES… de graffiti uit de jaren ‘60 is onderdeel geworden van het historisch erfgoed van De Oorsprong. Het heeft iets aandoenlijks; eens een keer geen schuttingtaal of onleesbare ‘tags’, maar gewoon wat favoriete artiesten en een enkele prominente jeugdcultuurstroming van weleer. In de schacht bij de be-traliede nooduitgang liggen alleen wat gevallen eikels en takken. Kom daar nog maar eens om.

Oosting legt uit dat toen GLK het landgoed in 2006 voor 40 jaar in erfpacht nam de schuilkelder voor de helft gevuld was met grond en resten van het landhuis dat op 21 september 1944 afbrandde. De bruine randen op het gewapende beton laten zien dat het (grond)water er tot op kniehoogte kwam. Het is nog steeds een vochtige ruimte. “Ideaal voor vleermuizen”, weet Oosting. En voor slakken en padden, zo te zien. Van de Kerk wil weten of de stalen deuren nog origineel zijn. “Dat zijn ze zeker”, voegt de boswachter eraan toen. “Inclusief de sluitingen, hevels en

Geurt van de Kerk (links) en Ben Oosting bij de ingang van de schuilkelder.

net als de linker sluitplaat van de ingang”. Bovengronds mag er dan weinig resten van het landhuis, de kelders en de nabijgelegen ondergrondse schuilkelder zijn nog helemaal intact. Oosting doet het hangslot weer op de toegangsdeur.

KORT VERBLIJF

Gezeten op de betonnen contouren die de locatie van het landhuis markeren, worden anekdotes, losse flarden aan plaatselijke en persoonlijke geschiedenisjes en wetenswaardigheden verweven tot een veelkleurige quilt. Van de Kerk verhaalt over zijn ouders die in 1942 op last van de Duitsers IJmuiden moesten verlaten; pottenkijkers waren niet meer welkom in het Sperrgebiet van de Atlantikwall die er werd aangelegd. Jaap en Lenie kwamen terecht in Huize Overzicht, naast hotel Tafelberg. Totdat men ook daar weg moest. De volgende stop werd Huize De Oorsprong.

Oosting haalt de tragische dood aan van de negentienjarige Lieutenant Philip Sumner Holt van het 21st Platoon, D Company, The Border Regiment. Oosting: “Hij is op 21

september omgekomen. Vermoedelijk rond een uur of elf, omdat we weten dat op dat ogenblik het landhuis in brand werd geschoten. Zijn stoffelijk overschot werd gevonden tussen de schuilkelder en hier.” Dat Holt nog niet vergeten is, blijkt als ik een klein remembrance cross met zijn naam ontdek vlakbij de plek waar hij het leven moet hebben gelaten. Oosting: “Dat stond er vorige week nog niet. Geen idee wie het heeft neergezet. Dat weet je eigenlijk nooit. Van Holt is in ieder geval bekend dat hij in het landhuis kookte, samen met de burgers uit de schuilkelder, en ze voorzag van biscuits en fruitsap.”

En uiteraard gaat het over de schuilplaats die Arnhemse advocaat mr. Julius Frowein, eigenaar van De Oorsprong vanaf 1920, in al zijn voorzienigheid in de tuin liet aanleggen, vlak vóór de Duitse inval in Nederland. Opgeleverd in 1940 kon het onderdak bieden aan zo’n twintig mensen. Water en licht waren er niet, toevoer van zuurstof nauwelijks. Kennelijk werd rekening gehouden met een kort verblijf in tijden van nood.
EINDELOZE NACHT

Het noodonderkomen heeft een prominente rol in Ik heb het met eigen ogen gezien, het boekwerkje met de ooggetuigenverslagen dat een aantal maanden geleden is uitgekomen. Met name in het verslag van de vader van Geurt van de Kerk fungeert de schuilkelder als ingedikte geschiedenis, een soort container van menselijke tragiek, gebeden, gewonde Britten, sterfte, angst, oorlogslawaai en het verlies van het besef van tijd. Jaap van de Kerk: “Door de nooduitgang kregen we wat daglicht binnen in de schuilkelder, maar omdat er steeds meer granaten dicht bij ons explodeerden, moest deze nooduitgang worden gesloten. Vanaf dat moment was er voor ons geen verschil meer tussen dag en nacht. Alleen als we iemand moesten helpen staken we een kaars aan. ‘s Nachts zou elk puntje licht de aandacht kunnen trekken van de Duitsers. Het werd een eindeloze nacht.”


Diny Slagman-Jacobi woonde in 1944 op de Van Borsse-lenweg 6 (nu nr. 34). Ze herinnert zich nog dat ze vanuit de schuilkelder eten gingen zoeken in het bos, waarbij ze vooral stuitten op Engelse koeken in blik, en dat de Duitsers aan de deur van de kelder verschenen: “Op een dag werden alle mannen door een Duitse soldaat uit de schuilkelder gehaald om lichamen van omgekomen soldaten te begraven. Zij weigerden dat, waarop wij allemaal naar boven moesten komen en de Duitsers hen opnieuw opdracht gaven om mee te werken. ‘Doe je het of doe je het niet?’ Keus was er toen niet meer, kijkend naar de Duitse geweren in de aanslag.”

AMFITHEATER

Ik loop met Geurt van de Kerk naar Tuin de Lage Oorsprong, ooit de ommuurde moestuin en boomgaard van het landgoed, nu een te bezoeken particulier paradijsje met orangerie, bloembedden en een amfitheater aan de rand van het bos. Van de Kerk vertelt over de twee gele soepborden die z’n ouders mee de schuilkelder in namen (“Die hebben we nog steeds!”), over het grote aantal oorlogssporen in de tuinmuren en over het openluchtzwembad in de hoek van het terrein, dat ook voorkomt in Ik heb het met eigen ogen gezien. Dat er aanvankelijk helemaal geen sprake zou zijn van een uitgave is toe te schrijven aan corona: Van de Kerk verzamelde de ooggetuigenverslagen in eerste instantie voor een voorstelling van Muziektheater De Plaats uit Arnhem. Plaats van handeling had het amfitheater moeten worden. De productie bleef achterwege, een boekje werd het tastbare resultaat. “Deze tuin voelt ook een beetje als mijn tuin”, zegt hij tegen eigenaresse Mariëlle Kempen. “Klinkt het raar dat ik dat zeg?”, wil hij weten. Kempen vindt van niet. “Het gaat om de binding die mensen hebben of krijgen met een plek als deze. Dat vind ik alleen maar mooi.”

MINISTORY 135

MINISTORY 135 MODEL ONDERBRAK ZIJN MIDDAGMAAL
— Bob Gerritsen
Generalfeldmarschall Model was tijdens de septemberdagen in 1944 één van de hoofdrolspelers tijdens operatie Market Garden. In de literatuur is maar weinig geschreven over zijn rol tijdens deze periode. Toch is zijn bemoeienis met het strijdverloop aardig gedocumenteerd in persoonlijke verslagen. Een inkijkje in Models beslommeringen.

Otto Moritz Walter Model werd op 24 januari 1891 geboren in Genthin (Sachsen) als zoon van Otto Paul Moritz Model en zijn eenendertigjarige vrouw. Walter werd zijn roepnaam. Zijn vader kreeg in 1908 een baan in Naumburg en Walter werd hier scholier aan het gymnasium. Naumburg was een garnizoensstad, er lag een bataljon van de jagers en van de artillerie. De jonge Model leerde een stad kennen waar het militaire bestaan de toon aangaf.

Het Pruisische leger groeide en de vraag naar officieren steeg. Walter Model werd opgeleid als officier. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd hij met Kerstmis regimentsadjudant. In 1915 werd hij zwaar gewond en verbleef vier weken in een hospitaal in Sedan. In oktober 1915 kreeg hij het IJzeren Kruis I. Nadat hij nogmaals gewond was geraakt, en weer enkele maanden in het hospitaal gelegen had, werd hij in 1917 ordonnansofficier. Tussen de twee wereldoorlogen vervulde hij verschillende functies in het Duitse leger. Op 12 mei 1921 trouwde hij met Herta Huyssen. Uit hun huwelijk werden twee dochters en een zoon geboren. Vanaf 1941 was hij als bevelvoerder van Duitse legereenheden in gevecht in Rusland. In 1942 werd hij commandant van het 9.Armeekorps. Deze periode heeft het langst geduurd en hier voelde hij zich op zijn gemak. Zijn nieuwe chef-staf werd General-Major Hans Krebs.

In januari 1944 was Model aanwezig bij de besprekingen in het hoofdkwartier van Hitler, de ‘Wolfsschanze’, over de situatie aan de fronten. Voordat hij terugging naar het front in Rusland diende Model bij personeelszaken van de Wehrmacht een verzoek in om een persoonlijke

Walter Model.

adjudant te mogen hebben. Dit verzoek werd afgewezen omdat commandanten van legerkorpsen geen persoonlijke adjudanten hadden. Tijdens een afscheidsbezoek ontmoette Model toevallig SS-Reichsführer Heinrich Himmler aan wie hij zijn verhaal deed. Himmler zag kans een verbindingsofficier bij Model te plaatsen en bood hem direct een gewaardeerde officier van de Waffen-SS aan. Dit werd SS-Sturmbannführer Rudolph Maeker. In maart 1944 werd Model door Hitler tot de hoogste Duitse rang in de Wehrmacht benoemd, die van Generalfeldmarschall.

Op 22 juli 1944 vlogen Model en zijn staf met twee kleine verkenningsvliegtuigen naar het hoofdkwartier van General Graf von Rothkirch. Tijdens deze vlucht werden ze door Russische jagers aangevallen. Model kon

bij de landing nog snel uit het vliegtuig springen en in dekking gaan, maar het tweede toestel waarin SS-Sturm-bannführer Maeker zat, kreeg de volle laag. Maeker raakte zwaar gewond.

OBERBEFEHLSHABER HEERESGRUPPE B

Op 16 augustus 1944 kreeg Model het bevel dat hij zich om 12.00u bij Hitler in de ‘Wolfsschanze’ diende te melden. Hitler wilde Generalfeldmarschall von Kluge, die hij na de aanslag op zijn leven van 20 juli 1944 niet meer vertrouwde, vervangen door Model. Laatstgenoemde bepleitte tevergeefs zijn positie aan het oostfront. Dezelfde middag verleende Hitler Model de briljanten bij zijn Ridderkruis. Hij vertelde hem daarbij dat hij benoemd was tot Oberbefehlshaber West, ter vervanging van von Kluge. Hiermee werd hij tegelijk Ober-befehlshaber der Heeresgruppe B.

Aangezien zijn ordonnansofficier gewond was, vroeg Model om een vervanger. Dit werd SS-Sturmbannführer Heinrich Springer. Op 29 augustus meldde deze zich op het hoofdkwartier van Model in Havrincourt ten westen van Cambrai, in Noord-Frankrijk.

Springer: ”Op 27 augustus na de dagelijkse middagbespre-king meldde ik me af bij de Führer. Hij zei: ‘Ik wens de Feldmarschall veel geluk en succes bij zijn nieuwe zware opgave’. Ik meldde me op 29 augustus op het hoofdkwartier van Heeresgruppe B in het ‘Weissen Schloss’ in Havrincourt ten westen van Cambrai. De eerste dagen als Begleitoffizier waren werkelijk turbulent. Na een paar dagen wist ik al waar het op aan kwam, de Feldmarschall door verstopte of geblokkeerde straten heen leiden, er voor zorgen dat de verbindingen goed waren en zorgen dat op de stafkaarten alle recente informatie was aangegeven.”

Vanaf het moment dat Model het commando overnam trachtte hij zijn aangeslagen troepen te hergroeperen en een nieuwe frontlinie op te bouwen. Op 5 september werd Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt Ober-befehlshaber West. Model behield het commando over Heeresgruppe B. Op dat moment stootte het Britse Second Army van Major-General Dempsey naar Antwerpen en Brussel door. Model gaf zijn 15. Armee opdracht over de Schelde naar het noorden uit te wijken. Door hun lange aanvoerlijnen waren de geallieerden gedwongen een adempauze in te lasten. Deze tijd gebruikte Model om zijn posities te consolideren en zijn chaotisch teruggetrokken troepen te herschikken.

OOSTERBEEK

Model vestigde op 15 september zijn hoofdkwartier in Oosterbeek en betrok met zijn staf de hotels Harten-stein en Tafelberg. Hier bezocht de Höhere SS- und Polizeiführer Niederlande, SS-Gruppenführer Rauter Model en zijn staf. Rauter was van mening dat een geallieerde aanval van luchtlandingstroepen zou plaats vinden. Model en zijn chef-staf Hans Krebs waren zeer sceptisch want, zo dachten ze, Montgomery was een voorzichtige bevelvoerder.

SS-Sturmbannführer Heinrich Springer.

Heinrich Springer werd op 3 november 1914 geboren in Kiel. Op 1 juni 1936 trad hij toe tot de Alge-meine SS, waarna hij in november 1937 overging naar de Waffen-SS. Hij kreeg bij de 3.Kompanie SS-Regiment Germania zijn infanterie-opleiding. Eind 1938 ging hij naar de officiersopleiding bij de SS-Junkerschule Tölz. Hij kreeg nog een opleiding voor pelotonscommandant
in Dachau en werd commandant van het tweede peloton van de Leibstandarte SS Adolf Hitler. Met de Leibstandarte maakte hij in de eerste oorlogsjaren vele veldtochten mee. Tijdens deze ondernemingen raakte hij diverse keren gewond en in 1943 in Rusland zelfs zéér zwaar gewond. Op 10 september 1943 werd hij overgeplaatst als divisie-adjudant naar de SS-Panzer-grenadier-Division Hitlerjugend om aan de opbouw van deze divisie mee te werken. Hij kreeg op 27 mei bericht dat hij per 1 juni 1944 verbindingsofficier voor de Waffen-SS werd bij het Oberkommando der Wehrmacht in de Wehrmachtsführungsstab. Deze staf bevond zich op dat moment in Berchtesgaden. Eind augustus kreeg hij te horen dat hij 1.Ordonnanz-und Begleitoffizier bij Walter Model zou worden.

Oberleutnant Gustav Sedelhauser voerde het bevel over de transportsectie en tevens over de beveiliging van Models staf. Hij herinnerde zich: ”Op vrijdag de 15de september kwamen we in Oosterbeek aan. Het leek wel een paradijsje alles was zo schoon en mooi. Iedereen kon nu zijn was laten doen en het zou vier dagen duren voordat we deze terug zouden krijgen. Uiteindelijk hebben we het wasgoed nooit terug gehad. Op zaterdag maakte Model een tocht door de omgeving. Iedereen van de staf bleef zaterdagavond binnen en er was een feestje om enkele promoties te vieren. Zondagmorgen ging Models chauffeur koffiedrinken in het officierscasino en tegen elf uur sprak ik Model nog.”

 

Feldmarschall Walter Model (links) in gesprek met zijn chef-staf, General der Infanterie Hans Krebs.

 

Hans Ertl, filmer van een Propagandakompanie [zie Ministory 72], meldde zich op 16 september in Ooster-beek bij de inlichtingenofficier, op het hoofdkwartier van Heeresgruppe B. In zijn boek schrijft hij hierover het volgende: ”Op het moment dat ik de trap van het hotel op liep verscheen Model met monocle en begeleiders om waarschijnlijk te vertrekken. Ik meldde me, terwijl ik op de middelste trede stond, plichtmatig terwijl de commandant van de Heeresgruppe mij van boven af gedetailleerd bestudeerde. ‘Waarvan kennen we elkaar?’ kwam zijn vraag. ‘Van de noodlanding met de Fieseler Storch bij Rhsew — winter 1942.’ ‘Ja, dat is juist’ antwoordde Model geamuseerd. ‘U was die ongeluksvogel die daarbij in een hoge boog over mij en de piloot in een sneeuwhoop vloog — ha ha ! Blij u hier weer te zien’ Met deze woorden gaf hij mij kort een hand om in het voorbij gaan zijn chef staf generaal Krebs en zijn adjudant Oberst von Freyberg het verhaal van de aanval van het Russische jachtvliegtuig en de gevolgen te vertellen.”

Op zondag 17 september 1944 hield Model een stafbe-spreking in hotel Hartenstein; tegen twaalf uur schoof men aan voor de lunch in hotel Tafelberg. Er was de hele ochtend al veel bedrijvigheid in de lucht, maar dat was men wel gewend. Heinrich Springer schrijft hierover het volgende: ”Op weekdagen aten wij in principe in de avond warm maar op zondag werd tussen de middag een warme maaltijd genuttigd. Model en enkele stafofficieren zaten op deze zonnige herfstdag in de veranda van het hotel ‘Tafelberg’ te eten toen opeens de lucht donker werd en een onheilspellend geluid door de ramen drong. Een officier stormde naar binnen en riep: ‘Vijandelijke luchtlandingen in grote getalen direct in de buurt’.”

Tegen één uur kreeg de Ia [chef-operaties] Oberst Hans-Georg von Tempelhoff een dringend telefoongesprek.

Von Tempelhoff schrijft hierover aan de auteur Cornelius Ryan: ”De officier aan de telefoon vroeg mij om uit het raam te kijken. Toen ik bij het raam stond zag ik tot mijn verbazing parachutisten naar beneden komen. Ik riep Model en Krebs naar het raam en zei: ‘Kijk naar buiten’. Model stond links van mij en Krebs rechts. Beide mannen droegen een monocle en deze lieten ze van verbazing vallen. Krebs zei: ‘Dit wordt de beslissende slag van deze oorlog’. Waarop Model antwoordde: ‘Doe niet zo dramatisch, het is duidelijk genoeg en verbaast me niets’.” Model wendde zich tot von Tempelhoff en gaf hem opdracht om iedereen te alarmeren. Von Tempelhoff ging naar boven waar zijn kantoor was en alarmeerde via de telefoon en radio alle eenheden, in het bijzonder die van de Waffen-SS. Oberleutnant Sedelhauser: ”Er kwamen veel bommenwerpers over en we dachten dat deze naar Duitsland gingen. Op een gegeven moment ging de telefoon en meldde een van mijn mannen uit Wolfheze dat er zweefvliegtuigen aan het landen waren. Ik dacht dat hij gek geworden was. Daarna ben ik naar Oberst von Tempelhoff gerend en hem het nieuws verteld. Toen ik uit het kantoor van von Tempel-hoff kwam liep Model zijn kantoor binnen.”

Er was een zware explosie waardoor iedereen op de grond dook. Daarna verlieten Model en Krebs hotel Tafelberg. De veldmaarschalk gaf opdracht naar Terborg te gaan; hier lagen de kwartiermakers van zijn staf. Het kasteel

Oberst Hans-Georg von Tempelhoff.

 

‘t Zonnehuis, Paasberglaan in Terborg.

Even buiten Terborg staan drie villa’s aan de Paasberg. Vanaf de weg gezien werden de twee rechtse villa’s bewoond door de broers Deurvorst. In het meest rechtse huis, ‘t Zonnehuis’, woonden Frank en zijn vrouw Els met hun moeder (‘ma’ in het dagboek van Claire Deurvorst). Daarnaast woonden Claire Deurvorst en haar echtgenoot Mel, Franks broer. Claire Deurvorst-Yeates was geboren in Londen. Aangezien er voor haar geen communicatie mogelijk was met Engeland hield zij vanaf 1940 een dagboek bij in het Engels. Voor het verblijf van Walter Model in Terborg zijn haar aantekeningen interessant. In 2012 heeft Lied Deurvorst dit dagboek in boekvorm uitgegeven onder de titel: Imagine a perfect, cloudless May day. Enkele passages uit dit boek worden aangehaald. De villa’s waren erg in trek bij de Duitsers en begin september waren er verschillende ‘hoge’ officieren ingekwartierd. Op 17 september schrijft Claire in haar dagboek dat ma bij haar kwam om te vertellen dat nog een generaal zijn intrek in ‘t Zonnehuis wilde nemen en dat daarom de eerste generaal nu hun gast zou worden, samen met zijn chauffeur en oppasser.
Wisch van graaf Van Schuylenburg werd hiervoor gekozen en tegen 17.00u was de staf weer aan het werk.

Oberleutnant Sedelhauser sprong op zijn motorfiets en ging naar zijn troepen die in de bossen gelegerd waren. Hier kreeg hij de eerste meldingen binnen dat er zes gewonden waren gevallen en dat drie vrachtwagens in brand stonden. Hij trok al zijn voertuigen en manschappen terug en begon de verplaatsing van de staf te organiseren. Krebs vergat behalve zijn pet en pistool de stafkaart met de complete frontsituatie van Nederland tot Zwitserland. Toen Sedelhauser als laatste vertrok griste hij deze nog van de tafel. Ze vertrokken richting Zutphen en overnachtten in Doetinchem.

SS-Sturmbannführer Heinrich Springer schreef: ”Ik geloof dat er nog nooit zo snel een hoofdkwartier ontruimd

werd. Na een half uur stoven we naar het hoofdkwartier van SS-Obergruppenführer Bittrich in Doetinchem. Zijn hoofdkwartier lag goed verborgen in een bosgebied [kasteel

Kasteel Wisch (briefkaart).

Bespreking op 26 september 1944 in Villa Heselbergh. Van links naar rechts: Feldmarschall Walter Model, Generaloberst Kurt Student, SS-Obergruppenführer Willi Bittrich, Major Knaust, SS-Brigadeführer Heinz Harmel (Bundesarchiv, Bild 146-1971-033-49, fotograaf: SS-KB Peter Adendorf).

Slangenburg, BG]. De eerste woorden die Model tegen Bittrich zei waren ‘Bijna hadden de Engelsen mijn gehele staf gevangengenomen’. Nu was de veldmaarschalk in zijn element. Vanaf nu gold, snel handelen en veel improviseren.” Models eerste doel was het hoofdkwartier in Doetin-chem van SS-Obergruppenführer Bittrich die het

II. SS-Panzer Korps leidde. In Doetinchem was het chaotisch en Model snelde direct naar Bittrich toe. SS-Obergruppenführer Bittrich schrijft hierover in zijn verslag: ”Tegen 15.00u arriveerde de Oberbefehlshaber der Heeresgruppe B Feldmarschall Model met zijn chef-staf General-Major Krebs op mijn hoofdkwartier in Doetinchem. Hij gaf in het kort een verslag van zijn persoonlijke indrukken van de luchtlandingen die vlak bij zijn hoofdkwartier hadden plaatsgevonden. Beiden luisterden naar de inmiddels genomen noodmaatregelen en Model ging hiermee akkoord. Hij plaatste het II. SS-Panzer Korps direct onder Heeresgruppe B en gaf mij het bevel.”

In het dagboek van Claire Deurvorst wordt op 23 september voor het eerst melding gemaakt dat Walter Mo

del zijn intrek heeft genomen in ‘t Zonnehuis:”Els went over to ‘t Zonnehuis and they said that they were also leaving and that Graf von Stolberg would want an interview with her concerning their coming back into the house. He also mumbled something about the Feldmarschall coming here.”

Model gaf opdracht de bruggen over de Waal en de Rijn zeker te stellen. Generaloberst Student, die zijn hoofdkwartier in Vught had en te midden van de luchtlandingen zat, wilde direct de brug over de Waal opblazen. Model verbood hem dat omdat hij geen voorstander was om bruggen direct te vernietigen. In dit geval bleek hij geen gelijk te hebben. Wilhelm Bittrich zegt hierover het volgende: ”Ik realiseerde mij dat het Britse Tweede Leger via Nijmegen de 1st Airborne Division wilde versterken. Ik hoopte op de eerste dag van de gevechten troepen via de Rijnbrug naar Nijmegen te sturen. Dit mislukte echter aangezien de noordzijde van de Rijnbrug al in Britse handen was. Hierdoor was het niet meer mogelijk om troepen naar Nijmegen te sturen en de Waalbrug in handen te houden. Daarom heb ik op de 18de of 19de met het hoofdkwartier

Van links naar rechts: Generalfeldmarschall Walter Model, SS-Brigadeführer Heinz Harmel, Generaloberst Kurt Student, SS-Obergruppenführer Willi Bittrich, achter Bittrich staat SS-Obersturmbannführer Walter Harzer die zojuist het ridderkruis heeft ontvangen (Fotograaf SS-KB Peter Adendorf).

van Model gebeld met het verzoek om de bruggen te mogen opblazen. General-Major Krebs antwoordde: ‘We hebben de bruggen nog nodig voor onze tegenaanvallen’. Omdat de situatie mij erg veel zorgen baarde was ik hierover gefrustreerd. Ik ging ervan uit dat de staf van de Heeresgruppe B een beter overzicht van het gehele front had dan ik mijn hoofdkwartier.”

De bruggen bij Grave en Nijmegen werden uiteindelijk intact door de Geallieerden veroverd. Dat Model zich graag voorin de linies begaf was alom bekend. Zijn adjudant, SS-Sturmbannführer Heinrich Springer schrijft: ”Major Hans-Peter Knaust was een oudgediende. Voor Moskou had hij een been verloren en was nu commandant van het Panzergrenadier-Ersatz- und Ausbildungs Battalion 64 dat werd samengevoegd met het Panzer-Ersatz Abteilung 11, hierdoor ontstond Kampfgruppe Knaust. Op donderdag de 21ste was de Arnhemse brug heroverd en kon Knaust met zijn pantservoertuigen over de brug naar het zuiden doorstoten. Hij moest de opmars van de geallieerden vanuit Nijmegen via Elst naar Arnhem verhinderen. Model wist de inzet van Knaust te waarderen en heeft hem

voorgedragen voor een Ridderkruis. De voordracht werd telefonisch bevestigd en Model kon niet wachten om Knaust het nieuws te vertellen.”

Op 26 oktober 1967 interviewde Cornelius Ryan Wilhelm Bittrich. Eén van de vragen ging over het verlenen van het Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes aan Hans-Peter Knaust. Bittrich verklaarde hierover het volgende: ”Op 26 september had ik met mijn commandanten, waaronder Knaust, een overleg. Model bezocht onverwacht deze vergadering en het eerste wat hij vroeg was ‘Bittrich wanneer is het hier gebeurd?’. Waarop ik antwoordde: ‘Veldmaarschalk, gisteren en de vorige dag hebben we gestreden als nooit tevoren. We hebben alles wat we hebben in de strijd geworpen, dat is nu de situatie’. Op dat moment kwam er een ordonnans binnen die direct zei: ‘De luchtlandingstroepen hebben zich overgegeven’. Het eerste dat ik deed was aan veldmaarschalk Model vragen om twee van mijn officieren te decoreren. Dit hield in dat hiermee aan de offici-ele formaliteiten, zoals een schriftelijke verklaring wat de reden was voor een decoratie, werd voorbijgegaan. Model

Model vertrekt bij Villa Heselbergh (Gelders Archief, 3D-0055, fotograaf: SS-KB Peter Adendorf)

vroeg zijn ordonnans of hij ridderkruizen bij zich had en hing deze om Knaust en Harzer hun nek.”

Het aparte van deze uitspraak is dat er voor Walter Har-zer weldegelijk een aanvraag, ondertekend door Bittrich, was gedaan om het Ridderkruis aan hem toe te kennen. Deze aanvraag was al op 21 september 1944 door Berlijn goedgekeurd. Bittrich wist van dit verzoek op het moment dat hij aan Model vroeg om zowel aan Knaust als ook aan Harzer een Ridderkruis te verlenen. De onderscheiding was nog niet uitgereikt en het is aannemelijk dat Bittrich van het moment van de aanwezigheid van Model heeft gebruikt om ook aan Harzer de medaille uit te reiken.

In een telegram van 21 september van de Ia van Hee-resgruppe B werd al bepaald dat het 1.Fallschirm-Armee op 22 september zijn hoofdkwartier naar Terborg moest verplaatsen. Dit hield in dat het hoofdkwartier van Hee-resgruppe B verplaatst werd naar Osterath in de buurt van Krefeld. Kasteel Wisch bleef voorlopig de vooruitgeschoven commandopost van Walter Model.

Op 22 september maakt Claire de volgende notitie in haar dagboek: ”There is a grand dinner party at Wisch [het kasteel , BG]. Seyss Inquart is the guest of honour, a pause in his flight from Holland we hope. Tante Mie [Mie Sas-sen-Vonk, BG] is in a terrible state because she has a general (Air Force) billeted on her. His name is Student and is only less in rank to Field Marshal Göring.”

Claire Deurvorst noemt op 29 september in haar notitie de adjudant van Model, Heinrich Springer: According to Ma, General Model seems to have been at ‘t Zonnehuis last night. There was great feasting there and guards all-round the house. The Adjutant of our guest a Sturmbannführer [Heinrich Springer, BG] has been in Russia and told Mel that nearly all the provisions that they captured in Russia were American. He also told Mel that their life was a difficult one. Sometimes they have to drive hundreds of kilometres on end, often a night through strange countries and completely strange roads. He never knows if he finds a bed and at what hour of the night he has to get up, pack and be off on one of these long journey.”

Walter Model begroet op 3 oktober 1944 propagandaminister Joseph Goebbels bij de villa ‘t Zonnehuis in Terborg. Rechts achter Goebbels staat SS-Sturmbannführer Heinrich Springer (still uit de Wochenschau)

Op 9 oktober 1944 bezoekt Walter Model de vooruitgeschoven commandopost van de 246. Volksgrenadier-Division in de buurt van Aken. Op de achterbank zitten links de divisiecommandant, Oberst Gerhard Wilck, en naast hem SS-Sturmbannführer Heinrich Springer. (Bundesarchiv, Bild 183-1992-0617-506, fotograaf: KB Theodor Scheerer).

HOOG BEZOEK

Minister Goebbels bracht een bezoek aan een fabriek in Keulen waar hij een toespraak hield en Model nodigde hem uit voor diner, waarbij hij probeerde om o.a. betere bevoorrading te krijgen. Op 3 oktober bemerkte Els dat er iets speciaals in ‘t Zonnehuis stond te gebeuren: ”The furniture was being moved about from one room to another. Every moment they wanted something from the ‘genadige Frau’… ”

De ceremoniemeester wilde van alles hebben zoals donker gekleurde doeken om over de boekenkast te hangen en vroeg of er ook zilveren kandelaars waren. Alles was al door de bewoners verborgen en de Duitsers moesten zich dus behelpen. ”The hall was a sea of flowers and there also was a long table laid out for lunch. Els had one friend amongst the staff who just says anything he likes. She carefully asked him who the important guest should be. ‘Ach dass ist Reichsminister Goebbels’, he answered. This afternoon at 1.30 he arrived and at 3 o’clock he departed again.”

Na de gevechten in Nederland heeft de Heeresgruppe B zware gevechten geleverd in de Ardennen. De Hee-

resgruppe vond tenslotte haar einde in de Ruhrkessel. In de middag van 21 april 1945 vroeg Model nog eenmaal aan zijn adjudant, Oberst Pilling, om met hem mee te gaan. Aangekomen bij een paar hoge eiken in een bos tussen Lintdorf en Wedau pakte hij zijn pistool en zette deze tegen zijn slaap en drukte af. Model werd onder de eikenboom begraven. Later is hij bijgezet op de begraafplaats Vossenack in de Eifel.
Bronnen:

• Görlitz, W., Model Strategie der Defensive

(Limes Verlag, Wiesbaden 1975).

• Springer, H., Stationen eines Lebens in Krieg und Frieden, Zeitgeschichtliches Zeugnis des SS-Sturm-bannführers und Ritterkreuztragers der Leibstandarte SS. Adolf Hitler (D.V.G., Rosenheim 1996).

• Deurvorst, L., en Deurvorst-Yeates, C.,Imagine a perfect, cloudless May day (eigen beheer, Zutphen 2012).

• Ertl, H., Hans Ertl als Kriegsberichter 1939-1945 (Steiger Verlag, Innsbruck 1985).

• Cornelius Ryan Collection, diverse verslagen.
Met dank aan: Marcel Anker, Hans Houterman en Leo van Midden.

HISTORISCH PERSPECTIEF

ONDERZOEK NAAR DE MISSENDE FOTO’S

VAN JACOBSEN EN WENZEL
Zonder twijfel zijn de door de Duitse fotografen Jacobsen en Wenzel op 19 en 20 september 1944 gemaakte foto’s de belangrijkste visuele bron van de Slag om Arnhem. Eerder is een aantal individuele foto’s uit deze serie in Ministories behandeld, vooral om vast stellen waar ze zijn gemaakt. Inmiddels kunnen we de exacte plek van alle 150 foto’s duiden en in Airborne Magazine 18 stond een artikel waarin zelfs het tijdstip van het maken van deze foto’s wordt bepaald. Wat overblijft is dat we een kleine 40 foto’s uit deze serie missen. Wat zou daarop staan? En wat zou deze inhoud toevoegen aan ons beeld van de slag? Dit artikel beschrijft een zoektocht naar de ontbrekende afbeeldingen.

— Paul Meiboom
We weten dat er foto’s missen omdat we de beschikking hebben over afdrukken van de negatieven, zoals gebruikt door Margry in Market Garden Then and Now, en de nummering verschillende gaten laat zien (tabel 1).

Filmnr. Fotograaf Negatieven aanwezig Aantal
3526 Wenzel 1 2A-13A, 20A-25A 18
3527 Wenzel 2 1A-23A 23
3528 Jacobsen 3 9A-26A 18
3529 Jacobsen 4 3-32 30
3530 Jacobsen 1 2A-19A, 26A-35A 28
3531A Jacobsen 2 3-35 33

Tabel 1. Negatieven Arnhem/Oosterbeek van Wenzel en Jacobsen in het Bundesarchiv.
Het exacte aantal missende negatieven is niet goed vast te stellen. De meeste lezers van dit magazine zijn nog wel bekend met het gedoe van het plaatsten en uitnemen van

Afb 1. Krijgsgevangen op Bovenover, vlak na de splitsing met Onderlangs, ter hoogte van de huidige adressen Utrechtseweg 242-248 (www.pegasusarchive.org).

Afb 2. Krijgsgevangenen bij het Gemeentemuseum op de Utrechtsestraat (www.pegasusarchive.org).

kleinbeeldfilmrolletje uit je camera, waardoor een ontwikkeld filmpje niet altijd bij 1 begint en/of bij 36 eindigt. Daarnaast zijn door de jaren heen via diverse bronnen een aantal foto’s opgedoken die, naar we aannemen, door Jacobsen of Wenzel in Arnhem zijn gemaakt, maar die niet in de serie in het Bundesarchiv (BA) zitten. Op dit moment zijn dat er vijf (afbeeldingen 1 t/m 5). Afbeelding 5 bevindt zich weliswaar ook in het archief van het BA, maar het betreft hier de afdruk van de foto en niet het negatief. Dit soort afdrukken komt meestal uit de archieven van persagentschappen (zie kader).

Aan de makers van de foto’s hoeven we meestal niet te twijfelen. Het mooiste voorbeeld is afbeelding 2. Op een foto van Jacobsen die wel in de serie van het Bundesarchiv zit (afbeelding 6), zien we Wenzel deze maken! Voor twee foto’s geldt deze twijfel wel, iets dat ik bij het onderzoek voor de foto van O’ Sullivan (Ministory 118) over het hoofd heb gezien. Er blijkt een foto te bestaan (afbeelding 7) van

 

linksboven: Afb 3. Portret van Captain O’Sullivan, 1st Parachute Battalion – zie Ministory 118 (collectie Peter Vrolijk, EBay-aankoop in de jaren ’90), rechtsboven: Afb 4. Duitsers met fietsen tegenover het Gemeentemuseum (Berliner Zeitung / collectie Karel Margry), onderaan: Afb 5. Krijgsgevangenen bij het Station. Afdruk van een foto van Wenzel -waarschijnlijk uit het archief van ‘Berliner Verlag’ (Bundesarchiv, Bild 146-2005-077).

Afb 6. Jacobsen maakt een foto van de fotograferende Wenzel (Bundesarchiv, Bild 101I-497-3531A-32).

PK-Adendorf die qua tijd en plaats perfect past in de route van Jacobsen en Wenzel op 19 september. Dat betekent dat de ‘onbekende’ foto’s waarvan we de fotograaf niet kennen (afbeeldingen 3 en 4) ook van hem zouden kunnen zijn. Adendorf kennen we vooral van de foto’s van de Duitse commandanten Model, Harmel, Knaust, Student, Harzer en Bittrich die hij genomen heeft op 28 september op Harzers hoofdkwartier van de 9. SS-Panzer-Division in Villa Heselbergh (zie Margry, pp. 716 en verder).

Het bijzondere is dat afbeelding 7 de enige bekende foto is van Adendorf in Arnhem tijdens de slag. Er zijn meerdere foto’s van hem bekend: Margry heeft twaalf andere afgedrukt, maar deze zijn allemaal van 26 september of later. Dit gegeven en de perfecte plaats in de Wenzel/Jacob-sen-serie doet twijfelen of de toewijzing aan Adendorf wel correct is. Daartegen valt in te brengen dat er überhaupt maar heel weinig foto’s van Adendorf bekend zijn. Hij heeft er ongetwijfeld veel meer gemaakt. De nummering van de foto laat zien dat ook deze uit een archief van een uitgeverij komt; het BA bezit het originele negatief niet. De foto belandde na de oorlog via het persagentschap Scherl in ‘hard copy’ in het Oost-Duitse ADN-archief dat na de Duitse hereniging opging in dat van het BA. Wellicht dat er ergens in die omzwervingen een verwisseling heeft plaatsgevonden. Maar Duitsers zijn echt gründlich, een foute toewij-

Afb 7. Krijgsgevangen Britten voor de deur van het huidige adres Utrechtseweg 70 in Arnhem. De exacte plaats kennen we door de typische reling – zie ook Margry p. 423 (Bundesarchiv, Bild 183-J27785).

Afb 8. Achterkant van afbeelding 1. De tekst van de gemarkeerde en daardoor donkere regel onder de propagandatekst luidt: “PK-Aufnahme Kriegsberichter Jacobsen …” (Ullstein / collectie Karel Margry).

zing maken ze niet zomaar. Verder onderzoek zal dit moeten uitwijzen. Hoe dan ook, als blijkt dat het wel degelijk een Adendorf-foto is, dan zijn er ongetwijfeld nog meer foto’s door hem gemaakt tijdens de cruciale beginfase van de slag en ligt er misschien nog ergens een te ontdekken ‘schat’ in de archieven.

OP ONDERZOEK

Duidelijk is dus dat de serie negatieven, zoals bewaard in het BA, niet compleet is. De door Margry afgebeelde zogenaamde ‘positiv Kleinbild-Kontactstreifen’ bevinden zich in de vestiging van het Duitse Bundesarchiv in Koblenz, die voor het publiek toegankelijk is. Een onderzoeksmis-sie daarheen in 2014 leverde niets op voor wat betreft de missende foto’s. Wel werd duidelijk hoe het archief in elkaar zit. In Koblenz zijn op briefkaartformaat afdrukken beschikbaar van alle PK-foto’s waarvan het Bundesarchiv de negatieven heeft, gegroepeerd in 24 afdrukken per briefkaart. Een snelle rekensom op basis van de omvang leverde op dat het inderdaad om zo’n miljoen negatieven gaat. Daarnaast zijn de door Margry gebruikte afdrukken van

de originele negatieven aanwezig, maar de originele negatieven zelf worden niet bewaard in Koblenz. Ze bevinden zich in een niet voor het publiek toegankelijke vestiging van het BA in Berlijn waar ze geklimatiseerd en beveiligd bewaard worden in een soort bunker, vooral vanwege hun brandbaarheid.

De volgende stap moest dus een bezoek aan deze vestiging in Berlijn zijn. Maar op de vraag daarnaar gaven de archief-medewerkers in Koblenz aan dat dat zelfs voor hen niet toegankelijk is. Uiteindelijk na lang aandringen en vele verzoeken lukte het via bemiddeling van Geert Maassen en de directeur van het Gelders Archief, Fred van Kan, om toestemming te krijgen voor een onderzoek ter plaatste. Op de achteraf voor Berlijn dramatische 19e december 2016 (de aanslag op de kerstmarkt) bracht ik dit bezoek. Op voorstel van het BA werden alle bewaarmappen ter beschikking gesteld die ook maar enigszins betrekking hebben op Jacobsen en Wenzel en Arnhem en Nederland. Dit waren in totaal negen bewaarbanden (afbeelding 9). De nummering van de negatieven werd nu ook duidelijk: het tweede nummer in een negatiefnummer is de verwijzing naar de betreffende bewaarband. Als voorbeeld neem ik afbeelding 6 in dit artikel: 101I (propaganda Kompaniën Heer und Luftwaffe) – 497 (bewaarband nummer) – 3531A (filmnummer) – 32 (negatiefnummer).

Helaas is de conclusie dat ook in deze verzameling geen missende negatieven zijn gevonden. Wel werd een vermoeden verhelderd: de originele negatieven zijn gesneden in stroken van zes negatieven (zie afbeeldingen 10 en 11), behalve aan het einde als er een rest overbleef. Op basis van tabel 1 kunnen we dan vijf plekken identificeren waar precies zes negatieve missen en mogelijk een paar andere aan het einde van films met minder dan zes (tabel 2). Daarbij kunnen we ook de vijf foto’s waarvan geen negatieven zijn een mogelijke plek geven, ervan uitgaande dat Adendorf niet de maker is.

Filmnr. Fotograaf Negatieven aanwezig Missende stroken Aantal missende (minstens)
3526 Wenzel 1 2A-13A, 20A-25A 14A-19A, 26A-31A, (32A-?) 12 Afb2. 26A-31A Afb3. 14A-19A Afb4. 26A-31A? Afb5. 26A-31A
3527 Wenzel 2 1A-23A 0
3528 Jacobsen 3 9A-26A 3A-8A, 27A-32A,(33A-?) 12 Afb1. 27A-32A Afb4 3A-8A?
3529 Jacobsen 4 3-32 0
3530 Jacobsen 1 2A-19A, 26A-35A 20A-25A 6
3531A Jacobsen 2 3-35 0

Tabel 2. Ontbrekende negatieven in de Wenzel/Jacobsen-serie in het BA.

Afb 9. Onderzochte bewaarbanden in BA Berlin Hoppegarten.

Bij het bepalen van de gaten ga ik ervan uit dat van een aantal films geen verdere opnames in Arnhem zijn gemaakt, ondanks dat er nog ruimte was op de film. Dat volgt uit het verloop van de afgebeelde onderwerpen. Op 20 september maken ze beiden uitgebreid foto’s van krijgsgevangenen in Oosterbeek. Jacobsen sluit die dag af met foto’s van de voormalige oude watertoren aan de Molenweg in Ooster-beek en daarna de Willemskazerne in Arnhem (3529-31 en -32). Wenzel sluit die dag af met een panorama vanaf Bovenover in Arnhem (3527-23A) na zeven opnames in Oosterbeek. Voor de films 3530 en 3531A ga ik ervan uit dat opnames 35A en 35 de laatste waren op deze films. Van de overige twee films zouden nog een paar negatieven kunnen missen na de laatste missende strook van zes. Dus we kunnen redelijk zeker zeggen dat we minimaal 30 negatieven missen en mogelijk nog een stuk of vijf meer.
CONCLUSIE

De vragen uit de inleiding over wat er te zien is op de missende foto’s kunnen we nu helaas niet beantwoorden. Het niet aantreffen van de negatieven in Berlijn, wil niet zeggen dat deze er niet zijn; ik heb alleen op de logische plekken gezocht. Gegeven de reis die de negatieven gemaakt hebben (zie kader) kunnen ze heel goed per ongeluk ergens anders terecht zijn gekomen. Een verzameling van een miljoen foto’s is meer dan een spreekwoordelijke hooiberg, maar wellicht dat er in de toekomst per toeval nog iets boven water komt. Zo vond ik tijdens mijn onderzoek twee, op de betreffende pagina van de bewaarband, missende stroken van zes Jacobsen-negatieven uit film 3529 later terug bij PK-Röder, zo’n tien pagina’s ervoor in dezelfde klapper. Ik heb ze zelf maar op de goede plek gestopt…

Reacties: pemeiboom@gmail.com

Afb 10. Pagina met drie originele negatiefstroken van Jacobsen 3528.

Afb 11. Pagina met vier originele negatiefstroken van Wenzel 3527 op lichttafel.

De Odyssee van de PK-negatieven en andere bronnen

(deels ontleend aan Fotograferen tijdens de Slag om Arnhem van Robert Voskuil.)

De collectie van ruim twee miljoen PK-negatieven moest kort voor het einde van de oorlog van hogerhand worden vernietigd. Met twee vrachtwagens werden ze naar een steengroeve gebracht om ze daar te verbranden. Een van de twee wagens bleef steken en viel in de handen van Amerikaanse troepen. Wat er met de andere vrachtwagen en zijn inhoud van ongeveer een miljoen negatieven is gebeurd is niet bekend. In 1962 gaven de Amerikanen de negatieven terug, maar die waren ondertussen uit hun beschermhoes-jes gehaald en geheel door elkaar gehusseld. In het Bun-desarchiv in Koblenz had men jaren nodig om ze opnieuw te catalogiseren naar plaats en datum. Ongeveer één miljoen negatieven zijn op die manier voor documentatiedoe-len ter beschikking gekomen.* Daarbij zit dus de serie van Jacobsen en Wenzel, die in 1967 daarin ‘ontdekt’ zijn door Dhr. Iddekinge, de voormalige directeur van het Gemeentearchief in Arnhem.

Naast de negatieven in het BA zijn ook veel foto’s naar boven gekomen uit archieven van persagentschappen of uitgeverijen die in de oorlog al actief waren, zoals bijvoorbeeld Scherl en Ullstein, of de erfopvolgers daarvan. De PK-fotografen leverden hun films in bij de censoren van hun onderdeel. Deze maakten vervolgens een selectie van foto’s die ze voorzagen van een bijgevoegde (propagandis

tische) tekst en, meestal de naam van de fotograaf (zie afbeelding 8). Daarna gingen de afbeeldingen naar de persagentschappen voor publicatie in kranten en tijdschriften. Hard copy zouden we dat tegenwoordig noemen; foto’s in contemporaine publicaties zijn dus foto’s van foto’s. Van deze foto’s, die meestal als eenling uit de archieven komen, is de onderlinge samenhang niet met zekerheid vast te stellen. Je moet er dus maar van uit gaan dat het bijgeleverde commentaar het juiste is en niet ergens verklutst is geraakt.

Aan de nummering is de herkomst van foto’s te achterhalen. De aanduiding van de in het bezit van het BA zijnde negatieven begint met 101I (Heer en Luftwaffe), 101II (Marine) of 101-III (Waffen-SS). Vandaar dat we bijvoorbeeld weten dat PK Höppner die op 20 september een serie foto’s aan de Dreyenseweg heeft geschoten tot de marine behoorde; zijn negatieven beginnen met 101II. Foto’s uit de archieven van persagentschappen hebben een afwijkende nummering, in geval van afbeelding 5 is dat bijvoorbeeld 146-2005-077. Afbeeldingen die uit het Oost-Duitse staatsarchief komen beginnen met 183 (zoals afbeelding 7).

* Daarbij moet opgemerkt worden dat lang niet alle negatieven gedigitaliseerd zijn en voorhanden op de website van het BA. Wel is het mogelijk om tegen geringe vergoeding foto’s die men gevonden heeft in het archief te Koblenz te laten digitaliseren. Deze zijn daarna voor iedereen beschikbaar op de website.

ACTUEEL

WARSCHAU 2017, DRIEL 2020
Op vrijdag 18 september vond een bescheiden ceremonie plaats in Driel. Op het plantsoen tegenover het voormalige Poolse hoofdkwartier was, keurig volgens de coronarichtlijnen, een kleine groep mensen verzameld voor de onthulling van een kunstwerk. Onder het doek dat de initiatiefnemers verwijderen, kwam de bronzen beeltenis tevoorschijn van generaal-majoor Sosabowski. Het bijzondere aan dit kunstwerk van Martin Abspoel is dat drie jaar geleden, 1.200 kilometer naar het oosten, een identiek beeld werd onthuld in Warschau.

Het verhaal van de oprichting van het Drielse gedenkteken begint twee jaar geleden, tijdens een regenachtige herdenking. Kunstenaar Martin Abspoel zit op het Van Leeuwenplein in Driel naast gemeenteraadslid Cécile de Boer. Ze raken in gesprek en Martin vertelt over de indrukwekkende onthulling van het borstbeeld van generaal-majoor Sosabowski in Warschau, een jaar eerder. Ook memoreert hij een expositie in de kerk van Driel, lang geleden, waar menig Pool ontroerd raakte van een sculptuur van Sosabowski in klei. Dit verhaal en de bijzondere en warme relatie tussen Polen en Driel zorgen ervoor dat De Boer en mederaadslid Hanno Krijgsman de raad van gemeente Overbetuwe voorstellen een borstbeeld van de generaal-majoor in het dorp te plaatsen bij gelegenheid van de 75e herdenking van Market Garden. Niet alleen om het motto ‘herdenken, beseffen en beleven’ ook voor jonge generaties letterlijk beeldend te maken, maar evengoed om de commandant en de 1st (Polish) Independent Parachute Brigade te bedanken voor hun bijzondere inzet en om verhalen over de Tweede Wereldoorlog door te blijven geven. Het voorstel werd op 19 juli 2019 aangenomen. Het beeld zou nog datzelfde jaar worden onthuld, maar de ceremonie werd

De onthulling door Cécile de Boer en Hanno Krijgsman (foto: Gerard Burgers, www.gerardburgers.nl).

 

Sosabowski, kijkend in de richting van zijn hoofdkwartier tijdens de slag.

doorgeschoven naar 2020 vanwege het overvolle herden-kingsprogramma waarin de generaal onvoldoende aandacht zou krijgen. Het is jammer dat een wereldwijde pandemie dit plan vervolgens onmogelijk maakte en de familie Sosabowski, veteranen en publiek ontbraken. De Boer sprak tijdens de onthulling haar wens uit bij de volgende herdenking in 2021 samen met hen bloemen te kunnen leggen bij het beeld. Daarnaast hoopte ze dat veel jongeren de ‘Liberation Route’ zullen volgen, het borstbeeld in Driel zullen bezoeken en zich realiseren dat we onze vrijheid te danken hebben aan moedige mensen zoals Sosabowski.

PROGRAMMA 2020 / 2021

Onder voorbehoud van wijzigingen in landelijke of plaatselijke COVID-19-maatregelen:

GEPLAND 2020

Vrijdag 18 december: Thema-avond Kreta 1941, door Erik Jellema, in Lebret, Oosterbeek

GEPLAND 2021

Maart / april: Algemene Ledenvergadering en lezing over de Eight Airforce

Voorjaar: KOSB-fietstocht

Voorjaar: RECCE-fietstocht

September: battlefield tour (wandeling) Perimeter Noord

Najaar: Lezing opmars 21st Army Group (Falaise t/m 17 september)

VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE

NUMMER 20 – MAART 2021

NUMMER 21 – JULI 2021

NUMMER 22 – NOVEMBER 2021

Nader te bepalen: lezing over de rol van herdenken Nader te bepalen: lezing over de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL), door Kapitein Geert Jonker

VVAM-WEBSITE BETER TOEGANKELIJK Door een administratieve wijziging in de ledenadministratie en de wens van het VVAM-bestuur om digitale content via reguliere zoekmachines vindbaar te maken voor niet-leden, zijn alle persoonlijk accounts van de VVAM-website verwijderd. De site is hiermee niet meer exclusief voor leden; het grootste gedeelte van de informatie is nu publiek toegankelijk.

Rick van der Hoef heeft aangeboden de VVAM-nieu-wsbrieven van de afgelopen veertig jaar te digitaliseren, zodat we ook deze hoogwaardige kennis van de Slag om Arnhem online kunnen aanbieden. De eerste vijftig nummers zijn al opgeleverd en staan op de site. Het streven is om vóór januari alle nieuwsbrieven online te hebben. De nieuwsbrieven van de vereniging zijn momenteel uitgeleend aan het museum. De brieven bevatten informatie over de achtergrond en herkomst van museale stukken waardoor in sommige gevallen ontbrekende informatie gekoppeld kan worden aan een museaal object.

PUBLICATIES TE KOOP

Sinds kort worden VVAM-publicaties verkocht in de museumwinkel. De opbrengst wordt gedeeld met het museum.
CORRECTIES

Is er toch nog een slordigheidje in Airborne Magazine nr. 18 geslopen: op pagina 28 wordt in de tekst gesproken over figuren 5 en 6.

Dit had moeten zijn: figuren 11 en 12.
*
DE ACHTERZIJDE Op 27 september jongstleden overleed Colonel John Llewellyn Waddy. Hij is 100 jaar geworden.

Foto: www.berrydereusfotografie.nl

Als Major leidde hij tijdens de Slag om Arnhem B Company van het 156 Parachute Battalion. Met zijn verscheiden verliest ‘Arnhem’ de laatste Britse officier. Een uitgebreid overlijdensbericht is te vinden op de VVAM-website.

Jaargang 6, nr. 18, juli 2020

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Muse-um Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar.
Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.
ISSN: 2666-6871
Voor meer informatie: www.kb.nl/issn
Redactie:
Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Bob Gerritsen, Leo van Midden, Rob van Putten
Aan deze editie werkten mee:
Wybo Boersma, Alexander Heusschen, Arjan Jansen, Bob Gerritsen, Rolf Hensel, Willem Kleijn, Frans Maes, Paul Meiboom Bob Gerritsen, Leo van Midden, Daan van Oort, Rob van Putten, Natalie Rosenberg, Hans Timmerman
Ontwerp en lay-out
Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk:
Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03
Post: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem Rekeningnr (IBAN): NL33 INGB0 0051 137 51
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl

INHOUDSOPGAVE

3 Bestuursmededelingen

4 Interview – Sarah Heijse

8 Nieuws – Impressies Airborne Museum

12 Reacties – Geen Quad maar Tractor

14 Ministory 134 – Heldenfriedhof Velp

26 Tijdsbepaling van foto’s

32 Historisch perspectief – ‘Shut up shop’

35 Programma

BIJDRAGEN
De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties.
We verwelkomen bijdragen aan het blad.
Vraag voor een soepele verwerking van uw artikel en/of beelden naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl.

Omslag: Het nieuwe Airborne Museum at Hartenstein (foto: Daan van Oort).

BESTUURSMEDEDELINGEN
Het Airborne Museum is in zwaar weer terecht gekomen.
De coronacrisis resulteerde in een geannuleerde heropening op 13 maart en veroorzaakte financiële problemen. In eerste instantie werd uitgegaan van een sluiting tot 1 juni met een verlies van € 300.000. In de afgelopen periode heeft het be-stuur van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum (VVAM) een aantal keren contact gehad met het Airborne Museum om, indien nodig, financieel bij te springen.
Om de geldelijke gevolgen het hoofd te bieden heeft het Museum een aantal maatregelen getroffen. Eén hiervan was het aanbieden van een Vriendenabonnement van €30, dat recht geeft op een jaar lang gratis museumbezoek, 10% kor-ting op alle artikelen (m.u.v. boeken) en een lagere entree-prijs bij lezingen. Samen met garantstellingen van o.a. de gemeente Arnhem, het Ministerie van OCW wist het Muse-um hiermee de schade van bijna drie maanden sluiting bijna geheel op te vangen.
De Vriendenabonnement-oproep heeft bij sommige VVAM-leden tot verwarring geleid. Zo kregen wij de vraag of houders van een Vriendenabonnement na nu: automatisch lid zijn van de VVAM, en of er nu twee verschillende verenigingen zijn. Op beide vragen is het antwoord ‘nee’.
Voor een jaarlijkse contributie van €25 ontvangen VVAM-leden: gratis toegang tot het Airborne Museum (teruggave van het entreegeld achteraf), 3 x per jaar Air-borne Magazine, gratis toegang tot verenigingsbijeenkom-sten, waaronder lezingen en thema-avonden, en korting op verenigingsactiviteiten, zoals battlefield tours.

SCHENKING MEDAILLES
De weduwe van de Nederlandse commando Tom Italiaander (1914-2000) heeft onlangs zijn medailles aan het Airborne Museum geschonken: de Bronzen Leeuw en het Oorlogsherinneringskruis met de gespen ‘Krijg te land 1940 1945’ en ‘Arnhem-Nijmegen-Walcheren 1944’. Het is voor het eerst, en zonder twijfel ook voor het laatst, dat een Nederlandse set medailles wordt toe-gevoegd aan de collectie.
Italiaander behoorde bij No. 2 (Dutch) Troop, No. 10 (Inter-Allied) Commando. Tijdens de slag om Arnhem maakte hij deel uit van de liaison party. Hij was toege-voegd aan het 1st Airborne Reconnaissance Squadron en landde op 17 september 1944 in dezelfde glider als Major-General Urquhart. Op 25 september zag hij kans over de Rijn te ontsnappen. Italiaander nam ook deel aan de herovering van Walcheren. In Ministory 68 vertelde Italiaander over zijn aandeel in de strijd rond Wolfheze en Oosterbeek.
– Wybo Boersma

18 september 1944, Duitsekampweg, Wolfheze.
De dames Ch. Tjoonk-Nengerman (links) en M.
Van der Poel hebben de Nederlandse vlag voor de dag gehaald. De Nederlandse commando’s zijn Private Jef van der Meer (links) en Corporal Tom Italiaander (rechts). De foto werd gemaakt door sergeant Dennis Smith van de Army Film and Photographic Unit (bron: IWM, BU 1153, maker: Sgt. D.M. Smith, AFPU).

 

“IN MIJN OPENINGSSPEECH ZOU IK HEBBEN GEZEGD: HET HART
VAN HARTENSTEIN KLOPT NU WEER STERKER DAN OOIT!”
SARAH HEIJSE, DIRECTEUR-BESTUURDER VAN HET AIRBORNE MUSEUM

Sarah Heijse (39) is gepokt en gemazeld geraakt in de vijf jaar die ze nu directeur-bestuur-der is van het Airborne Museum. Ze praat in sneltreinvaart, springt behendig van antwoord naar antwoord en weet precies wat ze doet. Maar op die ene vraag is het antwoord nog niet zo gemakkelijk gegeven: hoe bezweer je een crisis? Pandemie of niet, het museum oogt mooier dan ooit. De verdienste van vijf jaar noeste arbeid. Een terugblik.
– Tekst: Alexander Heusschen – Foto: Rolf Hensel

Als ik Sarah Heijse bel voor een telefonisch inter-view moet de coronacrisis de piek van de curve nog slechten. Alle medewerkers van het Airborne Museum werken thuis tot 1 juni; een persoonlijke ontmoe-ting is niet mogelijk. Wat een gesprek had moeten worden over de feestelijke opening van het museum, die was ge-pland voor half maart, en de euforie van de weken erna, begint met een cursus crisismanagement voor gevorderden: hoe je een museum overeind houdt in bange tijden. En de vraag of er straks überhaupt nog een Airborne Museum is.
Hoe is het? Waarmee vul je je dagen? “Om je een eerlijk antwoord te geven”, zegt Heijse met een diepe zucht: “Ik ben alleen maar bezig met het regelen van kredietmaatrege-len om de toekomst van het museum veilig te stellen. Ik bel de hele dag met leden van de Raad van Toezicht, de notaris, de bank en fondsen. We werken op dit moment allemaal thuis. Dat is niet altijd even gemakkelijk met een zoontje van net zeven, maar die overbruggingen móeten worden geregeld. Het museum verliest dagelijks een hoop geld en ik probeer de schade zoveel mogelijk te beperken.” Houd je rekening met het ergste? “Dat het Airborne Mu-seum failliet gaat? Ja. Maar ik zal er alles aan doen om dát scenario te voorkomen. Ik hoop dat de overheid ons tege-moet kan komen. En ik hoop vooral dat iedereen alvast een kaartje koopt voor na de heropening.” Van de geestelijke achtbaan wens ik me niet eens een voorstelling te maken. Het contrast met de vooravond van de heropening van het nieuwe Hartenstein had niet groter kunnen zijn. “Wat je zegt, ja. Die eerste momenten waren zó ongelóóflijk heftig. We hebben de eerste drie da-gen alleen maar zitten janken op kantoor. Echt.
We hadden vijfendertig buitenlandse gasten in het Bilder-berghotel zitten en de cateraar was letterlijk bezig met de allerlaatste voorbereidingen voor de opening in de tent vóór het museum. En dan komt die mededeling: alle eve-nementen zijn per direct afgelast. Op donderdagmiddag ben je nog een laag risico evenement, een paar uur later bel je met de Britse ambassade en de reisorganisatie om je Brit-se gasten veilig thuis te krijgen. We hadden zo ongelooflijk hard gewerkt om er het mooist denkbare museum van te maken, we stonden er nog nooit zo goed voor, ook financi-eel, en dan overkomt je dit. Ik hoop zoiets nooit, maar dan ook echt nooit meer mee te maken”.
En dan bel ik om je te interviewen over de vijf jaar dat je nu directeur bent van het museum. Ik kan me voorstellen dat je daar momenteel bijzonder weinig trek in hebt. “Ah joh, dat hadden we afgesproken en dat is prima. Ik ben gewoon hartstikke trots op wat we de afgelopen jaren heb-ben bereikt. Daar verandert zo’n crisis niks aan.”
Goed. Kun je ons allereerst eens mee terug nemen naar vijf jaar geleden: hoe ben je bij het Airborne Museum te-recht gekomen? “In 2015 werd ik benaderd door een head-hunter, waar ik een heel leuk gesprek mee had. Ze maakte me enthousiast om weer eens in Oosterbeek te gaan kijken.
Het was ook de periode waarin het museum op zoek ging naar een nieuwe toekomstvisie na de eerdere grootschalige verbouwing van 2009. Mij leek het leuk om juist op dát moment bij het museum betrokken te raken, omdat ik dan ook echt persoonlijk zou kunnen bijdragen door het stimu-leren van het museale ondernemerschap.” Kende je het museum vóór je aanstelling? ”Ik was er wel-eens geweest, maar dat was lang, lang geleden. Vooral die grote diorama’s zijn me bijgebleven van dat bezoek toen.” Wat viel je op bij de nieuwe kennismaking in 2015? “Nou, dat er te weinig gebruik werd gemaakt van de in-tegrale mogelijkheden. Het museum zit in een Rijksmo-nument met een eigen verhaal maar dat bleek destijds nergens uit. De collectie was volledig gescheiden van de historische buitenplaats die Hartenstein ook is. En dat ter-wijl het pand, als het hoofdkwartier van de Britten, haast een mythische status heeft. De plek biedt daarmee zoveel kansen. En had tot voor kort zoveel onbenut potentieel.
De bedoeling van het masterplan wat we hebben ontwik-keld was om ‘next level’ te gaan. Om zowel het museum als de organisatie te laten groeien en bloeien. Het imago ver-sterken en tegelijk zorgen voor een sterke merkidentiteit.
Er een echt merk van maken, dat wilde ik. En daarin zijn we zeker geslaagd de afgelopen jaren. De heropening is de kroon op dit werk.” Was het museum eerder te militair-historisch? “Laat ik me-teen zeggen dat ik geen Tweede Wereldoorlog-expert ben. Ik ben kunsthistoricus en was in een vorige functie bij de pro-vincie Noord-Holland verantwoordelijk voor de subsidiebud-getten voor musea. In die zin is het inhoudelijke onderwerp van het Airborne Museum nooit van mij geweest. Snap je wat ik daarmee bedoel? Ik wil geen oordeel geven over het mili-tair-historische karakter van de oude opzet. Wat ik wel zag was dat bezoekers behoefte hadden aan het beleven van meer per-soonlijke verhalen. Voor de doelgroepen met een verregaande militair-historische interesse ontbrak de echte diepgang.
Ook was er te weinig te zien van de collectie. Sommige doel-groepen waren misschien dus wel teleurgesteld na een bezoek aan Hartenstein. Het breed geïnteresseerde publiek, de dagjes-mensen waarvan we het hoofdzakelijk moeten hebben, kregen wel waar voor hun geld in de Airborne Experience, dat las je ook terug in de reviews. Maar daar stond dan weer tegenover dat het verhaal van de slag om Arnhem amper beklijfde. Bele-ving heeft, wat mij betreft, alleen zin als het educatief is én tot de verbeelding spreekt. Juist op die combinatie zetten we nu in het ‘nieuwe’ museum in.”

En niet zonder succes, als ik naar de afgelopen periode kijk. “Deze stijging is niet alleen het gevolg van de nieuwe visie, maar ook van de markt. Het is een gunstig geprijsd uitje, we hebben publieksvriendelijke tentoonstellingen en mensen gunnen ons ook echt iets. Dat merk je.
We hebben het geluk dat ons soort musea, de historisch georiënteerde musea, heel laagdrempelig zijn. Dat neemt écht een vlucht in de recreatieve markt, merk je. Die hoge vlucht zie je terug in de bezoekersaantallen. 80.000 in 2009, 97.000 in het herdenkingsjaar 2014, in 2015 weer 86.000 en in de eerste maanden van 2019, waarna het mu-seum dichtging voor verbouwing, hadden we al 105.000 bezoekers in Oosterbeek. En nog eens 55.000 in onze de-pendance Airborne at the Bridge. En deze stijgende lijn zou verder zijn doorgetrokken als we niet in die coronacrisis terecht waren gekomen. Hoe terecht de sluiting van het museum ook, dat is echt ongelooflijk balen.” Het verhaal van de slag om Arnhem waarover je het net had, wat is dat in jouw optiek? “Dat is het verhaal over relevantie: waarom herdenken we 75 jaar later nog steeds een verloren slag? Het verhaal van het lot van de burgers, van Pegasus 1 en 2. Maar het is ook het begrip van de ge-volgen van de strijd, van de verandering van een idyllische plek vóór de oorlog, met de landhuizen, het toerisme en de kunstenaars die zich in Oosterbeek vestigden, tot een lege streek. De totale verwoesting van dorpen en steden, de verdrijving en de terugkeer van de bevolking in ‘44 en ‘45, de betrekkelijke vreugde van de bevrijding…” Is dat ook wat het museum uniek maakt in z’n soort? “Dat inderdaad en de herdenkingstraditie hier in de regio, die veel verder gaat dan de jaarlijkse pelgrimage in septem-ber of het herdenken op andere plaatsen in Nederland. Het gaat over het doorgeven van de verhalen over de slag, over de verbinding tussen de Britse gemeenschap die van Arn-hem-Oosterbeek. Deze is overgegaan van de veteranen en hun familie op hun kinderen, op hun kleinkinderen en in-middels op hun achterkleinkinderen. En is zelfs daarbuiten getreden: die speciale bestand bestaat tussen organisaties, verenigingen, families… Daarmee zijn we als plek én als museum uniek in de wereld.” Op een fusie tussen de diverse militair-historisch geori-enteerde musea in de regio zal het niet snel meer gaan komen, vermoed ik. “Refereer je aan dat plan van een aan-tal jaar geleden om een regionaal vrijheidsmuseum te ma-ken? Daar was ik niet bij betrokken. En ik kan alleen maar zeggen dat ik daar heel blij mee ben. We hebben als musea te weinig gedeeld verhaal, en dat moet je ook niet gefor-ceerd willen doorvoeren. Ieder museum heeft een sterke binding met zijn achterban of heeft een totaal ander doel voor ogen: Groesbeek heeft de Canadees-Amerikaanse con-nectie en focust zich meer en meer op het Duits perspectief,
Overloon richt zich veel meer op evenementen met zijn grote collectie voertuigen en grote terrein. Wij hebben met Hartenstein en de brug in Arnhem één van de historische bucketlistplekken in huis. Hartenstein heeft voor een grote groep mensen een urgentie om gezien te worden. Het ge-bouw wordt meer centraal gesteld in het nieuwe museum en daardoor spelen we in op deze latente behoefte en zal dit gevoel van urgentie alleen maar versterken.” Je mag je gelukkig prijzen met zo’n achterban of dit soort potentiële doelgroepen. “O, zeker! Wat ik daarbij kenmer-kend vind voor de mensen die Hartenstein een warm hart toedragen is de enorme welwillendheid van bezoekers en contribuanten: het wordt ons echt gegund. Ik zal daar een voorbeeld van geven. Toen we in 2016 naar Groot-Brittannië gingen om te bespreken of we de vijf Arnhem Victoria Cros-ses mochten lenen in 2018 voor een tijdelijke tentoonstelling in het museum, gingen we echt met knikkende knieën langs de vijf locaties. We dachten ‘wat zullen ze gaan zeggen en wat als we ze niet mochten lenen?’ Zeker als je weet dat zelfs The Staffordshire Regiment Museum [die twee Crosses in bezit had: die van Major Robert Henry Cain, VC en Lance Sergeant John Baskeyfield, VC, AH] alleen de replica’s op zaal had hangen. Toen we vroegen of we ze tijdelijk mochten lenen, zeiden ze: ‘But of course, you are the Airborne Mu-seum!’ Dat is ook iets dat ik me eigenlijk pas sinds enkele jaren realiseer: dat ons bestaansrecht niet regionaal is, maar internationaal. We hebben écht een plek verworven in die internationale herinnerings- en herdenkingscultuur.” Wordt de nieuwe visie voldoende begrepen in wat ik maar even de Nederlandse Airborne-gemeenschap noem? “Ik begrijp waar je op doelt. Het zijn vaak de wat oudere mannen met een diepgaande interesse in de slag om Arnhem die zich persoonlijk heel nauw betrokken voelen bij het mu-seum. Die kunnen zich inderdaad op hún manier bijzonder druk maken over de nieuwe koers die we een paar jaar gele-den hebben ingezet. En daar hebben ze vanuit hun persoon-lijke belang ook heel goede redenen voor. Toch heb ik in-middels wel het gevoel dat onze visie inmiddels begrepen én gerespecteerd wordt. Dat merk ik aan alles: aan de trots bij de vrijwilligers, bij onze medewerkers en bij oudgedienden.” Dat zeg je heel netjes. In hoeverre heb je last van drukte-makers? “Ik ervaar ze niet als lastig. Ik zie vooral dat er aar-dig wat mensen in een ruime kring om het museum heen bezig zijn om in hun persoonlijke behoeften te voorzien.
Of om hun persoonlijke belangen veilig te stellen. Dat kan erkenning zijn voor een jarenlang onderzoek naar een krijgshistorisch detail. Of het voor het nageslacht vast laten leggen van een familiegeschiedenis die niet verloren mag gaan. Terwijl deze vaak minder uniek is dan ze denken. Dat soort activiteiten. Dan begrijp ik de boosheid wel als we in hun ogen als museum te weinig aandacht besteden aan

deze individueel gedreven interesses. Ben je jaren bezig met het uitpluizen van een onderwerp en dan komt opeens zo’n 34-jarige, of inmiddels 39-jarige, aanzetten met haar kijk op de zaak.” En dat blijkt ook nog eens een vrouw. Ze lacht. “Ja, ook dat nog. Toen ik op mijn 34e directeur van het museum werd, werd me dat heel vaak fijntjes duidelijk gemaakt: ben jij de directeur?! Of dan kreeg ik van veteranen te horen: ‘Are you the new director?! No way, you are far too beautiful!’” Dat lijkt me niet altijd even plezierig. Inmiddels scha-terlachend: “Ach, het voordeel ervan was wel dat ze in het begin heel weinig van me verwachtten.” Moest je je in het begin vaak verdedigen voor je handelen? “Dat gevoel had ik destijds zeker, ja. Maar dat raakt me inmiddels niet meer. Vrouwen in het leger zijn nog niet mainstream, een vrouw in een militair-historische omgeving evenmin. Het is mijn verantwoordelijkheid op een zakelijke manier te kijken hoe we zo goed mogelijk kunnen voldoen aan een vraag en de bedrijfsvoering verantwoord in kunnen richten. Anderen zijn van de in-houd. Begrijp me overigens niet verkeerd; ik verdiep me grondig in onderwerpen. Ik vertegenwoordig het Airborne Museum en dan wil je geen flater slaan. Maar de rol-verdeling is heel bewust. Het nieuwe be-sturingsmodel dat we sinds 2019 hanteren [Heijse is sinds vorig jaar directeur-bestuur-der, AH], overigens heel gebruikelijk in de museumwereld, is ook ingegeven door deze zakelijkere benadering. En bovendien zijn er maar weinig bestuurders die de mogelijkheid hebben om dagelijks op de werkvloer aanwezig te zijn.” Wat drijft je in dit dagelijkse werk? “O, dat zijn een aan-tal dingen. Het esthetisch verbeteren van deze plek, mensen enthousiast krijgen voor onze visie, maar bijvoorbeeld ook het uiteindelijk tevreden stellen van belangrijke criticasters.
Ik heb een hekel aan negativisme, en ik denk wel eens ‘jon-gens, jullie zijn er wel ten faveure van het museum, hoor’.
Maar daarin zit ook meteen een heel belangrijke persoonlij-ke drijfveer: er is niks fijners dan het mee krijgen van de ou-dere garde. Een medewerker die je een nauwelijks hoorbaar compliment geeft, ‘Ik vind het toch wel knap hoe je al geld regelt’, of iemand tot tranen geroerd krijgen omdat zijn le-venswerk een plaats heeft gekregen in de nieuwe opzet.
Het museum kijkt in zijn in 2015 opgestelde beleids-stukken vooruit tot 2021. Blijft dat, met de coronacrisis in gedachten, zo? “Met de recente verbouwingen kan het
museum weer tien jaar vooruit. De opzet is zo flexibel dat we gemakkelijk kunnen wisselen met collecties en tentoon-stellingen.
Niet veel andere oorlogsmusea kunnen het gebouw verbin-den aan hun museale verhaal. Zij presenteren hun verhaal binnen: een kale, functionele ruimte voor het exposeren van met name grote tentoonstellingen. Wij kiezen voor een integrale aanpak, waarmee ik mijn verhaal al begon.
Het moet een aparte ervaring zijn om in Hartenstein te zijn. Bij ons ervaar je wat oorlog met mensen en een om-geving doet. En voel je dat je op een historisch belangrijke plek bevindt, die aangenaam is, die vertelt en die meer dan ooit lééft. Of zoals ik in mijn openingsspeech zou hebben gezegd, als ik die op 13 maart had gegeven: het hart van Hartenstein klopt nu weer sterker dan ooit!”
Op 6 mei werd via een persbericht bekend dat Sarah Heijse per 1 september uit dienst treedt bij het Air-borne Museum. Ze verruilt haar functie voor die van directeur-bestuurder bij Cultuur Oost, het kennis- en expertisecentrum voor Kunst en Cultuur van de provincie Gelderland. Naar eigen zeggen had ze de keuze om te stoppen ná oplevering van het ‘master-plan’ al geruime tijd eerder genomen. Heijse: “De afgelopen vijf jaar is het museum op de eerste plaats gekomen en is het voor alles gegaan, ook voor mijn privéleven. Alles wat ik kan, zit in de ontwikkeling en uitvoering van dit plan. Ik ben er ongelofelijk trots op dat ik met het team van medewerkers, de Raad van Toezicht en de vrijwilligers dit masterplan heb kunnen verwezenlijken. Ik zie het als doel om vóór mijn vertrek alle coronaproblematiek voor het museum in goede banen te hebben geleid, zodat mijn opvolger samen met het team kan genieten van het nieuwe museum.”

MUSEUMNIEUWS IMPRESSIES VAN HET NIEUWE AIRBORNE MUSEUM

Het Airborne Museum is gloednieuw! Vanaf 14 maart 2020 zou het museum weer open gaan voor publiek, maar vanwege de coronacrisis werd dit uitgesteld tot 1 juni. Bent u nog niet in de gelegenheid geweest naar Oosterbeek te gaan, neem dan hier alvast een kijkje aan de hand van een korte fototour door de nieuwe themaruimtes.
– Tekst: Airborne Museum | – fotografie: Daan van Oort

De idylle van Oosterbeek. De villa en het landgoed Hartenstein zijn binnenkort de laatste getuigen van wat er zich in Oosterbeek afspeelde in het najaar van 1944. In deze ruimte begint de audiotour door Ad van Liempt, programmamaker, auteur van oorlogsboeken en journalist, en wordt het verhaal verteld van het rustige, idyllische Oosterbeek als vestigingsplek voor welgestelden en kunstenaars.
Kunstenaarskolonie Oosterbeek. In de negentiende eeuw gold Oosterbeek als het ‘Nederlands Barbizon’, een verwijzing naar de beroemde kunstenaarskolonie ten zuiden van Parijs. De schilder Johannes Warnardus Bil-ders vormde de spil waar omheen andere kunstenaars, zoals Anton Mauve, zich verzamelden. Met Operatie Market Garden werd het romantische Oosterbeek als kunstenaarskolonie weggevaagd uit het cultureel geheugen.

Hartenstein tijdens de bezetting. Dat het leven voor veel mensen gewoon doorging tijdens de Duitse over-heersing, blijkt ook uit de functie die Villa Hartenstein in deze periode had. In 1940 was er een verzorgings-huis gevestigd en in 1941 en 1942 werd de villa als kraamkliniek gebruikt. In 1942 werd het gebouw een hotel, want zelfs tijdens bezettingsjaren werd Oosterbeek nog gezien als idyllisch vakantieoord. Toch werden de bezettingsjaren voor veel mensen een angstige, onzekere tijd. In deze zaal komt het leven in Oosterbeek en Arnhem in de jaren ‘40-’44 aan bod.

Optimisme. In deze zaal staat het optimisme van de geallieerden centraal. Wat waren precies de plannen doelen van operatie Market Garden en waarom dachten de militairen met kerst weer thuis te zijn?

Chaos. In deze zaal staat de chaos centraal: de ontwikke-ling van de strijd, de weerstand van de Duitsers die harder was dan verwacht, hoe de Britse plannen zich ontrafelden en hoe Hotel Hartenstein het mid-delpunt werd van een dagen-lange, voor de Britten steeds uitzichtlozere strijd.

Evacuatie. Het thema in deze ruimte is de nasleep van de slag om Arnhem: wat gebeurde er met de militairen, burgers en krijgsgevangenen nadat de gevechten waren gestaakt? Na de Britse terugtrekking over de Rijn bleven de gewonde militairen, samen met de aalmoezeniers en artsen achter in Hartenstein. De krijgsge-vangenen werden door de Duitsers weggevoerd. De Duitsers verordonneerden dat iedereen Arnhem en zijn ruime omgeving diende te verlaten. Zo gebeurde het dat ruim 100.000 mensen alles moesten achterlaten, zonder te weten waar ze heen moesten en wanneer ze weer terug konden komen. Toen ze uiteindelijk terug-kwamen bleek dat het hele gebied systematisch geplunderd was door het Duitse leger.

Herdenkingen. Hoewel Hotel Hartenstein na de oorlog opnieuw een hotel werd, raakte het de oorlogsherin-nering nooit helemaal kwijt. In 1978 vestigde het Airborne Museum zich er en werd het een plek van herin-nering. In de loop der jaren is er dan ook een uitgebreide en bijzondere herdenkingstraditie ontstaan, waarin Hartenstein een belangrijke rol speelt. Deze zaal vertelt hoe ooggetuigen en nabestaanden met dit verleden omgaan en hoe de herinnering aan de Slag om Arnhem in stand wordt gehouden.

 

Uit het Driver’s Handbook van augustus 1943.

REACTIES
Arjan Jansen uit Apeldoorn wees de redactie van Airborne Magazine op een veelgemaakt foutje dat ook z’n weg vond naar pagina 9 in magazine nr. 17: “Er staat dat de twee 17-poun-der-antitankkanonnen werden getrokken door Morris quad-tractoren. Helaas is dat niet waar. Ze werden getrokken door een Morris-Commercial C8-AT (ex-Portee) Tractor.” Zijn uitvoerig geïllustreerde reactie vormt een fraaie opmaat voor een nieuwe rubriek over militaria die zijn gerelateerd aan de slag om Arnhem als leidend voorwerp (vanaf nr. 19, november 2020). Om deze reden hebben we Arjans uitleg hier de ruimte gegeven.

Volgens het originele bijschrift “A Hamilcar loaded with a Morris 30cwt truck and 17pdr is inspected by King George (centre) prior to D-Day. General Gale is on the right (IWM).”

In 1940 begon het Britse bedrijf Morris-Commercial met de productie van Morris-Commercial C8-AT Portee’s, met een laadruimte voor het vervoer van 2pdr-kanonnen. Mor-ris-Commercial bouwde vanaf 1943 een aantal van deze C8-AT’s om tot Tractors voor het trekken van 17pdr-anti-tankkanonnen. De officiële benaming werd ‘Morris-Com-mercial C8-AT Tractor’. Voorheen begon het registratiete-ken, vergelijkbaar met de ‘M’ op auto’s zoals jeeps, met een ‘L’ voor het voertuigtype vrachtwagen. Met de introductie van de Tractors kwam er een ‘H’ voor deze identificatieco-de. Rob van Meel uit Tilburg werkt op dit moment aan een boek over de Morris-Commercial C8-AT Tractor.

AFPU-filmstill van een Morris-Commercial C8-AT Tractor met 17-pounder op de Utrechtseweg in Oosterbeek, 18 september 1944 (zie Ministory 51).

De resten van een C8-AT, in 1945 aangetroffen op één van de landingsterreinen bij Wolfheze.

Een Morris-Commercial C8-AT Tractor bij één van de 17-pounders bij Hartenstein.

Links: Een Morris FAT Mk III, series 5: een rechthoekig model met een plat canvasdak.

Oefening met een C8-AT met 17pdr-kanon, één van de weinige historische foto’s in deze combinatie.

Ter vergelijking: een Morris FAT (Field Artillery Tractor / Quad), waarvan drie versies bestonden: de Mk I, Mk II en Mk III.

– Arjan Jansen

GESNEUVELDEN VAN HET BATALJON KRAFFT MINISTORY 134 HET HELDENFRIEDHOF IN VELP 

BOEKEN
FOR NO APPARENT REASON, THE SHOOTING OF CAPTAIN BRIAN BROWNSCOMBE GM, RAMC; ARNHEM 24 SEPTEMBER 1944

Dit Engelstalige boekje van Bob Gerritsen uit 2000 is recent in een nieuwe oplage uitgegeven door Robert Sigmond. Het is het verslag van de moord op Captain Brian Brownscombe GM, RAMC op 24 september 1944 bij het Gemeenteziekenhuis in Arn-hem en de naoorlogse juridische nasleep om de dader te vinden en te veroordelen.
– Willem Kleijn

Captain Brownscombe is tijdens de slag om Arnhem com-mandant van No.2 Section van de 181 (Airlanding) Field Ambulance, die is toegevoegd aan het 2nd Battalion van het South Staffordshire Regiment. Hij landt op 17 Septem-ber per Horsa-glider op LZ ‘S’ en zet in de buurt van boer-derij Reyerskamp een Regimental Aid post (RAP) op. Om-dat de eerste lift redelijk voorspoedig verloopt, hebben ze die eerste dag niet veel te doen. Op de 18e krijgen de South Staffords orders te verplaatsen naar Arnhem; ze komen ’s avonds aan bij de wijk Lombok. De commandanten van 1st en 11th Battalion (The Parachute Regiment) en 2nd Battalion van de South Staffords maken een aanvalsplan voor de vroege ochtend van 19 september: ze zullen om 04.30u aanvallen langs Bovenover. Na deze aanval neemt het aantal doden en gewonden sterk toe. Brownscombe en zijn medisch team zetten een RAP op achter het Gemeen-temuseum. Door Duitse tegenaanvallen moet deze positie echter worden opgegeven. Even later raakt het medisch personeel van de Britten krijgsgevangen, om vervolgens terecht te komen in het Gemeenteziekenhuis. Daar verzor-gen ze de volgende dagen, samen met de Duitsers, gewon-den van beide strijdende partijen.
Op de 24e zit Brownscombe in de kantine wat te drinken.
Het gezelschap bestaat uit enkele Britten, twee Duitsers en een Deense tolk. Deze laatsten behoren tot de SS-Standarte ‘Kurt Eggers’, een propaganda-eenheid van de Waffen-SS en onderdeel van de 5. Kompanie Skorpion West. De Deen, Knud Flemming Helweg-Larsen, nodigt Browns-combe uit nog een borrel te drinken in het kwartier van de Duitsers. Wanneer ze daarvan terugkeren, schiet Ober-scharführer Lerche, vriend en collega van Helweg-Larsen, Brownscombe vanuit de bosjes dood. Brownscombe wordt eerst op het terrein van het Gemeenteziekenhuis begraven en later bijgezet op de Arnhem Oosterbeek War Cemetery (graf 15.B10).
De 5. Kompanie Skorpion West vertrekt na 24 Septem-ber naar een volgende opdracht. Helweg-Larsen wordt op 8 mei 1945 door het Deense verzet gearresteerd. In 1946 volgt zijn terdoodveroordeling wegens in Denemarken be-gane misdrijven. Vóór het vonnis zich voltrekt op 5 januari van dat jaar, legt hij een verklaring af over de dood van Brownscombe. Deze uiteenzetting zal samen met die van Captain Brian Devlin (een collega van Brownscombe) en die van Reverend Alan Buchanan uiteindelijk leiden tot de aanhouding en veroordeling van Lerche. Deze houdt zich onder verschillende valse namen schuil en wordt pas in 1952 in München gearresteerd. Na een voorarrest van drie jaar vindt het proces tegen Lerche plaats in december 1955, waarbij hij door het ‘Schwurgericht beim Landge-richt München’ uiteindelijk wordt veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf met gedeeltelijke aftrek van voorarrest. Le-rche komt na acht jaar vrij.

Bob Gerritsen, For no apparent reason, The shooting of Captain Brian Brownscombe GM, RAMC; Arnhem 24 September 1944 (R.N. Sigmond Publishing, 2000/2020, ISBN: 90-804-7182-8, pp. 32, illustraties, soft cover, € 10)

AIRBORNE ENGINEERS, THE SHINY 9TH; AN ILLUSTRATED HISTORY OF THE 9TH
(AIRBORNE) FIELD COMPANY ROYAL ENGINEERS 1939-1945
Ook dit softcoverboekje is een heruitgave van R.N. Sigmond Publishing. Oorspronke-lijk verschenen in 2001, beschrijft Pronk in chronologische volgorde de voorgeschiede-nis en inzet van deze ‘Airborne’ genie-een-heid tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daar-bij maakt hij dankbaar gebruik van Tom
Purves’ boek The 9th, 1787-1960: The History of The British Army’s Only Remaining Para-
chute Engineer Unit. Pronks boek is rijkelijk gelardeerd met persoonlijke herinneringen van de betrokken militairen, wat de lees-baarheid ten goede komt.
Uiteraard beslaat Arnhem met meer dan 40 pagina’s het grootste gedeelte van deze behoorlijk gedetailleerde uit-gave. Maar ook roemruchte acties van de eenheid, zoals de inzet tegen de Norsk Hydro-zwaarwaterfabriek in Vermork in Noorwegen (operatie Freshman) en de desastreus verlo-pen landingen op Sicilië in 1943 (operatie Husky), komen aan bod. Hier is overigens een verband met het hiervoor beschreven werk: aan boord van Waco-glider No. 22, één van meer dan 50 zweefvliegtuigen die in zee terechtkwa-men voor de Italiaanse kust, zat de toenmalige Lieutenant Brownscombe.
Dat de vliegende Engineers een belangrijke taak hadden tijdens deze acties en tijdens Market Garden, behoeft nau-welijks betoog. Het ging hier overigens om buitengewoon goed getrainde genisten die, naast de gespecialiseerde militaire basistraining, immers ook de para- en glidertraining hadden doorlopen! Vandaar de naam ‘The Shiny 9th’.
Patrick Pronk, Engineers, The Shiny 9th; An illustrated History of the 9th (Airborne) Field Company Royal Engineers 1939-1945 (R.N. Sigmond Publishing, 2001/2020, ISBN-13: 978-90-804-7183-2, pp. 110, illustraties, soft cover, € 19,50)

– Willem Kleijn

TIJDSBEPALING VAN OORLOGSFOTO’S UIT ARNHEM 1944 HISTORISCH PERSPECTIEF UIT DE SCHADUW VAN HET VERLEDEN

Wie de tijd heeft, heeft een extra ingang naar het verleden. Van de meeste foto’s die tij-dens operatie Market Garden zijn genomen is de locatie bekend. Het exacte moment van vastlegging is meestal lastiger te achterhalen. Toch zijn er manieren om nóg dichter op de huid van de geschiedenis te kruipen. Frans Maes van De Zonnewijzerkring legt uit hoe dit werkt aan de hand van enkele bekendere Duitse beelden.
– Tekst en fotografie: Frans Maes

Figuur 1. De Duitse legerfotograaf Jacobsen legde op 19 september 1944 een aantal militairen en twee ge-camoufleerde Sturmgeschütze vast op het Willem-splein / Nieuwe Plein in Arnhem (bron: Gelders Ar-chief: 1560 – 5714, fotograaf: Jacobsen, Public Domain Mark 1.0 licentie).

INTRIGERENDE VRAAG
Als geboren en getogen Arnhemmer maakte ik de slag om Arnhem mee. Een actieve herinnering aan die september-dagen heb ik niet, daarvoor was ik als tweejarige nog te jong. Maar het verloop van de gevechten en met name de gevolgen van de strijd voor de bevolking zijn me in de loop der jaren steeds duidelijker geworden. De slag leidde niet alleen tot de hongerwinter in West-Nederland. Alle inwo-ners van Arnhem, waaronder mijn ouders, mijn zus van drie en ik werden de stad uitgejaagd. Net als mijn toekom-stige schoonouders en mijn latere vrouw, toen een baby van
nog geen maand. Het zou tot april 1945 duren voordat we konden terugkeren. Nijmegen, mijn huidige woonplaats, werd tot februari 1945 frontstad; een groot aantal slachtof-fers en grote schade aan de stad waren het gevolg.
Ik was dan ook meteen geïntrigeerd toen ik als (eertijds) secretaris van De Zonnewijzerkring, een landelijke vereni-ging voor zonnewijzers en aanverwante zaken, de vraag kreeg of ik wellicht kon helpen met de tijdsbepaling van een foto. Het bleek te gaan om een vrij bekende foto die tijdens operatie Market Garden is gemaakt op het Willem-splein in Arnhem.
TIJDSBEPALING
Het is dinsdag 19 september 1944 wanneer twee Duitse legerfotografen, Jacobsen en Wenzel, van het oosten van Arnhem richting Oosterbeek lopen om de gevechten en de Duitse opmars naar het westen op beeld vast te leggen.
John Frost houdt die dag nog steeds stand bij de Rijnbrug en de eerste contouren van de perimeter in Oosterbeek worden dan al zichtbaar.
Jacobsen en Wenzel, Kriegsberichter van de Propagan-da-Kompanie van Luftflotte 3, kiekten vooral Duitse mi-litairen en legden de aankomst van de Sturmgeschütze van Sturmgeschütz-Brigade 280 op het strijdtoneel vast. Daar-naast richtten ze hun camera’s veelvuldig op burgers die een veilig heenkomen zochten en op Britse krijgsgevangenen.
Hun serie foto’s (106 van Jacobsen en 41 van Erich Wenzel) kwam in 1967 boven water in het Duitse Bundesarchiv.
Het is vrij eenvoudig om aan de hand daarvan de route die ze aflegden te reconstrueren.

Figuur 2. De rechtgezette uitsnede van het origineel van figuur 1. De schaduw van punt P op de pet van de soldaat valt op het trottoir in punt Q. Punt R ligt recht onder punt P. De richting van de schaduw ten opzichte van de lengterichting van het trottoir wordt bepaald door het aantal tegels op de lijnen QS en RS.

Een tijd geleden was een groepje amateurhistorici bezig met het ontwikkelen van een rondleiding vanuit Duits perspectief, met de tocht van Jacobsen en Wenzel als uit-gangspunt. Van hen kwam de vraag of het mogelijk is het precieze tijdstip van een aantal foto’s met zonnewijzerkun-dige methoden te bepalen.
Een voor de hand liggende aanpak bij dit soort vragen is om met de schaduw van een object het azimut van de zon op dat moment te bepalen en daaruit de uurhoek van de zon te berekenen. Vervolgens kan het tijdstip bepaald wor-den in de Midden-Europese zomertijd (MEZT), die de Duitse bezetter in mei 1940 had ingevoerd. In figuur 1 is de schaduw van de soldaat op de voorgrond – laten we hem Heinrich noemen – goed op te meten aan de hand van de trottoirtegels.

Figuur 3. De locatie van figuur 1, ter hoogte van (het huidige) huisnummer 20.

AZIMUT
Eerst zoeken we een punt (P) op de pet van Heinrich en de schaduw van dat punt op het trottoir (Q). Die markeringen zijn met een redelijke nauwkeurigheid te bepalen. Dan zoe-ken we het punt op het trottoir dat loodrecht onder punt P ligt (R). Dat zal ergens tussen Heinrichs hakken liggen, dichter bij het linker- dan bij het rechterbeen. Ik houd op het getekende punt R een marge van 0,1 tegel in zijwaartse richting en 0,2 tegel in de lengterichting aan. Vervolgens construeren we de rechthoekige driehoek QRS, waarbij de rechthoekszijden evenwijdig zijn aan de zijden van de trot-toirtegels. De afstand QS is 11,4 ± 0,2 tegels, de afstand RS is 5,4 ± 0,1 tegels. De hoek RQS tussen Heinrichs schaduw en de lengterichting van het trottoir is 25,4° ± 0,5° (te be-rekenen met de boogtangens RS/QS). Voor dit resultaat hebben we geen aanname hoeven te maken over de afme-tingen van de vooroorlogse trottoirtegels; we nemen alleen aan dat ze vierkant zijn.
Het pand op de foto rechts, Willemsplein 20, bestaat nog (figuur 3). De richting van de rooilijn is 95,9° ‘west van zuid’ (figuur 4). Daarmee is de richting van Heinrichs scha-duw 121,3° ± 0,5° west van zuid. Het azimut van de zon, de horizontale hoek met het noorden gemeten over het oosten, is dan -58,7° ± 0,5°.
Om uit het azimut de uurhoek van de zon af te leiden is de zonsdeclinatie op 19 september 1944 nodig. Die kan vrij gemakkelijk worden achterhaald met de NOAA Solar Calculator. Hierin kun je de [Location] invoeren: 51.983° noorderbreedte [Latitude] en 5.904° oosterlengte [Longi-tude], [Date] ‘19 september 1944’ en [Time Zone] ‘Etc/ GMT+1’. Dit is de Midden-Europese Tijd (MET), één zone oostelijk van Greenwich Mean Time (GMT). In het invulveldje [UTC Offset] zet je ‘+02:00’ voor de zomertijd en bij [Local Time] voer je het tijdstip van de foto in; daar-op wordt de declinatie berekend. Maar de tijd is precies wat we nog niet weten. Maar hé, dat is interessant: in de vakjes Az/El rechtsonder verschijnen ook azimut (Az) en zonshoogte (El van elevation). Daarmee kunnen we zelfs

Figuur 4. De richting van de rooilijn van Willemsplein 20 (*) is opgemeten van Google Maps en bedraagt 95,9° west van zuid.

een doorsteekje maken naar ons doel. Het programma telt het azimut vanaf het noorden in oostelijke richting, dus de gezochte azimutwaarde is 121,3°. Vul een probeertijd in en kijk welk azimut dat oplevert. Is het azimut kleiner dan 121,3° dan verhoog je de tijd wat, anders verlaag je hem, net zo lang tot het gezochte azimut verschijnt. Dit noemen we een iteratieve benadering. In het algemeen zijn een paar stappen voldoende om de oplossing te vinden. In dit geval bereiken we de juiste azimutwaarde op het tijd-stip 10:04:35. En de marge van 0,5° in het azimut vertaalt zich in een tijdsmarge van tweeëneenhalve minuut. Het antwoord op de vraag aan het begin luidt dus: de foto van figuur 1 is gemaakt tussen 10.02u en 10.07u MEZT.
De Solar Calculator berekent ook de zonshoogte om 10:04:35. Die is 23,90°. Daarmee kunnen we als extraatje Heinrichs lengte bepalen, wanneer we aannemen dat de trottoirtegels, net als tegenwoordig, 30 bij 30 cm zijn. Dan is QS = 3,72 m en RS = 1,62 m, dus (met Pythagoras) is QR = 4,06 m. Dan is PR = tan(23,90°) x 4,06 m = 1,80 m.
Als we drie centimeter aftrekken voor de hoogte van de pet en ook drie centimeter voor de hakken van de schoenen, dan is Heinrich schoon aan de haak ongeveer 1,74m lang.
TWO FINGERS
Van de bijna 150 foto’s zijn er verscheidene waarop de zon schijnt en de locatie goed te herkennen is. Maar zo’n be-hulpzaam attribuut als aftelbare trottoirtegels hebben ze zelden. Neem bijvoorbeeld de foto in figuur 5. Deze is ge-nomen op de Jansbinnensingel, voor (het huidige) huis-nummer 24. De

Figuur 5. De SdKfz 10/4 op het Velperplein (bron: Gel-ders Archief: 1560 – 5623, fotograaf: Wenzel, Public Domain Mark 1.0 licentie).

Figuur 6

Figuur 7

panden op de foto zijn ook nog goed te herkennen (figuur 6), maar het precieze moment is lastig vast te stellen. Ik weet namelijk geen manier om de hoek die de schaduwen van de personen met de as van de straat maken nauwkeurig te bepalen. Je zou op dezelfde datum, of althans op een datum waarbij dezelfde zonsdeclinatie optreedt als op 19 september 1944, ter plekke kunnen kij-
ken hoe laat de schaduwen van gebouwen of andere vaste punten op dezelfde plaats vallen als op de foto. Maar dat is bewerkelijk. En zelfs als een gebouw er nog staat, garan-deert niemand dat de situatie inmiddels niet ingrijpend is verbouwd. Desondanks zijn er wel enkele foto’s in de serie aanwezig waarvan het tijdstip redelijk nauwkeurig te bepa-len is. Ik zal nog twee voorbeelden geven die iets meer ver-tellen over de tijd die de Kriegsberichter erover deden om van pakweg het Musis Sacrum tot bij het station te komen.
Vóór Jacobsen en Wenzel bij het Willemsplein kwamen, passeerden ze het Velperplein. Tegenover de afslag naar de Apeldoornseweg kiekte Wenzel deze SdKfz 10/4 met 2cm-Flak (figuur 5). De schaduw van de soldaat naast het voer-tuig is ongeveer evenwijdig aan de stoeprand. Hoewel het Velperplein vaak op de schop is geweest, is dit punt nog goed te herkennen (figuur 6). De richting van de stoep is ca. 115° west van zuid (figuur 7), het azimut van de zon dus ca. 115° oost van noord. Op dezelfde manier als hierboven wordt het bijbehorende tijdstip bepaald: dat moet ongeveer 9.37u zijn geweest. Een nauwkeurige marge is niet goed mogelijk, maar ik houd het ruim op maximaal tien mi-nuten vóór of na dit tijdstip. Over de wandeling naar het Willemsplein, via de Jansbinnensingel, deden Jacobsen en Wenzel dan een half uur.

Figuur 8. Lt. Jack Reynolds steekt twee vingers op naar de fotograaf. Reynolds overleed op 22 augustus 2019, op 97-jarige leeftijd (bron: Gelders Archief: 1560 – 5762, fotograaf: Jacobsen, Public Domain Mark 1.0 licentie).

Figuur 9. Utrechtseweg 70 (foto: Steven Heusschen).

Figuur 10. Bovenaanzicht

Figuur 8 is een iconische foto. Lt. Jack Reynolds van No.1 Mortar Platoon van de South Staffords, steekt verbeten een beledigend ‘two fingers’ omhoog naar Jacobsen. Het pand achter hem is Utrechtseweg 90, nu Hotel Pax (figuur 9. Let op het kelderraam). De weg liep toen kennelijk dichter bij en evenwijdig aan de huizen aan de noordzijde. De richting van de rooilijn van de panden Utrechtseweg 88-90 is 98° west van zuid (figuur 10). Een lijn haaks op de as van de weg heeft daarmee de richting 8° oost van noord.
Eén van de palen van de bovenleiding van de tram geeft een duidelijke schaduw dwars over de weg. De richting ten opzichte van de bestrating is door de perspectivische verte-kening niet nauwkeurig te bepalen, maar ik schat deze op ruwweg 20° naar links. Dan is de richting van de schaduw ruwweg 12° west van noord, en het azimut van de zon zo’n 12° oost van zuid. Het tijdstip kan, met een flinke marge, hiermee op ongeveer 13.00u worden gesteld.

ZONSHOOGTE
Een andere wijze om het tijdstip van foto’s vast te stellen is door een observatie ter plaatse af te zetten tegen (verschui-vingen in) de zonnestand, althans in dié gevallen dat de situatie wel nagenoeg identiek is als die in 1944. Ik geef een voorbeeld waarbij deze zonshoogte wordt gebruikt. Figuur 13 toont een foto, genomen op dinsdagmiddag, van de panden Utrechtseweg 204-210. De schaduw van de dak-rand op de zijmuur van het linker huizenblok valt op de zijmuur van het rechter huis, nummer 204. In de uitsnede

Figuur 11. Een groep Britse krijgsgevangenen wordt afgevoerd, waaronder enkele gewonden. De foto van Wenzel is gemaakt op de Jansbinnensingel, ter hoogte van huisnummer 24 (bron: Gelders Archief: 1560 – 5625, fotograaf: Wenzel, Public Domain Mark 1.0 licentie).

Figuur 12. Dezelfde locatie nu.

Figuur 13. Het opvallende huizenblok Utrechtseweg 206-212 in Arnhem is gehavend uit de strijd geko-men. De originele datum bij de foto, 26 september 1944, heeft waarschijnlijk betrekking op de dag dat de film is ontwikkeld (bron: Bundesarchiv, Bild 101I-497-3527-12A, fotograaf: Wenzel).

Figuur 15. Dezelfde huizen in 2016, rond dezelfde datum.

van de originele foto valt de schaduw op circa 82% van de afstand tussen de ramen op de eerste en de tweede verdie-ping (figuur 14).
De schaduw schuift ruim één procent per minuut om-hoog. Een hoogte van 82% zou bereikt zijn rond 16.01u (figuur 14). Volgens de Solar Calculator was de zonshoogte op deze locatie (51,984° NB, 5,885° OL) op dat moment 29,45°. Op dezelfde site bepalen we nu, ook weer iteratief, op welk tijdstip op 19 september 1944 de zon deze hoogte bereikte. Dat blijkt om 16.10u Midden-Europese zomer-tijd (MEZT) te zijn. Als we voor de zekerheid een marge
van een minuut aanhouden, is het tijdstip van de foto te stellen op 16.10u MEZT, met een marge van een minuut naar beide kanten. Omdat de schaduw hier nauwkeuriger te meten is dan in figuur 2 het geval was, is het tijdstip ook nauwkeuriger te bepalen.
Probeer het zelf eens. Het zijn simpele middelen die je, met wat handigheid en door gewoon eens te spelen met zonne-standen, graden en lijnen, veilig en vlot dichterbij histori-sche gebeurtenissen brengen. Een schaduw uit het verleden kan al voldoende zijn.
Dit stuk verscheen eerder in bulletin 123 (nu het tijdschrift Zon&Tijd) van De Zonnewijzerkring, als antwoord op een vraag van Bart Belonje op de website van de Kring. Voor Air-borne Magazine heeft Frans Maes het origineel bewerkt en uitgebreid.

Figuur 14. De schaduw van de rechter dakrand van het huizenblok in figuur 13 valt op de zijgevel van het huis rechts, huisnummer 204. De schaduw ligt op 82%, gemeten vanaf de bovenkant van de ramen op de eerste verdieping naar de onderkant van de ramen op de tweede verdieping.

Figuur 16. Drie foto’s van de schaduw op de zijgevel van Utrechtseweg 204, genomen op 21 september 2016. De tijdstippen (MEZT) en de relatieve hoogtes zijn aangegeven. Ik heb de schaduw gefotografeerd met tussenpozen van circa twaalf minuten.

 

DE 6-POUNDER-ANTITANKKANONNEN BIJ DE (K)OUDE HERBERG
HISTORISCH PERSPECTIEF ‘SHUT UP SHOP’

Afbeeldingen 1 en 2 van een uitgeschakeld 6-pounder-antitankkanon zag ik voor het eerst tijdens de herdenkingen in 2018, toen ze mij getoond werden door John Gerring. Dé expert op het gebied van de antitankkanonnen Eugene Wijnhoud was ook ter plaatse en wist te vertellen dat ze gemaakt zijn vlak bij de Oude Herberg, op de Utrechtseweg in Oosterbeek.
Tot welke eenheid het kanon behoorde wist hij niet en is tot op heden niet duidelijk.
– Paul Meiboom

Afbeelding 1

De afbeeldingen zijn zogenaamde ‘stills’ uit een filmfragment uit de Wochenschau van 4 oktober 1944 dat waarschijnlijk door Hans Ertl is gemaakt op 21 september. De plaats is vlakbij waar op 17 september een 6-pounder werd beschoten die het 3rd Parachute Battalion ondersteunde, waarbij Gun-ner George Robson om het leven kwam (zie de paperback-uitgave van Middlebrooks Arnhem 1944, p. 132). Maar volgens het verhaal werd het kanon daarbij niet uitgeschakeld en ging alleen de towing jeep verloren. C Company van het 1st Border verdedigde later dit deel van de perimeter en had daarbij steun van drie 6-pounders: ‘Scimitar Hill’ en ‘Helles-pont’ op de kruising en iets verder richting Hartenstein, op de Utrechtseweg, ‘Gallipoli II’. Deze laatste is vooral bekend van de filmbeelden van Lewis en Walker en het uitschakelen van een Duitse Flammpanzer, pal voor de Oude Herberg op 20 september. Voor zover bekend is echter geen van deze 1st Border-antitankkanonnen uitgeschakeld tijdens de slag.

Afbeelding 2

(K)OUDE HERBERG
Dat de plek inderdaad vlakbij de Oude Herberg is, wordt bewezen door een vooroorlogse foto (afbeelding 3): het gebouw van de J.P. Heijestichting op de Utrechtseweg is duidelijk hetzelfde als op de achtergrond van afbeelding 2.
De persoon die het uitgeschakelde kanon met de twee ge-sneuvelden gefilmd heeft, staat op de Wolterbeekweg waar deze uitkomt op de Utrechtseweg. Tussen zijn positie en het stichtingsgebouw is op kaarten en luchtfoto’s te zien dat daar drie vrijstaande huizen stonden. Op afbeelding 2 is een stukje van het middelste huis te zien. Het eerste is net links buiten beeld van de filmer. Het derde ligt verder terug en valt weg achter het middelste huis.

Afbeelding 3. Het gebouw van de Jan Pieter Heije- stichting vóór de oorlog (bron: Heemkunde Renkum).

De drie huizen staan er overigens nog steeds, het stichtingsgebouw al lang niet meer (afbeelding 4).
De benen van het geschut staan in ‘towing’-positie tegen elkaar en bij bestudering is te zien dat de jeep er nog voor staat. Het opmerkelijke daarbij is dat het geschut in wes-telijke richting recht op de Duitse linies af moet zijn gereden. Daar-mee is het nog onwaarschijnlijker dat dit het eerder genoemde kanon van 3rd Battalion is. Als dit toch ter plekke was uitgeschakeld, dan zou het juist de andere kant op hebben moeten staan. Bovendien speelde dat incident zich een stukje verder naar het westen af, en dus zou de jeep die te zien is tussen de bomen op de achtergrond van afbeelding 2 heel goed het trekkende voertuig van dat kanon kunnen zijn geweest.
POLEN?
Een interessante mogelijke aanwijzing staat in het action re-port van 2/Lt. Mleczko van de Poolse a/t-battery: “20th Sept. 44. Heavy Arty and Mortar fire inflicted casualties. One of the gun crew was ordered by C.O. R.A. 1st Airborne Div. to destroy a German self-propelled gun. Changing position to obey this or-der, our was smashed up, and the crew killed.” Qua locatie en timing zou dit kunnen passen. Volgens het-zelfde rapport hebben zeven van de vijftien Poolse 6-poun-ders de perimeter bereikt: de vijf die met de tweede lift op 18 september landden bij Wolfheze, aangevuld met twee van de resterende tien die geland zijn op de 19e bij de Johanna-hoeve. Een derde 6-pounder is op Johannahoeve succesvol uitgeladen, maar daar vervolgens weer uitgeschakeld. Tot de 21e waren de Poolse kanonnen gepositioneerd noordooste-lijk van Hartenstein, in het gebied Utrechtseweg/Oranjeweg.
Daarna werden de resterende zes verplaatst naar Ooster-beek-Laag. Er is er dus precies één verloren gegaan in Oos-terbeek-Hoog voor de verplaatsing. Als het kanon op de stills dit Poolse kanon is, dan zou deze dwars door de linies heen gereden moeten zijn. Je zou verwachten dat er iets over terug te vinden is in de verslagen van het 1st Border, maar dat is niet het geval. Daarnaast zijn er ook geen Poolse veldgraven te koppelen aan de locatie bij de Oude Herberg.
10TH BATTALION A COMPANY KOMT IN DE PERIMETER
Een andere aanwijzing is te vinden in het boek Desert rise – Arnhem Descent over het 10th Parachute Battalion (met dank aan Marcel Zwarts voor de tip). De overblijfselen van A Company waren gescheiden geraakt van de rest van het bataljon en kwamen in de ochtend van 20 september uit noor-delijke richting via de Valkenburglaan op de kruising met de Oude Herberg de perimeter binnen. Het volgende incident doet zich dan voor (pp. 182-183). Sergeant Darkie Hough-ton: “At a crossroads at Oosterbeek we took a battering. Two gunners were trying to hook up a 6-pounder anti-tank gun onto a jeep. Lieutenant Kiaer and I went on to help. Unfortunately, the Jerry mortars had got the range. The first bomb we heard, we got down. But the next bomb landed on the gun, wounding Lt.
Kiaer and myself. Another man, I think the driver, had his leg shot up and was screaming. I remember the sight of Lt Kiaer, although still alive, his face had been shot off.” Houghton werd vervolgens door zijn kameraden op een stretcher gelegd en per jeep afgevoerd naar de Tafelberg. Private Jacko Jackson was een andere getuige: “We came to a track junction. On the corner stood an anti-tank gun and jeep. We arrived at the anti-tank gun, it was decided, as we were the last in, that we should help shut up shop. While the others closed up on the gun, I turned towards the jeep. There was a direct hit on the gun. Lt.
Kiaer was killed. A red headed lad was running away on the stump of his foot, blown off at the ankle. Paddy Brown fielded him.”
Leslie Kiaer werd eerst begraven in de tuin van villa Valken-burg op de hoek van de Van Borsselenweg en de Utrecht-seweg. Naast een aantal gewonden sneuvelde bij dezelfde actie ook Private James Wells van het 1st Border Battalion.
Zijn veldgraf was bij de kruising van de Van Borsselenweg -Utrechtseweg, dezelfde plaats als Kiaer dus.
SANDY MASTERTON
De ‘smoking gun’ wordt aangeleverd in het verslag van Priva-te Alexander ‘Sandy’ Masterton van het 1st Border over zijn ervaringen bij Arnhem op de website www.paradata.org.uk.
Hij behoorde tot de bemanning van het 6pdr-antitankka-non ‘Scimitar Hill’. “Our gun crew consisted of Danny Farrell (No 1) who fired the gun, myself (No 2) who loaded the gun, Gordon Ennion (No 3) who passed me the shells, Bill Grundy (No 4 ) being responsible for bringing the shells and manning our Bren gun, Sgt Johnny Molloy being our gun commander.
We dug-in near the crossroads, VAN BORSSELENWEG and UTRECHTSEWEG. On the Wednesday morning [20th September 1944] we received a heavy mortar attack and Sgt French’s gun (Hellespont – PM), which was near us, received a hit. Jimmy Wells was killed, Sgt French wounded in the head and their driver, ‘Jock’ McKinley wounded in the legs. Jimmy was buried in a nearby slit trench and ‘Jock’ carried into a local house. I’m not sure what happened to Sgt French. Our gun crew were used to make up ‘C’ Company casualties, but kept near the gun, which was never fired. Later, when we were in Germany, after the war I went back to Oosterbeek, but there was no trace of either gun.”

Afbeelding 4. De huidige situatie ter hoogte van de Wolterbeekweg.

HELLESPONT
Het verhaal van Masterton sluit naadloos aan op de getui-genverslagen van 10th Parachute Battalion. Hieruit kunnen we afleiden dat op 20 september de 6-pounder Hellespont van het 1st Border werd uitgeschakeld bij de Oude Herberg.
Het is daarbij ook aannemelijk dat het kanon niet in weste-lijke richting naar de Duitse linies reed, maar ergens vlakbij stond opgesteld en net werd verplaatst op het moment dat het werd getroffen. Het is ook bekend dat één van de drie Border-antitankkanonnen op de 20e werd verplaatst, alleen wordt daarbij niet vermeld dat dat niet is gelukt.
De twee gefilmde gesneuvelden bij de 6-pounder zijn dan ook bijna zeker Jimmy Wells en Leslie Kiaer, die waarschijn-lijk pas de dag erna begraven zijn in de tuin van villa Valken-berg. Mogelijk is er nog meer: detailbestudering van afbeel-ding 1 leert dat van de gesneuvelde soldaat langs het kanon maar één voet met schoen zichtbaar is en vanaf zijn voet een grote donkere vlek op de grond. Dit past bij de verwondin-gen van de ongelukkige Jimmy Wells.
Reacties: pemeiboom@gmail.com

PROGRAMMA 2020

GEPLAND
Vrijdag 28 augustus: Lezing SS-Wachbataillon 3 ‘Nord-west’, door Herman Rolleman, in Lebret, Oosterbeek (onder voorbehoud dat de zaal mag worden gebruikt voor grotere groepen) Zaterdag 3 oktober: Battlefield tour C Company, B Company 2nd Battalion en Light Regiment, wande-ling, in Oosterbeek Zaterdag in oktober (n.t.b.): Algemene Ledenverga-dering en lezing Lost Company, in Lebret, Oosterbeek (onder voorbehoud dat de zaal mag worden gebruikt voor grotere groepen)
Zaterdag in november (n.t.b.): Lezing Luchtoorlog Mar-ket Garden, in Lebret, Oosterbeek (onder voorbehoud) GEANNULEERD Zaterdag 21 november: Airborne Day Vrijdag 11 december: Thema-avond Kreta 1941, door Erik Jellema, in Lebret, Oosterbeek (onder voorbehoud)

IN VOORBEREIDING VOOR 2021
Battlefield tour 1st Airborne Reconnaissance Squadron Battlefield tour King’s Own Scottish Borderers fietstocht

VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 19 – NOVEMBER 2020
NUMMER 20 – MAART 2021
NUMMER 21 – JULI 2021

BOEKEN
Van de hand van Oosterbeker Guus de Vries is het nieuwe boek Oosterbeek – Arnhem 1944 Toen & Nu.
Voor lezers die nog geen boekenkasten vol hebben doorgewerkt over de strijd in september 1944 is de objectieve weergave van de gebeurtenissen in grote lijnen een mooie introductie. De persoonlijke keuze uit het bestaande fotomateriaal biedt goede houvast.
Kenners van de slag om Arnhem zullen vooral de actu-ele vergelijkende foto’s en de wandelroutes door Ooster-beek aan de hand van de foto’s in het boek waarderen.
Guus de Vries, Oosterbeek – Arnhem 1944 Toen & Nu (S.I. Publicaties, mei 2020, pp. 154, ruim 300 zwart-wit- en kleurenillustraties, gebonden, ISBN-13: 978-90-709-8706-0, € 32,50)

Ook pas uit is Ik heb het met eigen ogen gezien, een handzaam boekje met zeven indringende persoonlijke verhalen over de strijd op landgoed De Oorsprong dat in september 1944 midden in de vuurlinie kwam te liggen. De gevolgen waren desastreus. De verslagen worden voorafgegaan door een korte beschrijving van landgoed en huize De Oorsprong. Het boekje is rijk geïllustreerd met veel foto’s.
Geurt van de Kerk, Ik heb het met eigen ogen gezien; Ooggetuigenverslagen over de Slag om Arnhem rondom Landgoed de Oorsprong in Oosterbeek (Uitgeverij De Vijver, april 2020, pp. 56, geïllustreerd, ISBN-13: 978-90-762-2430-5, introductieprijs € 10).
Beide uitgaves zijn verkrijgbaar bij Boekhandel Meijer & Siegers in Oosterbeek

 

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Muse-um Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar.
Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.
ISSN: 2666-6871
Voor meer informatie: www.kb.nl/issn
Redactie:
Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Leo van Midden, Rob van Putten
Aan deze editie werkten mee:
Frans Ammerlaan, Alexander Heusschen, Bob Gerritsen, Bob Hilton, Harold de Jong, Marcel Kuster, Leo van Midden, Edwin Popken, Rob van Putten, Natalie Rosenberg
Ontwerp en lay-out
Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk:
Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03
Post: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem Rekeningnr (IBAN): NL33 INGB0 0051 137 51
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl

INHOUDSOPGAVE

3 Museumnieuws – Para met de lange oren

4 Interview – De vijf van Geert Maassen

8 Ministory 133 – 1st Parachute Battalions spooroversteek

16 Conflictarcheologie – Hulzen in een moestuin

26 Thema – De slag bij Best

32 Pas uit – Operatie Amherst

34 Persoonlijk – William Hurrell gevonden

35 Programma

BIJDRAGEN
De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties.
We verwelkomen bijdragen aan het blad.
Vraag voor een soepele verwerking van uw artikel en/of beelden naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl.

Omslag: Hulzen van een 6 pounder-antitankkanon, in 2009 gevonden in een moestuin aan de Benedendorpsweg in Oosterbeek (foto: Hans van der Velden).

ACHTERGROND PARA MET DE LANGE OREN

Alexander Heusschen / Natalie Rosenberg
Richard Adams is de auteur van Watership Down, de bestseller uit 1972 over een konijnenkolonie in de North Downs-heuvels van Engeland. In de Tweede Wereldoorlog diende Adams bij het Royal Army Ser-vice Corps (RASC). Tijdens Market Garden behoorde hij tot de Seaborne Tail van 1st Airborne Division; verder dan Nijmegen kwam hij echter niet.

Adams met zijn dochters Juliet en Rosamond, circa 1962 (bron: collectie Juliet Johnson en Rosamond Mahony).

Adams modelleerde diverse personages uit Watership Down naar een aantal kleurrijke personen uit de 250 (Airborne) Light Composite Company RASC, een logistieke eenheid van de divisie. Eén van hen was Captain Desmond Kavanagh, Paddy voor intimi.
COUNTERPOINT
Adams baseerde het potige en moedige konijn Bigwig in Watership Down op de voormalig Ierse journalist Kavanagh die zich vrijwillig aanmeldde bij 1st Air-borne. Volgens Adams was Paddy een echte sensatie-zoeker, een para-officier in hart en nieren en boven-dien een echte waaghals. Zijn peloton liet hij trainen terwijl met scherp over hen heen werd geschoten. De kogelgaten in zijn eigen smock na afloop waren het bewijs dat Paddy niet echt onder de indruk was van rondvliegend metaal. Spelletjes met scherpe handgra-naten, “de eerste die wegspringt is een ‘sissy’”, verster-ken het imago van durfal.
Op 19 september 1944 was Kavanagh als pelotons-commandant met een aantal jeeps op weg naar afge-
worpen voorraden in de buurt van Lichtenbeek. Zijn eenheid stuitte even ten noorden van de spoorbrug bij station Oosterbeek Hoog op Duitse weerstand. In zijn autobiografie The day gone by schreef Adams over deze actie: “Paddy grabbed a Bren gun and leapt into the ditch beside the verge, whence he returned the German fire. Sergeant McDowell joined him. ‘Take the blokes, sergeant!’, yelled Paddy. ‘Get them out of here – back through the woods. I’ll cover you.’ ‘You sure of that, sir?’, asked McDowell. ‘Yes’, answered Paddy. ‘Get out! That’s an order!’ […] Sergeant Mc-Dowell told me how you could hear the rrrrip, rr-rrip of the German Schmeissers against the slower rat-tat-tat of the Bren – a dreadful counter-point. Suddenly there was an explosion, and then nothing more.” Kavanagh overleefde deze actie niet. Hij was 25 toen hij sneuvelde.

Desmond Kavanagh

Zijn graf is te vinden op de Airborne-begraafplaats.
Richard Adams overleed in 2016 op 96-jarige leeftijd.

In Airborne Museum at Hartenstein is de kindertentoonstelling Waterschapsheuvel te zien. Informatie: www.airbornemuseum.nl.
In de dependance Airborne at the Bridge in Arn-hem (gratis toegang) is de tentoonstelling The Story behind the Story: Richard Adams’s Watership Down te zien, over het leven van Adams.
Informatie: www.airborneatthebridge.nl.
In Airborne Magazine nr. 18 staan we uitvoerig stil bij de heropening van het museum.

 

EEN GESPREK MET GEERT MAASSEN OVER VIJF VOORWERPEN DIE HEM VORMDEN EN DIE HIJ VORMDE

”IK HEB OVERAL COMMENTAAR OP. IN DE EERSTE PLAATS OP MEZELF”

– Tekst en fotografie: Alexander Heusschen
Zijn naam is verbonden aan een kleine berg aan publicaties over de Gelderse geschie-denis, met de slag om Arnhem als oplichtende goudnerf. Als voormalig archivaris bij de gemeente Renkum en het Gelders Archief, en misschien meer nog als analytisch-kritische geest, blijft Geert Maassen (Oosterbeek, 1952) een vraagbaak voor menig geschiedvorser.
Behoedzaam, zorgvuldig en met gevoel voor proportie praat hij zich aan de hand van vijf belangrijke voorwerpen een weg door het verleden. Zíjn verleden voor deze ene keer.

We treffen elkaar voor de ingang van restaurant Klein Hartenstein. Geert zet net zijn fiets op slot. Een onder-zoekende blik en een stevige handdruk. Eenmaal binnen gaat de menukaart snel aan de kant. Geen lunch van-daag; hij heeft nog andere plannen die middag.Terwijl hij in zijn cappuccino roert, vertelt hij over zijn jeugd op Dreijen, de noordwesthoek van Oosterbeek. “Dat was ons deel. Van de andere hoeken van het dorp, het oos-ten en het zuiden, het benedendorp aan de andere kant van de Utrechtseweg, wist ik niets.” De Steijnweg, zijn geboorteplek. De Mariaweg, waar opa en oma woonden. “Mijn opa verloor zijn been tijdens de slag om Arnhem.
Hij werd op 17 september, in het schemerdonker, door een Duitser in zijn been geschoten. Hij was op tijd in het noodhospitaal in de Tafelberg, maar toen de strijd losbarstte had het medisch personeel wat anders aan het hoofd en vergaten ze hem. Met een amputatie tot gevolg.”


BRITSE PATROON
“Toen ik vier was, verhuisden we naar de Jan van Rie-beeckweg, die toen nog grensde aan de rand van het Bil-derbergse bos. Mijn vriendjes en ik waren net een soort Bende van de Zwarte Hand [Pietje Bell, AH]: altijd in het bos op zoek naar souvenirs, kogels en andere oor-logsrelicten. Van de gebeurtenissen in 1944 wisten we toen nog weinig. Dat brengt me meteen bij mijn eerste voorwerp waarnaar je vroeg.” Geert graaft in zijn zak en haalt een scherpe patroon tevoorschijn. Brits, met het be-kende, donkere lichtglanzende patina van oud metaal dat een tijd in de grond heeft gelegen. Het kaliber doet ver-moeden dat we munitie voor een Lee-Enfield-geweer of Bren-machinegeweer van hand tot hand laten gaan. “Dit is één van patronen die we in grote hoeveelheden vonden.
Het fijne weet ik er verder niet van. Nou ja, Duitse patro-nen hadden los kruit, Britse waren gevuld met staafkruit.
Een paar jaar geleden heb ik, gewoon uit interesse, nog een hele bak met van die staafjes aangestoken. De steek-vlam kwam tot boven mijn hoofd! Het klinkt misschien gek, maar ik heb helemaal niets met voorwerpen. Ook niets met musea of de beleving van het verleden trou-wens. Mij gaat het om de geschiedenis zelf. Ik wil het begrijpen, weten hoe het is gegaan.”

OOSTERBEEK VERWOEST
“Ik maak even een sprong in de tijd naar de jaren ‘60-’70. Mijn vader kocht net na de oorlog foto’s op van de bekende Oosterbeekse fotograaf H.J. Willink. Die foto’s werden veelal gemaakt bij terugkomst na de evacuatie uit het gebied, in 1945 en 1946, als bewijs van de geleden schade. Op die manier kon je vaak in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Jaren later vatte mijn vader het plan op een fotoboek te maken van de verwoestingen. Mijn interesse had de slag toen nog niet, maar helpen wilde ik hem wel. En dus trokken we er samen op uit om de gefotografeerde plek-ken te bezoeken, en zijn we gaan praten met de bewo-ners. Zo verzamelden we veel verhalen die later de kern zouden gaan vormden van het boek Oosterbeek verwoest | Oosterbeek destroyed 1944 1945, dat uitkwam in 1980.


Zo ontstond eigenlijk mijn interesse in geschiedenis. Niet per se in lokale geschiedenis overigens. Gewoon, het fijne van dingen willen weten, het tot op de bodem uitzoeken van wat er nou eigenlijk is gebeurd.” Toch duurde het even voordat Geert van deze analyti-sche gaven zijn beroep kon maken. Het glibberige pad voerde aanvankelijk langs de School voor de Grafische Vakken en de Stichting Opleiding Leraren, in Utrecht, via een baan als leraar in Arnhem naar de burelen van de gemeente Renkum. Geert: “Ik had het helemaal niet in me om leraar te worden, dat geef ik eerlijk toe. Mijn tweede jaarcontract kwam ten einde en ik besloot naar de Rijksarchiefschool te gaan. Omdat ik na het behalen van mijn diploma niet meteen werk vond, mocht ik met behoud van mijn uitkering aan de slag bij de gemeente, hier iets verderop in het dorp. Daar kreeg ik tot taak, of beter gezegd, nam ik het op me, om uit te zoeken wat er nog over was van het papieren Renkumse verleden. Wanneer je namelijk de Gids voor de archieven in Gelderland opensloeg, stond er maar één zinnetje bij Renkum: ‘Het archief van de gemeente Renkum is in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan’. We hadden wel een mooie collectie boeken en prentbriefkaarten, maar nagenoeg geen archivalia van vóór 1945.
Zowel de administratie als het archief gingen verloren toen het gemeentehuis in een grote villa in Bato’s Wijk uitbrandde in het laatste oorlogsjaar. Daarmee was in één klap de ruggengraat van de gemeentegeschiedenis weg.
Ik haalde overal plukjes vandaan. Van de politie, van de Sociale Dienst, van de Dienst Gemeentewerken, en noemde dit maar het gemeentearchief. Er bleek in ieder geval nog het nodige aanwezig, zoals alle uitgaven van de Oosterbeekse Courant van 1899 tot 1941. Toen ik in 1983 een aanstelling kreeg waren er inmiddels een aantal bladzijden voor Renkum in de Gids voor de archieven.
Dit was ook de tijd waarin ik met Aad Groeneweg, toen bestuurder bij het Airborne Museum, zocht naar interes-sante informatie om toe te voegen aan onze collecties. Alle archivalia over de slag gingen naar het museum. Daar zat ook de meeste kennis. De rest kreeg ik. Ik weet nog dat we samen naar het huis zijn gegaan van Hendrika van der Vlist; van haar nabestaanden ontvingen we het complete manuscript van Die dag in september.

DE POLEN VAN DRIEL | ROLL OF HONOUR
“Mijn vader kwam uit Driel. Op een gegeven zei hij: ‘We moeten ook een boek maken over de Polen’.” Een twee-de grote klus was geboren. Adressen van Poolse vetera-nen over de hele wereld werden verzameld en Geert en zijn vader schreven alle mannen persoonlijk aan. Geert met een lach: “Waar we even geen rekening mee hadden gehouden was de hoeveelheid reacties. En uiteraard alle-maal in het Pools. Potverdorie! Eén van de reacties was van George [Cholewczynski, AH], een Amerikaan van Poolse afkomst, die bezig was met zijn onderzoek naar de geschiedenis van de brigade. Hij wilde de boel wel voor ons vertalen. Ik zei daarop: ‘Als jij nou eens dat boek gaat schrijven, dan helpen we jou’.” En zo geschiedde: in 1990 verscheen het standaardwerk De Polen van Driel, nog


steeds een veel gezocht werk. Geert: “Eindelijk gerechtigheid, althans zo voelde het voor ons. In Driel hebben de Polen nooit een slechte naam gehad, maar daarbuiten wel. We waren de eersten die dat iets konden doen aan de naamszuivering.” Een ander ‘levenswerk’ waaraan Geert veelvuldig heeft bijgedragen is de door Jan Hey opgezette Roll of Honour, Battle of Arnhem September 1944. Voor het eerst uitgege-ven door de VVAM in 1986 en sinds 2011 verkrijgbaar als geheel herziene vijfde druk. Ook dit boek is verplichte kost voor iedere ‘armchair general’. Geert: “Met de on-derzoeken voor dat boek hebben als team echt onvoor-stelbare dingen boven water weten te halen. Allemaal minder leuke informatie, maar wel essentieel voor het be-grijpen van de slag. Geert: “Met name bij het ruimen van veldgraven net na de oorlog ging het nodige mis. Namen en kaartcoördinaten werden verkeerd overgenomen in de administratie, datums werden verwisseld. Als je de na-men op de metalen kruizen op de Airborne Begraafplaats uit 1946 vergelijkt met de huidige situatie, vind je soms andere namen op het hetzelfde graf. Dat heeft allemaal te maken met die verkeerde administratie.” Dat het verzamelen van de juiste gegevens niet altijd zon-der slag en stoot gaat, weet Geert als geen ander. “Het kost jaren en jaren om documenten, foto’s, getuigenver-klaringen en verhalen van familieleden van gesneuvelden na te trekken. En tegenwoordig duurt dat, zeker met die wat doorgeslagen privacybescherming, steeds langer.
Daarbij komt ook dat ik een perfectionist ben. Ik heb overal commentaar op. In de eerste plaats op mezelf.”

GELDERS ARCHIEF
“En nu ga ik een beetje smokkelen. Mijn vijfde voorwerp is namelijk geen voorwerp, maar het Gelders Archief, een naam die ontstond bij een grote archieffusie tussen Arn-hem, Renkum, Rheden, Rozendaal en het Rijksarchief in Gelderland. In eerste instantie vond ik die samensmelting helemaal niks. De cultuur werd anders. Het werd onper-soonlijker. Gebruikers persoonlijk begeleiden was er niet meer bij. En juist dat vond ik het mooie van mijn werk: mensen helpen, vragen naar tevredenheid beantwoorden.
Achteraf ben ik er toch blij mee. Er kwam veel meer in-formatie digitaal beschikbaar: catalogi, beeldbanken… Ik leerde zelf heel veel bij over de geschiedenis van Arnhem.
En niet onbelangrijk: ik heb in het Gelders Archief mijn huidige vrouw leren kennen: Judith.” Geert leunt achter-over en trekt zijn wenkbrauwen op: “Wat dus als de fusie er nooit was geweest?” In 2018 volgde zijn pensioen. Het verleden is echter nooit ver weg. Geert: “Neem de Roll of Honour. Daar ben ik in feite nog steeds mee bezig: ik verzamel gegevens, nog altijd worden er veldgraven gevonden en ik ontvang maandelijks e-mails van mensen die correcties voorstel-len. En ik heb nu veel meer tijd om Judith te helpen met haar Tekstbureau MorfeeM.” Zijn terloopse opmerkin-
gen over het 4th Battalion van The Dorset Regiment en de Polen bij de Johannahoeve doen vermoeden dat hij nog meer speelkaarten in z’n mouw heeft zitten.
De ober vraagt ons of we misschien tóch nog willen lun-chen. In plaats daarvan dist Geert nog een laatste anekdo-te op. Over een complete Lee-Enfield met bajonet die hij een aantal jaren geleden vond, midden op het pad langs Hackett’s Hollow, nog geen drie centimeter onder de aar-de. Het wapen heeft nog jaren in het Airborne Muse-um gelegen. Hij buigt voorover: “Ik wil nog even gezegd hebben dat ik absoluut geen deskundige van de slag om Arnhem ben. Wat ik wél mee heb is dat ik logisch kan nadenken en redeneren. Ik weet waar ik mijn informatie kan vinden, én ik ben zorgvuldig.” Terwijl we naar het Airborne-monument tegenover Har-tenstein lopen, zegt Geert: “Ik maak zo nog een rondje door mijn oude buurt. Fiets ik even langs de plekken waar ik vroeger heb gewoond.” Of het de leeftijd is die nostalgisch maakt, wil ik weten. “Met leeftijd heeft het volgens mij niet veel te maken”, antwoordt hij. Daarna is het even stil. “Ah, zou best eens kunnen”, zegt hij uit-eindelijk. Als de foto’s bij het Airborne-monument zijn gemaakt stapt Geert op zijn fiets. Een paar tellen later kijk ik over mijn schouder. Hij is al verdwenen.

Opnames in het Gelders Archief voor een WOII-documentaire van Omroep Gelderland – 2017. Tweede van rechts: Geert Maassen (bron: het Gelders Archief op Twitter).

MINISTORY 133 EEN EINDE AAN HET MYSTERIE VAN DE OVERSTEEK BIJ OOSTERBEEK?

– Bob Hilton

De vraag waar 1st Parachute Battalion het spoor bij Oosterbeek overstak in de nacht van 17-18 september 1944 houdt geïnteresseerden in de slag om Arnhem al decennia bezig. In Airborne Magazine nr. 14 van april 2019 werd nog aandacht besteed aan dit kleine myste-rie; de plek werd dit keer gesitueerd op zo’n 1.200 meter ten westen van station Ooster-beek Hoog. Als vriendschappelijke voorzetting van de discussie deel ik graag mijn kijk op de zaak met u. Het beslissende bewijs komt uit onverwachte hoek.

Als iets kenmerkend is voor de geschiedschrijving van Market Garden, dan is het wel de gedetailleerdheid van de beschikbare bronnen. Helaas geldt dit niet voor de bewegingen van 1st Parachute Battalion tijdens de eer-ste donkere uren van de slag. Simpelweg omdat in het war diary van de gevechtseenheid heel weinig is opge-nomen over die cruciale nacht. Voordat ik dieper in ga op het ontkrachten van de constatering dat de over-steek ten westen van Osterbeek plaatsvond (bij coör-dinaten 689796, zoals in ABM 14 uiteengezet), kijken we eerst maar eens naar de landing van 1st Bn.
VERZAMELEN
De air lift van 1st Parachute Battalion vond plaats in twee etappes: één op zondag 17 september, en één op maandag 18 september. Mannen en materieel werden vervoerd met 34 C47-troepentransportvliegtuigen (Dakota’s) van de 61st Troop Carrier Group, 52nd Troop Carrier Wing van de Amerikaanse luchtmacht.
Ze zaten in de laatste serie vliegtuigen (A-26) met chalk numbers 85 t/m 118. De eenheid landde die zondag om 14.03u op Drop Zone (DZ) X op de Ren-kumse Heide. Het bos ten noorden van het Jonkers-hoeve-boerderijcomplex diende als verzamelgebied voor het bataljon. Het materieel van de eenheid was eveneens verdeeld over twee lifts:

Deel 1 op 17 september 1944:

• Vier Horsa-gliders van D Squadron, The Glider Pilot Regiment (GPR), landden op LZ Z. Deze zweefvliegtuigen vervoerden acht jeeps en twaalf man van HQ Company, met aan boord extra munitie en andere voorraden.

• Eén Hamilcar-glider van C Squadron GPR. Dit toestel landde op LZ Z. Aan boord waren vier man van HQ Company en twee Bren Carriers met 3-inch-mortiermunitie.

• Glider met chalk number 462 kwam neer in de Noordzee. Dit toestel was toegewezen aan HQ Coy.
De bemanning, bestaande uit Colour Sergeant Cook en Privates Harper en Rogers, kon worden gered. De twee jeeps gingen verloren.1 Door dit ongeluk beschik-te het bataljon uiteindelijk maar over zes jeeps.

Deel 2 op 18 september 1944:

• Vier Horsa-gliders van G Squadron GPR landden op LZ X. Deze zweefvliegtuigen vervoerden vier jeeps, vijf aanhangwagens en twaalf man van het mortierpeloton van het bataljon, compleet met re-servemunitie en voorraden.

• Tenminste één van deze zweefvliegtuigen kwam te vroeg aan de grond, elders in Nederland. De be-manning sloot zich later aan bij het bataljon: R Company bleef achter bij het hoofdkwartier van de divisie in Oosterbeek.2 Aan het bataljon waren verbonden:

• Vier 6-pounder-antitankkanonnen, getrokken door jeeps van A Troop, 1st Airlanding Anti-Tank Batte-ry RA, minus het kanon (A1) van Sergeant Atkin-son dat terecht kwam bij Nijmegen na een vroegtijdige gliderlanding.3

Kaart 1. Het bataljon kreeg de opdracht te vertrekken om 15.40u. Deze kaart laat zien hoe uitgestrekt een pa-rachutistenbataljon kan zijn bij verplaatsing in een ko-lom: zo’n 1000 meter. R Company vormde de spits, met net daarachter het Tactical HQ van de bataljonscom-mandant, gevolgd door S Company, Battalion Main HQ, HQ Company (met de Support-Weapons Group, minus detachementen), de aan het bataljon toegevoegde eenheden en T Company in de achterhoede.

Dit betekende dat het bataljon kon beschikken over slechts drie 6-pounders met elk een jeep, én een jeep bij Troop HQ. Het tweede voertuig van het hoofdkwartier werd ingedeeld bij de tweede air lift een dag later.4 • T wee 17-pounder-antitankkanonnen, getrokken door Morris quad-tractoren van P Troop, 1st Air-landing Anti-Tank Battery RA.
Vanwege de ernstige crashlandingen van de Hamil-car-zweefvliegtuigen met de 17-pounders, vond een-maal aangekomen bij Wolfheze, een reorganisatie plaats: slechts één van deze stukken ging mee met 1st Parachute Battalion. Met de zware verliezen van D Troop was het al snel essentieel dat de boel werd herverdeeld. Lieutenant Ryall kreeg de opdracht met sergeant Rams en diens 17-pounder mee te gaan en 1st Bn. naar Arnhem te volgen.5 Lt. Driver en zijn Forward Observation Team van E Troop van het 1st Airlanding Light Regiment Royal Artillery (RA), Capt. Caird met zijn team van No.1 Forward Observer Unit RA, een Recce Section van A Troop van het 1st Parachute Squadron Royal En-gineers en Capt. Kaye met zijn No.1 Section van de 16th Parachute Field Ambulance, Royal Army Medi-cal Corps moesten het zonder jeeps stellen.
DE OPMARS
De opdracht van 1st Parachute Battalion was als re-serve te wachten bij de DZ totdat de andere twee parachutistenbataljons waren vertrokken. Om ver-volgens, als alles goed ging, via een noordelijke route naar Arnhem te gaan, waar een defensieve positie zou worden ingenomen aan de noordrand van de stad.
DE DISCUSSIE EN DE FEITEN
In een poging de verschillende mogelijkheden te ver-duidelijken, zal dit artikel de bekende feiten tegen het licht houden om te kijken of het mogelijk is een goed onderbouwde inschatting te maken van wat zich heeft voorgedaan tussen 03.00u en 04.30u in de nacht van 17-18 september.

Kaart 2. De kaart toont de mogelijke oversteek-plaatsen die sinds 1944 zijn genoemd: [A] De spoor-wegovergang in Oosterbeek. [B] Een gebied tussen 300 en 800 meter van station Oosterbeek. [C] Een oversteekplek voor spoorwegwerkers/lorrie-uitzet-plek (zie Ministory 130, Airborne Magazine nr. 14).
Het eerste dat aandacht verdient zijn de tijden. Om 03.00u [2] stuit het bataljon op de vijand in de buurt van coördinaten [grid of Gr] 697797, even ten westen van de Dreijensweg. De volgende notitie is om 04.30u [3], wanneer het bataljon de kruising bereikt bij co-ordinaten 709783, in de buurt van de Schelmseweg.

Het eerste dat aandacht verdient zijn de tijden. Om 03.00u [2] stuit het bataljon op de vijand in de buurt van coördinaten [grid of Gr] 697797, even ten westen van de Dreijensweg. De volgende notitie is om 04.30u [3], wanneer het bataljon de kruising bereikt bij co-ordinaten 709783, in de buurt van de Schelmseweg.

Kaart 3. Passages uit het war diary van 1st Parachute Battalion:[1] 1st Para Bn overnight position. [2] 03.00 hrs. Very bad going through woods with [6 Pdr] guns, [Bren] Carriers, etc. Bumped enemy post X tracks Gr:697797 (approx) – caused enemy casualties – enemy withdrew (Major Bune and Mortar Det mis-sing). [3] 04.30 hrs. Reached road junction Gr:709783. [4] S-Coy ran into enemy fire from astride road at Gr:713782. [5] 3rd Parachute Battalion, overnight position – 17th/18th September 1944.

Kort daarna komt S Company terecht in vijandelijk vuur van weerszijden van de weg. De eenheid bevindt zich nu vlak voor Mariëndaal – grid 713782 [4].
Dit betekent dat ze in anderhalf uur tweeëneenhalf tot drie kilometer aflegden, ‘s nachts en met de vijand in de buurt. Als dit wordt vergeleken met de andere acties en verplaatsingen van het bataljon, dan mag dat een hele prestatie worden genoemd. Hoe hebben ze dit voor elkaar gekregen?
BEOORDELING VAN DE SITUATIE
Laten we even terugkeren naar het punt waar 1st Bn. de spoorlijn overstak, om vervolgens te kijken naar de route die de eenheid vervolgens volgde. In de oogge-tuigenverslagen komt in ieder geval een aantal interes-sante zaken naar voren:
Lt.-Col. Dobie’s zegt in zijn persoonlijke dagboek: “Ik besloot uit te wijken naar het zuiden, tegen deze tijd was het donker. Omdat ik geen verbinding had met ‘Tim’ [Major John Timothy, commandant van R Coy., BH], stuurde ik John B. [Major John Bune, de plaatsvervangend commandant van het bataljon, BH] om R Company aan het gevechtscontact te ont-trekken; Major Bune was al een tijd weg. Uiteindelijk kwam hij terug met Toby M. [Capt. Peter Mansfield, plaatsvervangend commandant van R Company, BH] die me liet weten dat 50% van de eenheid was uitge-vallen en ze probeerden te evacueren. Op dat moment kwam er een aantal Duitsers [red.: Dobie gebruikt het scheldwoord “Boche”] over het pad, waarop Chris’ mannen [Major Chris Perrin-Brown, commandant van T Company, BH] het vuur openden – ze stopten de Duitsers, maar verloren zelf zes man. Ik besloot de positie te verlaten en een paar gidsen achter te laten voor Tims achterblijvers – Sgt. Floyd [van de Intelli-gence Section, BH].” Dobie vervolgt op maandag 18 september: “Nacht-merrieverplaatsing door het donker over paden in dichtbegroeide bossen, verplaatsing van mannen en materieel onder bijzonder zware omstandigheden – geen enkele draadloze verbinding doet ook maar iets – geen contact met Gerald [Brig. Gerald Lath-bury, commandant van 1st Parachute Brigade, BH].
Twee keer stuitten we in het donker op de vijand die overal lijkt te zitten. Rond dat tijdstip lukte het om de hoofdweg (‘Tiger’) [red.: de Utrechtseweg, tevens de route van 3rd Parachute Battalion] te bereiken en draaiden we naar het oosten om via een omweg ons doel te bereiken. Ron [Major Ronald Stark, com-mandant van S Company, BH] was bij het voorste element van de kolonne. We gingen net weg bij R. [Major Stark] toen hij onder zwaar kruisvuur kwam van beide kanten van de weg, een omtrekkende bewe-ging was niet meer mogelijk. Dus vielen we aan over de linkerkant – van achteren begonnen sluipschutters te schieten.” Dan is er dit verslag van Sergeant Robert ‘Bob’ Quayle, 10 Platoon, T Company: “Maandag 18 sep-tember 1944. In de ochtend staken we de spoorlijnen opnieuw over, we waren nog steeds omringd door bo-men.6 S Company was vóór ons uit en mijn peloton was niet op volle sterkte. Sommigen waren ‘s nachts verdwaald. Mijn pelotonscommandant, Lieutenant Eric Davies, was ook verdwaald. We bereikten uiteindelijk de geasfalteerde weg en draaiden opnieuw oostwaarts, in de richting van Arnhem. We waren aan de rand van Oosterbeek.

Foto1. Curtis: “Aan de noordkant, station Oosterbeek naderend, deze brug werd vernietigd in 1940. De Duitsers bouwden een houten brug met planken van 7 bij 2 inch. Aan de rechterkant bij de wegwijzer stond een beschadigd huis, met een Panther-tank verstopt tussen de tabaksplanten in de achtertuin.
De Duitse tank maakte geen enkel geluid – wij ook niet!! 1st Para ontmoette de Nederlandse onder-grondse op de houten brug. Het waren stille mannen – in ‘mufti’ – maar goed bewapend. Ze droegen een armband met het woord ORANJE in zwarte letters van 23/4 inch op een oranje achtergrond. De tijd was 06.00u, maandag 18 september. Afgelegde afstand vanaf D.Z. = vijf mijl.”

 

Foto 2. Curtis: “Na het verlaten van de DREIJENSE-WEG, aan de noordkant van de houten brug, betrad ik Stationsweg nr. 38, OOSTERBEEK, 200 meter van het station – gemarkeerd met een X. Ik ging ook bin-nen bij HUISE SVACO, waar een Nederlands echtpaar, meneer en mevrouw CARTENS, woonde. De heer T.H.
MOOIJ, die in 1944 op de Stationsweg woonde, merk-te dat hij door de loop van een .38-revolver keek toen hij zijn deur opende voor een para-officer. De huizen op de foto hebben de slag in 1944 overleefd en wor-den nog steeds bewoond. Tijd op dit punt, 06.45u, maandag 18 september. Afgelegde afstand vanaf D.Z. = vijf-en-een-kwart mijl.”

L/Cpl. Geoffrey ‘Geoff’ Stanners van No.1 Section, 16th Parachute Field Ambulance RAMC, verbonden aan 1st Bn. zegt in een interview met Niall Cherry voor het boek Red Berets & Red Crosses op pagina 104: “Het gezelschap waarvan Geoff Stanners onderdeel uitmaakte, stak de spoorweg over via de brug bij sta-tion Oosterbeek, liep de Stationsweg af in zuidelijke richting (het was nu de ochtend van de 18e) en sloeg linksaf bij een kruising met een aanwijsbord voor Arnheim (de Duitse spelling). Die dag werd langzaam
vooruitgang geboekt in de richting van Arnhem, waarbij we tussen elementen van het 3rd Battalion terecht kwamen.” Pte. Henry McAnelly, 2inch-mortarman, 5 Platoon, S Company: “Bij de Leeren Doedel stonden vieren Duitse tanks […] Na een uur vechten […] kregen we het bevel onmiddellijk in zuidelijke richting te mar-cheren om het 2nd Battalion bij de Arnhemse brug te ondersteunen […]. We trokken op door de bossen van Johannahoeve, waar we felle tegenstand onder-vonden. Uiteindelijk bereikten we Oosterbeek. Ver-kenners werden vooruit gestuurd, maar die zagen we niet meer terug. De verkenning werd geleid door Sgt.
Kelly. In Wolfheze bood een 16/17-jarige jongen zijn diensten aan (Karl Doorman). Col. Dobie ging in op zijn aanbod. Ze bestudeerden de kaart om de snel-

Kaart 4

Kaart 5. [1] Verplaatsingen van 1st Parachute Battalion. [A] De locatie waar R Company in gevecht raakte met elementen van de 9. SS-Panzer-Division en de plek die de Duitsers markeerden als locatie waar Major Bune waarschijnlijk de dood vond. [B] De positie van 1st Para Bn. gedurende de nacht, en waar in het Duitse document staat: “Ingegraven voor de nacht. R Company teruggeroepen, gaat niet door met nachtelijke verplaatsing”. [C] De brug van treinstation Oosterbeek Hoog. [D] Uit de weergave van de Duitse verdedigingspositie lijkt dat deze ten oosten lag van de kruising van de Dreijenseweg en de spoorbrug. De brug moet dus te passeren zijn geweest. [E] Het hoofdkwartier (waarschijnlijk) van SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler. (bron: Gelders Archief, 2171 Collectie Boeree, 53-003. Bewerking: Leo van Midden).

Station Oosterbeek Hoog in 1930, kijkend in de richting van Arnhem (bron: ansichtkaartverzameling Bob Hilton).

ste route naar onze bestemming te vinden […]. En dus bereikten we de spoorbrug bij station Oosterbeek Hoog, daarna gingen we verder richting Arnhem.”7
CURTIS’ SCHETSEN
Veruit het meest gedetailleerde account komt van de voormalige L/Cpl. ‘Reg’ Curtis van het Mortar Pla-toon. Hij bezocht het slagveld van Arnhem vaak om zijn tocht van destijds over te doen.
Samen met zijn verslag en aantekeningen schetste Curtis een kaart met de bewegingen van 1st Parachu-te Battalion op 17 en 18 september 1944: kaart 4.
De route die het bataljon volgens hem nam, heb ik met blauw gemarkeerd. Een deel hiervan is onnauw-keurig, maar hij is heel duidelijk over het oversteken van de brug en de verdere opmars over de Stations-weg en de Utrechtseweg. Het is zeer waarschijnlijk dat S Company zich niet ten noorden van de spoorlijn verplaatste (zoals aangegeven op de schets), maar de Parallelweg volgde, oprukkend op de linkerflank van het bataljon.
Hieruit blijkt ook dat 3rd Parachute Battalion, ko-mend vanaf de westelijke rand van Oosterbeek, geen observatie- of luisterposten kan hebben gehad op het
kruispunt van de Utrechtseweg / Stationsweg in de nacht van 17-18 september, anders zouden ze zich zeker hebben aangesloten bij 1st Battalion. Het lijkt erop dat B Company van 3rd Bn. zich op dat mo-ment ter hoogte van Hartenstein bevond, met de hoofdmacht van het bataljon ten westen van hen en

De brug bij station Oosterbeek Hoog over de spoor-lijn Arnhem-Utrecht. In september 1945 werd op de plek van de vernietigde brug een Bailey-brug ge-plaatst, gevolgd door de huidige brug in 1949 (foto: H.J. Willink).

A Company achteraan, net ten oosten van kruispunt De Koude Herberg. Het hele bataljon rukte op aan weerszijden van de Utrechtseweg.
CONCLUSIE
Zijn er andere aanwijzingen voor de bewegingen van 1st Battalion? Zeker, maar deze komen uit een nogal onverwachte bron: een kaart van het II. SS-Panzer-Korps, samengesteld door militair historicus luite-nant-kolonel b.d. Theodoor Boeree.
Het lijkt duidelijk dat de hoofdmacht van 1st Para-chute Battalion rond 04.00u de spoorlijn overstak via de brug bij Station Oosterbeek Hoog, waarna S Com-pany waarschijnlijk onmiddellijk linksaf de Parallel-weg nam. De rest van het bataljon vervolgde zijn weg richting Arnhem via de Stationsweg en Utrechtseweg.
Het is waarschijnlijk dat T Company, als achterhoede, de spoorlijn net ten westen van de brug overstak om de ‘flank’ van het bataljon ter verdedigen. S Company lijkt zich weer bij het bataljon te hebben gevoegd op de Utrechtseweg, ter hoogte van de kruising met de Noorderweg, waar ze de spitspositie weer overnamen.
De compagnie werd vervolgens om 04.30u beschoten bij Mariëndaal.
Ik heb geen bewijs kunnen vinden dat elementen van 1st Parachute Battalion het spoor overstaken bij de lorrie-uitzet ten westen van Oosterbeek.

Dirk Hoekendijk laat in een reactie op de bevindingen van Bob Hilton weten: “In mijn artikel in Airborne Magazine nr. 14 ben ik, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, uitgegaan van veronder-stelling dat de Duitsers het station en de spoor-brug bij Oosterbeek minimaal onder waarneming zouden hebben in de nacht van 17-18 september 1944. Dit blijkt niet juist, gelet op de door Hil-ton aangevoerde citaten. Deze situatie verander-de echter op de ochtend van 18 september, toen daar de Alarm Kompanien van SS-Panzergrena-dier-Regiment 19 en 20 van de 9. SS-Panzerdivi-sion werden ingezet. Zie Kampfraum Arnheim; A photo study of the German Soldier fighting in and around Arnhem September 1944 (Alberta, 2013), pp. 200 t/m 213.”

Station Oosterbeek Hoog in de jaren ‘50, kijkend in de richting van Wolfheze (bron: ansichtkaartverza-meling Bob Hilton).

1 Brief van dhr. J.D. Andrews aan het Airborne Forces Museum, Aldershot, 21 juni 1994. 2 Ministory 44 (VVAM, nov. 1994) en brief van Eric Seal, 23 oktober 1996. 3 Brief van ‘Herbie’ Atkinson aan ‘Bob’ Hilton, 20 juli 1995.
4 After action report, 1st Airlanding Anti-Tank Battery RA, war diary, september 1944. 5 Howe, John C., ‘Point Blank, Open Sights’ (1999), p. 61. 6 Noot van de redactie van Airborne Magazine: Saillant is dat Quayle het in zijn dagboek heeft over “re-crossing the railway lines, still surrounded by trees”. Dobie zegt: “Nightmare journey in the dark across tracks in thick woods”. Kan Dobie met het woord ‘tracks’ wellicht de spoorlijn bedoeld hebben? Dit zou betekenen dat (een deel van) zijn eenheid die nacht eerst in zuidelijke richt-ing het spoor overstak (“across tracks”) en later die nacht weer in noordelijke richting (“re-crossing the railway lines”), om vervolgens aan de noordzijde van het spoor op te rukken naar Oosterbeek. Bob Hilton meent dat “re-crossing” refereert aan de uiteindelijke oversteek via de brug bij station Ooster-beek Hoog. De eerste “crossing” verwijst in deze uitleg naar de spooroversteek bij Wolfheze (in noordelijke richting) na de landing op 17 september. 7 Interviewinformatie, via Graham Francis, in een e-mail van 29 april 2019.

Conflictarcheologie Hulzen in een moestuin

(LINK NAAR GEPUBLICEERD ARTIKEL)

ONDERTUSSEN 101ST AIRBORNE DIVISION IN DE SLAG BIJ BEST

Op zaterdag 23 mei organiseert de Vereniging Vrienden van het Airborne museum de battlefield tour Market Garden – Gevechten van de 101st Airborne Division in en rond de Sonse
Bossen. De wandeling van zo’n tien kilometer over het voormalige slagveld staat onder leiding van expert Edwin Popken. Zijn artikel vormt een inleiding voor deze tour.
– Edwin M.A. Popken MA

De Amerikaanse 101st Airborne Division van Major General Maxwell Taylor kreeg een lastige taak tijdens operatie Market Garden. De divisie moest in een ge-bied van 23 strekkende kilometer maar liefs dertien bruggen, plus bijbehorende dorpen en steden, veilig-stellen voor het Britse XXX Corps: vier in Eindhoven, drie bij Son, twee in Sint-Oedenrode en vier bij Ve-ghel. Taylor kon niets anders besluiten dan de divisie als zelfstandige regimenten te laten opereren en de acties op bataljons of lager niveau uit te voeren.
Taylor was bijzonder ongerust over Son. Zouden de Duitsers de bruggen bij Son, met name de hoofd-verkeersbrug, tot ontploffing brengen of in Duitse handen houden, dan zou niet alleen de opmars van XXX Corps in gevaar komen, maar was ook zijn di-visie effectief afgesneden. Er was een alternatief vijf kilometer westelijk. Buiten het divisiegebied en op de hoofdweg van Eindhoven naar ’s-Hertogenbosch lag nog een verkeersbrug, en iets verderop een spoorbrug.
Hoewel zijn divisie al uitgerekt zou zijn en verspreid over drie dagen zou arriveren, was het zekerstellen van een aansluiting met de Britten vitaal genoeg om troepen naar deze bruggen te sturen.1 Maar liefst één peloton!
Lieutenant Colonel Robert G. Cole van het 3rd Bat-talion 502nd Parachute Infantry Regiment (3/502 PIR) vond een peloton te weinig. Hij vroeg om, en kreeg, toestemming een versterkte compagnie te stu-ren, in totaal 200 man. H Company (H/502), onder Captain Robert Jones, aangevuld met een peloton ge-nisten onder Lieutenant Moore plus een sectie lichte
machinegeweren onder Lieutenant Gay, kreeg deze opdracht. Terwijl na de luchtlanding alle Amerikanen in noordelijke en zuidelijke richting zouden trekken, zou H/502 geheel alleen de westelijk gelegen bruggen bij Best moeten innemen.
LUCHTLANDING EN INITIËLE OPMARS
Op 17 september 1944 vanaf 14.00u landen de drie parachutistenregimenten van de 101st Airborne Divi-sion op drie plekken.2 501 PIR komt noord en zuid van de Zuid-Willemsvaart bij Veghel aan de grond om de vier bruggen daar te veroveren. 502 en 506 PIR landen op de Sonse Heide. 506 PIR trekt naar Son om de bruggen in te nemen en door te stoten naar Eindhoven. 1st Battalion 502 PIR (1/502) gaat naar Sint-Oedenrode en het 2nd Battalion (2/502) blijft ter beveiliging op het landingsterrein. Het versterkte H/502 trekt naar de bruggen bij Best, terwijl de rest van 3/502 in divisiereserve zou gaan bij Son.
Drie kwartier na de landing zijn de Amerikanen ver-zameld en begeven ze zich naar hun doelen; zo ook H/502. Initieel verloopt de opmars voorspoedig en zonder weerstand. Halverwege stopt Jones om zich te heroriënteren. Later stelt Jones, in een verslag, dat hij op de kerktoren van Best navigeerde, maar deze door een stuk bos uit het oog was verloren. Hierdoor boog hij te ver richting Best in plaats van naar een punt op de hoofdweg Eindhoven-’s-Hertogenbosch, zo’n 600 meter zuidelijker en dichter bij de bruggen.
Gaandeweg komt de groep steeds meer onder vuur, maar blijft recht op Best af gaan. Hoewel het dorp

op dat moment alleen door een Flak-Abteilung wordt verdedigd, zou Best snel een horzelnest worden. Op het Hauptquartier van XXXVIII Armeekorps in ’s-Hertogenbosch worden de landingen al na enke-le minuten gemeld. Meteen wordt besloten het lan-dingsterrein bij Son te heroveren vanuit de richting Sint-Oedenrode (noorden) en vanuit Best (westen).
Best fungeert als Duitse verzamel- en uitvalsbasis en is daarmee van vitaal belang. Binnen 30 minuten ver-trekt het 1. Bataillon van SS-Polizei Regiment 3 (I./ SS-Pol.3) vanuit Tilburg naar Best. Feld Ersatz Ba-taillon 437 (FEB 437) en het 1. Bataillon van Grena-dier Regiment 723 (I./723) gaan ook naar Best. Tot slot wordt de 59. Infanterie Division (59. ID), dat net over de Schelde was geëvacueerd naar Walcheren, naar Best gecommandeerd. Hun aankomst zou de nodige tijd vergen; op dit moment heeft Capt. Jones echter zijn handen al vol aan de reeds in Best aanwe-zige troepen.
PROBLEMEN BIJ DE OPMARS
Jones’ oorspronkelijke plan was om zijn 1st Platoon Best in te laten innemen en bij het kruispunt een wegblokkade op te zetten. 3rd Platoon en Company Headquarters zouden zuidelijk daarvan positie inne-men, terwijl Lieutenant Wierzbowski’s 2nd Platoon met de genisten en de sectie lichte machinegeweren kregen de twee bruggen toegewezen. Maar zover komt het niet. Bij de kruising van de weg naar Best met de hoofdweg Eindhoven-’s-Hertogenbosch loopt H/502 vast. De Duitsers hebben langs de hoofdweg
en bij het kruispunt hun verdediging ingericht.
Vanaf het begin is de Duitse weerstand vanuit Best intens. Jones moet 3rd Platoon en een sectie van 2nd Platoon inzetten op de rechterflank om te voorkomen dat zijn 1st Platoon geflankeerd wordt. Met moeite houden de Amerikanen hun positie; de verliezen lo-pen snel op. Dan verschijnt vanuit de richting ’s-Her-togenbosch een colonne Duitse vrachtwagens, vooraf-

1 Net als bij de Britten bij Arnhem en de Amerikanen rond Nijmegen, werd ook het operatieplan van de 101st Airborne Division beïnvloed door het tekort aan trans-portvliegtuigen. Taylor’s plan was om op 17 september de drie parachute infanterie regimenten te laten landen, plus het meest noodzakelijke per glider (70 stuks). Op 18 september was het 327st Glider Infantry Regiment aan de beurt. En niet eerder dan 19 september zouden de bulk van de artillerie en de ondersteunende troepen arriveren.

2 Nederlandse tijd. De Amerikanen gebruikten Green-wich Mean Time. Hoewel Groot-Brittannië voor de duur van de oorlog op (dubbele) zomertijd was overge-gaan om de klok met het vasteland gelijk te trekken, waren de Britten de nacht vóór Market Garden weer op ‘wintertijd’ overgegaan, terwijl het in Duitsland en door Duitse bezette Nederland nog zomertijd was.
Effectief was daarom tijdens Market Garden sprake van een normaal tijdsverschil van een uur.

gegaan door een motorrijder. Jones wil de colonne in een hinderlaag laten lopen, maar dat mislukt doordat enkele Amerikanen voortijdig het vuur op de motor-rijder openen en de eigenlijke colonne ruim vóór de hinderlaag stopt. 200 Duitse soldaten van SS-Polizei Bataillon 3 verlaten de kolonne en vallen aan, onder-steund met hun 20mm-kanonnen. Jones’ problemen worden snel groter en wanhopiger.
Wierzbowski’s 2nd Platoon, minus één sectie, is on-dertussen richting de verkeersbrug gegaan, wanneer Wierzbowski een aantal Duitsers in de rug van H/502 ziet. Hij besluit erop af te gaan en splitst zijn groep in tweeën. Eén groep, onder Lieutenant Duffy, moet een omtrekkende beweging maken, terwijl Wierzbowski met de ander groep direct aanvalt. Duffy vertrekt met zijn groep, maar zonder radio, en raakt contact met de compagnie kwijt. Jones houdt radiocontact met het bataljon. Het bataljon, net in haar reserveposi-
tie ten noorden van Son, krijgt rond 17.00u bericht dat H/502 sterke tegenstand te verduren heeft. Om 17.45u volgt een tweede, wanhopiger bericht. Tegen 19.00unbesluit het Regimental Headquarters dat 3/502 te hulp moet schieten. Jones krijgt per radio het bevel onmiddellijk een peloton naar de brug te sturen. Jones kan zijn huidige positie daardoor niet houden en moet terugvallen naar een beter verdedig-bare positie.
Wierzbowski moet zijn actie direct afbreken en naar de brug trekken. Ondanks herhaalde pogingen, vindt Wierzbowski Duffy’s groep niet. Wierzbowski, met slechts één sectie, zijn Platoon Headquarters en een groep genisten, trekt erop uit. Bij het Sonse Bos aan-gekomen, ontdekt hij een goed verdedigbare positie en informeert Jones via de radio. De rest van H/502 trekt vervolgens op deze plek terug, terwijl Wierzbowski’s groep de weg naar de brug vervolgt.

WIERZBOWSKI’S GROEP BIJ DE BRUG
De groep trekt in de avondschemering door het door Duitsers geïnfiltreerde bos en raakt steeds meer men-sen kwijt. Tegen 22.00u uur bereiken zij de brug met nog slechts achttien man van H/502 en 26 genisten.
Tijdens een verkenning komen Wierzbowski en Private First Class Joe Mann vast te zitten achter een Duit-se brugwacht. De overige soldaten worden nerveus, de Duitsers pikken hun geluid op en openen het vuur.
Veel Amerikanen vluchten het bos in. Wierzbowski heeft nu nog slechts achttien man over en weinig wa-pens en munitie, maar graaft zich in. Omdat hij geen radio meer heeft, stuurt hij enkele boodschappers om Jones te informeren. Deze mannen komen ech-ter nooit aan. Jones noch 3/502 hebben contact met Wierzbowski; ze hebben geen idee van wat er met hen is gebeurd of waar zij zijn.
HET GEVECHT ESCALEERT
Lieutenant Cole en 3/502 trekken ondertussen op tot de rand van de Sonse Bossen en graven zich daar onder druk van Duits vuur in. De volgende ochtend vroeg komen zij onder snel toenemende druk te staan van-wege een tegenaanval door I./SS-Pol.3 en het gearri-veerde FEB 436. De linies van 3/502 zijn uitgerekt en heeft gaten tussen de compagnies; de Duitsers maken hiervan gebruik door in kleine verbanden de linies te infiltreren.3 Cole wordt van drie kanten bestookt en de verliezen nemen rap toe. Colonel Michaelis, Com-

3 Het duurt tot de ochtend voordat fysiek contact met H-company tot stand wordt gebracht. Zelfs daarna blijven de gaten bestaan.

manding Officer 502 PIR, besluit 2/502 onder Lieu-tenant Colonel Chappuis ter versterking naar voren te sturen. Chappuis’ bataljon moet het terrein voor Cole vanuit noordelijke richting schoonvegen en Best en de bruggen innemen. Cole’s bataljon fungeert daarbij feitelijk als scharnierpunt.
Als Chappuis’ compagnieën in linie over de open vel-den optrekken, komen zij onder zwaar vuur van de oprukkende Duitsers te liggen. Al snel heeft 2/502 meer dan twintig procent verliezen. Chappuis moet de aanval stilleggen. De aanval doet de druk op Cole’s noordkant afnemen, maar toch blijft deze hoog met Duitse groepjes die de linies infiltreren. Cole reali-seert zich dat er iets moet worden gedaan en probeert hulp in te roepen van overvliegende P-47 Thunder-bolt-jachtvliegtuigen. De eerste aanval van de jagers leidt tot het beschieten van de eigen linies. Eén pi-loot verzoekt daarom om oranje herkenningspanelen.
Cole besluit deze zelf neer te leggen en sneuvelt hier-bij. Twee weken na zijn dood wordt Robert Cole de Medal of Honor toegekend voor de door hem geleide bajonetaanval in Normandië op 11 juni 1944.
De groep van Lieutenant Wierzbowski heeft het ook te verduren bij de brug. Regelmatig komen zij onder vuur te liggen of vallen de Duitsers de kleine, geïso-leerde groep aan. Steeds zonder succes, hoewel het aantal Amerikaanse doden en gewonden snel oploopt en hun munitievoorraad slinkt. Om 13.00u blazen de Duitsers op bevel van XXXVIII. Armee-Korps beide bruggen op. Ondanks dat zijn missie nu zinloos is, blijft Wierzbowski waar hij is, terwijl de rest van 502 PIR onwetend blijft van hun pleit en van het verlies van de bruggen. Later die middag arriveert een Britse patrouillewagen. Deze neemt een positie in ten zuiden van het kanaal, ter ondersteuning van Wierzbowski.
Lieutenant Colonel Chappuis krijgt rond 18.00u be-vel opnieuw aan te vallen om de aanhoudende druk te verminderen op Cole’s bataljon, dat nu is overgeno-men door Major Stopka. De hernieuwde aanval moet vóór het tweede bataljon langs richting de hoofdweg gaan. Voor de hoofdweg moet Chappuis’ bataljon naar het zuiden afbuigen naar de verkeersbrug, on-wetend dat deze is vernietigd. Tegelijkertijd zal 2/502 zich in zuidelijke richting samentrekken voor een meer aaneengesloten verdediging. De aanval verloopt
moeizaam en de troepen van Chappuis komen dan de zuidoostrand van het Sonse Bos, waar zij zich in-graven. Alleen een patrouille van E/502 en een pelo-ton van D/502 onder Lieutenant Mottola komt bij Wierzbowksi’s groep aan. De patrouille vertrekt weer.
Overtuigd dat er meer Amerikaanse troepen komen, besluiten Wierzbowski en Mottola een gezamenlijke verdediging in te richten en deze komst af te wachten.
HERNIEUWDE PLANNEN AAN BEIDE ZIJDEN
Die avond en nacht maken zowel de Amerikanen als de Duitsers nieuwe plannen om de slag definitief te beslissen. Aan Amerikaanse zijde Brigadier General Higgins, de Assistent Divison Commander, de coör-dinatie over. Naast de twee bataljons van 502, zullen de volgende dag ook twee bataljons van 327st Glider Infantry Regiment (327 GIR) worden ingezet om het bos schoon te vegen en de Duitsers uit Best te werpen.
De Duitsers maken plannen voor een definitieve af-rekening. Die nacht zal 59. ID arriveren vanuit Box-tel. Eerder die dag was I./723 al gearriveerd. Het idee was om zowel het Sonse Bos aan te vallen als het lan-dingsterrein ten noorden daarvan. Duitse eenheden ondersteunen de aanval vanuit Schijndel via Sint-Oe-denrode, waar 1/502 zat, met een eigen aanval op het landingsterrein. Beide groepen moesten convergeren op Son, dat ook vanuit het oosten zou worden aan-gevallen door de in Venlo en Roermond gearriveerde Panzer Brigade 107.
DE BESLISSENDE STRIJD
Om 06.00u in de ochtend valt Lieutenant Colobel Chappuis aan richting de brug om deze in handen te krijgen en het gebied voor Duitse infiltratie af te grendelen. De aanval is nog maar net begonnen wan-neer zij onder hevig vuur komen te liggen van Duitse eenheden die voor hun aanval in het gebied samen-trekken. Hierdoor wordt ook de groep van Lieutenant Wierzbowski definitief opgerold, waarbij Private First Class Joe Mann zijn leven opoffert om zijn maten te redden. Voor deze actie krijgt hij postuum de Medal of Honor krijgt.
Zodra Chapppuis van de patrouille, die de vorige avond bij Wierzsbowski was, hoort dat de brug er niet meer is, besluit hij terug te vallen op de bosrand en van daaruit het gebied te domineren. De Duitsers

zijn nu aan zet en vallen Chappuis’ posities twee keer aan, beide keren zonder succes. Ten noorden van het bos hebben de Duitsers initieel meer succes: onderde-len van 59. ID trekken richting het landingsterrein.
Zij worden echter gezien en een bataljon van 327 GIR gaat hen achterna terwijl de Duitsers het bos in vluchten. Een Glider Infantry Battalion gaat daar-op in positie ten noorden van het bos en voorkomt daarmee verdere Duitse infiltratie. Het andere batal-jon van 327 GIR krijgt opdracht het bos schoon te vegen (stoffer) en de Duitsers richting 502 PIR aan de westrand van het bos (het blik) te jagen.
Er is nu nog één ding te doen: de Duitse aanvallen ge-heel smoren en Best innemen. Brigadier General Hig-gins krijgt hiervoor een eskadron tanks van het Brit-se 15th/19th ‘The Kings Hussars’ tankregiment. Elk bataljon van 502 PIR krijgt zes tanks toegewezen om een beslissende tegenaanval in te zetten. Als de tanks eindelijk tegen 15.30u arriveren, gaan deze direct in
de aanval, hun kanonnen en boordmitrailleurs al vu-rend op de Duitse posities. De Amerikaanse infan-terie gaat snel mee in de aanval. Groepjes en daarna grote groepen Duitsers geven zich over; de komst van de tanks heeft de Duitse weerstand gebroken en de Amerikanen rollen de Duitse linies nu op. In een paar uur tijd nemen zij maar liefst 1.100 krijgsgevangen.
De Amerikanen rapporteren ook 600 Duitse doden in de omgeving, hoewel dit aantal overdreven lijkt.
De slag bij Best is voorbij, althans het eerste deel. Het dorp blijft in Duitse handen en zou pas meer dan een maand later na hevige gevechten door de 15th Scot-tish Division worden ingenomen.
Voor informatie over de battlefield tour Sonse Bossen: www.vvam.nl of www.facebook.com/VVAM80/

FRANSE PARACHUTISTEN IN OPERATIE AMHERST, APRIL 1945
BLEU BLANC ROUGE BOVEN DRENTHE

Operatie Amherst is de codenaam van een luchtlandingsoperatie die 702 Franse parachu-tisten begin april 1945 in Drenthe uitvoerden om de opmars van II Canadian Corps te on-dersteunen. 33 parachutisten van de Special Air Service (SAS) kwamen daarbij om. Alleen al om deze reden verdient het beeld dat Canadezen en Polen de provincie bevrijdden enige nuancering.

Het boek Franse para’s in Drenthe, 8-12 april 1945 dat op 28 februari is uitgekomen, laat zien dat Franse militairen een belangrijke rol speelden bij de weinig belichte bevrijding van Noord-Nederland. Het werk is gebaseerd op dat van Kolonel Roger Flamand uit 2002 Operatie Amherst; Franse para’s vochten in Dren-the, april 1945. Naast de persoonlijke verhalen uit dit antiquarische werk is ook een integrale samenvatting van de gevechten samengesteld aan de hand van een groot aantal (nieuwe) bronnen.
VOORBEREIDING VAN AMHERST
Na operatie Market Garden stokte de geallieerden op-mars. Pas in het voorjaar van 1945 kwam de boel weer op gang. Op 28 maart 1945 besprak de Head of Ope-rations van de 21st Army Group met de commandant van de SAS, General James Calvert, de mogelijkhe-den van een luchtlandingsactie in Nederland, in sa-menwerking met het II Canadian Army. Het was de bedoeling van de Canadezen kleine groepjes van zo’n vijftien man (één stick of vliegtuiglading) te versprei-den over een groot gebied voor een zo groot mogelijk ontregelend effect. De planners gingen eerst uit van een inzet van zo’n negenhonderd man, met achttien jeeps en ondersteunding door acht radiozendposten.
De zevenenveertig sticks bestonden elk uit elf korpo-raals en soldaten, twee officieren en twee onderoffi-cieren. De eenheden waren samengesteld uit beide Franse ‘regimenten’ (bataljons) van de SAS, onder lei-ding van twee ervaren officieren: Lieutenant-Colonel Jacques Pâris de Bollardière van het 3e Régiment de Chasseurs Parachutistes (3 RCP / 3e Regiment SAS) en Major Pierre Puech-Samson voerde het bevel over 2 RCP / 4e Regiment SAS. Voor de bescherming van de linkerflank van de 21st Army Group werd het Bel-gische regiment 5th SAS ingezet (operation Larks-wood).

Franse para’s in Drenthe, 8-12 april 1945.

DOEL
Het voornaamste doel van het II Canadian Army was het zuiveren van het noordoostelijke deel van Nederland, om daarna door te stoten naar Emden en Wilhelmshaven in Duitsland. De Fransen zouden worden afgeworpen in de driehoek Groningen – Coevorden – Zwolle, ongeveer achtenveertig uur vóór de Canadese aanvallen uit. Hun voornaamste doel was het voorkomen van het opblazen van een aantal brug-gen, het scheppen van verwarring bij de vijand en het voorkomen van een vijandelijke hergroepering.
De vernietiging van de vliegvelden Havelte, Eelde en Leeuwarden was één van de andere taken.

Dedicated radioteams zorgden voor de communicatie tussen de eenheden (bron: ECAP en archief J. Bruggink)

WOLKEN
Zevenenveertig vliegtuigen, elk beladen met een stick van vijftien parachutisten, vertrokken op vrijdag 7 april vanaf 20.30u van drie vliegvelden in Zuid-En-geland: Dunmow, Shepgrove en Rivenhall. De eerste stick kwam om 23.45u aan in het gebied tussen Assen en Meppel/Coevorden. De laatste parachutist sprong
rond 01.00u. Eén vliegtuig kon niet vetrekken. De para’s uit dit toestel zouden vierentwintig uur later alsnog boven Drenthe worden gedropt.
Boven het operatiegebied was sprake van laaghangen-de bewolking waardoor de para’s gedwongen waren vanaf zeshonderd meter hoogte dóór het dichte wol-kendek heen te springen, in plaats vanaf 250 meter met vrij zicht. Dit leidde tot een verspreiding over groot gebied. Bovendien kwamen de sticks bij een windsnelheid van 25km/u hard op de grond terecht.
Van de zevenenveertig sticks kwamen er slechts zeven-tien binnen de geplande dropzones terecht. Eén stick kwam zelfs in bevrijd gebied terecht, veertig kilometer zuidelijker.

33 parachutisten lieten het leven in Drenthe. Van twee van hen zijn helaas geen foto’s beschikbaar (bron: FFLSAS en archief J. Bruggink).

ZES DAGEN STRIJD
Na contact met de bevolking begonnen de eenheden aan hun opdracht. Bij het zoeken naar de bruggen, andere objecten en de juiste locaties raakten de para-chutisten op tien verschillende locaties in gevecht met Duitsers of Landwachters.
De SAS voerde met wisselend succes een groot aan-tal kleinere gevechtsacties uit in moeilijk terrein. Het operatiegebied bood dekking noch bescherming en werd bovendien beheerst door Duitse troepen. Was het aanvankelijk de bedoeling de Franse para’s maxi-maal 48 uur in te zetten, in praktijk vochten sommige sticks vijf tot zes dagen, met name in het noordelijke deel van het operatiegebied.
In totaal kwamen bij de diverse gevechtsacties drieën-dertig parachutisten om het leven. Koningin Juliana kende na de oorlog de Bronzen Leeuw toe aan de twee regimenten.
Het boek Franse Para’s in Drenthe, 8-12 april 1945 (ISBN 978 90 232 5727
1, € 22,95) is verkrijgbaar via de reguliere boekhan-del. Op verzoek verzorgt Kolonel Harold de Jong graag een presentatie over Amherst (06-270 800 50 | harolddejong@me.com).

PERSOONLIJK DE VONDST VAN FLIGHT SERGEANT WILLIAM HURRELL

Sinds de publicatie van Teruggeslagen grond, mijn artikel in Airborne Magazine 14 over de mogelijke vliegtuigberging van Hawker Typhoon MN582, is het nodige gebeurd. Flight Sergeant William Hurrell is gevonden.
– Frans Ammerlaan

Hurrell, die is opgenomen in het Roll of Honour-boek van de slag om Arnhem, kwam op 26 september 1944 om toen zijn jachtvliegtuig crashte bij het Gelderse Eef-de. Na een eerste diepscan van de plek en aanvullend onderzoek werd de crashlocatie enkele maanden gele-den als kansrijke bergingsplek aangewezen. Kort gele-den voerden kapitein Geert Jonker en zijn team van de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht de berging uit. William Hurrell bleek inderdaad met de Typhoon in de aarde te zijn verdwenen. Aan boord bevonden zich de nodige munitie, granaten en acht rakketten. Zijn stoffelijk overschot werd geborgen en naar Soesterberg gebracht voor verdere identificatie.

De Typhoon (achtergrond) waarin Hurrell het leven liet.

Hurrells familie in Australië, waarmee al contact bestond via de oudheidkundige vereniging De Elf Marken, was vóór de berging al op de hoogte gebracht van de aanstaande gebeurtenis.
Oom Greame en achternicht Brydie vlogen daarop naar Nederland en waren getuige van de opgraving. Er vond een drukbezochte her-denkingsdienst plaats en de familie kreeg een stuk van het vliegtuig als aandenken.

Van links naar rechts: Brydie, Greame en Frans Ammerlaan met de Roll of Honour.

Leden van De Elf Marken hadden mij verzocht de na-bestaanden een rondleiding te geven rond Arnhem en iets te vertellen over de krijgsverrichtingen in 1944 en de gevolgen van de slag. Op 24 november 2019 bezochten we eerst de Ginkel, de Westerbouwing, de Oude Kerk in Oosterbeek en de Airborne-begraafplaats. Bij het Aircrew-monument kregen Greame en Brydie een uit-leg over deze gedenkplek en kon ik namens de Market Garden Foundation de Roll of Honour overhandigen.
Brydie was zeer aangedaan toen zij een broche met het letterlogo van de RAF in ontvangst mocht nemen. De dag werd afgesloten met een Hollandse pannenkoek.
Er bestaat goede hoop dat William Hurrell binnen twee jaar zal worden begraven met militaire eer. Naar alle waarschijnlijkheid zal deze teraardebestelling niet in Oosterbeek plaatsvinden, maar zoals gebruikelijk bij de Britten in de buurt van de plek waar Hurrell is omgekomen.

PROGRAMMA 2020

GEPLAND
Vrijdag 10 april: Lezing Luchtoorlog Market Garden, in Airborne Museum at Hartenstein GEANNULEERD Zaterdag 18 april: Boekenbeurs Zaterdag 23 mei: Battlefield tour Sonse Bossen, wandeling o.l.v Edwin Popken, bij Eindhoven Vrijdag 28 augustus: Lezing SS-Wachbataillon 3 (‘Nordwest’), door Herman Rolleman, in ‘t Huukske, Arnhem Zaterdag 3 oktober: Battlefield tour C Company, B Company 2nd Battalion en Light Regiment, wandeling, in Oosterbeek GEANNULEERD Zaterdag 21 november: Airborne Day Vrijdag 11 december: Thema-avond Kreta 1941, door Erik Jellema, in ‘t Huukske, Arnhem
IN VOORBEREIDING VOOR 2021
Battlefield tour 1st Airborne Reconnaissance Squadron Battlefield tour King’s Own Scottish Borderers, fietstocht
VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 18 – JULI 2020
NUMMER 19 – NOVEMBER 2020
NUMMER 20 – MAART 2021

VVAM-CONTRIBUTIE 2020
Zoals aangegeven in Airborne Magazine nr. 16 loopt het VVAM-verenigingsjaar van februari tot februari.
Mocht u uw contributie voor 2020 nog niet hebben overgemaakt, doet u dit dan in ieder geval vóór 31 mei. Dan blijft u het blad ontvangen en maakt u gebruik van de voordelen van uw lidmaatschap.
U kunt het bedrag (individuele leden: € 25 gezinslidmaatschap: € 35) voldoen op: NL 80 INGB 0004 4036 41, o.v.v. Contributie 2020 Hiervoor ontvangt u: • Gratis toegang tot het Airborne Museum (de VVAM vergoedt uw toegang na ontvangst van een kopie van het entreebewijs) • Drie maal per jaar Airborne Magazine. • Gratis toegang tot bijeenkomsten over de slag om Arnhem. • Korting op excursies en een aantal battlefield tours.
Indien u internetbankiert, kunt u eenvoudig een jaarlijkse betaling aanmaken. Een formulier invullen, kan ook. Dit is te vinden op: www.vriendenairbornemuseum.nl Administratieve zaken: admin@vriendenairbornemuseum.nl Financiële zaken: penningmeester@vriendenairbornemuseum.nl
DE ACHTERZIJDE

Lieutenant Colonel David Theodore Dobie, DSO, OC 1st Parachute Battalion (1912-1971). Dobie was als comman-dant van 1st Para betrokken bij de nachtelijke oversteek van de eenheid over het spoor bij Oosterbeek in de nacht van 17-18 september 1944. Zijn ooggetuigenverslag van deze verplaatsingen is opgenomen in Ministory 133 op bladzij-den 8-15 (bron: Imperial War Museum, H40928. Foto uit december 1944).

AIRBORNE MAGAZINE NR.16

Uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar. Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.
Redactie: Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Jasper Oorthuys, Otto van Wiggen
Bijdragen van: Wybo Boersma, Bernhard Deeterink, Alexander Heusschen, Bob Hilton, Erik Jellema, Leo van Midden, Martijn Reinders, Natalie Rosenberg, Hans Timmerman, Otto van Wiggen
Vormgeving: Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk: Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03
Postadres: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl

INHOUDSOPGAVE

3 Museumnieuws – Verbouwing Airborne Museum Hartenstein

4 Verenigingsnieuws – Agenda ALV 2020 / lezing ‘The Lost Company’

5 Mededelingen – Veranderingen in 2020

6 Conflictarcheologie – Duits hoofdkwartier in Villa Heselbergh

12 Thema – 1st Airborne Reconnaissance Squadron

22 Ministory 132 – 3rd Parachute Battalion op de Falklands en in Arnhem

29 Bits and pieces – De Royal Enfield 125- motor van het Airborne Museum

32 Achtergrond – Verborgen Market Garden-schatten van Erfgoedcentrum Rozet

35 Programma

Omslag: Maandag 18 september 1944
Lance-Sergeant William ‘Bill’ Bentall in een jeep van ‘D’ Troop, 1st Airborne Reconnaissance Squadron, met de Nederlandse burgers H. Piek en B. Versteegh, aan het westelijke einde van de Backerstraat in Oosterbeek (copyright foto: D. van Woerkom)

BIJDRAGEN
De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties. We verwelkomen bijdragen aan het blad. Vraag voor een soepele verwerking van uw artikel en/of beelden naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl.

VERBOUWINGSPERIODE AIRBORNE MUSEUM HARTENSTEIN VAN START COLLECTIE

V.l.n.r. Sarah Heijse (directeur-bestuurder museum), burgemeester Agnes Schaap, Jory Brentjens (con-servator).

Bij het uitruimen van de collectie hielpen onder ande-re Gido Hordijk, Bart Bijl en Jessica Zoutendijk-van de Sman. In 2009 richtten Gido en Bart de vitrines op alle verdiepingen volledig in, nu ging de collectie opnieuw door hun handen om het veilig op te bergen voor de verbouwing.

COMPLETE VERNIEUWING

De vaste presentatie op de eerste verdieping wordt compleet vernieuwd. De vitrines en panelen zijn ver-wijderd om plaats te maken voor de nieuwe inrichting.
Hetzelfde geldt voor de tijdelijke tentoonstelling Het Netwerk die plaats maakt voor de kindertentoonstell-ling Waterschapsheuvel. De Airborne Experience krijgt een indringender karakter. De ondergrondse ruimte wordt opgeknapt en uitgebreid. Er komen drie nieu-we scènes bij die de bezoekers nog meer betrekken in de operatie van september 1944. Wybo Boersma heeft geadviseerd bij de uitwerking van de verhaallijn op de eerste verdieping en de daarbij behorende collectie-stukken. Oud vitrinemateriaal is aan Museum Huis-sen gegeven en de Paasbergschool heeft het meubilair van de educatieve ruimte gekregen. Gepoogd wordt om zo min mogelijk weg te gooien en zoveel mogelijk items te schenken aan goede doelen. Zo is het decor van de tentoonstelling Het Netwerk geschonken aan het Platform Militaire Historie Ede.

MEERTALIGE AUDIOTOUR

Ook zal er een meertalige audiotour (nl, en, du) wor-den ontwikkeld waaraan de vooraanstaande historici Sir Antony Beevor, Dr. Matthias Strohn en Ad van Liempt gaan meewerken. Zij gaan 60 unieke collec-tiestukken voorzien van extra context en een persoon-lijke verhaal. Ook komt er een speciale audiotour voor kinderen.

NIEUW BEZOEKERSRECORD

Veel mensen kwamen in de laatste weken voor de slui-ting naar het museum om de tentoonstelling Het Net-werk nog te kunnen zien. Dit zorgde ervoor dat het museum in de maand oktober heel goed werd bezocht, net als in de voorgaande maanden. In tien maanden tijd kwamen maar liefst 105.058 mensen naar het Air-borne Museum, een nieuw bezoekersrecord!

HEROPENING

In maart 2020, ruim voor de herdenking van 75 jaar vrijheid, wordt het Airborne Museum heropent.
Benieuwd naar de voortgang van de verbouwing?
Op www.airbornemuseum.nl/verbouwing vind je de laatste updates.
– Natalie Rosenberg

Sinds 28 oktober is het museum gesloten voor een grootschalige verbouwing. Burgemees-ter Agnes Schaap was bij de start van de voorbereidende werkzaamheden om de collectie veilig op te bergen.
V.l.n.r. Jessica Zoutendijk-van de Sman, Bart Bijl, Gido Hordijk, Jelle Hofs.

VERENIGINGSNIEUWS

Omdat de volgende editie van Airborne Magazine pas in april 2020 verschijnt, informeren wij u nu alvast over de algemene ledenvergadering (ALV) die op zaterdag 21 maart 2020 plaatsvindt. U ontvangt geen uitnodigingsbrief meer per post; dit bespaart de vereniging een hoop kosten. We hebben dit keer gekozen voor congrescentrum Lebret, Lebretweg 51 in Oosterbeek. De start van de vergadering is om 10.30u. De zaal is geopend vanaf 10.00u.

Aanmelden voor de ALV kan via activiteiten@vriende-nairbornemuseum.nl. Geeft u aan welke dagdelen u bij-woont: ochtend, middag of beide.
De vergaderstukken zullen aan het begin van de vergade-ring klaarliggen bij de ingang van de zaal. U kunt de stuk-ken ook downloaden in het afgeschermde ledendeel van de verenigingswebsite (www.vriendenairbornemuseum. nl). Mocht u geen toegang hebben tot de website, dan kunt u de stukken ook digitaal ontvangen, vanaf twee we-ken vóór de vergadering. Stuurt u hiervoor een verzoek naar secretaris@vriendenairbornemuseum.nl

AGENDA 42E ALV (OCHTEND)
1. Opening 2. Mededelingen en in memoriam 3. Verslag 41ste Algemene Ledenvergadering, d.d. 16 maart 2019 4. Nieuws van het Airborne Museum 5. Verkiezing bestuur 6. Jaaroverzicht 2019 7. Financieel verslag 2019 8. Verslag kascommissie 9. Begroting 2020 10. Situatie Engelse leden en relatie met Arnhem 1944 Fellowship 11. Programma 2020 12. Rondvraag 13. Sluiting

LEZING THE LOST COMPANY (MIDDAG)
’s Middags, na de ALV, zal Marcel Anker een lezing hou-den over The Lost Company: C Company 2nd Parachute Battalion in Oosterbeek and Arnhem September 1944.

De lezing is van 13.00u tot 15.00u (met pauze).
Marcel Anker is als expert van de gevechten rond de Utrechtseweg op 18/19 sept. 1944 geen onbekende bij de Vereniging. Zijn boek uit 2017 The lost company be-schrijft de verrichtingen van C Company tijdens de slag tot in detail. De compagnie kreeg op 17 september de opdracht de spoorbrug bij Oosterbeek te veroveren, wat niet lukte omdat de Duitsers de brug opbliezen. Tijdens de opmars naar het tweede doel, de Arnhemse Ortskom-mandantur, raakte de compagnie verwikkeld in staatge-vechten rond de Utrechtseweg. Tot een link-up met de rest van het bataljon bij de verkeersbrug kwam het niet.
Het gros van de eenheid werd krijgsgevangen gemaakt.
De lezing is gratis voor VVAM-leden. Niet-leden betalen €5 bij binnenkomst.

MEDEDELINGEN

Leden van de vereniging War Department Living History – The Border Regiment tijdens de ‘Boekenbeurs 2.0’ die de VVAM op 13 april 2019 organiseerde (foto’s: website VVAM).

VVAM-CONTRIBUTIE 2020
Om de activiteiten die we als vereniging ontplooien te blijven doen en om de kwaliteit van Airborne Magazine op een hoog peil te houden, hebben we uw contributie hard nodig. De VVAM draait op een aantal onbezoldig-de bestuursleden en is dus afhankelijk van haar betalen-de contribuanten. Daarom enkele mededelingen en een verzoek:
Het VVAM-kalenderjaar loopt van februari tot februari.
Dit betekent dat we uw contributie voor 2020 graag vóór 28 februari ontvangen. In Airborne Magazine nr. 17 (de aprileditie) zullen we u nog een keer notificeren. Indien u daarna alsnog betaalt, ontvangt u de gemiste Airborne Magazines gewoon op het door u opgegeven adres. Let wel: dit betekent ook dat u geen magazines meer krijgt zolang uw contributie niet is overgemaakt.
In november 2020 zullen alle leden die hun contribu-tie nog niet hebben voldaan, nogmaals hieraan worden herinnerd per brief. Wanneer uw betaling niet voldaan is vóór 31 december 2020, zult u uit het ledenbestand worden gehaald. Wij rekenen op uw begrip.

LEDEN EN LEDENADMINISTRATIE

Het aantal VVAM-leden toont een licht stijgende lijn.
Op dit moment zijn dit er 653. Zestien Vrienden hebben om diverse redenen hun lidmaatschap opgezegd. Daar tegenover staat dat we 29 nieuwe Vrienden hebben.
De vereniging gaat volgend jaar gebruik maken van een geautomatiseerde ledenadministratie, waarin bijvoor-beeld ook bankgegevens kunnen worden geïmporteerd.
Als het goed is merkt u weinig van deze overgang. Mocht dit onverhoopt wel zo zijn, neemt u dan gerust contact met ons op.
Tot slot: zou u voor het compleet maken van onze administratie uw e-mailadres aan ons willen doorgeven?
Dit kan op onderstaand adres. – Bernhard Deeterink, ledenadministratie VVAM admin@vriendenairbornemuseum.nl

CONFLICTARCHEOLOGIE VILLA HESELBERGH: ARCHEOLOGIE OP EEN DUITS HOOFDKWARTIER IN ARNHEM

Villa Heselbergh. Deze naam zal niet bij elke Tweede Wereldoorlog-kenner direct een bel-letje doen rinkelen. Toch was dit Arnhemse landhuis het centrum van de Duitse gevechts-leiding in de regio Arnhem tijdens de septemberdagen van 1944. Vanwege de herontwik-keling van het terrein heeft in 2018 archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit leidde tot nieuwe inzichten die meer vertellen over deze bijzondere plek. Het onderzoek is nog in de uitwerkingsfase; in dit artikel zal ik enkele voorlopige resultaten met u delen.

De villa omstreeks 1920 (Gelders Archief: 1501-04 – 1242, Public Domain Mark 1.0 licentie)

BOSCHRYKE OMGEVING
Op de natuurlijk gevormde heuvel langs de Apeldoorn-seweg, even ten noorden van de Arnhemse binnenstad, liet dhr. H.A. Van Leeuwen een villa bouwen voor hem en zijn gezin. De villa in Engelse landhuisstijl werd, samen met een bijgebouw, in 1912 gerealiseerd. Het pand bezat reeds centrale verwarming en beschikte over
koud- en warmwaterleidingen. Van Leeuwen en zijn gezin bewoonden de Heselbergh tot in 1924, waarna de villa ruim vier jaar leeg stond.
De rooms-katholieke stichting Insula Dei kocht de villa in 1928 om dienst te doen als klooster. In eerste instantie voor paters en later voor zusters die werk-zaam waren in het onderwijs. De relatief afgezonderde ligging van de villa maakte de plek bijzonder geschikt voor religieuzen. Zij werden pas in het vierde jaar van de bezetting gedwongen om de villa en het terrein te verlaten.

NEDERLAND BEZET
In mei 1940 werd Nederland bezet door Duitsland.
Vrijwel direct kreeg Nederland een militair opperbe-velhebber toegewezen: de Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden Friedrich Christiansen (1879-1972). Hij oefende de hoogste territoriale macht uit in het bezette Nederland.
Het gezag van deze Wehrmachtbefehlshaber werd door Kommandanturen in de praktijk gebracht.
Bovenaan in deze hiërarchie stonden Feldkomman-danturen, die elk over hun eigen gebied de territori-ale zaken voor de Wehrmachtbefehlshaber regelden.
Binnen het gebied van een Feldkommandantur waren meerdere Wehrmachtkommandanturen aanwezig, die weer een ander takenpakket hadden. Hieronder ressorteerden de (ständige) Ortskommandanturen, die in elke stad en in vele dorpen aanwezig waren.

FELDKOMMANDANTUR 642
Nederland werd opgedeeld in districten, elk met een Feldkommandantur (FK) aan het hoofd. Tijdens de bezetting wijzigde deze indeling, en daarmee het aan-tal en de locaties van de Feldkommandanturen. In de zomer van 1943 werd een nieuwe, Arnhemse FK aan de lijst toegevoegd. Noord- en Oost-Nederland werden voortaan geleid door de FK 642 ‘Arnheim’.
Commandant werd Generalmajor Friedrich Kussin (1895-1944). Onder hem stond een kleine, adminis-tratieve eenheid van het Heer (landmacht) bestaande uit enkele officieren en vrouwelijke Stabshelferinnen (typistes, telefonistes, etc.). De villa werd het stafkan-toor en dus de werkplek van de FK. Het personeel werd ondergebracht in villa’s in de buurt. Zo werd landhuis ’t Waelre (Braamweg 4) Kussins woning.
Een belangrijke historische bron over de Heselbergh als FK is een verzetsrapport van de Groep Albrecht. In juni 1944 noemden zij onder andere dat om het vil-laterrein een prikkeldraadversperring is aangebracht.
Bovendien hebben de Duitsers opstelplaatsen voor voertuigen gegraven: half ingegraven parkeerplaatsen voor voertuigen met aan drie zijden een aarden wal.
Tot slot was op de noordzijde van het terrein een ‘zwa-re schuilplaats’ aangelegd en was het dak van de villa voorzien van antennes.

MARKET GARDEN
Toen op 17 september 1944 operatie Market Gar-den van start ging, bleef het personeel van de FK op zijn post. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Ortskommandantur, die direct naar Dieren werd ver-plaatst. Een Feldkommandantur was onder meer ver-antwoordelijk voor het overzicht van de in hun sector aanwezige eenheden. Dit zou kunnen verklaren waar-om Generalmajor Kussin poolshoogte ging nemen bij de SS-opleidingseenheid onder het commando van SS-Obersturmbannführer Sepp Krafft. Zij waren tus-sen Oosterbeek en Wolfheze in stelling gegaan. Hier bezorgden zij de Britten die de Tiger-route (Utrecht-seweg) volgden enig oponthoud.
Op de terugweg ging het echter mis en werd de auto van Kussin, inclusief diens chauffeur, adjudant en tolk, doorzeefd met Britse kogels. Alle vier inzitten-den kwamen bij deze actie om. Deze gebeurtenis is wijd bekend vanwege het (bewegend) beeldmateriaal van de doorzeefde auto en de stoffelijke overschotten.
De Britten begroeven de vier van FK 642 in een veld-graf langs de weg, waarmee ze in eerste instantie als ‘vermist’ te boek kwamen te staan aan Duitse zijde.
Nog dezelfde avond werd daarom het commando overgenomen door de 47-jarige Major Ernst Schlei-fenbaum, die al werkzaam was bij de staf van Kussin.

HARZERS HOHENSTAUFEN-DIVISIE
Terwijl Feldkommandantur 642 gebruik bleef maken van Villa Heselbergh, werd de locatie ’s avonds ook toegewezen als stafkwartier voor de 9. SS-Panzerdi-vision ‘Hohenstaufen’. Beide stafeenheden waren dus gelijktijdig in de Arnhemse villa ondergebracht. De ligging net buiten het centrum en de aanwezige ver-bindingen zullen hierin doorslaggevend zijn geweest.
De Hohenstaufen-divisie onder het (tijdelijke) com-mando van SS-Obersturmbannführer Walter Harzer was sinds begin september aanwezig op de Veluwe-zoom nadat zij met zware verliezen uit Noord-Frank-rijk waren teruggetrokken. Al in de eerste uren van Market Garden vormde Harzer gevechtsgroepen ten noorden van de Rijn.

GEVECHTSLEIDING
Het maakt de Heselbergh tot een uitzonderlijke lo-catie omdat op dit hoofdkwartier veel bevelhebbers uit de regio samen kwamen en vergaderden. De villa werd bezocht door onder meer Feldmarschall Walter Model (Heeresgruppe B), SS-Obergruppenführer en General der Waffen-SS Wilhelm Bittrich (II. SS-Pan-zerkorps) en SS-Brigadeführer Heinz Harmel (10.
SS-Panzerdivision ‘Frundsberg’).
De FK kwam, net als de Hohenstaufen- en Frunds-berg-divisie, onder het bevel te staan van het II.
SS-Panzerkorps van Bittrich. Specifieke taken tijdens de gevechten zijn niet bekend, maar het is zeker dat de FK actief bleef tot en met 21 september. Op die dag werd de noordelijke oprit van de Arnhemse ver-keersbrug op de Britten heroverd. Een deel van het personeel van de FK, waaronder de Stabshelferinnen Margret Hermes en Gerdi Lücking, werd vanwege hun optreden tijdens de slag om Arnhem zelfs geno-mineerd voor een Duitse onderscheiding, die zij en-kele maanden later ontvingen. Op de 21e werd het commando van FK 642 overgenomen door Oberst Von Gröling (commandant van de Truppenübungs-platz Harskamp) en vertrok de eenheid naar Warns-veld bij Zutphen, en nog later naar het achterland in Almelo.
De Divisionsstab van Harzer bleef langer op de Hesel-bergh. De geallieerde luchtlandingseenheden waren inmiddels teruggetrokken op Oosterbeek en vormden
daar een zogeheten perimeter. De Hohenstaufen-divi-sie en daaronder ressorterende eenheden bestookten de geallieerden constant. Ook deze gevechten werden geleid vanuit Villa Heselbergh. De restanten van 1st Airborne Divison hielden het uit tot de nacht van 25 op 26 september en trokken zich terug over de Nederrijn.

Bespreking in Villa Heselbergh. Van links naar rechts: Model, Harmel, Student, Bittrich en dáárachter Harzer (foto: PK Adendorf, BArch-MA Freiburg).

KRIJGSGEVANGENEN
Een deel van de Britse krijgsgevangenen werd on-dervraagd door de inlichtingendienst van de Hohen-staufen-divisie, die zich bevond in de nabijgelegen School 8. Ze werden ondergebracht in de weide bij de naastgelegen Braamberg. In de tuin van de villa zelf zou ook een klein kamp aanwezig zijn geweest.
De Airbornes werden hierna naar een verzamelplaats binnen het terrein van Fliegerhorst Deelen gebracht.
Ook het speciaal hiervoor ingerichte Durchgangslager op de Harskamp zag enige tijd gevangen geallieerde luchtlandingstroepen.

GEVECHTSPAUZE
Bijzonder is ook dat op de locatie onderhandelingen hebben plaatsgevonden. De Duitse staf ontving het Nederlandse Roode Kruis en zelfs Britse militairen op de Heselbergh. Na dagenlange gevechten lagen er circa 1.200 gewonden van beide strijdende partijen in het relatief kleine gevechtsgebied in Oosterbeek.
Colonel Graeme Warrack, verantwoordelijk voor de medische verzorging van de Britse luchtlandingseen-heden zag met de uitpuilende noodhospitalen geen andere optie meer dan het organiseren van een tijde-lijke wapenstilstand. Warrack kreeg als tolk de Ne-derlandse militair in Brits uniform Arnoldus Wolters toegewezen. Vanwege het risico om geëxecuteerd te worden als ‘partizaan’, kreeg Wolters een Britse naam: Johnson.
Het gezelschap begaf zich naar een nabijgelegen Duits noodhospitaal waar zij in contact kwamen met SS-Hauptsturmführer Dr. Egon Skalka. Skalka was verantwoordelijk voor het medisch verzorgings-gebied van de Hohenstaufen-divisie. Skalka begreep het standpunt van de Britten en wilde ingaan op het voorstel. Hij reed daarom Warrack en ‘Johnson’ (zon-der blinddoek) in een buitgemaakte Britse jeep naar zijn stafkwartier.

De bespreking zoals weergegeven in de film A Bridge too Far (Sony Pictures Home Entertainment, film still, 1977).

Warrack schreef na de oorlog over zijn bezoek aan de Heselbergh, onder meer dat Bittrich tegen hem zei dat “het hem erg speet dat het oorlog was tussen onze landen”, en dat hij op zijn verzoek in zou gaan. Die dag konden circa 450 gewonde Britten en Duitsers worden afgevoerd naar veiliger oorden. De bespreking tussen Warrack, Wolters, Skalka en Bittrich op de He-selbergh is verfilmd in A Bridge Too Far (1977).

ONTRUIMING
Direct na de geallieerde terugtocht over de Nederrijn was het enkele dagen relatief rustig in de regio. Vijf dagen later, op 30 september 1944, kreeg de Hohen-staufen-divisie bevel om richting Siegen in Duitsland te trekken. Hun taak in de regio zat er op. De staf zal ergens begin oktober de Heselbergh hebben ver-laten. Na een korte bezetting door de Einsatzstab van Organisation Todt (OT) in november, bleef de villa hoogstwaarschijnlijk leeg staan. Doordat de stroom- en watertoevoer was uitgevallen, werden er zelfs geen dwangarbeiders van de OT ondergebracht. Met de geallieerde artilleriebeschietingen in april 1945 voor-afgaand aan de IJsseloversteek en de zuivering van Arnhem is Villa Heselbergh verwoest. Deze was toen niet meer bezet door Duitse eenheden.

ARCHEOLOGIE OP DE HESELBERGH
In 2018 werd de naoorlogse bebouwing op de loca-tie gesloopt voor nieuwbouw, die inmiddels is opge-leverd onder de naam Silhouet. Het archeologisch veldonderzoek is uitgevoerd door Greenhouse Advies (DAGnl) met ondersteuning van Military Legacy.
Hieronder volgen een paar resultaten:

1. Kussins schuilkelder Opmerkelijk was de vondst van (een deel van) de schuilkelder van Feldkommandatur 642, die ook door het verzet werd genoemd. De ingang met trap-partij bevond zich in het zuidwesten, het dichtst bij de villa. Op vooroorlogse foto’s van de villa is te zien dat hier een loggia aanwezig was: een open ruimte voorzien van zuilen. De ingang van de schuilkelder bevond zich op het dichtstbijzijnde punt van de ope-ning van deze loggia. Hierachter was ook een deur naar de villa aanwezig.
De schuilkelder van de Heselbergh komt qua type overeen met andere Duitse Luftschutzräume, zoals ook zijn aangetroffen op bijvoorbeeld het kazerneter-rein in Venlo. Parallellen met schuilkelders op locaties waar zich hoge Duitse officieren bevonden bestaan met die van andere belangrijke (staf)kantoren, zoals die van Reichskommissar für die Niederlande Arthur Seyss-Inquart op landgoed Clingendael (Den Haag) en nabij Paleis Het Loo (Apeldoorn). Beide laatstge-noemde bunkers zijn van een ander (groter, zwaar-der) type. Opvallend daarbij is dat voor Generalmajor Kussin en zijn staf ‘slechts’ een standaardtype schuilkelder werd gebouwd, die ook op kazernes voor reguliere infanterie werd toegepast. Gesteld zou kunnen worden dat hier sprake was van een vorm van hiërarchie in importantie.
De schuilkelder was opgevuld met materiaal, waar-onder vijf brandstofvaten van elk 200 liter met reli-eftekst op de deksels (‘Wehrmacht Feuergefährlich 1943’). Bij de ingang lag een vooroorlogse brandblus-ser (type ‘snelblusscher’ van het merk Vlaminax). Een deel hiervan zal worden geconserveerd en bewaard. 2. Body armour Geallieerd materiaal is tijdens het onderzoek nauwelijks aangetroffen, op enkele kleinkaliberhulzen na. Opvallend is een restant van een Brits ‘body armour’-vest uit de vulling van de schuilkelder. Dit scherfwerende uitrustingsstuk werd in eerste instantie voornamelijk uitgereikt aan Britse en Poolse luchtlandingseenheden. Bekend is dat krijgsgevangenen wer-den ondervraagd door de inlichtingendienst van de Hohenstaufen-divisie die in de nabijgelegen School 8 was gevestigd. De Britten werden daar, maar waarschijnlijk ook in de tuin van Villa Heselbergh, tijde-lijk ondergebracht. Het dragen van body armour was tijdens de Tweede Wereldoorlog zeker niet gewoon.
Het is mogelijk dat het object uit curiositeit op het Duitse hoofdkwartier terecht is gekomen. De vondst
lijkt dan ook zeer waarschijnlijk gekoppeld te kunnen worden aan de slag om Arnhem, en aan de aanwezige Britse krijgsgevangenen. 3. Kussins parkeerplaats Zuidelijk van het plangebied liep en loopt de Braam-weg. In deze randzone zijn op geallieerde luchtver-kenningsfoto’s twee Duitse voertuigopstelplaatsen (Kraftfahrzeug-Splitterboxen) zichtbaar. Deze parkeerplaatsen waren in het steile talud uitgegraven.
In beide zijn twee proefputten gegraven om de bodemopbouw te registreren.
Beide Splitterboxen geven nagenoeg hetzelfde beeld.
Op 90-120 cm beneden het maaiveld werd een tien centimeter dikke laag met (ijzer)slakken en gesmol-ten glas aangetroffen, die waarschijnlijk als verharding voor de voertuigen heeft gediend. Hieronder was de natuurlijke bodem aanwezig. De maximale diepte van de parkeerplaats komt hierdoor op 1,2 meter. Omdat deze diepte geen bescherming biedt voor bijvoorbeeld een militaire vrachtwagen, is het waarschijnlijk dat de uitgegraven grond als een wal om het spoor heen lag.
Op die manier werd de opstelplaats dus dieper. Dit bovengrondse deel van het spoor is niet (meer) zichtbaar.

Foto van het veldonderzoek: de schuilkelder (foto: A.V.A.J. Bosman / Greenhouse Advies).

De locatie even ten oosten van een belangrijke hoofd-weg (Apeldoornseweg), schuin tegenover de woning van Kussin (Braamweg 4) en nabij de villa (zijn kan-toor) maakt het vrijwel zeker dat de parkeerplaatsen bedoeld waren voor de Feldkommandantur. Het is in dit licht boeiend dat Kussins Citroën Traction Avant hier waarschijnlijk vaak geparkeerd heeft gestaan. Een ongelukkige samenkomst tijdens de eerste uren van Market Garden zorgde ervoor dat alle vier inzittenden van deze Traction hun einde vonden door Brits vuur op de splitsing Utrechtseweg-Wolfhezerweg, zoals hierboven al beschreven.

4. Stahlhelm en Stielhandgranate Tussen het huidige maaiveld en de verhardingslaag van de parkeerplek bevindt zich één dik pakket met materiaal, voornamelijk bestaande uit huisraad en constructiemateriaal van de villa. Hiertussen werd echter ook militaire uitrusting (een Stahlhelm M42
met verfresten) en munitie (de kop van een Stielhand-granate M24) aangetroffen. Dit dateert de afvallaag naar alle waarschijnlijk in de opruimperiode (vlak) na de oorlog.

TOT SLOT
De Heselbergh neemt als locatie een belangrijke rol in bij het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de slag om Arnhem in het bijzonder. De veelzijdige gebeurtenissen die hier tussen zomer 1943 en april 1945 hebben plaatsgevonden (gevechtsleiding, on-derhandelingen, onderdrukking, fusillades en gealli-eerde beschietingen) bleken in het bodemarchief ver-tegenwoordigd. Een deel hiervan is in dit korte artikel besproken. Nader onderzoek in het eindrapport zal een totaalbeeld en meer detailinformatie geven. – Martijn Reinders

GESELECTEERDE BRONNEN UIT HET ARCHEOLOGISCH EINDRAPPORT DAT IN VOORBEREIDING IS:

Archief • Bundesarchiv-Militärarchiv (BArch-MA), Freiburg im Breisgau (Duitsland). RW 37/14. Wehrmacht-befehlshaber in den Niederlanden. Dienstanweis-ung für Feld-, Wehrmacht- und Ortskommandan-turen in den Niederlanden 1943. • Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide-studies (NIOD), Amsterdam. 190a. Groep Albrecht.
OB 44.
Literatuur • Iddekinge, P.R.A. van, 1981. Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer, Arnhem. • Middlebrook, M., 1994. Arnhem. Ooggetuigen-verslagen van de Slag om Arnhem. 17-26 septem-ber 1944, Baarn. • Reinders, Ph., 2012. Medical Research Council, Body Armour and Airborne Helmet Flashes in ge-neral and during the Battle of Arnhem, September 1944, Velp. • Reinders, M., & Bex, J., in prep.: Archeologisch
onderzoek Silhouet (Villa Heselbergh) te Arnhem.
Opgraving • Variant Archeologische begeleiding (Greenhouse Advies-rapport 2018.15). • Revell, S., 2015a: A piece of coloured ribbon. An insight into German Award Winners at the Battle of Arnhem. • Revell, S., 2015b: De dood van een Duitse ge-neraal tijdens de Slag om Arnhem, deel 1, in: Nieuwsbrief Vrienden van het Airborne Museum, Ministory 123 (nr. 6 2015). • Tieke, W., 1978: Im Feuersturm letzter Kriegsjah-re. II. SS-Panzerkorps mit 9. SS-Panzerdivision “Hohenstaufen” und 10. SS-Panzerdivision “Frundsberg”, Osnabrück. • Warrack, G., 1984: Tocht door het duister. Ontsnapping na de slag om Arnhem, Amsterdam.
Met dank aan: L. Buist (Doorwerth), B. Gerritsen (Duiven), I. Jacobs (Nijmegen), S. Revell (Brisbane, Australië), H. Timmerman (Arnhem) en N. Warmerdam (Utrecht).

“RACE AHEAD AND GRAB THE ROAD BRIDGE AT ARNHEM” – DE COUP DE MAIN VAN RECCE SQUADRON DIE NOOIT PLAATSVOND

Wat een snelle verrassingsaanval had moeten worden op de verkeersbrug in Arnhem met ruim 200 man eindigde, zoals op zoveel momenten tijdens de slag om Arnhem, met wat de Britten eufemistisch ‘a bloody nose’ noemen. Het verhaal van 1st Airborne Reconnaissance (‘Recce’) Squadron is daarmee bijna exemplarisch voor het verloop van een strijd die werd gevoed door tegenslagen, verkeerde beslissingen, verwoede pogingen en domme pech.
Slechts een paar handjes vol konden na de gevechten in Nederland het glas heffen op het leven in de squadron pub in hun thuisbasis in Lincolnshire.

EEN BIJZONDERE OPDRACHT
1st Airborne Reconnaissance Squadron stond vóór Market, de codenaam voor het Airbornedeel van ope-ratie Market Garden, onder bevel van 1st Parachute Brigade. Na de gliderlandingen op Landing Zone Z in de middag van 17 september 1944 had het de taak te zorgen voor een rendez-vous met de parachutisten van het squadron op Drop Zone X. Daarna moest een deel van de eenheid, aangevuld met genie, een coup de main (verrassingsaanval) uitvoeren op de verkeers-brug in Arnhem, om deze bezet te houden voor de troepen van 1st Parachute Brigade die te voet naar het doel zouden marcheren.
Populair gezegd: “A special force equipped with jeeps with machine-guns mounted on the bonnet would
race ahead of the main force and grab the road bridge (s) at Arnhem”.

Opdracht aan het squadron, zoals verwoord in de operational instruction van de divisie.

OPRICHTING VAN HET SQUADRON
Op 22 juni 1940 schreef Churchill een memo dat re-sulteerde in de oprichting van Britse luchtlandingseen-heden. In 1941 ontstond het Reconnaissance Corps, met vanaf december van dat jaar het 1st Airborne Re-connaissance Squadron in zijn gelederen. Op 25 sep-tember 1941 werden de nieuwe Airbornebadges uitge-reikt aan het squadron; Major Terence Otway was op dat moment commandant van de eenheid (Otway zou drie jaar later bekendheid verwerven met de aanval op Merville Battery in Normandië tijdens D-Day). Kort daarop, op 22 november 1941, nam Major Freddie Gough het commando over. In december 1941 con-verteerde de 31 (Independent) Infantry Brigade in de 1st Airlanding Brigade Group, die op zijn beurt onder-deel ging uitmaken van de 1st Airborne Division. In die periode werd ook afgewogen of het Amerikaanse ‘4×4 utility vehicle’, beter bekend als de jeep, geschikt was voor het squadron. De Britten noemde het lichte voertuig al snel de ‘Blitz Buggy’. Om de terreinwagen passend te maken voor vervoer per Horsa-glider wer-den enkele modificaties in het ontwerp doorgevoerd.

Embleem van het Reconnaissance Corps.

In augustus 1942 kwam Major General Browning op bezoek. Hij had zes maroonkleurige (‘bordeauxrode’) baretten onder zijn arm. Hij drukte er één op het hoofd van Gough en gaf hem mee dat vanaf nu andere hoofddeksels verboden waren. In december 1942 kwam het squadron van 1st Airlanding Brigade recht-streeks onder bevel te staan van de divisie.

VERTREK UIT ENGELAND
1st Airborne Reconnaissance Squadron vertrok na een periode van diverse oefeningen op 14 mei 1943 vanuit Liverpool via Gibraltar naar Oran in Algerije voor verdere training. Het squadron kwam daar op 26 mei aan. Op 22 juni kwam 1st Airborne Division onder bevel van 8th Army; het squadron verplaatste daarna deels per glider naar Tunesië. Tot grote teleur-stelling van eenieder nam de eenheid niet deel aan de invasie van Sicilië op 10 juli 1943. Men deed wel bergtraining in het Atlas-gebergte en volgde trainin-gen in parachutespringen.
Twee maanden later werd het squadron wel ingezet bij de operaties in Zuid-Italië; op 9 september werd ontscheept in Taranto en meldde de eenheid zich met zo’n 20 jeeps en 150 man bij 4th Parachute Brigade.
Ze kregen tot taak patrouilles uit te voeren en om vijandelijke bewegingen te melden.

Het dorpje Ruskington, Lincolnshire (Engeland), waar het squadron was gelegerd in Nissenhutten.
Het eerste gebouw rechts was ook in gebruik bij de eenheid (afbeelding van een ansichtkaart uit de jaren ‘30).

Bij één van de D Troop-patrouilles vonden twee man de dood door vijandelijk vuur. In november verhuisde het squadron terug naar Engeland.

Groepsfoto van de officieren van het squadron, genomen in Ruskington, vóór Market Garden. Voorste rij, vijfde van links: Major Gough. Voorste rij, vierde van links: Captain Allsop, plaatsvervanger van Gough. Mid-delste rij, vijfde van links: Lieutenant Bucknall. Middelste rij, zesde en zevende van links: Lt. Christie en Lt.
McNabb. Bovenste rij, vijfde van links: Lt. Pascal. Alle genoemde luitenants zouden de slag om Arnhem niet overleven.

ENGELAND
De eenheid werd gelegerd in Ruskington, Lin-colnshire. De organisatie van het squadron was nog steeds in ontwikkeling en de behoefte aan meer jeeps groeide. In februari 1944 veranderde de tot dan gli-derborne-eenheid in een glider- (de jeeps met hun chauffeurs) én para-eenheid. Het gros van de soldaten moest dus tot parachutist worden opgeleid op RAF Ringway, bij Manchester. De langverwachte jeeps kwamen er ook. In mei 1944 kreeg het merendeel van de 42 terreinwagens K-type Vickers-machine-geweren op aangepaste affuiten. Vlak voor D-Day werd het squadron op ‘72hrs notice to move’ gezet.
Diverse operaties werden gepland en weer afgeblazen.
Medio augustus vertrok het seaborne echelon met elf voertuigen en 25 man naar Normandië. Van operatie Market Garden was nog geen sprake.
Operatie Comet, gepland voor 10 september, werd uiteindelijk ingehaald door operatie Market, waarbij de gehele 1st Allied Airborne Army, dus ook de twee Amerikaanse Airborne-divisies, een rol zou gaan spe-len. Op 12 september om 17.00u deed Major Gene-ral Urquhart zijn bevelsuitgifte aan zijn brigadecom-mandanten. Plek van handeling was Moor Park, het hoofdkwartier van 1st (UK) Airborne Corps. Gough was hierbij aanwezig.

ORGANISATIE VAN HET SQUADRON
De eenheid bestond uit de volgende onderdelen, met tussen haakjes het aantal jeeps dat is ingezet tijdens Market Garden:

• Squadron Headquarters – TAC HQ (twee jeeps en waarschijnlijk enkele motoren); • HQ Troop; • A dministrative Section (drie jeeps). De squa-drondokter, Captain Swinscow, behoorde tot deze groep; • Support Troop, bestaande uit een mortier- en een Polsten gun section tegen luchtdoelen (vier jeeps); • A Troop met een HQ en drie sections (acht jeeps); • C Troop met een HQ en drie sections (acht jeeps); • D Troop met een HQ en drie sections (acht jeeps).
Een troop had naast persoonlijke bewapening een Bren gun, een 2inch-mortier en een PIAT met bijbe-horende munitie. Op de jeeps waren naast radio’s dus ook de genoemde K type Vickers-mitrailleurs gemon-teerd. Ieder sectie had twee jeeps. De sectiecomman-dant was een luitenant, troops hadden een kapitein aan het hoofd staan.

MARKET GARDEN
De opdracht aan 1st Airborne Reconnaissance Squa-dron is hierboven al weergegeven. Gough realiseerde zich snel dat dit een ongebruikelijke wijze van optre-den inhield. In plaats van het uitvoeren van verken-ningen, voor de bataljons uit, kreeg het squadron de taak om een aanval uit te voeren. Bovendien werd deze divisie-eenheid voor de eerste fase onder bevel gesteld van 1st Parachute Brigade. Dit zou nog conse-quenties krijgen. Hij ging in discussie met Brigadier Lathbury. Toen deze niet toegaf, vroeg Gough of hij wellicht Tetrarch Mk VII-tanks kon krijgen, zoals die in Normandië waren ingezet. Uiteindelijk overheerste het gevoel dat de operatie toch een ‘push-over’ zou worden, en was iedereen optimistisch.
Voor deze operatie werden toegevoegd aan het squa-dron: • E en sectie 9th (Airborne) Field Company Royal Engineers, met twee jeep-trailercombinaties; • Een artilleriewaarnemer (één jeep?); • Korporaal Tom Italiaander van No.2 (Dutch) Com-mando Troop – per glider. 22 Horsa-gliders (chalk numbers 354-375) waren bedoeld om 36 jeeps met 75 man te transporteren.
De glider pilots kwamen van C Squadron, The Glider
Pilot Regiment. Halifax-vliegtuigen van 298 en 644 Squadron trokken de gliders van RAF Tarrant Rush-ton naar LZ Z bij Wolfheze. De 134 parachutisten van het squadron vertrokken in acht Dakota’s vanaf vliegveld Barkston Heath, vijftien kilometer ten zuid-westen van Ruskington, naar DZ X. Daar zouden zij als laatste, en daarmee als meest noordelijke eenheid, worden gedropt.
Gough vierde op 16 september zijn 43e verjaar-dag. De gliders van Tarrant Rushton vertrokken om 10.20u. De Dakota’s om 11.50u.

ZONDAG 17 SEPTEMBER
Landing Zone Z was gemarkeerd door No.2 Platoon van de Pathfinders. De markering bevond zich zuid-westelijk van boerderij De Boschhoeve. Om 13.35u begonnen de gliderlandingen van het squadron. Vier Horsa’s van de eenheid crashten tussen de bomen aan de noordkant van de LZ. Dit is op de luchtfo-to’s van 18 september goed te zien. Een Horsa-glider van No.1 Section had een zware landing, waarbij Staff Sergeant Baxter om het leven kwam. De bedoeling was dat de jeeps vanaf LZ Z zouden verplaatsen in westelijke richting, naar de rendez-vous in de bospunt noordelijk van DZ X aan de Telefoonweg. Vanwege de crashes en andere problemen met het uitladen van de zweefvliegtuigen duurde het verzamelen langer dan gepland. In eerste instantie kwamen de jeeps met de genie ook niet aan.
Glider 358 (Recce Squadron HQ) werd bestuurd door Staff Sergeant Jim Wallwork. Glider 359 werd gevlo-gen door Staff Sergeant Oliver Boland. Beide glider pilots hadden deel uitgemaakt van de coup de main force op Pegasus Bridge in Normandië. Ook toen was RAF Tarrant Rushton het vertrekpunt. Beide gliders kwamen zonder problemen aan op LZ Z. Om 14.08u werden de parachutisten van het squadron gedropt op de met blauwe rook gemarkeerde DZ X. De drop ver-liep beter dan tijdens menig training in Engeland.
Vanwege de diverse crashes ontstond het gerucht dat de coup de main mislukt was. Het hielp ook niet mee dat de liaison officer (LO), Captain Poole, zich niet had gemeld bij Lathbury. Het was vooral A Troop van Captain Grubb die problemen had met uitladen; nog een geluk dat deze eenheid was aangewezen als divi-siereserve en dus geen taak had bij de initiële aanval.
Van de 36 jeeps waren 28 ingedeeld voor de coup de main. Slechts 25 waren uiteindelijk beschikbaar.

De locatie waar C Troop met de haastig ingerichte verdediging van SS-Panzergrenadier-Ausbildungs- und Ersatz-Abteilung 16 van Krafft in gevecht raakte. De coup de main werd hier al in een vroeg stadium in de kiem gesmoord (foto uit 1946 of 1947).

Om 15.40u gaf Gough het startsein voor vertrek.
C Troop was de spits, gevolgd door Tactical HQ, D Troop, Support Troop en de rest van HQ Troop. De bedoeling was dat C Troop voorop zou gaan met 9 Section gevolgd door 7 en 8 Section. Vanwege de late aankomst van de jeeps bij de RV werd Lieute-nant Bucknall, sectiecommandant van No.8 Secti-on, ongeduldig. Hij wachtte niet op zijn eigen radio-dragende jeep, maar vertrok met nog drie man in het tweede voertuig zonder radio. Terwijl hij op de Tele-foonweg reed, in de bocht bij de spoorwegovergang, arriveerde de radiodragende jeep met nog eens vijf man, waarover Lance Sergeant McGregor het commando voerde. De zes volgden Bucknall. No.8 Section haalde No.9 Section in. Dit hoorde bij de (overlappende) procedure. Ten noorden van de spoorweg reed No.8 Section nu als spits over de Johannahoeveweg.
Nadat Bucknall het tunneltje onder de spoorweg was gepasseerd reed hij om 15.50u de (nu verdwenen) heu-vel op. Op dit punt hadden de Duitsers van SS-Pan-zergrenadier-Ausbildings- und Ersatz-Bataillon 16 van Sturmbannführer (majoor) Krafft een haastige verde-diging ingericht. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd was hier dus geen sprake van een hinderlaag, maar van een ontmoetingsgevecht. Te midden van de Duitse verdediging werd de jeep beschoten, waar-bij alle inzittenden omkwamen. Secties 9 en 7 pro-beren het gevecht te beïnvloeden door te steunen en te omtrekken. Het gevecht duurde echter tot 18.30u, waarbij zeven man sneuvelden en meerdere gewond raakten. Vier Recce-mannen werden krijgsgevangen gemaakt.

Om 16.45u kreeg Major Gough bericht dat de di-visiecommandant hem zocht. Ook Urquhart had het gerucht bereikt dat de meeste voertuigen van het squadron niet waren aangekomen. Urquhart bezocht het HQ van 1st Airlanding Brigade, maar de com-mandant, Brigadier Hicks, was zelf niet aanwezig. Nu al speelden verbindingsproblemen op. Urquhart liet weten dat Gough hem moest proberen te bereiken bij de HQ van 1st Parachute Brigade. Deze volgde echter 2nd Battalion op weg naar de brug. De divisiecom-mandant ging alleen (!) met zijn verbindingsman in de jeep op pad. Met zijn Wireless Set No.22 tracht-te hij Gough te bereiken. Laatstgenoemde luisterde echter niet in op het commandonet van de divisie, maar was ingeplugd op dat van 1st Parachute Brigade.
Nadat Gough had begrepen dat Urquhart hem zocht, reed hij naar de divisiecommandopost op LZ Z. Daar ruilde hij zijn twee squadronjeeps om en vertrok hij meteen om de divisiecommandant in te halen, via de meest waarschijnlijke route. Gough kwam zo als enige, met twee jeeps en later een motorfiets, bij het aanvalsdoel van het squadron uit: de brug in Arnhem.
Urquhart bevond zich echter met Lathbury bij 3rd Parachute Battalion op de Tiger-route, ter hoogte van de Bilderberg, westelijk van Oosterbeek.
Inmiddels had Captain Allsop als plaatsvervangend commandant de leiding van het squadron overgeno-men. Hij meldde zich bij Hicks en kreeg te horen dat hij één troop bij 1st Airlanding Brigade moest ach-terlaten. Effectief had Allsop dus nog maar één troop over, omdat A Troop reeds onder direct bevel stond van de divisie. Aan het einde van de dag waren A, C en D Troop verzameld rondom Divisional HQ op LZ Z. Er was dus geen plan B voor het geval de coup de main zou mislukken. 1st Airborne Reconnaissan-ce Squadron stond weer onder bevel van de divisie.
Opdrachten kwamen van general staff officer (GSO 1 – Operations) Lt. Col. McKenzie.

MAANDAG 18 SEPTEMBER
Om 06.30u kreeg het squadron, minus C Troop, op-dracht om vanuit Heelsum in de richting van Arnhem te verkennen. Dat verliep goed tot Mariëndaal. In de buurt van het viaduct bij KEMA werd D Troop onder vuur genomen door minstens vier machinegeweren
(deze naderingsmars over de Utrechtseweg is gefilmd, waarbij ook de door het squadron gevoerde Polsten guns, luchtdoelgeschut, zichtbaar is (zie hiervoor You-Tube, zoekwoorden ‘home movie Monné family’).

Een aantal uur eerder was op deze zelfde locatie 1st Parachute Battalion in gevecht geweest, voordat het over de Lion-route uiteindelijk richting Arnhem op-trok, en even daarna had 3rd Battalion er direct con-tact met de vijand. Na het vuurgevecht bij Mariën-daal verzamelde het squadron zich in de Backerstraat, waar ze last ondervonden van infiltrerende SS’ers. Tac HQ werd ingericht nabij kasteel Sonnenberg, noord-westelijk van Hartenstein. D Troop werd uiteindelijk afgelost door 2nd Battalion, South Staffordshire Re-giment. De achtergelaten C Troop bewaakte intussen de oostelijke flank, ten noorden van de spoorweg, en bereikte de plek waar Peter Bucknall was gesneuveld.
A Troop bevond zich nu in Oosterbeek. Bij de brug in Arnhem leverden de twaalf man van het squadron hun bijdrage aan het gevecht met de eenheid van Hauptsturmführer Gräbner die vanuit het zuiden de brug aanviel. Opvallend is dat Gough Trooper White opdroeg op de motor een bericht naar Divisional HQ te brengen, wat nog lukte ook. Zij het dat de motor daarbij verloren ging.
De tweede Britse airlift bracht ook twee Horsa-gli-ders met drie voertuigen en twee motoren voor Recce Squadron. ‘s Avonds bevond het squadron zich in de buurt van Oranjestraat en kasteel Sonnenberg in Oosterbeek.

DINSDAG 19 SEPTEMBER
Terwijl in Arnhem de gevechten bij het St. Elisabeth Gasthuis en Museum Arnhem gaande waren, kreeg het squadron van vervangend divisiecommandant Hicks de opdracht in westelijke richting (Heelsum) te verkennen. Een eerste indicatie dat Duitse troepen vanuit het westen richting Oosterbeek verplaatsten, kwam van een RASC-eenheid die bezig was voorra-den van een dump bij Wolfheze naar Oosterbeek te brengen. In de bossen ten noorden van kasteel Door-werth kwam een sectie van D Troop in gevechtscon-tact. A Troop meende in de buurt van Heelsum zelfs een Char B-tank te hebben gezien. Ter hoogte van het kruispunt Wolfhezerweg-Utrechtseweg, waar het tactisch hoofdkwartier van het squadron was ingericht werden de twee Polsten guns in stelling gebracht.

Eén van de uitgeschakelde jeeps van C Troop (bron: IWM).

De zwaarste gevechtsactie vond plaats bij de reeds gesleten C Troop. Na de vorige dag in reserve te zijn geweest ging C Troop na een goed ontbijt op weg naar de Amsterdamseweg, ten noorden van Wolfheze.
Bij de kruising waar tegenwoordig een ANWB-we-genwachtstation is gevestigd kwam C Troop onder Duits mortiervuur te liggen. De eenheid trok daar-op terug op Wolfheze. Hierbij ging een jeep van C Troop verloren. Vervolgens werd verkend over LZ S nabij Buunderkamp. Daar naderden ze wederom de Amsterdamseweg bij Planken Wambuis. Tussen 12.00u en 15.30u namen ze Duitse troepen waar.
Om 15.30u werd een herbevoorrading gedropt. De terugtochtroute bleek afgesneden. Toen het Duitse luchtafweer begon te schieten op de vliegtuigen van de derde Britse air lift besloot de C Troop-comman-dant, Captain Hay, met alle zes jeeps op hoge snelheid uit te breken over de weg van Planken Wambuis richting Wolfheze. Van de vier jeeps die in de hinderlaag reden, was er slechts één die erdoor wist te komen.
De twee laatste jeeps vermeden de hinderlaag, maar één werd door de Duitsers alsnog uitgeschakeld. De
bemanning werd krijgsgevangen gemaakt. Uiteinde-lijk keerden twee jeeps en zeven overlevenden terug bij het squadron in het verzamelgebied bij de Koude Herberg-Oranjelaan. C Troop was vertrokken met 38 man. Slechts zeven man waren nu nog inzetbaar. De rest was gedood of krijgsgevangen gemaakt.

Diezelfde middag moest de eenheid twee jeeps leveren om de inmiddels van de schuilplaats op de Zwarte-weg teruggekeerde Urquhart te escorteren naar het hoofdkwartier van 4th Parachute Brigade die bij Jo-hannahoeve in de knel was gekomen. A Troop was in actie tussen station Oosterbeek en station Wolfheze.
D Troop deed verkenningen tussen de Lebretweg en de spoorweg Arnhem-Nijmegen. Voor deze opdracht was de troop tijdelijk versterkt met een 6ponder-anti-tankkanon. Aan het eind van de dag werden de troops teruggehaald naar het verzamelgebied dat intussen ten noorden van Hartenstein lag. De Polsten Section nam stellingen in bij het kruispunt waaraan Hotel Schoon-oord en Hotel Vreewijk lagen. In de duisternis reed hier een jeep tegen een Polsten gun, waarbij de loop gebogen raakte. Bij de brug in Arnhem had Gough inmiddels het commando over 2nd Parachute Battalion overgenomen omdat ook de plaatsvervangend commandant, Major Tatham Warter, gewond was ge-raakt. Lieutenant Colonel Frost trad op als plaatsver-vangend commandant van 1st Parachute Brigade, in afwezigheid van Lathbury.

WOENSDAG 20 SEPTEMBER
De dag dat de brug bij Nijmegen in geallieerde han-den viel was er een van hevige strijd in Oosterbeek.
Tot dan had 1st Airborne Reconnaissance Squadron zich nog verdienstelijk kunnen maken met jeepver-kenningen, maar vanaf woensdag restte alleen nog een verdedigende taak. A Troop kreeg waarnemingsop-drachten rondom de Stationsweg, D Troop rondom de Dennenkampbossage. Daar kregen de troops te maken met zware artillerie- en mortierbeschietingen.
A en D Troop kregen ’s avonds opdracht langs de Paul Krugerstraat een aantal huizen ter verdediging in te richten. Squadron Tac HQ bevond zich bij de Oran-jeweg. De Support Troop, onder commando van Lui-tenant John Christie, kreeg opdracht de twee Polsten guns bij Schoonoord en Vreewijk in te zetten tegen Duits gemechaniseerd geschut. Zonder eerst een ver-kenning te doen reed Christie naar de stelling. Daar kwamen de twee jeeps onder kleinkalibervuur te lig-gen en iedereen zocht dekking. Toen de luitenant zelf probeerde de jeep in een gedekte opstelling te krijgen, werd hij in zijn borst getroffen door een granaat. Hij wist nog naar zijn mannen te lopen, maar viel daar dood neer. Dit gebeurde recht tegenover Klein Har-tenstein, bij Villa Eureka. Diezelfde dag gingen nog twee jeeps van het squadron verloren.
Bij de Arnhemse verkeersbrug trad Gough inmiddels op als deputy force commander, nadat Frost gewond was geraakt door de inslag van een mortiergranaat.
Belangrijke beslissingen namen de heren in overleg.
Het einde bij de brug naderde echter snel. Er werd een staakt het vuren geregeld om de gewonden over te dragen aan de Duitsers.

DONDERDAG 21 SEPTEMBER
De dag begon weer vroeg met Duitse beschietingen.
De Westerbouwing ging deze donderdag verloren en de Duitsers namen de brug bij Arnhem in, nadat de troepen van Frost zich hadden overgegeven. XXX Corps trok vanuit Nijmegen de Betuwe in. Op het
einde van de dag landden er 1.000 Polen op DZ K bij Driel. A en D Troop waren nog steeds in hun stel-lingen aan de Paul Krugerstraat. A Troop had zijn tactisch hoofdkwartier in de bakkerij van Crum, op de kruising met de Mariaweg. Daar begon in de mid-dag een Duits gemechaniseerd geschut huizen op te blazen. Trooper Frank Mann wist vanuit de bakkerij met een PIAT dit Sturmgeschütz te immobiliseren.
Hiervoor werd hij later onderscheiden met het Ame-rikaanse Distinguished Service Cross. Na deze actie wisten de Duitsers de bakkerij (Paul Krugerstraat 23) in te nemen. Omdat hiermee de stellingen van de Britten in direct gevaar kwamen, leidde de comman-dant van A Troop, Captain Grubb, een tegenaanval om de Duitsers te verdrijven. Niet veel later voerden de Duitsers een goed gecoördineerde aanval uit op de stellingen van D Troop aan de Steijnweg, in de buurt van huisnummer 45. No.10 Section kreeg het zwaar te verduren. Er vielen gewonden. De sectiecomman-dant, Lieutenant Marshall verloor zijn rechterhand.
Nadat deze sectie was uitgeschakeld, viel de beurt aan No.11 Section van Lieutenant Hodge. Uiteindelijk bleven nog maar zo’n twintig man over in D Troop, voornamelijk van No.12 Section.

Uitgeschakelde jeep van Support Troop. De foto is genomen tegenover Klein Hartenstein. Villa Eureka op de achtergrond staat er nog steeds. (bron: BArch-MA Freiburg).

VRIJDAG 22 SEPTEMBER
Op deze dag kwam de artillerie van 2nd Army ter beschikking. Er was radiocontact met het 64th Me-dium Regiment RA in Nijmegen. Deze eenheid kon met zware artillerie Duitse troepenconcentraties rond de perimeter beschieten. De Duitsers bestookten op hun beurt de Britten met hun ‘morning hate’. Eén van deze mortierbeschietingen schakelde de twee 81mm-mortieren van Support Troop uit. Waarschijn-lijk waren die opgesteld in de buurt van het hoofd-kwartier van 1st Battalion, The Border Regiment.
Hierbij kwam Corporal Mason om en raakten twee anderen gewond. Het resterende deel van de Polsten Section bevond zich ook bij Squadron HQ. Er von-den infiltraties door Duitsers plaats en voedsel en wa-ter werden een probleem. Ook het in werking houden van de batterijen werd een uitdaging. Bij Squadron HQ, in een bossage net westelijk van het huidige Airborne-monument tegenover Hartenstein, bevond zich een batterij-oplaadapparaat. Het werkte, maar ondervond veel problemen.
De Nederlandse commando Tom Italiaander, verbon-den aan het squadron, had veel geluk. Bij een mortier-beschieting sprong hij in een schuttersputje, waarin een moment later een mortiergranaat landde die niet explodeerde. Ook de squadron dokter Swinscow had een dergelijke ‘narrow escape’.

ZATERDAG 23 T/M 26 SEPTEMBER
Op zaterdagochtend kreeg D Troop het in de om-geving van Oranjeweg-Bothaweg-Steijnweg zwaar te verduren. Na de gebruikelijke ochtendbeschie-ting vielen de Duitsers aan, hierbij ondersteund door pantservoertuigen. De enige 6-ponder in die omgeving werd uitgeschakeld, waarbij de bediening sneuvelde. Bij de kruising van de Steijnweg en Paul Krugerstraat, waar zich ook het hoofdkwartier van D Troop bevond, werd hard gevochten. Sergeant Pyper werd hiervoor met een Military Medal beloond. ‘s Middags werd A Troop uit de huizen ten zuiden van de Paul Krugerstraat verdreven en namen zij nieuwe posities in aan de De la Reyweg. Bij deze gevechten raakte troop commander Captain Grubb gewond aan zijn voet. Nadat hij werd afgevoerd naar de verband-post nam Lieutenant Galbraith (No.2 Section) het commando over. Overigens bevonden de jeeps zich nog steeds bij de troops, veelal geparkeerd achter de huizen. Maar vanwege de intensieve mortierbeschietingen gingen ook deze één voor één verloren.
De mannen vochten niet alleen in de huizen maar groeven ook schuttersputten in de tuinen. D Troop startte de operatie met 48 man. Hiervan konden nu nog maar twaalf actief strijd leveren.
Op zondagochtend werd D Troop nog eens zwaar ge-troffen. Na een extra zware mortierbeschieting wer-den troop commander Captain Park, No.12 Section commander Lieutenant Pascal en Trooper Walker ge-dood, terwijl ze in hun loopgraaf stonden. Kort daar-op overliepen de Duitsers de positie van D Troop, waarmee deze troop ophield te bestaan.
Het was ook op deze zondag dat Colonel Graeme Warrack als divisie-arts vroeg om een staakt-het-vu-ren om de gewonden af te kunnen voeren naar het St. Elisabeth Gasthuis. Op maandagavond 25 september

In de laatste dagen van de slag lag het operatiege-bied van het squadron in de wijk ten noorden van Hartenstein: tussen de Oranjeweg, Paul Kruger-straat en Mariaweg

kreeg het Squadron om 19.30u opdracht hun posities te verlaten en te evacueren over de Nederrijn. De start was om 20.50u. De troopers vertrokken in paren. De route was gemarkeerd met witte linten. De route liep via de Hoofdlaan over de Benedendorpsweg en door wat nu bungalowwijk Dennenoord is naar de uiter-waarden bij de Nederrijn. Canadese genisten brach-ten de meesten over rivier.
Na een kort verblijf in Nijmegen werd het squadron via Brussel teruggevlogen naar Engeland, waar het op 29 september 1944 aankwam op vliegveld RAF Saltby. De mannen werden teruggebracht naar Rus-kington. Op 17 september was het squadron met tien vrachtwagens naar het vliegveld gebracht. Nu waren er slechts twee vrachtwagens nodig om hen naar hun legering te brengen. Er volgde een emotioneel ont-vangst door de inwoners van Ruskington in squadron pub The Shoulder of Mutton. De troopers kregen twee weken verlof. Na terugkeer werd het squadron gereorganiseerd met Captain, en wat later Major Allsop als commandant.
Van de 25 officieren vonden zeven de dood. Van de om en nabij 184 manschappen overleefden er 23 de slag niet. De anderen, waarvan de meesten gewond, werden merendeels krijgsgevangen gemaakt; slechts enkele tientallen keerden terug over de Nederrijn.
De gewonde krijgsgevangenen werden in eerste in-stantie ondergebracht in de Willem III-kazerne in Apeldoorn. Slechts een enkeling wist te ontsnappen en dook onder. In Brummen had Gough een close call toen Majors Hibbert en Mumsford ontsnap-ten door uit een vrachtwagen te springen: een SS’er schoot uit frustratie in de vrachtwagen en doodde en verwondde een aantal van de krijgsgevangenen. De gewonde Lieutenant McNabb, de inlichtingenofficier van het squadron, overleed later aan de gevolgen van deze misdaad.
– Erik Jellema

BELANGRIJKSTE BRON

Robert (Bob) Hiltons Freddie Gough’s Specials at Arnhem.

De voornaamste bron voor dit artikel en de battlefield tour is het boek Freddie Gough’s Specials at Arnhem, Robert (Bob) Hilton (2017), een prachtig geïllus-treerde uitgave van R.N. Sigmond Publishing. Bob (58) vocht als parachutist in de Falkland-oorlog van 1982. In 2000 werd hij custodian van de 1st Airborne Reconnaissance Squadron history, van 2014 tot 2017 was hij assistent-curator van het Airborne Assault Museum in Duxford (Engeland). Bob woont in Ne-derland en leidt vaak battlefield tours.

OVERIGE BRONNEN
• Remember Arnhem, John Fairley (1978). • Roll of Honour, Battle of Arnhem September 1944 (revisie 5, 2011).

Volgend jaar organiseert de VVAM de battlefield tour ‘1st Airborne Reconnaissance Squadron tijdens de slag om Arnhem’. Luuk Buist en Erik Jellema zullen de gid-sen zijn. Aanmelden voor deze battlefield tour kan te zijner tijd op de website van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum.

DE COMMANDOVOERING VAN 3RD PARACHUTE BATTALION OP DE FALKLANDS EN IN ARNHEM

“THEY DON’T NEED BRIEFING, JUST TELL THEM THAT’S THE BLOODY WAY”

Op 21 september leidden Erik Jellema en ik een gezelschap van Falkland-veteranen rond langs de opmarsroute van hun voorgangers tijdens de slag om Arnhem. Een speciale tour, niet alleen omdat het gezelschap bestond uit mannen van A Company, 3rd Parachute Bat-talion, maar ook omdat Erik en ik in 2002 de voormalige Falkland-slagvelden bezochten.
Daar ervoeren we met welke uitdagingen dit bataljon in juni 1982 was geconfronteerd toen zij de opdracht kregen om Mount Longdon te heroveren op de Argentijnen. Het con-trast met de commandovoering in Arnhem had niet groter kunnen zijn.

MOUNT LONGDON (1982)
De strijd om de herovering van de Falkland-eilanden op de Argentijnse bezetting was ruim een maand on-derweg toen de Britten zich in de tweede week van

Veteranen van A Company bij het Airborne-monument in Heelsum.

juni 1982 opmaakten voor de aanval op de strategische havenstad Stanley op East Falkland. Voor een goede uitgangspositie tijdens deze laatste fase van het conflict was het noodzakelijk eerst een reeks, door de Argentijnen ingenomen heuvels ten westen van de stad te zuiveren. Omdat met een eerdere Argentijnse Exocet-aanval op het vrachtschip Atlantic Conveyor de Britse helikoptercapaciteit verloren was gegaan, waren de bataljons van 3 Commando Brigade gedwongen de 65 kilometer van hun landingsplaats in San Carlos Bay naar deze hoogten te voet af te leggen. Een enorme op-gave vanwege het ontbreken van een goed wegennet en de invallende winter in de South Atlantic.

De slag om Stanley

De Engelse commandant van 3 Commando voorzag een aanval in drie fasen. In fase 1 zouden drie bataljons, 3rd Parachute Battalion en 45 & 42 Commando Royal Marines tegelijkertijd Mount Longdon, Two Sisters en Mount Harriet aanvallen. In fase 2 zou de 5th Infantry Brigade met 2 Para en het 2nd Battalion Scots Guards ‘s nachts Wireless Ridge en Tumbledown Mountain innemen. De 7th Gurkha Rifles zouden bij vroegtijdig succes van de Schotten doorstoten naar Mount Wil-liam. Fase 3 zou later in detail worden uitgevoerd; re-kening werd gehouden met straatgevechten in Stanley.
De Argentijnse verdediging op Mount Longdon werd gevormd door B-compagnie van Regimiento de Infan-tería Mecanizado 7. De aandacht van de drie infan-teriepelotons was met prioriteit naar het noorden en westen gericht. Nadat 3 Para na drie dagen van ver-plaatsingen te voet was aangekomen in de buurt van Estancia House, liet de commandant, Lieutenant Co-lonel Hew Pike, verkenningspatrouilles uitvoeren in de richting van zijn aanvalsdoel: Mount Longdon.

De opmars over East Falkland.

EEN KANSLOOS PLAN
Tijdens ons bezoek aan de eilanden in 2002 werden wij rondgeleid door een gids die in 1982 als Lance Corporal had deelgenomen aan verkenningspatrouil-les op de berg. Hij vertelde dat zijn patrouille erin was geslaagd via de zuidzijde tot vlak onder de top te ko-men. Daarbij hadden ze vastgesteld dat de Argentijn-se posten lagen te slapen. Ondanks de hoopgevende verkenningsresultaten besloot de bataljonscomman-dant bij het opstellen van zijn aanvalsplan niet via de zuidkant te gaan. In zijn ogen was een nadering van-uit deze richting niet mogelijk vanwege de mogelijke aanwezigheid van mijnenvelden. Pike koos uiteindelijk voor een frontale aanval vanuit het westen. Opvallen-de terreinkenmerken had hij codenamen gegeven. Een beheersende heuvel ten noorden van Mount Longdon kreeg de codenaam Wing Forward. De meest westelijke top noemde hij Fly Half en de meeste oostelijke Full Back. In het plan van de bataljonscommandant kreeg A Company de opdracht Wing Forward te veroveren.

Van daaruit zouden zij B Company steunen, in eerste instantie bij het innemen van aanvalsdoel Fly Half, en vervolgens Full Back. C Company werd als bataljons-reserve achter de hand gehouden. D Company had de opdracht de startlijn te verkennen en de route erheen van gidsen te voorzien.
Op 11 juni startte 3 Para na het invallen van de duister-nis met de naderingsmars tot de startlijn tien kilometer verderop. Het uur U was 20.00u. Pike had besloten tot een stille nachtaanval en zag af van inleidende be-schietingen door de artillerie. Terwijl B Company in verspreide formatie voorzichtig voorwaarts ging over de startlijn, stapte één van de soldaten op een mijn.
Vanaf dat moment was het verrassingselement weg en waren de Argentijnen gealarmeerd. Ze openden het vuur met alles wat ze hadden. Terwijl B Company in gevecht was, naderde A Company de opstellingen op Wing Forward. Ter plekke bleek dit een verre van ide-ale opstelling te zijn. Wing Forward lag veel lager dan de toppen van Longdon. Daarnaast bleek het zwaarte-punt van de Argentijnse opstellingen gericht te zijn te-gen een nadering vanuit het noorden. Vanuit de hoger gelegen opstellingen op Mount Longdon keken de Ar-gentijnen op A Company neer en kon men vanuit hun verdedigende opstellingen effectief vuur uitbrengen.
Pike zou de compagniescommandant van A Company, Major Collet, vervolgens hebben opgedragen Mount Longdon vanuit Wing Forward aan te vallen, om de inmiddels zware verliezen leidende B Company te steu-nen. Major Collet beschouwde deze opdracht echter als onrealistisch. In zijn ogen zou zo’n aanval tot zwa-re verliezen onder zijn compagnie hebben geleid. Hij deed alsof hij geen radioverbinding meer had met zijn bataljonscommandant en keerde terug naar de startlijn om zijn compagnie van daaruit achter B Company aan te laten oprukken naar het hoger gelegen Fly Half.
Van daaruit zou hij B Company voorwaarts kunnen doorschrijden om zo de aanval van deze eenheid over te kunnen nemen naar Full Back. De officiële versie in de verslagen die in diverse boeken hierover is opge-nomen vermeldt dat Pike Collet opdracht gaf terug te trekken en zich achter B Company op te stellen. Uit de gesprekken met de veteranen tijdens de battlefield tour in Arnhem bleek echter dat Collet deze opdracht heeft geweigerd en zelf tot de terugtrekking had besloten.

ZWARE VERLIEZEN
Inmiddels waren de pelotons van B Company tussen de rotsformaties op de westelijke zijde van de heuvel aangekomen. Zij waren door de rotsspleten gekanali-seerd en konden nauwelijks manoeuvreren. Hierdoor waren ze kwetsbaar voor Argentijns vuur en voor de vij-andelijke handgranaten. Deze worden vanaf de hoger gelegen opstellingen in de rotsspleten gegooid waardoor de Britten deze plek later hebben omgedoopt tot Grenade Alley. In een urenlang gevecht van man tegen man kwam B Company maar moeilijk verder. Uiteindelijk slaagde Lieutenant Bickerdike van 4 Platoon erin om op de linkerflank, via de rotsspleten, door te stoten.


Nadat zij enkele mitrailleurposten hadden uitgescha-keld, raakte hij gewond door een kogel in zijn zij. Hij riep Platoon Sergeant Ian McKay bij zich en droeg het peloton aan hem over. Corporal Bailey, één van de sec-tiecommandanten in 4 Platoon, beschrijft wat er toen gebeurde: “Ian and I had a chat and decided the aim was to get across to the next cover. There were some Argentinian positions but we didn’t know the exact location. He shouted out to the other corporals to give covering fire. Three machine guns altogether sergeant McKay, myself and three privates set off. As we were across the open ground two of the privates were killed. We grenaded the first position and went past it without stopping, just firing into it. And that is when I got shot. I got it in the hip and went down.
McKay was still going on the next position, but there was no one else with him. The last I saw of him was he was just going on. I was lying on my back and listened. The lads were calling out to McKay, there was no reply. I got shot again soon after, by bullets in the neck and hand.” McKay slaagde erin om ook deze mitrailleurspost uit te schakelen, maar sneuvelde daarbij. Zijn kameraden troffen het lichaam van McKay aan op de uitgeschakel-de Argentijnse opstelling. Voor deze actie werd McKay postuum onderscheiden met het Victoria Cross.

ONGEHOORZAAMHEID
Met zware verliezen slaagde B Company er uiteinde-lijk in de eerste hogergelegen top ter hoogte van Fly Half te bereiken. De compagnie had dan al tien dode-lijke slachtoffers te betreuren. Met de gewonden erbij verloor de eenheid de helft van zijn sterkte. Omdat de compagnie niet sterk genoeg was de aanval verder voort te zetten naar Full Back, werd besloten A Company het gevecht van B over te laten nemen. In tegenstelling tot het eerste deel van de aanval kon de vervolgaanval nu wel met artillerie worden ondersteund. Een vuurba-sis bestaande uit diverse MAG-mitrailleurs vanuit het hoger gelegen deel van Mount Longdon bracht nog meer vuurkracht. Met relatief lichte verliezen bereikte A Company de oostelijke kant van Mount Longdon.

Voortzetting van de aanval door A Company

Voortzetting van de aanval door A Company

Veel Argentijnse soldaten gaven zich over of vluchtten in oostelijke richting naar Wireless Ridge. Na een gevecht van tien uur was Mount Longdon in Britse handen. Daarmee was de slag echter nog niet voorbij.
In de volgende twee dagen werden de Britten voortdurend door de Argentijnse artillerie beschoten. Nog eens vier Britse para’s sneuvelen door die beschietingen.
Daardoor liep het dodental verder op naar eenentwintig gesneuvelden en 53 gewonden. Ook de Argentijnen leden zware verliezen. Er werden 50 doden en 120 gewonden geteld. Zo’n 50 man werden krijgsgevangen gemaakt.
De veteranen van A Company vertrouwen ons in Arn-hem toe dat ze zich realiseren dat ze hun leven te dan-ken hebben aan compagniescommandant David Col-let. Als Collet de opdracht van Pike om vanuit Wing Forward de noordelijke zijde van Mount Longdon aan te vallen zou hebben uitgevoerd, dan zouden zij nog meer verliezen hebben geleden. Collet was in hun ogen als ervaren SAS-officier niet alleen tactisch sterk, maar vooral ook mentaal. Als soldaten wisten zij donders-goed dat het niet opvolgen van een opdracht van de bataljonscommandant mogelijk serieuze persoonlijke gevolgen voor hem kon hebben. Dat het daar uitein-delijk niet van gekomen is, kwam waarschijnlijk omdat de inzet van A Company in de tweede fase vanaf Fly Half naar Full Back beslissend is geweest.

DE OPMARS NAAR ARNHEM (1944)
De rol en invloed van de commandanten van 3rd Para-chute Battalion op een beslissend moment in de strijd, zowel in 1982 als tijdens Market Garden, blijkt bij een grondige vergelijking van doorslaggevend belang.
Daarbij moet gezegd dat de details van het verloop van de gevechten op 17 en 18 september 1944 voor de meeste Falkand-veteranen onbekend waren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de invloed van Brigadier Lathbury als commandant van 1st Parachute Brigade op de operaties van 3rd Parachute Battalion voor hen een eyeopener was.

Op de kruising bij de Koude Herberg schetsten we het verloop van de acties van B Company. Die raakte aan de westkant van Oosterbeek in gevecht met een Duitse half-track, die waarschijnlijk afkomstig was van de mobiele reserve van Kampfgruppe Krafft. In zijn recent verschenen boek Arnhem, the complete story of Operation Market Garden beschrijft William Bucking-ham de rol van Lathbury: “It’s unclear when he arrived at 3rd Parachute Battalion’s column but in the aftermath of the clash with Battalion’s Krafft mobile reserve briga-dier Lathbury’s micromanaging tendencies rapidly came to the fore. He appears to have begun virtually running the 3rd Battalion over Fitch’s head. It’s therefore likely he badgered if not simply ordered Fitch to despatch C Com-pany to the north.” Als Lieutenant Leonard Wright met zijn 9 Platoon wordt aangewezen om als spitspeloton van C Company op te treden bemoeit Lathbury zich ook met het optreden van deze compagnie. Leonard Wright: “Before I could start to brief my men about the new mission, I heard the high-pitched voice of the brigade commander… He asked what I was doing, and I replied ‘Briefing my O-group sir’. He snorted very sharply, ‘They don’t need briefing, just tell them that’s the bloody way. Get moving.’ So I did.”

EEN BESLUIT MET GEVOLGEN
Later op de avond, rond 19.30u, gaf Lathbury Fitch de opdracht halt te houden. Juist op het moment dat de nacht invalt en de Duitsers zich terugtrekken, zou je verwachten dat een parachutisteneenheid gebruik maakt van het donker en doorstoot naar de brug. Het blijkt een catastrofale maar ook onverklaarbare fout te zijn met grote gevolgen. De Britten lieten zeven kostba-re uren duisternis voorbij gaan waarin ze gebruik had-den kunnen maken van de situatie. Een dag later kwam het bataljon vast te zitten in het westen van Arnhem, op zo’n 2.500 meter van de brug. De Duitsers hadden de verdediging inmiddels op orde en hadden zich ver-

A Company neemt het gevecht over vanaf hier.

sterkt met andere eenheden. In de straatgevechten die volgden leed 3rd Parachute Battalion zoveel verliezen dat het vroeg in de morgen van dinsdag 19 september feite-lijk ophield met bestaan. “Fitch’s view is unknown because he was killed two days later, but his second in command, major Alan Bush, regarded the halt as ‘the start of the great cock up’ and was convinced that Fitch would have conti-nued moving had he been left to his own devices, probably in the wake of his C Company: ‘I felt very sorry for Colonel Fitch. If we had not had those two with us (Urquhart and Lathbury) Fitch would have probably followed C Company around that route to the north, but he could hardly move without the approval of both the divisional and brigade commanders – a hopeless situation.’ Brigade Major Tony Hibbert was more forthright in his criticism of Lathbury’s decision. Hibbert was at the Arnhem road bridge by about 20.45 and unsuccessfully urged Lathbury to despatch the 3rd Parachute Battalion down the riverside LION route during their radio exchange of 22.00. Hibbert quite rightly pointed out fifty-seven years after the event that there should have been no question of halting after such a short period on the ground and in his view, Lathbury’s refusal to move was the moment we lost the battle.”
In de gesprekken met de Falkland-veteranen werd weer eens haarfijn duidelijk dat besluiten van commandan-ten ingrijpende gevolgen kunnen hebben op het ver-loop van gevechtsacties. A Company op de Falklands had hetzelfde tragische lot kunnen ondergaan als hun voorgangers 38 jaar eerder in Arnhem. De battlefield tour op 21 september heeft hen nog meer doen inzien dat zij het geluk hadden te worden geleid door een vakkundige commandant die op het juiste moment de juiste beslissingen nam.
– Otto van Wiggen

In februari 2020 reizen de Falkland-veteranen van A Company opnieuw af naar de eilandengroep bij Argen-tinië. Dit keer om hun gevallen kameraden te eren en een plaquette te onthullen op Mount Longdon met daarop de namen van vier gesneuvelde kameraden.

Na de battlefield tour bij Schoonoord in Oosterbeek. Links: Erik Jellema. Rechts: Otto van Wiggen.

DE ROYAL ENFIELD 125 VAN HET AIRBORNE MUSEUM

BITS AND PIECES GEKOOIDE VLO

De Britse parachutisten waren tijdens de oorlog uitgerust met diverse motorfietsen.
Al jaren is in de collectie van het Airborne Museum een Britse motor aanwezig van het type Royal Enfield 125 cc LWT. Bij de laat-ste herinrichting zo’n tien jaar geleden was geen ruimte meer voor dit voertuig. Met de vernieuwing van het museum in de winter van 2019-2020 komt hierin verandering.

Het Duitse DKW (van Dampf-Kraft-Wagen) produ-ceerde in de jaren ‘20 en ‘30 naast auto’s en bromfiet-sen motoren die succesvol waren in wedstrijden en die internationaal veel aftrek vonden. In Nederland werden DKW-motoren geïmporteerd door handels-maatschappij Stokvis uit Rotterdam. Omdat het be-drijf in joodse handen was, raakte het vlak voor de oorlog de import vanuit Duitsland kwijt. Als alterna-tief liet het bedrijf in Engeland bij Royal Enfield een kopie maken van de populaire DKW RT 100 (98cc).
Dit bleek geen succes, met name omdat de Britten de technische adviezen van Stokvis negeerden.
Met het uitbreken van de oorlog kwam er dan ook een einde aan de productie, maar al ras ontstond er onder nieuw gevormde eenheden, waaronder de parachutisten, de behoefte aan een kleine, lichte motor voor snelle verplaatsingen. Royal Enfield hervatte de productie in aangepaste vorm en kwam met de Royal Enfield 125cc LWT. De machine werd bekend onder de naam ‘Flying Flea’: licht, maar sterk. En bovendien reed de motor op alle gangbare brandstoffen.

Para met een Royal Enfield (foto: Imperial War Museum, Londen).

DE VLO IN ARNHEM
In Engeland werd deze lichte motorfiets op den duur bij praktisch elk legeronderdeel en ook bij de lucht-macht gebruikt. Door het geringe gewicht was de ma-chine behoorlijk terreinwaardig en zeer geschikt voor gebruik door luchtlandingstroepen.
Hoeveel Royal Enfields in september 1944 bij Arn-hem zijn ingezet is niet bekend. Gemiddeld had een luchtlandingsbataljon in 1944 de beschikking over 43 lichte motorfietsen; een parachutistenbataljon had er vermoedelijk wat minder. Aangenomen wordt dat er enkele honderden dienst hebben gedaan tijdens de slag. De meeste werden gebruikt door ‘despatch ri-ders’ die berichten tussen eenheden overbrachten.
In de Arnhemse verslagen worden de Enfields slechts enkele keren genoemd. Wel zijn er enkele foto’s waar-op dit type motorfiets staat afgebeeld, zoals die van Duitse krijgsgevangenen die op 17 september worden afgevoerd langs de Parallelweg in Wolfheze. Links is, achter de loop van een 17-ponder-kanon, nog net een klein deel van een Enfield zichtbaar. Een Duitse foto van 19 september toont Britse krijgsgevangenen op de Utrechtseweg bij het Gemeentemuseum in Arnhem. Zij worden begeleid door een Duitser die een Flying Flea voortduwt met de hand.

Royal Enfield ‘Flying Flea’-motorfietsen werden gedropt. Bij het opruimen van de landingsterreinen bij Wolf-heze, na de bevrijding in 1945, werden deze frames samen met allerlei onderdelen van gliders, containers en ander achtergelaten materiaal opgeslagen langs de Wolfhezerweg. Achter de frames is het lage dijkje van de spoorlijn naar het vliegveld Deelen zichtbaar. De fotograaf had kennelijk weinig verstand van dit soort materiaal. Hij noteerde bij deze foto: “Achtergelaten stoelen van zweefvliegtuigen” (foto: via Robert Voskuil).

AFPLAKTAPE
Veel oudere bewoners van Oosterbeek en omgeving herinnerden zich dat er ‘Flying Flea’-motorfietsen wa-ren achtergelaten bij de landingszones. Ze waren niet beschadigd, maar functioneerden desondanks niet.
De oorzaak daarvan was vaak een simpele: vóór de vlucht naar Nederland werd het ontluchtingsgaatje in de benzinedop afgeplakt om te voorkomen dat tijdens de vlucht benzine zou wegvloeien, wat tot brand kon leiden. Als de motorfietsen na de landing haastig wa-ren uitgeladen, reden de berijders vaak weg zonder de afplaktape van de benzinedop te verwijderen. Daar-door kreeg de carburateur al snel geen benzine meer.
Dichter bij Arnhem werden Enfields gevonden die moeilijkheden hadden met de ontsteking. Een veel voorkomend euvel, dat wel lastig was, maar gemakkelijk kon worden verholpen.

Royal Enfield met dropkooi in de Glider Collection in Wofheze (foto: Leo van Midden). De ijzeren kooi waarin de motorfietsen konden worden gedropt, bestond uit een stelsel van buizen en werd ook door de Royal Enfieldfabriek gemaakt. Dit zogenaamde ‘crash proof’-frame bleek in de praktijk echter niet altijd crash proof.

Ondanks het feit dat deze lichte motorfietsen vóór, tijdens en na de oorlog verkocht en bijna onveranderd gebruikt zijn, is het toch opmerkelijk dat er nog zo weinig zijn. In het Imperial War Museum in Duxford (Engeland) is een complete Royal Enfield in een bui-zenframe met parachute tentoongesteld.

RESTAURATIE
De motor die het Airborne Museum bezit is ooit ge-deeltelijk gerestaureerd, maar er ontbreekt nog het nodige aan dit exemplaar. Met financiële steun van de VVAM wordt de Flying Flea nu weer in de oor-spronkelijke staat gebracht. Missende en niet juiste onderdelen zullen worden aangeschaft, verkeerd ge-monteerde delen worden opnieuw geplaatst of ver-vangen. Zowel de motor als de dropkooi worden op-nieuw geschilderd. Voor de kleur van de motor zijn twee mogelijkheden: bruin, de door de Britten toege-paste kleur uit het begin van de oorlog, of groen, de latere kleur die voor alle geallieerde voertuigen werd gebruikt. Uit bodemvondsten is gebleken dat beide kleuren tijden de slag zijn gebruikt. De nummering wordt weer aangepast naar 1944.

De Flying Flea die in 2007 werd opgegraven.

De bewaard gebleven voorschriften uit de jaren ‘40, gave uitvoeringen en bodemvondsten dienen als basis voor het restauratieplan. In 2007 werd in de omge-ving van de Johannahoeve bij Oosterbeek een Flying Flea opgegraven die in zeer slechte staat bleek te ver-keren en bovendien incompleet was: het motorblok was vergaan, de wielen en carburateur waren niet meer aanwezig. Wel is het frame bruikbaar als voor-beeld van een Flying Flea die is gebruikt tijdens de slag om Arnhem.
Tijdens de bouwwerkzaamheden in de Betuwse wijk De Schuytgraaf, op de voormalige Poolse dropzone bij Driel, zijn zo’n twintig jaar geleden delen van drop-kooien opgegraven. Uit de veelheid van losse buisdelen is later een complete dropkooi samengesteld.
De gerestaureerde Royal Enfield en ‘Poolse’ kooi zullen vanaf 2020 onderdeel gaan vormen van de per-manente tentoonstelling in het herboren Airborne Museum.
– Wybo Boersma

Samenstelling van de ‘Poolse’ dropkooi.

Bronnen: • M. Veldhuizen, Ministory 20; De motorfiets “Flying Flea” bij de Slag om Arnhem (bijlage bij VVAM-Nieuwsbrief 31). • Het motorrijwiel 12/1944. • De Flying Flea ofwel Vliegende Luis door M. Veldhuizen in: Terugblik, maandblad van de Documentatiegroep ’40-‘45. • Brits voorschrift 18426 (1 (433) pag. 603, Gegevens motorvoertuigen.

DE VERBORGEN MARKET GARDEN-SCHATTEN VAN ERFGOEDCENTRUM ROZET

ACHTERGROND STUKKEN DIE NIEMAND MEER KENT, BOEKEN WAARAAN NIEMAND MEER DENKT

Wie het souterrain van Rozet in Arnhem betreedt, daalt af in het Gelderse verleden. Een kleine wereld van indirect licht, gedempte geluiden en objecten die niet zouden misstaan in het Rijksmuseum. Een belangrijk deel van de collectie bestaat uit documentatie gere-lateerd aan de slag om Arnhem en aan de strijd in de maanden erna. Zomaar een donder-dagnamiddag tussen de boeken en archiefstukken van Erfgoedcentrum Rozet.

“Eens kijken wat we hier hebben. Ah, een Boereetje!” Hans Timmerman, collectiespecialist van Erfgoed-goedcentrum Rozet, slaat een grote platte archiefdoos open uit de variacollectie. Doos 14 t11 blijkt een reeks programmaboekjes te bevatten van Airborne-herdenkingen, krantenknipsels, een wervende tekst voor Airborne Battle Guide Henry McAnelly [de il-lustere para van 1st Parachute Battalion die, naar ei-gen zeggen, als eerste op de brug stond tijdens de slag, dertien schotwonden opliep en die overleed in 2002], een Yorkshire Pud, de nieuwsbrief van 7th Battalion The Duke of Wellington’s Regiment en een uitgetypte toevoeging aan de Kroniek van Ede door krijgshisto-ricus Theodoor Boeree. “Dat is nou precies wat deze collectie zo uniek maakt”, zegt Timmerman, terwijl hij door een jaar-kalender van Stichting Het Parool bladert, de foto’s van een verwoest Arnhem uit 1946 aandachtig mon-sterend: “Je stuit soms op de verrassendste dingen.
Dingen waar je niet naar op zoek was, stukken die niemand meer kent, boeken waaraan niemand meer denkt.” Een soort Wikipedia in de klassieke, tastbare vorm van voorwerpen en boeken die allemaal een ei-gen verhaal vertellen: van het één ‘klik’ je door naar het ander en voor je het weet ben je een paar verloren uren verder. En een schat aan info rijker. Verrek ja, Boeree. Hoe zat het ook alweer met die Wageningse krijgshistoricus? Zat Hackett, de bevelvoerder van 4th Parachute Brigade, niet ooit bij hem ondergedoken na de slag? En is er misschien iets te vinden over zijn correspondentie met zo’n beetje de hele Duitse bevelvoering tijdens Market Garden? Of neem de pop-penkleertjes als kleine, maar indringende herinnering aan het dagelijkse leven tijdens de donkere dagen in de laatste maanden van ‘44. Of de noodmeubeltjes die ter beschikking werden gesteld aan terugkerende bewoners na de evacuatie van Arnhem en omgeving in de winter van 1944-1945. “Wat het Erfgoedcentrum bovendien vóór heeft op bijvoorbeeld het Gelders Archief of andere kennisin-stituten”, erkent ook Timmerman, is de laagdrempe-ligheid. “We zitten midden in de stad, je kunt hier zeven dagen per week binnenlopen en gewoon eens komen grasduinen. Dat is ook iets waarnaar we stre-ven: een maximaal gebruik van onze collectie. In die zin heeft de verzameling een enorme potentie.” Het oorlogsdeel van de Gelderlandcollectie kan inmiddels bogen op een aardige regionale bekendheid. Zelfs gerenommeerde Britse historici weten de plek te vinden.
Met zo’n 9.500 werken over de Tweede Wereldoorlog en bijna 3.200 publicaties over Market Garden is dat niet vreemd.


MYTHE
Timmerman is al ruim 25 jaar werkzaam voor wat voorheen het Gelders Documentatie Centrum en de Gelderland Bibliotheek heette, en is de drijvende kracht achter de verbreding en verdieping van deze nog steeds groeiende Gelderlandcollectie. “Met een speciale interesse voor de oorlogsjaren”, zegt hij met een vrolijke oogopslag die zijn persoonlijke drijfve-ren nauwelijks verhult. Het gemak en de vanzelfspre-kendheid waarmee Timmerman namen van auteurs, anekdotes en feiten oplepelt zegt iets over de enorme informatierijkdom die in het Erfgoedcentrum is gebundeld. Niet in de laatste plaats bij hem zelf.
Als slagveldarcheoloog, autoriteit op het gebied van Duitse doden, gewonden en vermisten van de slag om Arnhem, én met zijn analytische geest lardeert Tim-merman ieder boek dat hij openslaat met observaties en dwarsverbanden. “Neem Gustav Kuckhermann.
Teamgeist und Unternehmenskultur für den Erfolg”, vervolgt hij in perfect Duits. “Een verhaal waarin de beste man in feite terugblikt op z’n werkzame leven met wat wijze lessen voor de lezer. Niet meteen een boek dat je in onze collectie zou verwachten. En tóch voegt het weer wat toe aan de geschiedschrijving van de slag om Arnhem.” ”Immer wieder tauchten neue Wellen am Horizont auf, Bomber, die Lastensegler im Schlepp hatten. Wir staun-ten fassungslos am Ufer und spürten, dass wir wenigen Marinesoldaten im Umkreis von Arnheim gegen diese ge-waltige Macht nichts, gar nichts ausrichten konnten. Es war ein erregendes Schauspiel, der Himmel verdunkelte
sich durch die vielen Flugzeuge und den Massenabsprung an Fallschirmjägern. Ich glaube, innerlich kapitulierten wir schon, weil wir überzeugt waren, dass es nur wenig deutsche Einheiten in und um Arnheim gab.” Timmerman: “Boekjes als die van Marcel Zwarts, Ger-man Armored Units at Arnhem – September 1944, bieden een mooie aanvulling op zo’n observatie en ge-ven veel meer informatie dan je in eerste instantie zou verwachten. In wezen bevat zo’n uitgave ‘verborgen’ feiten. Kijk maar eens naar de overzichten van pant-servoertuigen voorin. Hieruit blijkt dat een groot deel van de tanks en Sturmgeschütze die tijdens de slag om Arnhem bij de Rijnbrug en in Oosterbeek zijn ingezet hier vóór de operatie helemaal niet aanwezig waren.
Ze behoorden dus ook niet tot het II-SS-Panzerkorps; ze werden in de eerste dagen van de gevechten van-uit Duitsland naar het front gestuurd. Vervolgens speelden ze een grote rol in de gevechten. Maar dit zegt ook weer niet alles over de gevechtskracht van het II. SS-Panzerkorps. Deze mag dan volgens de do-cumentatie op 60% hebben gelegen, maar het korps beschikte wel over veel gevechtservaring, weten we uit andere, hier aanwezige bronnen.” Op weg naar buiten valt mijn oog op de bruine rug van Stephen Ambrose’s kroniek Band of brothers.
Band of brothers in Erfgoedcentrum Rozet? Timmerman kijkt me aan en zegt met een brede lach: “Waar-om niet?!” Ook zij behoren tot het Gelderse verleden. – Alexander Heusschen – Foto’s: Mike Bink

De boeken die tijdens mijn bezoek werden opengeslagen: • Wilhelm Tieke, Im Feuersturm letzter Kriegsjahre mit 9. Und 10. SS-Division ”Hohenstaufen” und “Frundsberg”, een inmiddels klassiek werk over de Duitse II. SS-Panzerkorps. • Krätschmer, Ernst-Günther, Die Ritterkreuzträger de Waffen-SS. • Zwarts, Marcel, German Armored Units at Arnhem, September 1944 van Marcel Zwarts • Hendrikx, Peter & De Trez, Michel, Burning Bridges (vol.1) en Bridges are ours (vol.2).

DE COLLECTIE MARKET GARDEN VAN ERFGOEDCENTRUM ROZET IN ARNHEM TOEGANG TOT HET VERLEDEN

Foto: Mike Bink

Erfgoedcentrum Rozet in Arnhem beschikt over één van de grootste papieren Market Gar-den- en Slag om Arnhem-verzamelingen in Nederland. De collectie bevat ruim 3.100 titels, groeit nog dagelijks en bestaat onder andere uit kranten, tijdschriften, regimentsgeschie-denissen en herdenkingsprogramma’s.

In het Erfgoedcentrum zijn de verzamelingen onder-gebracht van de Gelderland Bibliotheek en Museum Arnhem. Samen vertellen ze de geschiedenis van de stad en de gehele provincie, op een laagdrempelige, toegankelijke manier.
Militair-historisch is er met meer dan 9.000 boeken over de Tweede Wereldoorlog een hoop interessants te vinden. Bijvoorbeeld van de meidagen van 1940, het verzet op de Veluwe, Britse onderduikers na de Slag om Arnhem, de legering van Duitse eenheden op diverse plekken in Gelderland of een nadere inkijk in wat zich nou allemaal afspeelde op Fliegerhorst Deelen.

KOGELGATEN
De deelcollectie Market Garden bestrijkt het hele operatiegebied van de grens van België tot diep in Gelderland. Of u nu op zoek bent naar meer infor-matie over de luchtlandingen, de opmars van XXX Corps, de gevechten in de Betuwe, de nasleep van de slag of de evacuatie van burgers, grote kans dat u lan-ger in Erfgoedcentrum Rozet gaat doorbrengen dan vooraf gedacht.
Uniek in de collectie zijn vier boeken die tijdens de slag op de bibliotheekplanken van het Gemeente-museum Arnhem stonden en die niet helemaal on-geschonden uit de strijd zijn gekomen. In het Erf-goedcentrum kunt u de kogelsporen met eigen ogen komen bekijken.

Foto: Werner Mammen

ZOEKEN
Het Erfgoedcentrum is gratis toegankelijk, de collecties zijn vrij raadpleegbaar en een groot deel van de boeken kan worden geleend. Via de cata-logus van de Gelder-land Bibliotheek is de hele verzameling gemakkelijk te doorzoeken met het trefwoord ‘Market Garden’. Gerichter zoeken kan door het toevoegen van andere trefwoorden zoals ’Operatie Pegasus’, ‘Oorlogs-begraafplaatsen’ of ‘Biografieën’.
Neem voor meer informatie gerust contact op met Hans Timmerman, collectiespecialist van Erfgoedcentrum Ro-zet: 026-354 31 65 | Hans.Timmerman@Rozet.nl.
Adres: Erfgoedcentrum Rozet, Kortestraat 16, 6811 EP Arnhem Openingstijden: maandag 13.00 – 18.00 uur dinsdag t/m vrijdag 10.00 – 18.00 uur zaterdag 10.00 – 17.00 uur zondag 13.00 – 17.00 uur (van april t/m augustus ‘s zondags gesloten)

PROGRAMMA 2020
GEPLAND
Zaterdag 21 maart: Algemene Ledenvergadering | Lezing The Lost Company, door Marcel Anker Zaterdag 18 april: Boekenbeurs Dinsdag 19 mei t/m zondag 24 mei: Battlefield tour Normandië, o.l.v. Wybo Boersma Zaterdag 23 mei: Battlefield tour (wandeling) Sonse Bossen bij Eindhoven, o.l.v. gids Edwin Popken

IN VOORBEREIDING – DATUM NADER TE BEPALEN
Battlefield tour 1st Airborne Reconnaissance Squadron Battlefield tour B en C Coy 2nd Battalion The Parachute Regiment Diverse thema-avonden. Onder andere een lezing over Kreta 1941, door Erik Jellema Voor meer informatie over of deelname aan de verschillen-de activiteiten óf wijzigingen in het programma zie www.vriendenairbornemuseum.nl of mail naar activiteiten@vriendenairbornemuseum.nl

VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 17 – MAART 2020
NUMMER 18 – JULI 2020
NUMMER 19 – NOVEMBER 2020

De achterzijde

Nog één keer 75 jaar Market Garden: Paradropping bij Land-goed Den Heuvel in Groesbeek op woensdag 18 september 2019. 1.200 militairen uit onder andere de Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië, Polen, Duitsland en Nederland na-men deel aan de gecombineerde oefening/herdenking ‘Falcon Leap’. Het was voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog dat op deze schaal en in NAVO-verband werd gesprongen boven Groesbeek. (foto: Marco Ferrageau).
Voor een impressie van de dag vanuit militaire optiek zie: https://defensiefotografie.nl/oefeningen/falcon-leap-2019/

CONTENTS

  • 3 News from the Society
  • 4 Bits and pieces – Major John Waddy’s uniform
  • 5 Interview – The veterans are the real VIPs
  • 8 Set in stone – 75 remarkable places from operation Market Garden
  • 14 Folded-back past; the possible salvage of a Typhoon fighter
  • 16 The battalion that disappeared into the woods
  • 26 Theme evening – 6-pounder guns doing the dirty job
  • 28 “Oosterbeek as it was”; a child between the lines
  • 31 Historical perspective – Death on Dreijenseweg
  • 35 2 cm Flak sleeve / Hohenstaufen

Airborne Magazine is a publication by the Society of Friends of the Airborne Museum Oosterbeek and is released three times a year.
The purpose of the VVAM is to promote the Airborne Museum, the activities of the Society of Friends and the general history surrounding the Battle of Arnhem.
Editorial staff: Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Jasper Oorthuys, Otto van Wiggen
Contributions / translations: Frans Ammerlaan, Wybo Boersma, Bernhard Deeterink, Robert Gunter, Alexander Heusschen, Dirk Hoekendijk, Erik Jellema, Frank van Lunteren, Paul Meiboom, Leo van Midden, Jasper Oorthuys, Rob van Putten, Berry de Reus, Robert Voskuil, Otto van Wiggen
Archive and distribution of magazine back Issues: info@vriendenairbornemuseum.nl
Design and lay-out: Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst, The Netherlands
Printing: Grafi Advies, Zwolle, The Netherlands
SFAM e-mail address: info@vriendenairbornemuseum.nl SFAM telephone number: +31 6 510 824 03
Mailing address: SFAM, Wissenkerkepad 22, 6845 BW, Arnhem The Netherlands
Website: www.vriendenairbornemuseum.nl

Cover: One of the most ico-nic images from the battle: a 3-inch mortar team from No. 23 Mortar (Handcarts) Platoon, Support Company, 1st Border in their mortar pit on Van Lennepweg in Oosterbeek, 21 September 1944. LTR: Pte Norman Knight, Pte Ron Tierney and Cpl Jim McDowell.

 

NEWS FROM THE SOCIETY
On the 16th of March we organised our annual general meeting at the Concertzaal in Oosterbeek. These kinds of meetings are predominantly about accounting for the budget for the upcoming year. This general meeting was no exception to this rule.
Briefly stated, and with the bottom line up front, I note that our current financial position is in good shape. The Society counts 644 members at this moment. Nearly all paid their membership contribution. We have noticed that our activities are appreciated and visited by many members. We were able to make most of our activities cost effective. It’s obvious we would like to continue with the activities this way.
Besides the financial paragraph of this meeting we found it necessary to explain the situation concerning our UK members, which numbers have declined dramatically. At this moment just twenty one members remain; most of them are members for life. Producing, translating and distributing three English versions of Airborne Magazine can no longer be sustained and must be directed in a dif-ferent way. After consultation during the general meeting we decided to publish an annual English special of the magazine. We have informed all UK members by a per-sonal mailing, signed by the chairman.
Another initiative that needs some explanation, and which was announced in the chairman’s personal letter, is our intention to explore a closer cooperation with the Arnhem 1944 Fellowship. The Society and the Fellow-ship share a lot of goals and audiences after all. The Fel-lowship counts approximately 600 members, 60% of which live in various places in the world. 40% live in The Netherlands. Two-thirds are a member for life. With a membership contribution of just eleven Euros a year the Fellowship has a smaller budget than the Society. Because of the relatively large amount of UK members the Fel-lowship board consists of UK ánd Dutch members.


Wim Duyts (foto: Berry de Reus)

On the 31th of May the chairman and secretary of the Society were invited to elaborate on their ideas of this closer cooperation. In our explanation we proposed to invite Fellowship members to participate in the battle-field tours organised by the Society. In addition to this we offered to conduct these tours in English. Secondly, we suggested to exchange each other’s publications. The Fellowship publishes and issues six to seven Newsletters in English by e-mail, where the Society informs its mem-bers by sending them a copy of Airborne Magazine three times a year. We indicated that sending an English ver-sion of Airborne Magazine to the UK members of the Fellowship will result in additional costs. It’s fair to say that the quality of the renewed Airborne Magazine has been widely appreciated by the Dutch members of the Fellowship. At this moment the Fellowship’s reaction to our proposals is still pending. We will keep you posted of course.
Finally it’s worth noting that the Quiet Room in the Airborne Museum was revealed on Sunday the 30th of June. The room was officially opened by the mayor of Ren-kum. The room is a quiet place where visitors can com-memorate the victims of the battle of Arnhem in peace.
In this Quiet Room the awards and medals of veterans and civilians are presented. The opening event turned out to be a milestone for Wim Duyts in his long career in which he held a variety of positions in the board of the Airborne Museum. The awards and medals now present in the Quiet Room were personally handed over to him by foreign and Dutch heirs. It was a debt of honour for Wim Duyts to give these awards a new and striking place in the Museum; the promise that these medals will be presented in an appropriate way has been perpetuated this way. The construction of the Quiet Room has been facilitated through a crowd funding initiative; by donat-ing a substantial amount of money the Society supported this initiative to a significant extent. – Otto van Wiggen, chairman, Society Friends of the Airborne Museum

Medals in the Quiet Room (photos: Berry de Reus)

BITS AND PIECES – MAJOR JOHN WADDY’S UNIFORM

The uniform shows various signs of damage, repaired by Waddy with bits and pieces from other uniforms. The parachute wing has a provisional black background, typ-ical of Airborne units formed and trained in India, such as the 156th Parachute Battalion. In the 1990s, Waddy donated his uniform, his name tag from the POW camp and a few other items to the Airborne Museum.

Battle dress of Major John Waddy, comman-der of B Company, 156th Parachute Battalion, The Parachute Regiment (photo: Wybo Boersma).

Major Waddy landed on Ginkelse Heide on September 18 1944 (drop zone Y). 156th battalion was the first unit to leave in the direc-tion of Arnhem. It was on its way around 17:00hrs and went along the Utre-cht-Ede railway line. The next day Waddy’s compa-ny was instructed to push through the positions of A Company to take the higher ground east of Dreijenseweg in Ooster-beek. Waddy got seriously injured while leading his men. A Rhodesian soldier managed to take him to company headquarters. At the regimental aid post, the doctors gave him lit-tle chance of surviving his injuries. Waddy was brought to hotel De Taf-elberg in Oosterbeek, which at the time served as a main dressing station.
Doctor Guy Rigby oper-ated on the billiard table.
Waddy then was taken to a nearby house, where he was wounded for the second time. In his left foot, face and shoulder this time. After the battle, Waddy ended up in a hospital in Apeldoorn, where he stayed for six weeks.
He spent the rest of the war in the POW camp Stalag VII-A near Moosberg, Germany.

Waddy’s Prisoner of war identification tag (photo: Wybo Boersma).

After the war, John Waddy led various battlefield tours in Oosterbeek. He was also a military adviser for the film A bridge too far. In 1999 his book A tour of the Arnhem Battlefields was published, which is still a must read for those interested in the battle of Arnhem. In 2008 Waddy gave a battlefield tour for the Society of Friends of the Airborne Museum.
– Wybo Boersma

 

 

 

INTERVIEW THE VETERANS ARE THE REAL VIPS

ROGER BEETS’S CHOICES
Roger Beets (1952) is the chairman of the Airborne Commemoration Foundation, the coor-dinating organization behind the commemorations of the Battle of Arnhem in the munic-ipalities of Arnhem, Renkum, Overbetuwe and Ede. With his work for the foundation and for the Airborne March for over 25 years, he has since become a household name in the region. Is the 75th commemoration the big bang before the lights go out? “What they can do in Ypres, we can do too”.

COMMEMORATE OR EXPERIENCE?
“Both. To the words of the Airborne Region [the joint venture of municipalities that wants to make the story of the Battle of Arnhem better known at home and abroad, AH], commemorate and experience, I would also like to add ‘realize!’. The commemorations will continue to exist in their current form, for the time being and you shouldn’t just write that off, especially in this region, where the relationship with the British is deeply rooted.
Take the Sunday morning at the Airborne cemetery: that is the purest form of commemorating. The nature of that commemoration has not changed substantially over the last 26 years, since our foundation runs it. Not even from 1945 onward. That is how it should be. Ede keeps up with the times. And an event like Bridge to Liberation is a different event altogether. With that I mean: one thing does not have to stand in the way of the other.
In other regions of the Market Garden theatre op opera-tion it may have become, in my opinion, a bit too much of operations. But that too can be explained: liberation is celebrated there. Liberation day is not celebrated in Arn-hem. Simply because there was nothing to liberate. The city was empty. In the province of Brabant the situation was a bit different in the September days of 1944: people were actually liberated around that time. It is therefore not surprising that, for example, the gymnastics associ-ations and the local harmonies also walk through Eind-hoven in a parade.
Sometimes you may also see here, in Arnhem and the surrounding area, that some initiatives are not completely in line with the rest of the program. Our foundation tries to see to that. But even then… While you think you have made good agreements in a meeting, ‘no, we only hang one flag’, the moment you walk out things might have changed and people will do what they think best. You have that in a small area with many opposing interests

and clubs that are connected to a monument, museum or foundation: the police versus the Defense Ministry, the small businesses, those who don’t want to cooperate with others, VIPs who want to be at the front … All for person-al gains, or so it seems. For me there is only one party that comes first: the veterans with their families. The veterans are the real VIPs. “
MARKET GARDEN OR AIRBORNE?
That is a difficult one. Airborne is part of Market Gar-den. The Market part or the operation took place north of the river. Whether we will ever commemorate Mar-ket Garden together? Do you see Vitesse and NEC [the professional football clubs from Arnhem and Nijmegen, AH] merging? No, the interests are far too different for that. Also because of the commemoration here and the liberation there. The museum in Groesbeek pays a lot of attention to the German story, and also serves a large German public.
The German ambassador has been present at the com-memorations in Arnhem for years. That is not going to happen at the cemetery in Oosterbeek either. The key question that comes back with every fifth anniversary is: what will we do next? Do we have to do something else? “
VETERANS OR YOUTH?
”Gaining and keeping knowledge, that’s what it’s all about. That’s really something of our time: involving the youth, and showing them the importance of history. As a teenager you may be happy sitting by the swimming pool
with your mobile phone, but do realize that someone else went under and never resurfaced in a much larger swim-ming pool. That realization is sometimes hard to find.
Not so long ago research, I believe at the Hogeschool van Arnhem and Nijmegen [university of applied sciences, AH], showed that students are quite interested in his-tory, but that they want to be able to determine what information is good for them. “Don’t bother me with information I don’t need,” was pretty much the opinion, so there is still a lot of ambassadorial work to do for the educational branch of the Airborne community: Primary school groups 7 and 8 are the pupils who are most re-ceptive to the story of the battle, and you don’t have to tell the flower children of Oosterbeek about the history of their village either. That could be very good ambassa-dors. But then schools also need to pay more attention to our regional history. There is so much ignorance, or bet-ter ignorance about the battle of Arnhem. In our school textbooks only three lines are dedicated to the battle of Arnhem, so to speak. Or take the Airborne Museum: they’ll have to be very careful that in a few years’ time they are not left with a beautiful country house in which you will only find one tiny exhibition about the events in 1944. As a museum you obviously have an important role in society.
The men who actually fought here, I mean, the real Arn-hem veterans, that is what it’s all about. That special rela-tionship between Oosterbeek and the veterans, which is not always understood in England, must and will remain.
The village may not have been liberated during the battle, but gratitude for trying is still what defines us.”
ARNHEM OR OOSTERBEEK?
”That is the eternal controversy. I once heard someone from the municipal council say: ‘It is a pity that the bridge is in Arnhem’. Oosterbeek can’t do without Arn-hem, and vice versa. The turning point of the battle was in Arnhem: in the neighbourhood around St. Elisabeth Gasthuis; the events there determined what subsequently happened here in Oosterbeek. “
WALKING OR ORGANIZING?
”Arranging things. I am a real control freak. I am good at getting things done. But I do like walking. As a young-ster I participated twelve times in the Airborne Marches.

 


Besides, not many people here realize that the Airborne March is a much larger event than the commemoration in Oosterbeek. That realization had certainly not reached the municipal council before, and still has barely reached a number of businesses in Oosterbeek. Every participant brings along at least one more guest. Do something with the 60,000 (!) people you have in the village, I say. Make sure they’ll come back later.”

BEHIND THE SCENES OR IN THE SPOTLIGHT?
”I usually find it a bit more pleasant behind the scenes. As said: I am an arranger. But I am confident enough to feel at ease if the situation demands it: for example in hosting the parade and in the welcoming of the participants of the Airborne March. Sometimes it is necessary to stand in front of the screen, for example as a master of ceremonies at the Airborne commemoration in Arnhem. Then you also play a part at the front. “

TIE OR POLO SHIRT?
”I chose a polo shirt today, as you can see. I was raised a bit old-fashioned: on official occasions a suit can’t go without a tie. Certainly in England people assume that you dress correctly at commemorations. In The Nether-lands people sometimes tend to attend a funeral in their casual wear, so to speak. That testifies to very little respect or sense of decorum, I think. However, that does not alter the fact that there are occasions when a suit without a tie is appropriate. That is also a sign of the times.”

THE 50TH OR 75TH …?
”I was not part of the 50th. The first thing I think about in answering this question is the 60th commemoration.
To be honest: never again! Really. To give some examples: an event was organized in the Vitesse stadium: the vet-erans in their seats, the lights are turned down an then the Dutch 11th Airmobile Brigade comes abseiling from the roof. A mock battle unfolds. Our British guests were shocked. No, that didn’t turn out well.
What I will always remember is the sight of two veterans who were driven over the John Frost bridge to that event in the Vitesse stadium; with tears gushing down their fac-es during the drive. “Why this intense emotion?”, I asked them later. I’ll never forget their answer: ‘We crossed the bridge for the first time.’ Until then it had always been a sort of code of honour never to cross the bridge, and cer-tainly not from north to south. The tacit agreement was that we should not do what wasn’t achieved back then.” – Alexander Heusschen

SET IN STONE 75 REMARKABLE LOCATIONS FROM OPERATION MARKET GARDEN

Hardly anyone remains who can still share their experiences, but the memories of those days in September of 1944 are never far away. Airborne Magazine collected 75 locations with a story, small or great, taken from obscurity for just a moment. The map on the back cover of the magazine show the rough location by number, or scan the QR code. Using the GPS coordinates on page 35, you can find the exact spot from the comfort of your home (via https://vriendenairbornemuseum.nl/abm15_75digitaleplekken/ of Google Maps) or during your own on-site reconnaissance.

1. Oranjewachtstraat, Arnhem.
Battle damage on the original 1930s stairs (western side of the bridge, bot-tom left standing on the steps)
2. Eusebiusbuitensingel 69, Arnhem. Location of Huis Nijenburgh.
The ample villa of Lady Cornelia, Countess Limburg Stirum, evangelist, benefactor and advocate for Christian education of girls, stood some 100 meter removed from the Westervoort-sedijk crossroads. Lady Cornelia fell victim to the battle.
3. Eusebiusbuitensingel 9, Arnhem.
Advanced headquarters of SS-Sturm-bannführer Hans-Georg Sonnenstuhl, commander of the eponymous Kampfgruppe in the fight against the British troops at the bridge. From here the German troops arriving from Velp and northern Arnhem were deployed, mostly on the western side of the bridge.


4. Sint Walburgisplein 1, Arnhem.
On september 19th, a low-flying Messerschmitt Bf 109 tried to bomb
the Brits at the bridge. Attempting to avoid British machinegun fire, the aircraft struck the southern tower of Walburgis church. This caused a fire which ended up consuming the entire church. The aircraft crashed into Lau-wersgracht, killing the pilot.
5. Koningstraat 67, Arnhem.
From September 18-22nd, the com-mand post of 1.Kompanie SS-Panzer-grenadier Regiment 21, Frundsberg Division. The battalion had recently been reinforced in Diepenveen.
6. Bakkerstraat 56, Arnhem.
A Schützenpanzerwagen of a battalion of the 1. Pz.Gren.Rgt 21 (see locati-on) had taken position here according to the report of Sturmmann Wilhelm Balbach.
7. Da Costastraat 5, Arnhem.
Paasberg church. Major Tony Hib-bert, commanding the brigade head-quarters of 1st Parachute Brigade, and
members of 2 Para spent the night of 21 to 22 september here as prisoners of war. They were subsequently taken to Villa Bene Sita in Velp (Arnhemse-straatweg 33, Velp).


8. Rijksweg-West 65, Arnhem.
Nursing home Oosterveld – Stepping Stones. At the time, Huize Oosterveld of the Onze Lieve Vrouwe (Our Lady) Congregation of Amersfoort. Part of Viktor Gräbner’s column passed the night with their armoured vehicles among the fruit trees in the yard. The occupants refused them entry. Gräb-ner was killed in the morning of Sep-tember 18 1944, when he attacked British positions around the bridge from the South.
9. Hoek Huissensestraat en Orchislaan, Arnhem. At the Corner Huissensestraat and time called Hotel Zuid. Used from September 17 through the 21st as a German emergency hospital. The Dutch GP Johan Drost helped out. The billiard table was used for surgeries


10. Willemsplein 21, Arnhem.
At the time Nieuwe Plein 37-39, Orts-kommandantur from which the Ger-mans oversaw the Arnhem community administration and arranged, for in-stance, the quartering of Wehrmacht troops in the area. The building was a subsidiary target for C Company, 2 Para.
11. Utrechtsestraat 65 , Arnhem.
This house marks the point where the advance of C Com-pany 2 Para was stopped by Ger-man fire on Sunday night. L/Cpl Loney and Pte Shipley died here and were listed as missing for many years. On September 13, 2017 the headstone of as-yet unknown Lance Corporal was replaced. Sin-ce then, plot 20.B.7 has a name: L/ Cpl William Loney. Unfortunately, Pte Shipley’s remains are still missing. [with thanks to M.Anker]


12. Onderlangs 5d, Arnhem. In the
morning of September 19, the men of 1 and 3 Para who had survived the attacks in the direction of the bridge were captured here, some1400 meters from their objective [with thanks to P.Vrolijk]
13. Directly west of Utrechtsestraat
85, Arnhem. The original fence, askew and overgrown, marks the furthest ad-vance of the British attack on Septem-ber 19, 1944.


14. Utrechtseweg 87, Arnhem. Next to
the entrance to the garden of Museum Arnhem a discreet transparent tile is em-bedded in the sidewalk. Visible are the contours of a fallen German soldier who, so the story goes, was found there in that position. Others say he fell in Russia.
15. Utrechtseweg 87, Arnhem.
An ornament on a side wall of the municipal museum bears the scars of war. Whether they are a result of the September days or from a later period is (as yet) unknown.
16. Opposite the entrance of Bo-venover, Arnhem. Arnhem remained
in the front lines until April 1945. The Occupiers had ordered the civilian popu-lation to leave the city, now ‘Sperrgebiet’.
In the abandoned city, forced laborers worked on defensive positions. The Koch bunker was built during this period.
17. Braamweg 1, Arnhem.
The imposing Villa Heselbergh had stood along the Apeldoornseweg in Arnhem since 1912. In 1943, it was requisitioned to house the staff of Feldkommandantur (FK) 642 ‘Arn-heim’. The FK had a leading role during the battle. As second in com-mand to the late Generalmajor Kus-sin, Major Schleifenbaum and his staff remained in position during the battle around the bridge. The villa was also taken into use as HQ of the 9.
SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’.
For ten days, it was visited daily by German commanders such as Walter Model, Wilhelm Bittrich and Walter Harzer. On this location, Germans and Brits negotiated, prisoners of war were interrogated and Dutch civilians were shot by firing squad. As a result of the allied artillery barrage during Operation Anger, the crossing of the Ijssel river and clearance of Arnhem, the villa was destroyed. Currently, the area is being redeveloped. The prepa-tory archaeological examination has brought numerous traces and objects to light related to the war history of this spot.


18. Weg achter het Bos, Arnhem.
Temporary German military cemetery on the terrain of the Saksen Weimar Barracks. In the sources, the cemetery is referred to as the ‘Heldenfriedhof SS-Unterführerschule Arnheim’.
19. Wagnerlaan 55, Arnhem.
Municipal hospital / Kriegslazarett.
During the battle, German wounded were treated here. On the western side of the hospital a cemetery was dug for any that died. On the eastern side were several British graves.
20. Noordelijke Parallelweg 55, Arn-
hem. This former church hall was the headquarters of SS-Hauptsturmführer Hans Möller (see location 21). After the war, the building was expanded to the edge of the street. The tip of the church hall is still visible from there.
21. Utrechtseweg 304, Arnhem.
Villa Casa Blanca, the white buil-ding in this yard, was defended by a platoon of T Company 1 Para on September 19 1944. According to well-informed sources, this is also the villa where Hans Möller of SS-Pan-zer-Pionier-Bataillon 9 lost a compa-ny commander on September 17. On that night, Möller withdrew his unit of some sixty men to the area around the Oranjebrug in Arnhem after a fi-refight with A Company 2 Para. This allowed John Frost to pass through via Utrechtseweg and the towpath along the river.
22. Klingelbeekseweg 134, Arnhem.
Modest, small commemorative plaque for the four South Staffords who were captured here by the SS.
23. Directly west of Schelmseweg 67,
Arnhem. Location of Ehrenfriedhof Zijpendaal, the temporary cemete-ry for the German dead, before they were moved to Ysselsteyn (Limburg province).
24. Koningsweg 13, Arnhem.
The Diogenes bunker was the com-mand and control center for the air defense of the Netherlands, part of Bel-gium and the Ruhr area. The Germans attempted the destroy the already dis-mantled Kampfraum, the nerve center (map room) of the complex, when the British landed on September 17.
25. Amsterdamseweg 461, Arnhem.
Location of the Lichtenbeek villa, during the battle headquarters of SS-Hauptsturmführer Klaus von All-wörden, commander of SS-Panzerjäger-Abteilung 9.


26. Klingelbeekseweg 69, Ooster-
beek. Oosterbeek-Laag train station, the walls on its western side still show battle damage. The station was on the British route into town and lay on the front lines until April 1945


27. Mariëndaal 8, Oosterbeek.
Mariëndaal house. In the night of Sep-tember 17, this was the headquarters of the commander of SS-Panzer-Artil-lerie-Regiment 9, SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler.
28. Benededorpsweg / Klingelbeeks-
weg, Oosterbeek. The railway tunnel has also been called the Menin Gate (af-ter the gate in Ypres, Belgium) of the Battle of Arnhem.
Almost all British troops who fought in western Arnhem pas-sed by here. The clearly visible battle damage on the southeastern side was probably caused by German rifle and machinegun fire.


29. Matzer van Blooisplantsoen, Oos-
terbeek. Site of the Van Hofwegen laundry, a strategic location in the eastern part of the Perimeter because
of its solitary, elevated position in rela-tion to the British positions around the church and its field of fire to the east.
Major Robert Cain won his Victoria Cross here. TV presenter Jeremy Clarks-on narrates the story of Cain, his father in law, in ‘The Victoria Cross: for va-lour’, which can be found on Youtube.
30. Benedendorpsweg 141, Ooster-
beek. Clearly visible battle damage on the façade, especially in grazing light.
31. Weverstraat 177, Oosterbeek.
Strike marks from bullets can be seen in the lower section of the wall, at about knee height. The adjoining houses are part of the backdrop to Theirs is the Glo-ry, the British movie about the Battle from 1946.
32. Weverstraat 181, Oosterbeek.
Battle damage tot he garden fence. The spot is easy to miss, if not for the tourist buses that regularly pull over and batt-lefield tourists taking photos, who give the game away


33. Kneppelhoutweg 14-A, Ooster-
beek. Site of the ULO-school, famous for the staged photo of glider pilot Sgts Whawel and Turl (right), looking for snipers according the sources. Turl was killed on September 25th.
34. Kneppelhoutweg 14, Ooster-
beek. Location of ’t Hemeldal boarding house, one of the sites where Polish sol-diers who managed to cross the Rhine (see also 35), were deployed. Now a woodlot.
35. Corner of Benedendorpsweg and
Hemelseberg. Around the Villa Trans-
valia, some of the Poles who crossed the Rhine in the night of 22-23 September took up positions (see also 46). The Vil-la did not survive the war.
36. Behind Benedendorpsweg 194,
Oosterbeek. Foundations of the gas holder: easily recognizable in lower Oosterbeek, the site is often mentio-ned in battle and eyewitness reports.
The gas factory, next to it, is now an architects’ office. Battle damage is visi-ble from the path along the floodplain.


37. Benedendorpsweg 210, Oos-
terbeek. Schoon-Zicht house, the Arnhem and Oosterbeek resistance groups met here under Antoon van Daalen, used by 1st Border during the battle.
38. Path along Benedendorpsweg
168, Oosterbeek. One of two routes into the floodplain during Operation Berlin, the retreat of 1st Airborne Di-vision from the perimeter.
39. Nederrijnoever, Oosterbeek – directly south of the Old Church.
In 2003 Sergeant M.J.Potter unveiled this robust monument, which is hard to reach due to its location. It is set at one of the two crossing sites (see also 38).
40. Van Borsselenweg 37, Ooster-
beek. Headquarters and first aid-po-sition of 1st Battalion, The Border Regiment. At what is now a bicycle path, next to the entrance gate to the Glock estate, the British disabled an enemy Char B1 tank.
41. Utrechtseweg 232, Oosterbeek.
The Hartenstein Hotel housed the operational staff of the Heeresgrup-pe B headquarters, commanded by Generalfeldmarschall Walter Mo-del. The quartermaster department was garrisoned in Wisch Castle in Terborg. Hartenstein was evacuated around 1.30PM on September 17.
When the “Fallschirmjäger in der nähe” (paratroopers nearby) report came in, Model and General der Infanterie Hans Krebs immediately left for Doetinchem, via the Arnhem Ortskommandantur (see 10) and Feldkommandantur 642 (see 17), where SS-Obergruppenführer Bit-trich, CO of II.SS Panzerkorps, was based at Slangenburg Castle. Having arrived at Castle Wisch in Terborg, the headquarters of Heeresgruppe B was operational again around 5PM.
From the late afternoon of Septem-ber 18 until the retreat in the night of 25-26 September, Hotel Hartenstein served as headquarters of 1st Airbor-ne Division.
42. Hoofdlaan 1, Oosterbeek.
Regimental Aid Post of 1st Border.
The adjoining house on Van Len-nepweg housed the Battalion’s head-quarters. In the park across from the headquarters, Support Company provided fire support for the Border compagnies deployed on the western perimeter between Utrechtseweg and the Rhine river.
43. Utrechtseweg 269, Oosterbeek.
In this house Major General Roy Ur-quhart, CO 1st Airborne Division, and Brigadier Lathbury, comman-ding 1st Parachute Brigade, spent the night from 17 to 18 September.
44.Utrechtseweg-Wolfhezerweg junction, Oosterbeek.
The famous crossroads whe-re Kussin (see 17) drove to his death has been changed, moving the co-lumns marking Hoog Oor-sprong estate.
The colums still bear battle damage.


45. Pietersbergseweg 34, Oosterbeek. The two attic windows under the eaves were used by the snipers Sgt.Tony Crane and his comrade.
Their score, “killed or wounded” was kept on the wallpaper now exhibited in the Airborne Museum.
46. Paul Krugerstraat 21. The unof-
ficial plaque on the former bakery re-cognizes the fight of A and D Troop of the Reconnaissance Squadron in this area of the Perimeter. The REC-CE Squadron is well represented among the many monuments on the past battlefield.
47. Steijnweg 40, Oosterbeek.
Secondary position of the anti-tank gun of Sgt.George Barton of the King’s Own Scottish Borderers.
It first fought at the White House (Hotel Dreyeroord). John Crosson, recently active in the fight to preser-ve the hotel, was active in the area as sniper.
48. Johannahoeve 4, Oosterbeek.
Vrijland Mission House, at this site stood Waldfriede house, which was destroyed in 1944. It served as head-quarters for SS-Sturmbannführer Sepp Krafft, commander of the SS-Panzergrenadier Ausbildungs-und Ersatz-Bataillon 16 when the British began to land.


49. Close to Zonneheuvelweg 18,
Oosterbeek. The only remaining water tower of Oosterbeek, built in 1938. It was used by the 2. Kompa-
nie van SS-Panzergrenadier-Ausbil-dungs- und Ersatz-Bataillon 16 as an observation post during its fight with 3Para. During this engagement, Ur-quhart’s jeep was disabled.
50. Wolfhezerweg 17, Wolfheze.
Hotel-Restaurant Wolfheze.
Hotel-Restaurant Wolfheze, headquar-ters of Sepp Krafft (see 48) after the British landings until about 9PM on September 17 1944.


51. Doorwerthse Hoek 1, Driel.
Ruines of the brick factory Korevaar.
The remnants of the chimney bear witness to the vicious fight for this German bridgehead. Traces are even visible from the dyke at Driel. On October 1st, German troops crossed the river and held the Terwindt and Korevaar brick factories until Oc-tober 11th. SS-The command post of Obersturmbannführer Heinrich Oelkers, commander of the German troops, was at the site of the destro-yed chimney.
52. Veerweg, Renkum. Battle damage
on the western wall of one of the ovens of the brick factory, silent witness of the morning of September 18, 1944
when the 4. Kompa-nie of the 10. Schiffs-stammab-teilung dro-ve the men of B Com-pany of the Border Regiment from the brickworks.


53. Corner of Eikenlaan and Klin-kenbergerweg, Ede. Modest com-
memorative site (bench) for two ladies from Ede who while taking cover behind a bush at the corner of Artillerielaan, were fired at by a Ger-man patrol on September 18, 1944.
They and their families lived in the house behind the bench. The patrol was sent out in retaliation of the theft of a German rifle, elsewhere in Ede.
54. Oude Lunterseweg 28, Ede.
Meeting site for the Binnenland-se Strijdkrachten (resistance forces) and hiding place of Tony Hibbert (in the cupboard under the attic stairs).
Much of Operation Pegasus I, the plan to bring British soldiers left north of the Rhine back to Allied li-nes, was prepared here.
55. Southeast corner of Hunnerpark,
Nijmegen. A steel time capsule contai-ning documents and items from Opera-tion Market Garden was buried below the inscribed covering stone in 1974. It will be opened on the occasion of the centennial of the Battle, in 2044. Some patience still required.
56. Valkhof, Nijmegen. The Valkhof
Bunker from 1943 was hidden for nearly 70 years beneath the Valkhof.
This and the other bunkers, reinfor-ced houses, trenches, tank ditches and barbed wire proved very useful to SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Euling and his defenders of the Waal bridge. The bunker can regularly be visited.


57. Prins Hendrikstraat 6, Nijmegen.
The large repaired shell hole can clearly be seen at the top of the side wall, re-cognizable by its splash pattern. The da-
mage was probably caused by German shelling from the Betuwe (the Island) area on September 20 or 22nd 1944.
On November 10th, this area of Nijme-gen was shelled again.
58. Lentse Warande, Lent. Large
concrete blocks were excavated from the Waal dyke embankment during public works in 2013. They appea-red to be the German barriers built in 1943 which forced the Shermans of Robinson’s Troop to maneuver around them when they charged across the Waal bridge in the evening of September 20, 1944.
59. Oosterhoutsedijk, Lent. A new
bridge across the Waal river was ope-ned in 2013. It was named ‘De Over-steek’ (‘The Crossing’). Two veterans were present at the opening, together with relatives and descendants of the 48 Amerians killed during the cros-sing. In honour of these men, the bridge is equipped with 48 pairs of light poles, which turn on in succes-sion from south (Nijmegen) to north (Lent) at the speed of a slow march.
The original monument was moved next to the bridge.
60. Waaldijk, just west of Dorpstraat,
Oosterhout. Pvt. John Towle (19) of the 82nd Airborne Division sin-gle-handedly engaged two Panzer IV tanks and a halftrack here on Sep-tember 21 1944. Using a bazooka, he forced the vehicles to retreat into Pe-perstraat, at the cost of his own life.
He was one of three men of the 82nd Airborne Divison to be awarded the Congressional Medal of Honor du-ring World War 2.
61. Directly north of Valburg-sestraat 7, Slijk-Ewijk. Definitely
within Slijk-Ewijk instead of Val-burg, yet the site of the ‘Valburg Conference’ during which the Polish Maj-Gen Sosabowski was told off by the commanders of 43rd (Wessex) Infantry Division and XXX Corps. In ignoring Sosabowski’s military analy-sis of the severe situation in Ooster-beek and providing him with the or-ders that they did, they sounded the death knell of Market Garden. The conference planted the seed for the
decades-long British accusation that the Polish brigade caused the opera-tion to fail.
62. Groesbeekseweg 152, Nijmegen.
After the battle, evacuated British soldiers were housed in the Bisschop Hamerhuis (‘the Pagoda’), in 1944 a Mission house and seminary. This is one of two other large locations: schools of the order of the Filles de la Sagesse.


63. Meijhorst 6010 and Lankforst
5101, Nijmegen. After several days of trying, Sgt.Norman Patten of No.1 Forward Observation Unit of the Royal Artillery managed to es-tablish contact with 64th Medium Regiment, which had taken positi-ons around here in Nijmegen. On September 21, Patten came on the net identifying himself as represen-ting “People you are trying to meet”.
Having elaborately established his credentials, the first shells were fi-red at German troops concentrations around Heveadorp and Westerbou-wing from the Nijmegen Ducken-burg/Hatertsche Broek area around 11.30AM. As the range of the guns was limited to the area south of Utrechtseweg, they were redeployed to the southern side of the Waal river, about where the new bridge (see 59) now lays. From here, all threatened positions of the surrounded Division could be supported 64. Directly north of the bend in Panovenlaan, Nijmegen.
Temporary airfield for the Piper Grasshopper reconnaissance aircraft of 456 Para Field Artillery Battalion, 82nd Airborne Division. It was taken into service on September 26, 1944.
Still visible on the southern side of the one-time airstrip is the area whe-re several trees were removed to make space. The line of newly-planted trees shifts in relaton to the old growth.
65. Between Vosseneindseweg 11a
and 11b, Heumen. Air strip of XXX Corps, probably used from Septem-ber 19, 1944.
66. Hoogenhofseweg, Molenhoek.
A temporary cemetery for the 836 dead of the 82nd Airborne Division was dug in the garden of the Berg-zicht estate, between the buildings and Hoogenhofseweg, in use from September 20 1944.The monument on the corner of this road and Mo-lenstraat is sited erroneously.
67. Blocking line at railway cros-sing Biesseltsebaan Groesbeek/
Malden. The first German evacuati-on train was able to escape on Sep-tember 17. After that, the troopers of the 82nd Airborne Division deployed in the woods at Groesbeek were more alert. They blocked the railway. The second German train collided with it and rolled all the way back to Panovenlaan in Nijmegen.
68. Forest track, Groesbeek. Arie
Bestebreurtje’s first Jedburgh action took place near here on September 17, 1944. Bestebreurtje led the Jed-burgh team code-named Clarence, that was to act as the liaison for the 82nd Airborne Division. Bestebreur-tje was in the same aircraft (the first) as divisional commander Brigadier General James Gavin and his Divi-sion HQ Group. The pair landed around 1.15 PM on dropzone ‘N’.
Soon after the drop, he and Gavin got involved in a firefight during which Bestebreurtje shot a German machinegunner through the head, re-scuing Gavin’s life. Later that week, Bestebreurtje recruited the 22-year old resistance fighter Jan van Hoof.


69. Mooksebaan 10, Groesbeek.
Clearly visible battle damage on the left-hand side of the façade.
70. Molenbosweg 17, Berg en Dal.
Hotel Erica, headquarters of the Se-aborne Echelon of 1st Airborne Di-vision. The basements of this hotel sheltered inhabitants of Nijmegen during the heavy fighting for Nij-megen, the landing zones to the sou-theast of town and the woods around the hotel.
71. Thornsestraat 20, Persingen.
A hamlet with a mill stood around here from the 15th century until 1944. During operation Market Gar-den, Fallschirmjäger fought around here with G Company, 508th PIR, 82nd Airborne Divison, who had the community as its objective. Fire-bombs destroyed it entirely on Sep-tember 25th, though the mill was rebuilt in 2015-2016.
72. Heuvelsestraat 5, Bemmel. On
a small raise in the flat Betuwe lands-cape lies Den Heuvel (“The Hill”).
On and around this site German and British infantry and tank units fough viciouslyt in September and October.
To commemorate the fallen, a small chapel was built in 1944. It is perhaps the only monument in the larger area
to memorialize soldiers of II. SS Panzer Korps as well by way of a list of names.
73. Boveneindsestraat 20, Kesteren.
The local resistance brought a number of soldiers of 10 Para who had jumped early on their way to Ginkel Heath, to this farm. The Dakota they were in crashed past Dodewaard. The paratroo-pers were eventually able to escape to Allied territory.
74. Slope behind Waalstraat 2, Tiel.
A stone tile commemorates the four-teen civilians from Wamel who were executed here on September 1944 by the “Unreasonably insane German”.
The execution was in retaliation for shots fired at the ferry in the euphoric atmosphere due to the “coming Libera-tion” that Market Garden was to bring.
75. De Montignylaan 18, Willige
Langerak. Grave of Pte Clarence Ash, the westernmost grave in the Nether-lands for the Battle of Arnhem, 80 kilometers downstream from Oos-terbeek. Pte.Clarence Ash of the 2nd Battalion The South Staffordshire Re-giment drowned in the night of 25-26 September 1944 during Operation Berlin. His body wasn’t found until November 18, 1944.

FOLDED-BACK PAST
THE POSSIBLE SALVAGE OF THE TYPHOON WITH FLIGHT SERGEANT HURRELL

The Dutch Minister of the Interior and Kingdom Relations, Kajsa Ollongren, decided last autumn to make work of salvaging dozens of aircraft wrecks from the Second World War.
With the approval of almost the entire House of Representatives, with the exception of the DENK party, the way has been cleared for searching around 30 to 50 missing pilots on Dutch soil. One of them is William Hurrell. He crashed on the 26th of September 1944 with his Hawker Typhoon at Eefde (Gelderland). His remains must still be in the machine.

During my work for Kadaster (the Dutch Land Regis-try Office) I accidently came across a monument near Eefde a while ago, with a name on it that I could relate to Market Garden. The archaeological association De Elf Marken, who had the monument erected twenty years ago, appeared to have made various attempts to find out more about Flight Sergeant William Hurrell, fighter pi-lot in No. 175 Squadron, the Royal Air Force Volunteer
Reserve. Hurrell’s data are included in the SFAM Roll of Honour of casualties during the Battle of Arnhem, which can be consulted at www.marketgarden.com.
On Tuesday afternoon the 26th of September 1944, at 12:35 pm, six Typhoons took off from the Deurne air-field in Belgium for an armed reconnaissance flight over The Netherlands. The aircraft were part of the 175th squadron of the Royal Air Force. It was Hurell’s third operational flight.
The six reached Apeldoorn around 13:00hr when they were suddenly surprised by more than 50 Messerschmit-ts Bf 109 who were active there because of the Battle of Arnhem. Flying Officer Clarke and Flight Sergeant Hur-rell were attacked before they could spread. Clarke’s air-craft was hit several times, but was still able to reach the base in Deurne. The other aircraft also managed to find a safe way out. Nothing was heard from Hurrell anymo-re. Subsequent investigations by the Ministry of Defence Air Historical Branch 5 (RAF) revealed that his plane was shot down by Leutnant Klaffenbach (or Klassenbach) of 111 / JG4 and probably fell from a great height. It ended up in a piece of land on Lindeboomweg in Eefde, where it penetrated so deep into the ground that salvaging the machine proved impossible.
SIGNET RING
Shortly after the war attempts were made to find out the identity of the crew, which is evident from a reaction of the mayor of Gorssel to a memorandum from the Minis-try of War (8 April 1948) informing about the remains of ‘one or more pilots’: “Following the aforementioned letter, I inform you that on 26 September 1944 near Eefde an allied aircraft, with its missiles on board, crashed in this municipality after an air battle. In September 1945 I commissioned a further investi-gation into the identification of the aircraft and any crew.… There were also some human remains present: bones (no teeth or molars) and part of a hand. A signet ring with a mono-gram, HW or WH, was found. Nothing else was found from which the identity of the crew could be established.
On June 23 1946 I received a visit from Capt. I. Ness of the Royal Air Force investigation service […] who took the identification tags and signet ring. […] The site where the aricraft has penetrated the ground is not marked by a burial sign and the site of the disaster is not considered a grave. The land is used as arable land. The place can be indicated with certainty. (source: W. van de Kamp, Ons Markenboek, vol. 13 no. 2 and vol. 17 no. 2).
MEANINGFUL
In 1994, Hurrell’s name came to light in a new investiga-tion. Where it was initially thought that the aircraft was flown by a Belgian pilot, it could now be established for
the first time that it was a pilot with a British identity: that of the missing Flight Sergeant. Attempts to have his field grave registered as a war grave with the Common-wealth War Graves Commission in Ypres proved to be less successful. And so it is thought that Hurrell still rests in the machine in which he disappeared into the ground in 1944. A while ago the Dutch Air War Study Group nominated the location of the Typhoon for future sal-vaging. The army subsequently carried out a deep scan with a ground radar at the crash location in September 2018. With Ollongren’s “meaningful and fitting gestu-re that should do justice to the wishes of the relatives of killed crew members”, Hurrell’s MIA status could soon come to an end. The money is available and the locations with the remains have been given priority on the list of ‘promising salvages’ that the Salvage Service of the Royal Netherlands Army has created. It would be fitting if this ultimate attempt would lead to a funeral with military honour from this 21-year-old RAF pilot.
One wish of Hurrell’s recently traced second cousin, Bry-die Hurrell from Australia, has already been met: after 75 years the family finally knows where William most probably is.
– Frans Ammerlaan

THE BATTALION THAT DISAPPEARED INTO THE WOODS
156TH BATTALION THE PARACHUTE REGIMENT IN THE BATTLE OF ARNHEM

On Sunday the 28th of April 2019 the Society of Friends of the Airborne Museum organ-ised a battlefield tour 156th Battalion in the battle of Arnhem. Our guide was Nick Kelso, a Briton living in The Netherlands and an acquaintance of John O’Reilly, author of two excellent books on this battalion.

In 2009 John O’Reilly, son of a 156th veteran, pub-lished From Delhi to Arnhem. In 2017 this was fol-lowed by a supplement Walking in Their Footsteps.
Both books are enormously detailed and contain wonderful maps. Both books are used to publish this article. Also consulted is at Arnhem (1976) by Tom Angus, a pseudonym for Geoffrey Powell. This for-mer company commander takes you by the hand and guides you through the woods. Brigadier Hackett’s I was a stranger starts telling the story after his 4th Par-achute Brigade was destroyed in the killing woods.
Losing his brigade was probably a too traumatic issue to write about. A pity because we would like to have an idea why certain decisions were taken that led to that catastrophe.
FORMING THE BATTALION
The formation of 156 Parachute Battalion starts with a directive of Winston Churchill from May 1940 following the German parachute operations in Den-mark, Norway, The Netherlands and Belgium (Eben Emael fortress).
In India the 50th Parachute Brigade was formed. This brigade consisted of the British 151st, raised on the 15th of October 1941, the Indian 152nd and the 153rd Gurkha Parachute Battalions. The 151st Bat-talion left for the Middle East. There its name was changed into 156th Battalion in order to mislead the enemy. In 1943 Lieutenant Colonel Des Voeux took command. On arrival in Kabrit (Egypt) the para-chutes brought from India turned out to be rotten; new ones had to be ordered. David Sterling’s Special Air Service intercepted the new parachutes for his ac-tions behind enemy lines, and most parachutes were lost again. In Egypt the 4th Parachute Brigade was formed. This led to personnel changes. Many of the original 156th Bn. found new posts in the 6th Air-borne Division and other battalions. Captain Lons-dale for example became second in command of the 11th Parachute Battalion in Palestine. The battalion wore Indian bush hats. The divisional commander had to issue an order for wearing the red beret.
OPERATIONS
The battalion had no role in the Sicily invasion in July 1943. It wasn’t until September before the battalion saw action in southern Italy as part of the 4th Par-achute Brigade of the 1st Airborne Division. After this experience the battalion moved to England in November 1943. It arrived in Liverpool on the 10th of December. Green fields and British beer made an everlasting impression. The battalion was initial-ly stationed in Rutland, but Des Voeux centred his units around Melton Mowbray. At Ringway, what later became Manchester Airport, refresher parachute training was organised. Training during the day was followed by social events in the evening. Some mem-bers of the battalion found their (future) wives dur-ing those events. Sergeant Humphreys met a certain Margaret Roberts. Years later, in 1979 she entered the world stage as Margaret Thatcher.
The battalion was disappointed not to have been part of D-Day. 4th Parachute Brigade was standing-by. Be-
fore Market Garden fifteen operations were planned and cancelled. During Operation Comet, initially named Operation Fifteen, B Company of the 156th, led by Major John Waddy, as coup de main -was to drop north of the Grave bridge. During the briefing Major Geoffrey Powell of C Company whispered to Waddy: “This will get you either a Victoria Cross or a wooden one”.
Comet was ambitious. 1st Parachute Brigade was to take and hold Arnhem bridge. 1st Airlanding Brigade and the 1st Independent Polish Parachute Brigade were to take Nijmegen. 4th Parachute Brigade had to take and hold the bridge at Grave. Standing out for Comet were the planned coup de main actions. These were missing during Market Garden.
Comet was cancelled on the 10th of September 1944 due to the changed tactical situation. We know that Field Marshall Montgomery got permission from general Eisenhower on the Belgium airfield Mels-broek. On the 11th of September a conference took place at Moor Park in London. After that conference 4th Parachute Brigade got her orders. Operation order no.1 was issued on the 13th of September.
Brigadier Hackett held his orders group on that same day in Knossington Grange, his brigade head-quarters in Knossington, not far from Leicester and near Melton Mowbray.
MARKET GARDEN AT LAST
A brigade advance group under command of Brigade Major Dawson, transported in four Dakota C47’s, jumped on the 17th of September on drop zone X.
Its task was to ensure that signals were working and that fire orders could be given to the artillery directly
after landing. Marking DZ Y was done by the Path-finders’ 3rd platoon. The advance group of 156th Bn. was led by Major Page, company commander of HQ Company.
The task of 4th Parachute Brigade was to drop in the second lift on Monday the 18th of September 1944 on DZ Y (Ginkelse Heide). After the drop the bri-gade was to relieve 1st battalion and occupy the high ground north of Arnhem. From Delhi to Arnhem shows the intended positions just west of the Saksen Weimarkazerne (barracks) in Arnhem. West of 156 Battalion the 10th Battalion and 11th Battalions were in reserve. C Company of the 156th had to establish a forward blocking position near Koningsweg on the ‘Arnhemse Heide’ (see map). 156 Battalion consisted of 603 paratroopers. The battalion was organised in a Headquarters Compa-ny, a Support Company and three rifle companies.
The Support Coy provided the battalion with four 6-pounder anti-tank guns from the 1st Anti-Tank Battery RA, four Vickers medium machineguns and seven 81mm-mortars. The rifle companies consist-ed of a Company HQ and three infantry platoons, each 35 men strong. A rifle company had 125 men.
A parachute battalion was ‘light’ in comparison to a 750 strong air landing battalion with four companies, each with four platoons.

THE DROP
On the 17th of September 1944 the men of 156 Bat-talion watched the first paratroopers of the battalion departing on the first lift. Among them the advance group. Their own take-off from airfield RAF Saltby was planned on the 18th at 08:00hr., but due to the fog it was postponed to 11:00hr. 11th Battalion also took off from Saltby. The rest of 4th Parachute Bri-gade left from RAF Spanhoe. Seven Horsas flew from Keevil and the Hamilcar with two Universal Carriers (Bren Gun Carriers) from RAF Tarrant Rushton, in the south of England.
Walking in Their Footseps shows a table of all chalk numbers: 35 Dakotas, seven per rifle company, four for Battalion HQ and ten for Support company. Sev-en Horsas from Keevil with jeeps, trailers, signal and medical equipment and ammunition. The Hamilcar from Tarrant Rushton with two Universal Carriers completed the total number. 156th Bn. took off between 11:00 and 11:20hrs from Saltby. In four flights of nine-ship elements, theoretical-ly 36 aircraft, the battalion arrived between 15:00hrs and 15:10 over DZ Y on Ginkelse Heide. They were four hours later than initially planned. Five out of the 127 aircraft from the brigade were shot down by an-ti-aircraft guns. A sixth was shot down after the drop. 156 Battalion lost Dakota CN619 with half of the medium machine gun platoon near Dodewaard. One glider came down near Eindhoven. The Hamilcar with the Universal Carriers arrived safely on LZ X. The link-up of the battalion with the glider party took place at the Wolfheze railway cross-ing. 3rd platoon of the 21st Independent Parachute Com-pany (Pathfinders) of Lieutenant Hugh Ashmore put up the Eureka beacon. The day before the same pla-toon marked LZ S for the 1st Air landing Brigade.
Panels in the shape of the letter Y for ‘DZ Y’, a T pointed in the direction of the wind (NE) and smoke was used.
Lieutenant John Davison of 7th platoon of B Com-pany, was hit by a machinegun burst while in the air.
The DZ was ‘hot’. On the ground a battle was raging between the 7th Bn. KOSB and Dutch Waffen-SS Wachbataillon NW/3, coming from guard duty at Camp Amersfoort.
GETTING THERE
With a two hour delay 156th Battalion left the DZ at 17:00 following the railway track towards Arnhem.
Two officers and 50 men had not turned up. Brigadier Hackett was told to put his 11th Bn. under command of 1st Parachute Brigade. Hackett realised that the tactical situation had fundamentally changed. C Company, with No. 10 Platoon as point, hit the German defence line west of Dreijenseweg at 21:00hr.
Platoon Sergeant Black walked into an ambush and lost four men. Two scouts were missing, eight men got wounded. Not a good beginning for the battalion. Major Geoffrey Pow-ell ordered Lieutenant Willcock, the commander of no. 9 Platoon, with Lance Corporal John O’Reilly to execute a left flanking manoeuvre.
This move ran into German ma-chinegun fire. The whole battalion retreated two miles to the west to spend the night. This was near the location where the Recce squadron ran into trouble the day before. Af-ter the orders group in Knossington Brigadier Hackett told his battal-ion commanders: “You can forget all that [the orders]. Your hardest fighting will not be in defending the northern part of Arnhem, but in getting there”.
He was so right.
FIGHTING ON DREIJENSEWEG
During the night Brigadier Hackett ordered an attack at dawn in order to reach Lichtenbeek feature beyond Dreijenseweg. This ground was probably important as a starting point for further advance. Major Powell’s C Company was to start, supported by B Company in a fire base near Oosterbeek station. Why this at-tack took place across open ground is still a mystery.
The Germans retreated during the night behind Drei-jenseweg. C Company consolidated on hill 56.5 and A Company of Major Pott continued the advance at 08:00hrs in the direction of Lichtenbeek. No. 4 Platoon, up front, ran into trouble before reaching Dreijenseweg. There was less shrubbery and the Ger-mans dominated that area with three machine guns.
Obersturmbannführer Spindler had organised the so called Spindler line. German armoured vehicles with 20mm anti-aircraft guns were bolstering that defence line. Major Pott’s Bren guns of No. 5 Platoon formed a fire base that supported a left flanking move of the
rest of that platoon and an ad hoc platoon of Glider Pilots. The commander of No.4 Platoon, Lieutenant Wattling, was killed and No.5’s commander, Lieu-tenant Delacour, died of his wounds a bit later. Cap-tain Muir of the Glider Pilot platoon was wounded.
The wounded were transported back in the Univer-sal Carrier. Pott resumed the attack with a handful of men. He succeeded in taking the Lichtenbeek grounds. An initial German counterattack with 40 men was stopped. But at 14:30hr the small group had to surrender. Some were taken POW, others like the wounded Major Pott were left alone.
At 09:00hr Major Waddy with B Company arrived at the battalion HQ near a water tower 200 metres west of Dreijenseweg. Waddy was told to support A Com-pany in the attack on Lichtenbeek. Lieutenant Colo-nel Des Voeux expected to be confronted with only a few German snipers. The noise of battle told Waddy that this was too optimistic an assumption. With a two up formation Waddy attacked. Close to the road they came across many killed and wounded. A 20mm anti-aircraft gun, ‘self-propelled’, stopped this attack.
Even tanks were reported. These were probably Jagdpanzers IV of Kampfgruppe Von Allwörden. The Ger-mans sealed of the location were Pott broke through the line. B Company soon encountered many dead and wounded. Waddy closed with a 20mm-gun and was shot. It was striking that the wounded Major was transported to the Tafelberg hospital in Oosterbeek across the Wolfheze railway crossing without any Ger-man intervention.
HEAVY LOSSES
Major Page of HQ Coy tried to cross the road in vain.
After that, the battalion fell back to hill 56.5. There the unit was machine-gunned by Messerschmitt air-craft and received rocket fire by Nebelwerfer. Major General Roy Urquhart, just arriving at his division-al HQ after hiding in an attic for nearly seventeen hours visited Brigadier Hackett. Both decided that 4th Parachute Brigade should retreat by Wolfheze to Oosterbeek. 10th Battalion fighting in the northern part of Dreijenseweg was told to break contact first
and occupy the Wolfheze railway crossing. That order was given even before the 30 gliders of the third lift arrived on LZ L (Johannahoeve), bringing the heavy equipment for the Polish Parachute Brigade. The re-treat over open terrain by daylight resulted in cha-os. 10th Bn. withdrew in the direction of Wolfheze. 156th Battalion retreated with C Company of No. 9 Platoon as a rearguard.
Lieutenant Colonel Des Voeux ordered the 156th to cross the railway at a point where it runs over a high embankment. Not all subunits got that order and as a result the battalion fell apart. 130 men stayed behind on Dreijenseweg: dead, wounded, pow or missing.
The battalion was reduced to company strength.
The part that reached Wolfheze was taken POW. The other part spent the night in the woods just south of the culvert. Hackett decided to start moving towards Oosterbeek at dawn. 270 men of the battalion started at 06:15hr. The idea was to reach the Ede-Arnhem road (Utrechteseweg) in order to get into the Oosterbeek perimeter at Hartenstein. The 156th formed the spearhead of what remained of 4th Parachute Brigade. Marching orders were: A Coy first, HQ Coy and C Coy second, followed by the rest: Brigade HQ and 10th Bn. The route they took followed a straight line from Bredelaan, a wide track, towards the Bil-derberg Hotel. 7th Bn. KOSB had already arrived in Oosterbeek, crossing the railway line in a direct line.
KILLING WOODS
A Company ran into German machine gun fire at the top of Bredelaan. Brigade HQ suffered wound-ed. Around 08:00hr Des Voeux ordered Powell to attack with his C Company over the right flank.
The target was the stretch of road between the Utre-chtseweg-Wolfhezerweg crossing and Bredelaan. In his book Men at Arnhem Powell describes the fighting in the Bilderberg woods in a unique way. C Company had only 80 men left. Lieutenant Donaldson of No. 11 Platoon was the only surviving platoon command-er. He got wounded and was probably subsequently executed by the Germans. C Coy lost a lot of men in the fighting around the water tower. After three hours Powell decided to withdraw.
Brigadier Hackett decided to change the direction of his attack. Now the brigade turned east into the Van Tienhovenlaan. The remaining group was sur-rounded from the north by Krafft’s battalion and by Unterführerschule Arnheim and Bataillon Eberwein from the west. Hackett ordered 10th Battalion to lead the attack. After a slow start the 10th Battalion moved so fast that the connection with 156th Battalion and Brigade HQ was lost. 10th Battalion succeeded in reaching friendly troops (A Coy The Border regi-ment) at Valkenburglaan in Oosterbeek. 156th Battalion and Brigade HQ encountered more trouble. Self-propelled guns were reported at Valken-burglaan and near the railway line. Near the tennis court Lieutenant Colonel Des Voeux was mortally wounded. He was last seen sitting against a tree. His body was only identified many years after the war. His second in command, Major Ritson, was also killed.
He too was identified in 1998. Major Blundell, the 4th Brigade intelligence officer was killed and Ma-jor Dawson, the brigade major, got wounded in his shoulder. Captain Booty took a picture of the wound-
ed Major, just a minute before Dawson was shot in the head and killed. Fighting around the tennis court took place around noon.
HACKETT’S HOLLOW
Around 14:00hrs Hackett summoned Powell. He pointed at a group of trees, some 100 metres away.
They could make out Germans in a ‘hollow’ in the distance. Hackett ordered Powell to attack the with the only remaining cohesive unit. Powell’s group at-tacked with bayonets fixed and the Germans ran. The group in the hollow counted about 150 men. Major Page, CO of HQ Company, encouraged his men to reposition after every shot they took. When he was spotting an armoured vehicle he was killed by a bullet through the head. The loss of Major Page impressed Powell deeply. At 17:00hr Hackett ordered another bayonet charge in order to break out from their posi-tion in the wooded depression and try and reach the Oosterbeek perimeter. 70 men ran into the position of A Company of the 1st Border Regiment. The group was received with the following words: “Clear off you filthy, shower!”. Lance Corporal Rosenberg acted as rearguard. After firing all the magazines of the Bren gun and throwing the last hand grenades he was able to follow his comrades. When he reported to Major Powell he was promoted on the spot. The Germans found 80 killed and wounded in Hackett’s Hollow.
REORGANISATION AND THE FIGHTING IN OOSTERBEEK
Coy of the 156th Battalion had only three officers and 50 men left. This group was organised into two pla-toons. Positions were at Stationsweg and Mariaweg.
The fighting in Oosterbeek was not covered in the battlefield tour and thus not dealt with in this article.
Only 26 men returned to Melton Mowbray, in Sep-tember 1944. Another ten men escaped during oper-ation Pegasus. That was all that remained of the 603 men of 156th Battalion. The battalion experienced the highest fatality rate (105) of all six parachute bat-talions that participated in the battle of Arnhem. – Erik Jellema – Maps with John O’Reilly’s permission

THEME EVENING 6-POUNDER GUNS DOING THE DIRTY JOB – BRITISH ANTI-TANK GUNS IN THE BATTLE OF ARNHEM

On Friday the 15th of February the first So-ciety theme evening of this year took place in Doorwerth. The event was visited by an audience of 66 listeners. That could have been more, but due to the limited capaci-ty we were forced to disappoint some who were interested.
This time the theme was ‘British anti-tank guns in the Battle of Arnhem’. A briefing provided by Eugene Wijnhoud, a recog-
nized and appreciated subject matter expert on the role of the anti-tank forces during the battle. During his fascinating, detailed and well-illustrated presentation, Eugène outlined the various phases of the battle and the role anti-tank guns performed in it.
52 PIECES
Accurate to single guns and supported by clear map overlays and a large amount of authentic pictures, Eugene elaborated on the sequential phases of the battle. Firstly, Eugene explained B Troop’s operations. B-troop was attached to the 2nd Parachute Battalion; they were involved in defensive operations around the northern edge of the Arnhem road bridge.
Secondly he continued with the operations in the west-ern outskirts of Arnhem during Monday the 18th and Tuesday the 19th of September. Finally the battle in the Oosterbeek perimeter was covered.
During two airborne lifts the British succeeded in trans-porting fifty-two 6-pounder guns (by Horsa-glider) and sixteen 17-pounder guns (by Hamilcar-glider) to the var-ious landing zones. Each of the parachute battalions of 1st and 4rd Parachute Brigades were reinforced with a troop of four 6-pounder guns. For the Polish Brigade fif-teen 6-pounder guns were made available. Unfortunately, the Poles were never able to use their guns. The guns were flown in by gliders on landing zones north of the Rhine, while the paratroopers of the this brigade were dropped by parachute south of the Rhine a few days later. The battalions of the 1st Airlanding Brigade were supported by eight 6-pounder guns.
MORTAR FIRE
The question arises how effective the anti-tank guns have been during the battle. In a general sense the conclusion can be drawn that the effectiveness of their actions was relatively poor. Specifically the 17-pounder guns were
hardly able to join the battle. Partly because of their weight. Partly because some of the Morris Quads trac-tors, responsible for towing these guns, were not service-able on decisive moments. Many guns with their crews were eliminated by German mortar fire.
Nevertheless successes were achieved. Some guns of B Troop were pretty effective against armoured vehicles of SS-Hauptsturmführer Gräbner’s 9. SS-Aufklärungs-bataillon on Monday the 18th of September when they tried to breach the northern perimeter of 2nd Parachute Battalion. They were also effective against Mark IV tanks of Kampfgruppe Mielke when they attacked the British positions at the bridge from the east on Monday and Tuesday.
The nine 6-pounder guns and a single 17-pounder gun that were gathered in Arnhem West on the 19th of Sep-tember, originating from A, C and E Troops, and attached to the 1st, 3rd and 11th Parachute Battalions, were less effective against the counter-attack of Sturmgeschütz Bri-gade 280 and halftracks of Kampfgruppe Spindler. A clear explanation for this cannot really be given.
VICTORIA CROSS
The operations in the Oosterbeek perimeter showed an-other picture. The 6-pounder guns of the South Staffords, defending the southern part of the perimeter at Ooster-beek-Laag, were able to inflict severe losses to the Ger-mans. Lance-sergeant John Baskeyfield, commanding a 6-pounder gun with the South Staffords, was awarded the Victoria Cross for his gallant actions. The battle at the western side of the perimeter was characterized by a changing scene. Some of the guns attached to the Border Regiment were able to disable some French Char B tanks that were used by the Germans and converted to flame throwing tanks. The same applies to the northern part, where guns of the King’s Own Scottish Borderers were successful in beating off attacks by Kampfgruppe Spin-dler’s armoured vehicles. Although initial assessments didn’t take into account a serious German armoured presence, a large portion of the airborne lift capacity was earmarked for 1st Airborne Division’s anti-tank force.
Even 75 years later, a clear explanation for this decision cannot be given. – Otto van Wiggen

A CHILD BETWEEN THE LINES DURING THE BATTLE
“OOSTERBEEK AS IT WAS”

Robert (Robbie) Gunter was eight years old when Oosterbeek was catapulted into the war.
The village made it to the canon of war history. Robbie left Oosterbeek in 1947. What re-mained were those nine days in September ‘44: patient on the eyewitness’s paper. 75 years after the battle this is his story.

Robbie’s story begins as the introduction of a theatre play: he and his foster sister Hanneke, re-ceived at the foster home of aunts Nel and Miep: a big house on Jonkheer Nedermeijer van Rosen-thalweg no. 25. Four oth-er ladies, euphemistically referred to by Robbie as aunts, for the ‘troupe de théâtre’. The ‘aunts’, Jet, Clara, Dinie and Nettie, were Jewesses in hiding. And a dog named Tobias. What then unfolds around them from the morning of Sunday 17 September is largely known from the literature. Whereas this well-docu-mented struggle often takes place above the heads of civilians in the text margin, the battle in Robbie’s re-corded memories draws around him like a whirlwind, all within this ladies-rich family. The sharp observa-tions and the simple, almost sober style offer a unique insight into the battle of Oosterbeek.

WILHELMUS
We pick up the eyewitness account in the run-up to the Sunday that changed everything: “A lot of German army transports passed through Oosterbeek around that time; they were sometimes attacked by English planes. That is why didn’t have to go to school. It was beautiful summer weather. I went to the swimming pool in the Rhine with my friends every day. On the way there, German soldiers were busy setting up an
anti-aircraft gun.” ”Sunday 17 September we woke up earlier than nor-mal because of the firing of English planes and the re-action of the German anti-aircraft guns. We discussed whether or not we would go to church and Sunday school. When it became a little quieter outside, we decided to go anyway. The four aunts and Tobias stayed at home as usual. During the church service it remained restless in the air. Then something ex-ceptional happened: the children were asked to come into the church. Pastor Kievid said that we would sing the Wilhelmus. For the first time in years we heard our national anthem being sung.”

LIBERATED
The ‘aunts’ in hiding panicked: “The bombing we had heard while we were in church happened to be near our home. It took some time before Nel got everyone quiet again. Much worse than the sounds of war was the sound of crying wounded cows in the meadows by the river; it chilled me to the bone. A little later we all saw a lot of planes coming from the southwest, but we thought it was far away. Until Hanneke sud-denly shouted: ‘Parachutes!’ When we looked closely, we saw little men hanging under their chutes. Later, planes passed in the distance, pulling large aircraft. It was an impressive sight, but we had no idea that we would have anything to do with it. Until one of us said that the tram that drove past our house had not returned from Doorwerth.” The party for Aunt Nel’s birthday went on anyway. Afterwards Robbie stood on the balcony where they had eaten their cake: “All of a sudden a German open car came from Arnhem

Robbie Gunter, eight years old.

at high speed. On board there were a soldier/driver and an officer. On the corner of Vogelweg the officer began to shout at his driver, who braked abruptly and turned the car around. The officer grabbed his binoc-ulars and peered down the Grindweg for minutes, in the direction of Benedendorpsweg. Then they drove back to Arnhem. I knew enough when I saw peo-ple walking from Acacialaan to Benedendorpsweg, I rushed down and shouted ‘the Tommies are here!’.” Although Robbie was not initially believed, the neigh-borhood soon ran out to welcome the ‘liberators’. The British had no need for Robbie’s hand-picked flowers. “The men were noticeably tired and I was surprised that they were so small compared to the German gi-ants.” The column came to a halt when shooting broke out near the viaduct under the railway lines. Later two rock-hard, metallic bangs rang out, followed by the rapid rise of the rear span of the railway bridge, which then collapsed very slowly.”

OUTSIDE
With the continuous shooting, the ladies, Robbie and Tobias, sought refuge in the basement. Just for a brief period, they thought. The Germans were expected to be defeated soon. “On Monday there were Tommies everywhere around our house. A motorcycle was rid-ing on Stenenkruis street. There was an officer who regularly came to us for a chat.” “I think the military situation deteriorated on Tues-day. There was intense fighting in our neighbour-hood. We heard a frightening sound through the cellar window that afternoon: a tank. We later under-stood from the officer that they could not defend the
area against these vehicles; the British were going to withdraw. I think in the direction of the Acacialaan.
He advised us to go to the western part of the village.
A little later he came to say that it was quiet for a while and that we could leave. We all packed our bags and walked down the road. Via the path below Vogel-weg we walked to Hogerheide 3 where Nel’s parents lived. We did not flee so much from the battle, but to not let the aunts in hiding fall into German hands.” It was the first time in two years they came outside.”

NOISE
“Uncle Adriaan and aunt Bets were surprised to see us. We had been liberated, right? That was evident-ly not the case as a grenade exploded near the house and Jet got injured in her arm by shrapnel or a bullet.
Soon we went for the basement.” Haasje [‘little hare’], Robbie’s stuffed toy, was missing: “I was inconsolable for a while. Only after I was promised that we would pick it up soon, I was reassured.” “The electricity went down. Dinner consisted of some cold potatoes, and in the basement we had to fit and measure to give everyone a place.” The battle came slowly closer. “At night we did not dare to turn on the lights, the toilet soon stopped functioning, we barely washed ourselves and we certainly did not undress.” “It happened one afternoon: planes came over very low. And then there suddenly was a terrible blow. We thought it was a bomb. Aunt Nel was the first to go up the basement stairs, opening the door; the rest of the us then followed. When we were upstairs we saw what had happened: a huge wicker basket on a par-achute had fallen on the gutter and had crushed the

Jonkheer Nedermeijer van Rosenthalweg (Grindweg) nr. 25.

rain barrel, so that ended well … Or did it? The barrel contained our water supply. When the fighting died down, Nel and Miep decided to get some water from the Zweiersdal brook. It was almost evening when they went out with two buckets, both with a white tea towel around their heads for recognition in the dark.
They came back safely, with water! Food was also a problem, but not the most important one. That was the noise! It was so deafening that I often thought: ‘If they’d only stop shooting for just five minutes, then they can continue again for as long as they want’.”

HUNS
“The continuous shelling did put a neighbouring house on fire, after which the group was forced to take refuge elsewhere: Hogerheide 9. The cellar there appeared to be full of hiding Oosterbekers. We didn’t dare go back and so we just sat down in the empty living room, with our hands in front of our faces for protection. That night I experienced what ‘fear of death’ really is. When it got light, Nel went to check on Adriaan’s and Bets’s house.
It did not burn down, probably because of the soaking wet chestnut tree next to it. And so we went back to the small cellar again.” “During one of the final days we suddenly heard music outside. When I also heard an English voice, I concluded that the fight was over and that the Tommies had won.
But later the shooting ‘just’ continued. One night the bombing was stepped up again and stopped abruptly.
The Germans arrived the next morning. They banged their rifles on the door and shouted for us to come out.
Especially our four Jewish aunts must have thought that this was the end. They Germans commanded us to leave to the east. And so a moment later our ragged group walked down the hill, towards Weverstraat.”

EVACUATION
“I don’t think any of us knew what day it was. I now know that it was Tuesday 26 September. Nine days had passed since that sunny ‘liberation day’. We walked through destroyed streets. The road was littered with junk, a tank, containers and parachutes. We heard birdsong again. We tried to go back to our house, but at Emmastraat we were stopped by German soldiers.
Eventually we moved into an abandoned house, Mo-lenweg 12, a saddlery / leather shop.”

Oosterbeek was evacuated, or better: declared Sper-rgebiet. “How we left and why we had to leave the vil-lage, I simply do not know. There was a rumour that the village would be bombed at two in the afternoon, and that we would have to evacuate before that time.
Via busy Utrechtseweg, Noorderweg and Parallelweg we went along the railway tracks towards Wolfheze. Things went terribly wrong in the chaos. I noticed that three of our four Jewish aunts were no longer walking behind us. A little further Uncle Adriaan and aunt Bets were able to catch a ride on a horse and carriage and also disappeared from our sight. With this Robbie, Hanneke, Nel, Miep, Jet and To-bias left the battlefield, leaving Oosterbeek for good. – Robert Gunter (edited by: Alexander Heusschen) – photos: Robert Gunter

Postscript After some wanderings they ended up on a farm at De Glind, where they were liberated. Clara, Dinie and Net-tie survived the war at a safe address in Apeldoorn. They were liberated by Canadian troops around April 18, 1945. Robbie and his family returned home in June. For Christmas all children from Oosterbeek received presents from England: Robbie got a box with brushes and paint.
The imaginary house he painted with these things was given the title ‘Zoo was het in Oosterbeek’ [Oosterbeek as it was]. Robert Gunter nowadays lives in Roosendaal, province of Noord-Brabant.

HISTORICAL PERSPECTIVE
DEATH ON DREIJENSEWEG

(Bron: Bundesarchiv, Bild 101II-M2KBK-771-36 HQ / fotograaf: PK-Kriegsberichter Höppner).

This photo is the most shocking image I know of the Battle of Arnhem. In addition to the horrific details, this is also due to the absent look in the eyes: this is what death looks like. It is also one of the lesser-known photographs of the battle; apart from a few exceptions, it has not been published or otherwise shown. The German Bundesarchiv is the owner of it and is not the only one from the series of PK-Kriegsberichter Höppner on their website “for legal or other reasons”. Possibly this reluctance stems from piety with the victim’s family or to protect young generations from shocking images. War is indeed terrible in its horror and arbitrari-ness. But if we want to read and learn about this war, then this kind of image is part of it.

The photo of the dead para with a grenade in his left hand was taken on September 20, 1944 near the Dreijenseweg in Oosterbeek. The day before saw heavy fighting along that road in the attempts of the 4th Parachute Brigade to conquer the higher ground of Lichtenbeek and thus gain a better position on the western access roads to Arnhem. The attempts failed miserably, with great losses for the British, and on the 20th the road was firmly in the hands of the Germans.
The grenade the dead para holds in his hand is a Gammon bomb (Image 2), a weapon that was particularly popular with Air-borne units for close combat against armoured vehicles. The grenade was hand thrown and detonated on impact. The ignit-er was armed by the thrower by pulling a ribbon attached to the pin. The ribbon was protected by a screw cap that had to be removed before throwing.
In the photo of the para, the screw head is still on the grenade. The inventor of the ‘bomb’ was Lieu-tenant Bob Gammon, one of the first officers of the 1st Battalion The Parachute Regiment. Gammon was wounded during the invasion of Sicily and, due to damage to his hearing, was to his dismay rejected for further service with the Parachute Regiment and was therefore not present in Arnhem.

FLAKPANZERS
The photo of the victim comes from one of the two films that Höppner made on and near the Drei-jenseweg. The two photos directly in front, imag-es 34 and 35 of the roll, are well known and show two passing ‘Möbelwagen’ (Flakpanzers) from the 9th Waffen-SS division (image 3). These photo-graphs of the battle are of great historical value be-cause they form visual proof of the type of material against which the Airbornes had to take up. Perhaps one of these Flakpanzers was the target of the de-picted fallen Airborne, the day before. The location of the photos of the Flakpanzers is approximately halfway between the Dreijenseweg, between Ooster-beek-Hoog station and the Amsterdamseweg.
In John O’Reilly’s book on the 156th Battalion, ‘From Delhi to Arnhem’, the following passage ap-pears about the fighting on the Dreijenseweg (p. 166): “Turning to the soldier on his right, Waddy told him to toss a grenade at the flak gun. As the man prepared to throw a grenade, a bullet smacked into his fore-head, killing him instantly. ” What if…?

SKIRMISH
The source of this story is John Waddy himself. He was company commander in the 156th Battalion during the battle and was wounded in the attempts to conquer the Dreijenseweg. In Ministory 105 from 2010 he describes the incident: “Then suddenly I saw the cannon, at the end of the road. It was a dou-ble-barreled 20mm Flak cannon on a semi-track vehi-cle. Because it was on my advance route, I decided to go forward and try to put the piece out of combat in collaboration with a few of my soldiers. We marched through the bushes, until we approached the cannon at fifteen meters. The Germans screamed at each oth-er and I could hear the empty grenade shells rattling on the floor of the half tracked vehicle. It was at that very moment that the soldier on my right got a bullet in his forehead. I saw that there was a German sniper in the tree above the cannon. I only had my Colt .45 gun with me and fired five shots at him and at that moment he or another German shot me in the ab-domen.” During a battlefield tour in Oosterbeek in 2012 I was given the opportunity to show the photo to John Waddy himself. He remembered the incident, but he could neither confirm nor deny that the photo was part of it. He did say that he found his backpack in the same place after the war. The location of this Waddy skirmish is precisely known: it is where the forest path from the former water tower, now a burial monument of mission house Vrijland, comes from the forest plot east of the Johannahoeve and ends perpen-dicular to the Dreijenseweg (see: O’Reilly, p. 160).
This water tower was more or less the basis from which the 156th Battalion carried out its various at-tacks on this road that morning. The location where the path ends at the Dreijenseweg, is about the same place where the photos of the Flakpanzers were made by Höppner the next day. If we assume that the photo of the fallen Brit was also taken in the surroundings, we can assume it is the soldier that got shot as de-scribed by Waddy. With that it is also likely that he belonged to the 156th Battalion and we can try to give the unfortunate Brit a name.

Pic 2: een Gammon bomb.

CASUALTY DETAILS
The best available source for the location of field graves is the Roll of Honour compiled by Jan Hey.
We have to look a little further than just the date of death, known to us to be September 19. Unfortunate-ly, these data are often not or not correctly registered in the official source data. The unit can also give a clue, the battle at this exact location was mainly con-ducted by 4th and 5th Platoon of A Company (3rd
Platoon was still on the Ginkelse Heide) and Waddy’s B Company of the 156th Battalion. In addition to a number of victims on the 19th with a ‘No Known Grave’, there are a few candidates whose field grave was in the vicinity of this place. The closest thing comes to the description of Private Layton, whose field grave was “in a wood west of Dreijenseweg”. He belonged to the 5th Platoon of A Company, the pla-toon of Lieutenant Delacour who himself fell a little 100 meters further west along the path in the forest. It is also described that elements of A Company merged with Waddy’s B Company when it attacked. A Com-pany’s commander, Major Pott, had managed to cross the Dreijenseweg and reach Lichtenbeek with the remainder of his 4th Platoon. That Waddy, together with Layton, attacked the German armoured vehicle on the western side of the Dreijenseweg is therefore highly likely. A photo of Layton appears to have been published in a local British Roll of Honour just af-ter the war (Figure 5). There are a number of details that are very similar to the fallen Brit in the Höppner photo: the haircut and the hairline, the left slightly protruding ear, the chin and jawline and the crooked front tooth. Enough clues to make an attempt to ob-tain a positive identification through possibly living family members, if these can be found. In addition to the horrific image, the photo hopefully also offers comfort; at least this soldier did not suffer. Moreover, the photo also shows his courage: it takes a lot to at-tack an enemy armoured vehicle a few meters away with nothing else but a hand grenade.
From his casualty details we know that this is George William Layton, 25 years of age in Sep-tember 1944, hus-band of Marjorie Mary Layton from Balsall Heath, Bir-mingham. There are several genea-logical internet sites nowadays, and es-pecially British data are easily accessible. Through the site ‘Find my past’ I got the following information: George was born in Jul-Aug-Sept 1919 in Auckland, Durham. Striking is the mentioned “Mother’s maid-en name”, which is given as Layton. You would expect that as his father’s name. Marjorie was born in Jan-Feb-Mar 1925 in Uppingham, Rutlandshire.

Image 3: Two Flakpanzers on the Dreijensweweg, the day after the para got killed (source: Bundesarchiv, Bild 101II-M2KBK-771-34 HQ / photographer: PK-Kriegsberichter Höppner / image 34. Image 35 was not available through the Bundesarchiv at the time of publication of this article).

MEANING
The next step is trying to find a wedding date to make it easier to search for any children. The marriage cer-tificate specifies the date as 19 February 1944. George would have been 24 then and Marjorie 18. Witnesses were Albert Edward Corrall, the father of the bride, and from the side of the groom R.G. Coates and J.
Coates. His father is mentioned with a striking double
surname: Percy Coates Layton. The birth certificate of George Layton, which I also requested, gives a defi-nite answer: under his mother’s name it says ‘Eliza-beth Ann Layton’. Under his father’s just “-”. George’s father was no longer there when he was born, and his mother apparently did not want to have his name mentioned. Hence his last name is his mother’s name.
Further research yields that his mother Elisabeth was born in Oct-Nov-Dec 1901, so she was only 17 when she became pregnant with George. Another suspicion is also confirmed: in 1922 Elisabeth Ann Layton mar-ried Percy Coates, George is then two years old. Here too we can only guess at the true story, but it seems noble that Percy Coates took care of an unmarried mother and her child at that time. The couple had two sons, half-brothers of George and both born in Auckland, Durham: John Coates in 1923 and Regi-nald G. Coates in 1925. That completes the circle, because these are the two witnesses mentioned at George and Marjorie’s wedding. Based on this infor-mation, a thorough search was made for contact de-tails of any family members still alive. Unfortunately, this search has not produced any results. His wife is probably no longer alive, no address can be found for his half-brothers; the name Coates is common. A contact note left on Layton’s grave at the Airborne Cemetery around the time of the 70th commemora-tion availed to nothing.
Unfortunately, we cannot identify the fallen soldier with certainty. But if we assume that the brave man in the photo is Layton, then there is now more meaning behind Grave 32.B.6. at the cemetery in Oosterbeek then just the text “Thank you God, for the memory of a man so very fine. Life is Eternal, he has not died.”
– Paul Meiboom – Comments: pemeiboom@gmail.com

CASUALTY DETAILS
De best beschikbare bron voor de locatie van veldgraven is de door Jan Hey samengestelde Roll of Honour.
Hierbij moeten we wat ruimer zoeken dan alleen op de bij ons bekende overlijdensdatum van 19 september; helaas zijn deze data vaak niet of niet correct geregistreerd in de officiële brongegevens. Ook de eenheid
kan een aanwijzing geven, de strijd op deze exacte plek werd vooral gevoerd door 4th en 5th Platoon van A Company (3rd Platoon was nog op de Ginkelse Heide) en Waddy’s B Company van het 156st Battalion.
Naast een aantal slachtoffers op de 19e met een ‘No Known Grave’, zijn er een paar kandidaten waarvan het veldgraf zich bevond in de omgeving van deze plek. Het meest in de buurt komt de beschrijving van Private Layton, wiens veldgraf “in a wood west of Dreijenseweg” lag. Hij behoorde tot het 5th Platoon van A Company, het peloton van Lieutenant Delacour die zelf een kleine 100 meter verder westwaarts langs het bewuste pad in het bos sneuvelde. Er wordt ook beschreven dat elementen van A Company opgeslokt werden door Waddy’s B Company als deze als tweede aanvalt. A Company’s commandant, Major Pott, was met het restant van zijn 4th Platoon erin geslaagd de Dreijenseweg over te steken en Lichtenbeek te bereiken. Dat Waddy samen met Layton het Duitse pantervoertuig aanviel aan de westelijke kant van de Dreijenseweg is dus zeer goed mogelijk.

Pte George William Layton.

JUST PUBLISHED 9. SS-PANZER-DIVISION HOHENSTAUFEN 1943-1944

In 1984 a book about the history of the 9. SS-Pan-zer-Division Hohenstaufen in 1944 was published by the French publisher Heimdal. It was written by Her-bert Furbringer, a veteran of the 9th.
Heimdal recently published a new book about the Hohenstaufen, using Furbringer’s sources. It describes the entire period of existence of the division from December 31, 1942 to May 8, 1945. The 28 pages devoted to ‘The return to the Netherlands and the battle of Arnhem’ are really worth reading. Take, for example, the handy list of locations where the division units were stationed around Arnhem from the 6th of September onward, and which units remained behind at the Belgian-Dutch border or were transferred to the 10. SS-Panzer-Grenadier-Division ‘Frundsberg’.
This is followed by a day-to-day summary of the Ger-man countermeasures and the course of the fighting.
Unfortunately, some errors have crept into the place name. Some photos are less known or new. Also slightly annoying is the fact that the captions are of-
ten incorrect; Ooster-beek and Arnhem are mixed up for example.
A few things could also be said about the source references.
Regardless, the book is highly recommend-ed for those interested in the 9th. It contains no new insights, but the German actions are well put together. The price for all of this is a small loss. – Wybo Boersma Charles Trang & Pierre Tiquet, 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen 1943-1944 (Éditions Heimdal, Bayeux, France), 415 pages in French, illustrated, ISBN 978-2-84048-472-1, € 79

2CM FLAK SLEEVE

On Wednesday the 25th of September 2019, a Ger-man bunker was excavated in the garden of ‘the monastry’ (Museum Arnhem) on Utrechtseweg. Im-mediately below ground level, archaeologists found an old trench filled with the rubble of the destroyed city. Traces of fighting were found between the bricks, glassware and household effects. Did these come from the fighting on that fatal Tuesday, the 19th of Septem-ber 1944, when the advance of the Staffords ended in the monastry? The archaeologists registered a German 2cm-sleeve of a Flak canon. Could it have been fired by one of the Flak 38s that were deployed along Utrechtseweg on that day?

 

Map and GPS-coördinaten ‘Set in Stone’


1 51.976773, 5.912996

2 51.976859, 5.915077
3 51.980893, 5.915831
4 51.979072, 5.913669
5 51.980946, 5.909962
6 51.979917, 5.908068
7 51.996118, 5.947019
8 51.960141, 5.883701
9 51.968598, 5.906762
10 51.983579, 5.903326
11 51.98382, 5.89671
12 51.98317, 5.89716
13 51.98445, 5.89455
14 51.98520, 5.89300
15 51.98542, 5.89245
16 51.98476, 5.88810
17 51.995400, 5.912636
18 52.00199, 5.92438
19 52.00146, 5.90786
20 51.987080, 5.890621
21 51.983606, 5.877466
22 51.981058, 5.870214
23 52.00603, 5.89286
24 52.033252, 5.865027
25 52.002272, 5.856160
26 51.98016, 5.86101
27 51.988827, 5.861942
28 51.979199, 5.860346
29 51.979725, 5.840265
30 51.978370, 5.837341
31 51.979470, 5.838190
32 51.979198, 5.838160
33 51.980339, 5.834410
34 51.980321, 5.833101
35 51.978790, 5.830450
36 51.977481, 5.829617
37 51.977478, 5.826933
38 51.977643, 5.834590
39 51.97420, 5.83667
40 51.981918, 5.823608
41 51.987719, 5.832690
42 51.98746, 5.82918
43 51.988621, 5.815256
44 51.987922, 5.813114
45 51.985804, 5.837386
46 51.990264, 5.836667
47 51.991390, 5.834304
48 51.995316, 5.802741
49 51.989612, 5.813446
50 51.995513, 5.802705
51 51.95948, 5.78919
52 51.97229,5.73880
53 52.036910, 5.670948
54 52.055367, 5.649778
55 51.846011, 5.873032
56 51.848073, 5.870433
57 51.842738, 5.869012
58 51.85722, 5.86740
59 51.86368, 5.84714
60 51.876264, 5.822857
61 51.891476, 5.792436
62 51.835950, 5.868930
63 51.814719, 5.798897
64 51.815374, 5.877598
65 51.767026, 5.827104
66 51.766521, 5.863183
67 51.778077, 5.893265
68 51.764555, 5.918816
69 51.774655, 5.928863
70 51.821436, 5.908623
71 51.837989, 5.960686
72 51.90878, 5.90095
73 51.936806, 5.581643
74 51.884919, 5.438232
75 51.944930, 4.861197

INHOUDSOPGAVE

  • 3 Verenigingsnieuws – Fellowship en Stiltekamer Airborne Museum
  • 4 White Ribbon Mile
  • 5 Interview – Roger Beets
  • 7 75 jaar Market Garden – 75 markante plekken
  • 14 Thema – Vierentwintig uur strijd in Lombok
  • 21 Pas uit – Hohenstaufen
  • 22 Ministory 131 – Landstorm Nederland in de slag om Arnhem
  • 27 Persoonlijk – Robbie Gunter, kind tussen de linies
  • 31 Historisch perspectief – Dood aan de Dreijenseweg
  • 35 Programma

AIRBORNE MAGAZINE 15, Uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum 75 jaar Market Garden, 05-08-19

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar. Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.

Redactie: Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Jasper Oorthuys, Otto van Wiggen
Bijdragen van: Wybo Boersma, Bernhard Deeterink, Robert Gunter, Alexander Heusschen, Dirk Hoekendijk, Frank van Lunteren, Arno Maan, Paul Meiboom, Leo van Midden, Martijn Reinders, Berry de Reus, Robert Voskuil, Otto van Wiggen
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl
Vormgeving: Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk: Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03
Postadres: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl

Omslag: Eén van de meest iconische beelden uit de slag: een 3 inch-mortierteam van No. 23 Mortar (Handcarts) Platoon, Support Company, 1st Border in hun ‘mortar pit’ aan de Van Lennepweg in Oosterbeek. De datum is 21 september 1944. VLNR: Pte Norman Knight, Pte Ron Tierney en Cpl Jim McDowell

 

VERENIGINGSNIEUWS: SAMENWERKING FELLOWSHIP EN VVAM
In Airborne Magazine nr. 12 (september 2018) hebben we gezegd te gaan onderzoeken in hoeverre nauwer samengewerkt kan worden met The Arnhem 1944 Fellowship. Ik heb de Engelse VVAM-leden daarover geïnformeerd met een persoonlijke brief; onze vereniging en de Fellowship hebben immers grotendeels overeenkom-stige doelen en doelgroepen.
De Fellowship heeft ongeveer 600 leden: 60% woont verspreid over de wereld, 40% in Nederland. Tweederde van hen is lid voor het leven. Met een contributie van €11 per jaar voor tweehonderd betalende leden beschikt de Fellowship over een kleiner budget dan de VVAM. Van-wege het relatief grote Engelse bestand telt het bestuur zowel Engelse als Nederlandse leden.
Op 31 mei kregen de secretaris en ik, op uitnodiging van het Fellowship-bestuur, de gelegenheid mogelijke initiatieven toe te lichten. Namens de Fellowship wa-ren bij deze vergadering: Robert Voskuil, Hiltje van Eck, Luuk Buist, Martijn Cornelissen, Glenn Schoen, Niall Cherry, Graham Francis en David Locke aanwezig.
Om een mogelijk nauwere samenwerking aan te gaan, hebben wij het voorstel gedaan Fellowship-leden deel te laten nemen aan battlefield tours die door de VVAM worden georganiseerd, en zijn we bereid deze in het Engels te verzorgen. Daarnaast hebben we de suggestie gedaan elkaars publicaties uit te wisselen. De Fellowship ver-spreid zes tot zeven Engelstalige Newsletters per e-mail.
De VVAM informeert haar achterban met drie Airborne Magazines per jaar. Aangegeven is dat aan een eventuele uitgave van de drie tijdschriften in het Engels aanvullende kosten zijn verbonden. Het is goed te vermelden dat de kwaliteit van het huidige, vernieuwde magazine door de Nederlandse leden van het Fellowship-bestuur wordt ge-waardeerd. In dat kader zou een uitwisseling van elkaars publicaties de moeite waard zijn om te onderzoeken.
Op dit moment is nog onduidelijk of de Fellowship positief is over deze voorstellen en of ze bereid is tegemoet te willen komen in de kosten als we het tijdschrift naar de Engelse leden van The Arnhem 1944 Fellowship gaan sturen. We houden u uiteraard op de hoogte.


Wim Duyts (foto: Berry de Reus)

STILTEKAMER

Vermeldenswaard is ook de opening van de Stilte-kamer in het Airborne Museum op zondag 30 juni.
De kamer werd officieel geopend in het bijzijn van Anita Witzier, televisiepresentatrice en voorzitter van Monuta Helpt, en Agnes Schaap, burgemeester van Renkum. De Stiltekamer is een plek waar bezoekers in alle rust de slachtoffers van de slag om Arnhem kunnen herdenken. In deze ruimte worden de onderscheidingen van oorlogsveteranen en burgers gepresenteerd. Met name voor Wim Duyts vormde de opening een mijlpaal in zijn lange carrière, waarin hij diverse functies binnen het bestuur van het Airborne Museum bekleedde. De onderscheidingen die nu ge-presenteerd worden zijn in de loop der jaren persoonlijk aan hem overhandigd door buitenlandse en Nederlandse nabestaanden. Een ereschuld voor hem dus om deze onderscheidingen een nieuwe, treffende plaats in het museum te geven, waarmee de belofte dat ze te zien zullen zijn zolang het museum bestaat is bestendigd. De stiltekamer is op uiterst stijlvolle wijze ontworpen

Medailles in de Stiltekamer (foto: Berry de Reus)

WHITE RIBBON MILE

Dit jaar, bij de 75e herdenking, wordt speciaal aandacht geschonken aan operatie Berlin: de terugtrekking over de Rijn op 25-26 september 1944, waarin zo’n 2300 Airbornes een veilig heenkomen zochten. Ze werden daarbij geholpen door Canadese en Britse genie-troepen. Die nacht regende het hard en was het aardedonker. Vijandelijke beschietingen zorgden voor doorlopend gevaar. Om de militairen in de goede richting te leiden werden witte linten gespannen op de routes naar de rivier. Vandaar werden de militairen overge-zet in boten. Sommigen zwommen. Velen bereikten de overkant niet.

Op één van de oversteekplekken staat een klein monument dat normaal niet te bereiken is via een pad. Tijdens de herdenkingsperiode van 9 tot 27 september zal een met witte linten gemarkeerde route naar het monument aan de oever leiden.

ROUTE
De White Ribbon Mile is van 9 tot 27 september 2019 elke dag toegankelijk van zonsopgang tot zonsondergang (betreden op eigen risico). Starten kan bij de Oude Kerk aan de Benedendorpsweg 134 in Oosterbeek. De kerk is geopend van 1 mei tot 1 oktober op woensdag, donderdag en zondag van 14:00u tot 17:00u. Van 16 september t/m 26 september dagelijks tijdens deze uren. In de Oude Kerk is een film te zien over de route van de terugtrekking van toen en de betekenis van nu. De film duurt tien minuten.

Alle zondagen in september kan er ook gestart worden bij Event Theater Concertzaal Oosterbeek, Rozensteeg 3. In de herdenkingsweek dagelijks. Openingstijden zijn van 11:00u tot 17:00u.

White Ribbon Mile is een initiatief van: Stichting Dorpsplatform Oosterbeek Stichting Airborne-Region Gemeente Renkum Meer informatie: facebook: Whiteribbonmile https://whiteribbonmile.wordpress.com www.airborne-region.nl/activiteiten/de-white-ribbon-mile Ontwerp: SeventySix Graphic Design Oosterbeek Drukwerk: Coers & Roest

 

INTERVIEW DE VETERANEN ZIJN DE ÉCHTE VIP’S

DE KEUZES VAN ROGER BEETS
Roger Beets (1952) is voorzitter van de Stichting Airborne Herdenkingen, de coördinerende organisatie achter de herdenkingen van de slag om Arnhem in de gemeenten Arnhem, Renkum, Overbetuwe en Ede. Met zijn werk voor de stichting en voor de Airborne Wan-deltocht is hij na 25 jaar een ‘household name’ in de regio. Is de 75e herdenking de grote klapper voordat het licht definitief uitgaat? “Wat ze in Ieper kunnen, kunnen we hier ook”.

HERDENKEN OF BELEVEN?
”Beide. In navolging van de Airborne Region [het samen-werkingsverband van gemeenten dat het verhaal van de slag om Arnhem bekender wil maken in binnen- en bui-tenland, AH] zou ik daaraan nog willen toevoegen: her-denken, beséffen en beleven. De herdenkingen zullen in de huidige vorm blijven bestaan. Vooralsnog. Dat moet je ook niet zomaar afschrijven. Zeker in deze regio, waar de band met de Britten enorm diepgeworteld is. Neem de zondagochtend op de Airborne-begraafplaats: dat is de meest zuivere vorm van herdenken. Het karakter van die herdenking is de afgelopen 26 jaar, sinds onze stichting de boel runt, niet wezenlijk veranderd. Eigenlijk zelfs vanaf 1945 niet. Dat hoort ook zo. Ede gaat het meeste met de tijd mee. En een evenement als Bridge to Liberation is wéér heel anders. Wat ik maar zeggen wil: het één hoeft het ander niet in de weg te staan. In andere regio’s van operatie Market Garden is het, naar mijn mening dan, misschien wat teveel een ‘feestje’ geworden. Maar ook dat is verklaarbaar: daar wordt de bevrijding gevierd. Bevrij-dingsdag wordt niet gevierd in Arnhem. Simpelweg om-dat er niets te bevrijden viel. De stad was leeg. In Brabant is dat heel anders, daar is men daadwerkelijk bevrijd in september ‘44. Niet vreemd dus dat bijvoorbeeld ook de gymnastiekverengingen en de plaatselijke harmonieën in een optocht door Eindhoven lopen. Soms zie je ook hier, in Arnhem en omgeving, dat sommige initiatieven niet helemaal in de pas lopen met de rest van het program-ma. Daar proberen we als stichting op toe te zien. En dan nog, hoor… Dan meen je in een vergadering goede afspraken te hebben gemaakt, ‘nee, we hangen maar één vlag op’, loop je vervolgens naar buiten en is het alweer anders. Dat heb je nou eenmaal in een klein gebied met veel tegengestelde belangen en clubs die zich verbonden hebben aan een monument, museum of stichting: politie versus Defensie, gemeente versus middenstand, die wil niet samenwerken met die, VIP’s die graag vooraan willen zitten… Allemaal voor eigen gewin, zo lijkt het. Voor mij is er maar één ‘club’ die centraal staat en dat zijn de veteranen en hun families. De veteranen zijn de échte VIP’s.”

MARKET GARDEN OF AIRBORNE?
”Dat is een moeilijke. Airborne is een onderdeel van Mar-ket Garden. Het Market-deel van de operatie heeft zich toch ten noorden van de rivier afgespeeld. Of we ooit Market Garden samen zullen herdenken? Zie je Vitesse en NEC ooit samengaan? Nee, de belangen zijn daarvoor veel te verschillend. Komt ook weer door het hier herden-ken en daar bevrijden. Het museum in Groesbeek heeft veel aandacht voor het Duitse verhaal; die bedienen ook een groot Duits publiek. Dat zie ik hier in Oosterbeek niet snel gebeuren. Bij de herdenkingen in Arnhem is al jaren de Duitse ambassadeur aanwezig. Ook dat gaat in Oosterbeek op de begraafplaats echt niet gebeuren. De hamvraag die bij ieder herdenkingslustrum weer terug-komt is: wat doen we hierna?

VETERANEN OF JEUGD?
”Kennis krijgen en vasthouden, daar gaat het om. Dat is ook echt iets van deze tijd: de jeugd erbij betrekken, en ze het belang van geschiedenis laten zien. Je mag als tiener blij zijn dat je met je mobieltje aan de rand van het zwembad kunt rondlopen, maar besef wel dat een ander voor jou in een veel groter zwembad kopje onder is gegaan. Dat besef is soms ver te zoeken. Onderzoek, ik meen op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, wees nog niet zo lang geleden uit dat studenten op zich best geïnteresseerd zijn in geschiedenis, maar dan wel wil-len kunnen bepalen welke informatie ze ontvangen. ‘Ga ons niet op de huid zitten’, was zo’n beetje de strekking.
Er is dus nog veel ambassadeurswerk te verrichten voor de educatieve tak van de Airborne-gemeenschap. Groep 7 en 8 van de basisschool, dat zijn de leerlingen die het meest ontvankelijk zijn voor het verhaal van de slag. De bloemenkinderen van Oosterbeek hoef je niks te vertellen over de geschiedenis van hun dorp. Dat zouden goede ambassadeurs kunnen zijn. Maar dan moet er op scholen ook wat meer aandacht komen voor onze regionale ge-schiedenis. Er is zoveel onkunde, of beter onwetendheid, over de slag om Arnhem. Maar ja, vind je het gek als er in geschiedenislesboeken, bij wijze van spreken, maar drie regels worden gewijd aan Arnhem? Of neem het Airbor-ne Museum: je moet erg oppassen dat je straks niet een mooi landhuis hebt staan, waarin ook nog een hoekje is ingericht over de gebeurtenissen in 1944. Als museum heb je natuurlijk wél een functie.
Wat de veteranen betreft: we mogen blij zijn als we er dit jaar hopelijk tien of twaalf kunnen verwelkomen. Man-nen die ook echt hier gevochten hebben, bedoel ik: de échte Arnhem-veteranen dus. Maar die aparte, ook in Engeland niet altijd begrepen hechte band tussen Oos-terbeek en de veteranen, die blijft. En gaat steeds over op de volgende generatie. Het dorp mag dan niet zijn bevrijd tijdens de slag, de dankbaarheid voor het proberen, dat wordt nog steeds gewaardeerd.”

ARNHEM OF OOSTERBEEK?
”Dat is de eeuwige controverse. Ik heb ooit iemand bij de gemeente horen zeggen: ‘Jammer dat de brug in Arnhem ligt’. Oosterbeek kan niet zonder Arnhem en andersom idem dito. Het kantelpunt van de slag lag in de Arnhem-se wijk bij het Elisabeth Gasthuis, dat bepaalde wat hier vervolgens gebeurde in Oosterbeek.”

WANDELEN OF REGELEN?
”Regelen. Ik ben een echte regelneef. Ik ben goed in dingen neerzetten, dingen waarvan mensen zeggen: ‘Hé, dat zit goed in elkaar’. Maar ik vind wandelen op zich heel aardig, hoor. In mijn jeugd heb ik de Airborne Wandel-tocht twaalf keer gelopen, en daarna ook nog een paar keer. Trouwens, niet veel mensen hier beseffen dat de Airborne Wandeltocht een veel groter evenement is dan de herdenking in Oosterbeek. Dat besef was voorheen zeker bij de gemeente, en nu nog bij een aantal ondernemers in Oosterbeek, amper doorgedrongen.. Iedere wandelaar neemt gemiddeld minimaal één gast mee. Doe wat met die 60.000 (!) mensen die je in het dorp hebt, zeg ik dan.


Zorg dat ze op een later moment nog eens terugkomen.
Gelukkig gaat de Oosterbeekse Ondernemersvereniging zich dit jaar extra inzetten voor een prachtige Airbornebeleving gedurende heel september!”

ACHTER DE SCHERMEN OF ERVÓÓR?
”Ik vind het meestal wat plezieriger achter de schermen.
Zoals gezegd: ik ben een regelaar. Maar ik ben snob genoeg om er ook gerust vóór te staan als de situatie daarom vraagt. Het defilé en de intocht presenteren bij de Airborne Wandeltocht bijvoorbeeld, dat vind ik geweldig om te doen. Soms is het dus noodzakelijk om vóór het scherm te staan, bijvoorbeeld als ceremoniemeester bij de Airborneherdenking in Arnhem. Dan heb je ook een functie aan de voorkant.”

STROPDAS OF POLO?
”Vandaag een polo, zoals je ziet. Ik ben een beetje ouderwets opgevoed: bij officiële gelegenheden hoort een pak mét stropdas. Zeker in Engeland gaat men ervan uit dat je correct gekleed gaat bij herdenkingen. In Nederland komen mensen soms zo van het sportveld naar een begrafenis. Dat getuigt van erg weinig respect of gevoel voor decorum, vind ik. Wat overigens niet wegneemt dat er momenten zijn waarop een pak zonder stropdas best gepast is. Ook dát is van deze tijd.”

DE 50E OF DE 75E…?
”De 50e heb ik niet bewust meegemaakt. Het eerste waar ik aan denk bij deze vraag is de 60e herdenking. Om heel eerlijk te zijn: dat nooit meer! Echt. Om wat voorbeelden te geven: er was een evenement georganiseerd in
het GelreDome. Moet je je voorstellen: veteranen op de ereplaatsen, het stadion wordt donker en dan komt daar de 11e Luchtmobiele Brigade vanaf het dak geabseild. ‘Schietend’! Die Britten schrokken zich helemaal wezenloos. En dan Karin Bloemen die Het Dorp van Wim Sonneveld zingt. Nee, wat ze toen hadden bedacht, pakte helaas niet zo goed uit.
Wat me wel altijd zal bijblijven is de aanblik van twee veteranen die toen over de John Frostbrug naar het stadion werden gereden. Terwijl dat gebeurde gutsten de tranen over hun gezichten. ‘Waarom deze heftige emotie?’, vroeg ik ze later. Wat ze toen antwoorden had ik nooit verwacht: ‘We zijn voor het eerst over de brug gegaan’. Het was tot dan altijd een soort erecode geweest om nooit de brug te passeren, en al helemaal niet van noord naar zuid.
Wat destijds niet lukte, zouden we nu ook niet moeten doen, zo was de stilzwijgende afspraak.
De 75e herdenking zelf verschilt niet heel erg van bijvoorbeeld de 60e of 70e. De publieke belangstelling is vanzelfsprekend groot. Maar er zijn dit jaar bijzonder veel andere activiteiten gepland; het wordt echt een groots gebeuren met concerten, bijeenkomsten, lezingen en veel aandacht voor de jeugd. Bijzonder aan deze editie is wel dat dit jaar op de Rijndijk bij Driel ter afsluiting operatie Berlin wordt nagespeeld door Poolse reenactors en soldaten, samen met de 11e Luchtmobiele Brigade. Daarmee samenhangend is er ook speciale aandacht voor de White Ribbon Mile, de vluchtroute van de divisie.
Het grootste risico dit jaar? Het weer. Absoluut. Op de tweede plaats de toestroom van het publiek. Over de veiligheid maak ik me niet zo’n zorgen, daarvoor zijn al jaren geleden de nodige maatregelen genomen. Deze zijn steeds verder aangescherpt. Ik hoop vooral dat de herdenkingen opnieuw waardig en respectvol verlopen. En dat de veteranen en hun families daarna weer met een goed gevoel naar huis gaan. Dat is waar het mij om gaat.” – Alexander Heusschen

Zie voor het complete herdenkingsprogramma in september én daarna: www.airborneherdenkingen.nl. Het programma is er ook te downloaden.

GESTOLDE GESCHIEDENIS 75 MARKANTE PLEKKEN UIT OPERATIE MARKET GARDEN

Zij die erover kunnen vertellen zijn haast niet meer onder ons. Toch zijn de herinneringen aan de septemberdagen van 1944 nooit ver van ons verwijderd. Airborne Magazine verza-melde 75 locaties met een verhaal: klein, groot en voor even aan de vergetelheid ontrukt.
De kaarten op de achterzijde van het blad geven globaal de plek aan: zie de nummerver-wijzingen bij iedere locatie of scan de QR-code. Met de GPS-coördinaten op pagina 35 zijn de exacte plekken te vinden, vanuit de luie stoel (via https://vriendenairbornemuseum. nl/abm15_75digitaleplekken/ of Google Maps) of tijdens uw verkenningen ter plaatse.

1. Oranjewachtstraat, Arnhem. Gevechtsschade aan de originele jaren ‘30-trappen (westkant van de brug, onderaan links, staand op de trap).
2. Eusebiusbuitensingel 69, Arnhem. Locatie Huis Nijenburgh. Op zo’n 100 meter vanaf het kruispunt met de Westervoortsedijk stond het ruim bemeten huis van Freule Cornelia gravin van Limburg Stirum, evangeliste, voorvechter van christelijk meisjesonderwijs en weldoenster. De freule kwam om tijdens de slag.
3. Eusebiusbuitensingel 9, Arnhem. Vooruitgeschoven hoofdkwartier van SS-Sturmbannführer Hans-Georg Sonnenstuhl, die de gelijknamige Kampfgruppe leidde tegen de Britten bij de brug. Van hieruit werden de Duitse troepen die uit Velp en ArnhemNoord kwamen ingedeeld, vooral aan de westelijke kant van de brug.


4. Sint Walburgisplein 1, Arnhem. Op 19 september probeerde een laagvliegende Messerschmitt Bf 109 de Britten
bij de brug te bombarderen. In een poging het intense Britse mitrailleurvuur te ontwijken, raakte het jachtvliegtuig de zuidtoren van de Walburgiskerk. Dit veroorzaakte een brand die de hele kerk in de as legde. Het toestel crashte in de Lauwersgracht; de piloot kwam om.
5. Koningstraat 67, Arnhem. Van 18-22 september 1944 de commandopost van de 1. Kompanie van het 1e SS-PanzergrenadierBataillon, 21. SS-PanzergrenadierRegiment, Frundsberg-divisie. Het bataljon werd kort daarvoor aangevuld en weer op sterkte gebracht in Diepenveen.
6. Bakkerstraat 56, Arnhem. Een Schützenpanzerwagen van het 1/21. SS-PanzergrenadierBataillon (zie locatie 5) stond hier opgesteld volgens de verslagen van Sturmmann Wilhelm Balbach.
7. Da Costastraat 5, Arnhem. Paasbergkerk. Hier brachten Major Tony Hibbert, commandant van het brigadehoofdkwartier van 1st Parachute Brigade bij de brug in Arnhem, en leden van het 2nd Parachute Battalion, de nacht door op 21-22 september als gevangenen. Van hier werden ze naar Villa Bene Sita in Velp gebracht (Arnhemsestraatweg 33, Velp).


8. RijkswegWest 65, Arnhem. Zorgvilla Oosterveld Stepping Stones. Destijds Huize Oosterveld van de Congregatie van Onze Lieve Vrouwe van Amersfoort. Een deel van Viktor Gräbners kolonne overnachtte met hun pantserwagens tussen de fruitbomen in de tuin. De bewoners lieten hen niet binnen. Gräbner kwam in de ochtend van 18 september 1944 om het leven bij de aanval op de brug vanuit het zuiden.
9. Hoek Huissensestraat en Orchislaan, Arnhem. Destijds Hotel Zuid. Van 17-21 september 1944 in gebruik als Duits noodhospitaal. Huisarts Johan Drost verleende er zijn diensten; de biljarttafel werd gebruikt als operatietafel. Zij die erover kunnen vertellen zijn haast niet meer onder ons. Toch zijn de herinneringen aan de septemberdagen van 1944 nooit ver van ons verwijderd. Airborne Magazine verzamelde 75 locaties met een verhaal: klein, groot en voor even aan de vergetelheid ontrukt. De kaarten op de achterzijde van het blad geven globaal de plek aan: zie de nummerverwijzingen bij iedere locatie of scan de QR-code. Met de GPS-coördinaten op pagina 35 zijn de exacte plekken te vinden, vanuit de luie stoel (via https://vriendenairbornemuseum. nl/abm15_75digitaleplekken/ of Google Maps) of tijdens uw verkenningen ter plaatse.


10. Willemsplein 21, Arnhem. Destijds: Nieuwe Plein 37-39. Ortskommandantur, waar de Duitsers toezicht hielden op het Arnhemse gemeentebestuur en waar bijvoorbeeld ook de inkwartiering van Wehrmachtmilitairen werd geregeld. Het was een nevendoel voor C Company van het 2nd Parachute Battalion.
11. Utrechtsestraat 65 , Arnhem. Dit huis markeert het punt waar de opmars van C Company van het 2nd Battalion op zondagavond vastliep in Duits vuur. L/Cpl Loney en Pte Shipley vonden hier hun einde en waren jarenlang vermist. Op 13 september 2017 werd in een gepaste ceremonie op de begraafplaats in Oosterbeek een steen van een tot dusver onbekende Lance Corporal vervangen. Graf 20.B.7 is sinds die dag voorzien van een naam: L/Cpl William Loney. Helaas is Pte Shipley nog steeds vermist [met dank aan M. Anker].


12. Onderlangs 5d, Arnhem. Op de ochtend van 19 september 1944 werden hier, op zo’n 1400 meter van de verkeersbrug, de restanten gevangengenomen van de aanvallen van het 1e en 3e Battalion [met dank aan P. Vrolijk]
13. Direct westelijk van Utrechtsestraat 85, Arnhem. Het originele hek, scheef en verscholen in het groen, markeert het verste punt van de Britse aanval op 19 september 1944.


14. Utrechtseweg 87, Arnhem. Naast de ingang naar de tuin van het oude Museum Arnhem ligt een onopvallende doorzichtige tegel. Zichtbaar zijn de contouren van een gesneuvelde Duitse soldaat die daar volgens de overlevering in die positie is gevonden.
15. Utrechtseweg 87, Arnhem. Op een ornament aan een zijmuur van het gemeentemuseum is nog oorlogsschade zichtbaar. Of dit van de septemberdagen 1944 of latere periode stamt is (nog) niet te zeggen.
16. Tegenover de inrit van Bovenover, Arnhem. Arnhem bleef tot april 1945 frontgebied. Op last van de bezetter had de bevolking de stad, inmiddels Sperrgebiet, verlaten. In het verlaten gebied werkten dwangarbeiders aan een nieuwe verdedigingslinie. De Kochbunker stamt uit deze periode.
17. Braamweg 1, Arnhem. Langs de Apeldoornseweg in Arnhem lag sinds 1912 de imposante villa Heselbergh. In augustus 1943 werd de villa gevorderd voor de staf van Feldkommandantur (FK) 642 ‘Arnheim’. Tijdens de slag speelde de FK een leidende functie. Als plaatsvervanger van de omgekomen commandant Generalmajor Kussin bleven Major Schleifenbaum en zijn personeel er aanwezig tijdens de gevechten rond de verkeersbrug. De villa werd ook in gebruik genomen als stafkwartier van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’. Anderhalve week lang kreeg het villaterrein dagelijks bezoek van Duitse bevelhebbers zoals Walter Model, Wilhelm Bittrich en Walter Harzer. Op de locatie vonden gedurende deze dagen onderhandelingen plaats tussen Duitsers en Britten, werden krijgsgevangen ondervraagd en Nederlandse burgers gefusilleerd. Met de geallieerde artilleriebeschietingen tijdens Operation ‘Anger’, de IJsseloversteek en zuivering van Arnhem, werd de villa verwoest.
Op dit moment wordt op het terrein nieuwbouw gepleegd. Het voorbereidende archeologische onderzoek heeft een groot aantal sporen en objecten opgeleverd m.b.t. de oorlogsgeschiedenis van de plek. Tijdens het congres Strijdigheden op 12 september 2019 in Rozet Arnhem, zal Greenhouse Advies hierover een presentatie geven. Aanmelden via:www.strijdigheden.com


18. Weg achter het Bos, Arnhem. Tijdelijke Duitse begraafplaats voor gesneuvelden op het terrein van de Saksen Weimarkazerne. De begraafplaats wordt In de bronnen ‘Heldenfriedhof SS-Unterführerschule Arnheim’ genoemd.
19. Wagnerlaan 55, Arnhem. Gemeenteziekenhuis / Kriegslazarett. Tijdens de slag werden hier Duitse gewonden ondergebracht. Aan de westkant van het ziekenhuis werd een begraafplaats aangelegd voor de slachtoffers. Aan de oostkant lagen enkele Britse graven.
20. Noordelijke Parallelweg 55, Arnhem. Deze voormalige kerkzaal was het hoofdkwartier van SS-Hauptsturmführer Hans Möller (zie locatie 21). Het pand heeft na de oorlog een gevel gekregen aan de straat. Nog zichtbaar is het dakpuntje van de kerkzaal.
21. Utrechtseweg 304, Arnhem. Villa Casa Blanca, het witte gebouw op dit terrein, werd op 19 september 1944 verdedigd door een peloton van T Company, 1st Parachute Battalion.
Volgens goed ingewijde bronnen is dit ook de villa waar Hans Möller van het SS-Panzer-Pionier-Bataillon 9, een compagniescommandant verloor op 17 september. Dezelfde avond trok Möller zijn bataljon van zo’n 60 man terug naar de omgeving van de Oranjebrug in Arnhem, na een vuurgevecht met een sectie van A Company, 2nd Parachute Battalion. Hierdoor kon John Frost passeren op de Utrechtseweg en het jaagpad langs de rivier.
22. Klingelbeekseweg 134, Arnhem. Ingetogen, klein herdenkingsschildje voor de vier South Staffords die hier gevangen werden genomen door de SS.
23. Direct westelijk van Schelmseweg 67, Arnhem. Arnhem. Locatie van Ehrenfriedhof Zijpendaal, de tijdelijke begraafplek van Duitse slachtoffers, voordat zij werden verplaatst richting Ysselsteyn (Limburg).
24. Koningsweg 13, Arnhem. De Diogenesbunker was het Duitse commandocentrum voor de luchtverdediging van Nederland, België (deels) en het Ruhrgebied. De Duitsers probeerden de al nagenoeg ontmantelde Kampfraum, het zenuwcentrum (kaartruimte) van het complex, alsnog te vernietigen na de Britse luchtlandingen op 17 september.
25. Amsterdamseweg 461, Arnhem. Locatie van villa Lichtenbeek, hoofdkwartier van SS-Hauptsturmführer Klaus von Allwörden, commandant van de SS-Panzerjäger-Abteilung 9, ten tijde van de slag.


26. Klingelbeekseweg 69, Oosterbeek. Station OosterbeekLaag. De muren aan de westkant vertonen nog oorlogsschade. Het station lag aan de Britse opmarsroute en maakte tot april 1945 deel uit van de frontlijn.


27. Mariëndaal 8, Oosterbeek. HuisMariëndaal. In de nacht van 17 september was dit het hoofdkwartier van de commandant van SS-Panzer-Artillerie-Regiment 9, SS-Sturmbannführer.
28. Benededorpsweg / Klingelbeeksweg, Oosterbeek. Het spoortunneltje is weleens de Menenpoort (naar de poort in Ieper, België) van de slag om Arnhem genoemd: zo’n beetje alle Britse troepen die in ArnhemWest hebben gevechten hebben deze plek gepasseerd. De goed zichtbare gevechtsschade aan de zuidoostkant is waarschijnlijk veroorzaakt door Duits geweer en mitrailleurvuur.


29. Matzer van Blooisplantsoen, Oosterbeek. Locatie van wasserij Van Hofwegen: een strategische plek in het oostelijke gedeelte van de perimeter, vanwege de solitaire, hogere ligging ten opzichte van de Britse stellingen bij de kerk en het vrije schootsveld naar het oosten. Major Robert Cain won er zijn Victoria Cross. Jeremy Clarkson, de bekende Engelse tv-presentator, vertelt over Cain, zijn schoonvader, in ‘The Victoria Cross: for valour’, te zien op YouTube.
30. Benedendorpsweg 141, Oosterbeek. Duidelijk zichtbare gevechtsschade aan de gevel, vooral bij laat strijklicht.
31. Weverstraat 177, Oosterbeek. Kogelinslagen in het onderste gedeelte van het muurtje, op kniehoogte. De aangrenzende huizen figureren in Theirs is the Glory, de Britse verfilming van de slag uit 1946.
32. Weverstraat 181, Oosterbeek. Gevechtsschade aan tuinhek. De plek is gemakkelijk te missen, ware het niet dat de geregeld stoppende tourbussen en fotograferende slagveldtoeristen de boel nogal eens weggeven.


33. Kneppelhoutweg 14-A, Oosterbeek. Locatie van de ULOschool, beroemd om de geënsceneerde foto van de glider pilots, Sgts Whawell en Turl (rechts), op zoek naar sluipschutters volgens de bronnen. Turl kwam om het leven op 25 september.
34. Kneppelhoutweg 14, Oosterbeek. Locatie van pension ‘t Hemeldal. Eén van de andere locaties waar de overgestoken Polen (zie ook locatie 35) werden ingezet. Nu een bosperceel.
35. Hoek Benedendorpsweg en Hemelseberg. Rond Villa Transvalia betrok een deel van de Polen die in de nacht van 22-23 september de Rijn overstaken hun stellingen (zie ook locatie 46). De villa overleefde de oorlog niet.
36. Achter Benedendorpsweg 194, Oosterbeek. Fundering van de gashouder: als markant punt in OosterbeekLaag in 1944 komt deze plek vaker terug in gevechts en ooggetuigenverslagen. De ernaast gelegen gasfabriek, nu een architectenbureau, vertoont nog gevechtsschade, te zien vanaf het pad langs de uiterwaarden.


37. Benedendorpsweg 210, Oosterbeek. Huis SchoonZicht: ontmoetingsplaats voor het Arnhemse en Oosterbeekse verzet, onder leiding van Antoon van Daalen. Tijdens de slag gebruikt door het Border Regiment.
38. Pad langs Benedendorpsweg 168, Oosterbeek. Eén van de twee vluchtroutes die zijn gebruikt tijdens operatie Berlin, de terugtrekking van de 1st Airborne Division uit de perimeter.
39. Nederrijnoever, Oosterbeek direct zuidelijk van de Oude Kerk. In 2003 onthulde Sergeant M.J. Potter op de noordelijke oever dit robuust uitgevoerd monument, dat door zijn locatie moeilijk bereikbaar is. Het staat op één van de twee oversteeklocaties: (zie ook locatie 38).
40. Van Borsselenweg 37, Oosterbeek. Hoofdkwartier en verbandpost van D Company, 1st Battalion The Border Regiment. Op wat nu een fietspad is, net naast het toegangshek van het Glocklandgoed, schakelden de Britten een vijandelijke Char B1tank uit.
41. Utrechtseweg 232, Oosterbeek. Destijds Hotel Hartenstein. Vanaf 14 september 1944 zat hier het operationele deel  van het hoofdkwartier van Heeresgruppe B, onder bevel van Generalfeldmarschall Walter Model. De kwartiermakers van zijn staf zaten in Kasteel Wisch in Terborg. Het werd op 17 september tijdens de lunch, rond 13:30u, ontruimd na de melding “Fallschirmjäger in der nähe”. Model en General der Infanterie Hans Krebs vertrokken meteen naar Doetinchem, via de Ortskammandantur van Arnhem (zie ook locatie 10) en Feldkommandantur 642 (zie locatie 17) en Doetinchem, waar de commandant van het II. SS Panzerkorps, SS-Obergruppenführer Bittrich, in kasteel Slan-genburg resideerde. Eenmaal in kasteel Wisch bij Terborg aangekomen was het hoofdkwartier van Heeresgruppe B om circa 17:00u weer operationeel.
Vanaf de namiddag van 18 september tot 26 september deed Hartenstein dienst als hoofdkwartier van 1st Air-borne Division.
42. Hoofdlaan 1, Oosterbeek. Regimental aid post van het Border Battalion. In het naastliggende pand aan de Van Lennepweg was het hoofdkwartier gevestigd. Vanuit het plantsoen tegenover het hoofdkwartier werd vuursteun gegeven aan de Bordercompagnieën die ingegraven lagen langs de westelijke perimeter tussen de Utrechtseweg en de Rijn.
43. Utrechtseweg 269, Oosterbeek. Het huis waarin de commandant van de 1st Airborne Division, Major General Roy Urquhart, en de commandant van de 1st Parachute Brigade, Brigadier Lathbury, overnachtten op 17-18 september.
44. Kruispunt Utrechtseweg-Wolfhezerweg, Oosterbeek. De beroemde kruising waar Kussin (zie locatie 17) zijn dood tegemoet reed, is aangepast waardoor de zuilen van het landgoed Hoog Oorsprong zijn verplaatst. Op de zuilen is nog gevechtsschade te zien.


45. Pietersbergseweg 34, Oosterbeek. De twee zolderraampje onder de dakkap werden gebruikt door sluipschutters Sgt Tony Crane en zijn compagnon. Hun score, “killed or wounded”, hielden ze bij op het behang, dat nu in het Airborne Museum wordt geëxposeerd.
46. Paul Krugerstraat 21. Officieuze plaquette op de voormalige bakkerij voor A en D Troop van het Reconnaissance Squadron dat in deze hoek van de perimeter vocht. Het RECCE Squadron is goed vertegenwoordigd in de vele monumenten op het voormalige slagveld.
47. Steijnweg 40, Oosterbeek. Latere positie van het antitankgeschut van Sgt George Barton van de King’s Own Scottish Borderers, na eerst te hebben gevochten bij The White House (Hotel Dreyeroord). John Crosson, een paar jaar geleden nog voorvechter van het behoud van het hotel, was er ook actief als sluipschutter.
48. Johannahoeve 4, Oosterbeek. Missiehuis Vrijland. Op deze plek stond Huis Waldfriede, dat in 1944 verloren ging. Hoofdkwartier van SS-Sturmbannführer Sepp Krafft, commandant van het SS-Panzergrenadier-Ausbildungs- und ErsatzBataillon 16 bij het begin van de Britse luchtlandingen.


49. Nabij Zonneheuvelweg 18, Oosterbeek. De enige nog bestaande watertoren van Oosterbeek, uit 1938. Door 2. Kompanie van SS-Panzergrenadier-Ausbildungs und ErsatzBataillon 16 in gevecht met 3rd Parachute Battalion gebruikt als observatiepost voor hun mortieren, die 3rd Parachute Battalion op de Utrechtseweg beschoten. Hierbij werd onder andere de jeep van Urquhart uitgeschakeld.
50. Wolfhezerweg 17, Wolfheze. Hotel-Restaurant Wolfheze. Hoofdkwartier van Sepp Krafft (zie locatie 48) ná aanvang van de Britse luchtlandingen, tot circa 21:00u op 17 september 1944.


51. Doorwerthse Hoek 1, Driel. Ruïnes van de steenfabriek Korevaar. De resten van de schoorsteen bevatten sporen van de verwoede strijd om dit Duitse bruggenhoofd. Deze zijn zelfs goed zichtbaar vanaf de Drielse dijk. Op 1 oktober staken Duitse troepen de rivier over en hielden de steenfabrieken Terwindt en Koorevaar in handen tot 11 oktober. SS-Obersturmbannführer Heinrich Oelkers, aanvoerder van de Duitse troepen, had zijn commandopost op de plek van de verwoeste schoorsteen.
52. Veerweg, Renkum. Gevechtsschade op de westmuur van één van de ovens van de steenfabriek: stille getuigen van de ochtend van 18 september 1944, toen de 4. Kompanie van de 10. Schiffsstammabteilung de mannen van B Company van het Border Regiment uit de steenfabriek verdreef.


53. Hoek Eikenlaan en Klinkenbergerweg, Ede. Bescheiden gedenkplek (bankje) voor twee dames uit Ede die op de hoek met de Artillerielaan onder vuur werden genomen door een Duitse patrouille, terwijl ze schuilden achter een bosje (18 september 1944). Ze woonden met hun gezinnen in het huis achter de bank. De patrouille werd uitgezonden om het afpakken van een Duits geweer, op een heel andere plek in Ede, te vergelden.
54. Oude Lunterseweg 28, Ede. Ontmoetingsplek voor de Binnenlandse Strijdkrachten en onderduikplek van Tony Hibbert (in de kast onder de zoldertrap). In dit huis werd een groot deel van Pegasus 1 voorbereid, de operatie om ondergedoken Airbornes terug te brengen naar geallieerd gebied.
55. Zuidoosthoek Hunnerpark, Nijmegen. Onder de deksteen met opschrift is in 1974 een stalen tijdscapsule ingegraven die documenten en voorwerpen bevat uit operatie Market Garden. De capsule zal worden geopend op de honderdste verjaardag van de slag, in 2044. Nog even geduld dus.
56. Valkhof, Nijmegen. Valkhofbunker. Bijna 70 jaar lang lag een Duitse bunker uit 1943 verborgen onder het Valkhof. De bunkers, versterkte huizen, loopgraven, tankgrachten en prikkeldraadversperringen kwamen de Duitse verdedigers onder SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Euling goed van pas bij de verdediging van de Waalbrug. De bunker is geregeld toegankelijk.


57. Prins Hendrikstraat 6, Nijmegen. Duidelijk zichtbare, grote herstelde granaatinslag bovenaan de zijgevel. Kenmerkend is de ‘spatvorm’. De schade is waarschijnlijk het gevolg van Duitse artilleriebeschietingen vanuit de Betuwe op 20 of 22 september 1944. Op 10 november werd dit deel van Nijmegen opnieuw onder vuur genomen.
58. Lentse Warande, Lent. In 2013 werden bij werkzaamheden in het kader van Ruimte voor de Waal grote betonnen blokken in het talud van de verkeersbrug gevonden. Het bleken de Duitse versperringen uit 1943 te zijn waar de Shermans van Robinsons Troop, de spits van de grondtroepen, tussendoor moesten manoeuvreren om het bruggenhoofd te kunnen verdedigen. Dit gebeurde in de avond van 20 september 1944.
59. Oosterhoutsedijk, Lent. In 2013 werd een nieuwe brug over de Waal in gebruik genomen. De brug kreeg de naam ‘De Oversteek’. Bij de opening waren twee veteranen aanwezig, samen met nabestaanden van de bij de actie gesneuvelde 48 militairen. Als eerbetoon aan deze mannen is de brug uitgerust met 48 paren lichtmasten die na het aanschakelen van de stadsverlichting paar na paar van zuid (Nijmegen) naar noord (Lent) aan gaan, in het tempo van een trage mars. Het monument heeft naast de brug een plaats gekregen.
60. Waaldijk, even westelijk van de Dorpstraat, Oosterhout. Pvt John Towle (19) van de 82nd Airborne Division nam het hier op 21 september 1944 eigenhandig op tegen twee Panzer IV-tanks en een halfrupsvoertuig. Met een bazooka dwong hij de voertuigen terug naar de Peperstraat, maar kwam daarbij zelf om het leven. Het leverde hem de Medal of Honor op, één van de drie die de 82nd verdiende in WO2.
61. Direct noordelijk van Valburgsestraat 7, SlijkEwijk. Toch echt in Slijk-Ewijk en niet in Valburg, maar wél de plek van de ‘Valburg Conference’, waar de Poolse MajGen Sosabowski een schrobbering kreeg van de commandanten van de 43rd Wessex Infantry Division en XXX Corps. Het negeren van Sosabowski’s militaire analyse van de ernstige situatie in Oosterbeek en de daar aan hem gegeven orders luidden het einde in van Market Garden. De conferentie legde de kiem voor de decennialange Britse beschuldiging dat de Poolse brigade schuldig was aan het mislukken van de operatie.
62. Groesbeekseweg 152, Nijmegen. Na de slag werden de geëvacueerde Airbornes ondergebracht in het Bisschop Hamerhuis (‘the Pagoda’), in 1944 een missiehuis en seminarie. Dit is één van de twee andere grotere locaties: scholen van de Filles de la Sagesse.


63. Meijhorst 6010 en Lankforst 5101, Nijmegen. Na dagen van proberen wist Sgt Norman Patten van No. 1 Forward Observation Unit van de Royal Artillery op 21 september radiocontact te leggen met het 64th Medium Regiment van de artillerie op deze locatie in Nijmegen. Patten meldde zich op het net met “People you are trying to meet”. Nadat dit contact uitvoerig was geverifieerd, werden vanuit het Nijmeegse Duckenburg/Hatertsche Broek rond 11:30u de eerste granaten richting het bos tussen Heveadorp en de Westerbouwing afgevuurd, aan de westkant van de Oosterbeekse perimeter. De Duitse troepenconcentraties daar vormden op dat moment de grootste bedreiging voor 1st Airborne. Omdat het bereik van de kanonnen slechts reikte tot aan de Utrechtseweg, werden deze verplaatst naar de oever van de Waal, zo’n beetje waar nu de Oversteekbrug ligt. Van daaruit kon vuursteun worden verleend aan alle bedreigde posities rond de ingesloten divisie.
64. direct ten noorden van de bocht in de Panovenlaan, Nijmegen. Tijdelijk vliegveldje voor de Piper Grasshopper-verkenningstoestellen van de 456 Para Field Artillery Battalion, 82nd Airborne Division. Het werd in gebruik genomen op 26 september 1944. Nog steeds zichtbaar, aan de zuidkant van de voormalige ‘air strip’, is het stuk waar enkele bomen werden gerooid voor een betere landing: de aanplant van na de oorlog verspringt er ten opzichte van de oudere bomen.
65. Tussen Vosseneindseweg 11a en 11b, Heumen. ‘Air Strip’ van XXX Corps, waarschijnlijk in bedrijf genomen vanaf 19 september 1944.
66. Hoogenhofseweg, Molenhoek. In de tuin van Landgoed Bergzicht, tussen de gebouwen en de Hoogenhofseweg, lag vanaf 20 september 1944 een tijdelijke Amerikaanse begraafplaats voor 836 slachtoffers van de 82nd Airborne Division. Het monument op de hoek van deze weg en de Molenstraat staat op de verkeerde plek.
67. Versperring spoorwegovergang Biesseltsebaan Groesbeek/Malden. De eerste Duitse vluchttrein kon nog ontsnappen op 17 september. Daarna waren de Amerikanen van de 82nd Airborne in de bossen bij Groesbeek wat alerter. Ze wierpen een versperring op. Een tweede trein botste hier op de blokkade, en rolde helemaal terug naar de Panovenlaan in Nijmegen.
68. Bospad, Groesbeek. De eerste Jedburghactie van Arie Bestebreurtje vond plaats op 17 september 1944 in de omgeving van Groesbeek. Bestebreurtje was teamleider van het Jedburghteam met de codenaam CLARENCE dat als liaison fungeerde voor de 82nd Airborne Division.
Bestebreurtje zat in hetzelfde vliegtuig (het eerste) als divisiecommandant Brigadier General James Gavin, en diens Division HQ Group. Het tweetal landde rond 13:15u op dropzone ‘N’. Al snel na de drop raakten Gavin en hij verwikkeld in een vuurgevecht, waarbij Bestebreurtje een Duitse machinegeweerschutter door het hoofd schoot. Hij redde daarmee het leven van Gavin. Bestebreurtje rekruteerde later die week de 22-jarige verzetsstrijder Jan van Hoof.


69. Mooksebaan 10, Groesbeek. Duidelijk zichtbare gevechtsschade aan de linkerkant van de voorgevel.
70. Molenbosweg 17, Berg en Dal. Hotel Erica, hoofdkwartier van het Seaborne Echelon van de 1st Airborne Division. De kelders van dit hotel fungeerden als schuilplek voor burgers uit Nijmegen tijdens de hevige gevechten om Nijmegen, de landingsgebieden ten zuidoosten van de stad en het bos rond het hotel.
71. Thornsestraat 20, Persingen. Van de 15e eeuw tot 1944 bevond zich hier een buurtschap met molen. Tijdens Market Garden werd rond deze plek strijd geleverd tussen Fallschirmjäger en G Company, 508th Regiment, 82nd Airborne Division die het gehucht als objectief had. Brandbommen vlakten het buurtschap op 25 september uit. De molen is herbouwd in 2015-2016.
72. Heuvelsestraat 5, Bemmel. Op een kleine verhoging in het Betuwese landschap ligt Den Heuvel. Op en om Den Heuvel werd in september en oktober hard gevochten tussen Duitse en Britse infanterie en tankeenheden. In 1946 werd ter nagedachtenis aan alle gesneuvelden een veldkapel gebouwd. Het is misschien de enige plek in de verre omtrek waar ook de gevallen Duitse soldaten van het II. SS Panzer Korps een plaats hebben: een lijstje namen herdenkt hen.
73. Boveneindsestraat 20, Kesteren. Naar deze boerderij bracht het lokale verzet een aantal van de vroegtijdig gesprongen parachutisten van B Company van het 10th Battalion, op weg naar de Ginkelse Heide. De Dakota waarin ze zaten, crashte voorbij Dodewaard. De para’s konden uiteindelijk ontsnappen naar geallieerd gebied.
74. Talud achter Waalstraat 2, Tiel. Gedenksteen voor de executie op 20 september 1944 van veertien burgers uit Wamel door “den onredelijken waanzinnigen Duitscher”. Dit als vergelding voor het beschieten van het veerpont in de euforie rond de ‘naderende bevrijding’ die Market Garden zou brengen.
75. De Montignylaan 18, Willige Langerak. Graf van Pte Clarence Ash. Het meest westelijk gelegen graf in Nederland van de slag om Arnhem, 80 kilometer stroomafwaarts van Oosterbeek. Pte Clarance Ash van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment, verdronk op 25-26 september 1944 tijdens operatie Berlin. Zijn lichaam werd pas op 18 november gevonden.

THEMA VIERENTWINTIG UUR STRIJD IN LOMBOK
DE KRITIEKE GEVECHTEN IN ARNHEM-WEST OP 18 EN 19 SEPTEMBER 1944

In de nacht van 18 op 19 september 1944 weten de Britten, ondanks de sterker wordende Duitse tegenstand, vier bataljons te concentreren in ArnhemWest. Vandaar is het nog maar zo’n 2500 meter tot de verkeersbrug. In het donker zouden ze nog steeds een kans hebben de Duitse stellingen te doorbreken en het 2nd Parachute Battalion bij de brug te bereiken. De leiding die nodig is om deze acties te coördineren ontbreekt echter; de divisie en brigadecommandant zijn afgesneden van hun troepen. Misverstanden, orders, tegenordes en het verlies van enkele kostbare uren zijn het gevolg. Hierdoor kunnen de Duitsers hun verdediging versterken; een keerpunt in de strijd is ontstaan. Deze plotwending vormt het thema van de battlefield tour in de wijk Lombok op 7 september.

De situatie In Arnhem-West aan het einde van maandagmiddag 18 september is onoverzichtelijk. 1st en 3rd Parachute Battalion zijn na een moeizame opmars vanuit Oosterbeek in de buurt van het Rijnhotel aangekomen. Ze bevinden zich weliswaar in hetzelfde gebied, maar hebben geen duidelijk beeld van elkaarslocatie. De commandant van 3rd Battalion, Lt. Col. Fitch, heeft rond 16:00u uur al besloten niet langer statisch te blijven. Met de eenheden die hij ter beschikking heeft, gaat hij op zoek naar een mogelijkheid om door de kleine straatjes tussen de spoorlijn en de Utrechtseweg ten westen van het Elisabeths Gasthuis verder in oostelijke richting door te stoten. De Duitsers beheersen de diverse straten echter met vuur waardoor hij niet verder komt. Maj. Gen. Urquhart en Brig. Lathbury zijn ook nog steeds bij het bataljon.
Bij het oversteken van de Frederik Hendrikstraat worden zij beschoten, waarbij Lathbury wordt getroffen.
Met hulp van de anderen wordt hij in Alexanderstraat 135 in veiligheid gebracht. Als uiteindelijk nog meer Duitse militairen en een pantservoertuig in de straat verschijnen, kunnen zij geen kant meer op. Op de zolder van de woning Zwarteweg 14 moet de divisiecommandant zich gedwongen schuilhouden. Op dat moment zijn nog twee andere bataljons op weg naar de brug. Brigadier Hicks heeft bij afwezigheid van de divisiecommandant eerder die maandag besloten 1st Parachute Brigade te versterken met het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment en het 11th Parachute Battalion. De commandant van de Staffords, Lt. Col. McCardie, arriveert om 17:30u in Arnhem-West met 420 man van zijn B en D Company. Zijn A en C Company, net als een deel van de Support Company, arriveren met de tweede air lift, en zijn pas in de loop van de avond in Arnhem-West. Dat geldt ook voor 11th Battalion, dat direct na de landing op de Ginkelse Heide te horen krijgt dat de eenheid onder bevel zal worden gesteld van de 1st Parachute Brigade, waarop de manschappen naar de brug worden gestuurd. Om 23:30u bereikt dit bataljon het gebied rond Lombok.

Mannen van 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment onderweg naar Arnhem. De foto is genomen op de Utrechtseweg, tussen De Oude Herbergh en Hartenstein.

ORDERS TEGENORDERS
Om 18:00u uur treffen McCardie en Dobie elkaar in de garage net vóór de kruising van de Oranjestraat en de Utrechtseweg. Zij vermoeden dat ook 3rd Battalion in de omgeving is, maar kunnen de bataljonscommandant niet vinden. Zij spreken onderling af dat Dobie de leiding overneemt, aangezien niemand van de staf van de 1st Parachute Brigade beschikbaar is. Samen maken zij een plan voor een aanval met hun bataljons. De South Staffords vallen aan over de hoger gelegen Utrechtseweg, in de richting van het museum. 1st Battalion gaat voorwaarts over het lager gelegen Onderlangs. De startlijn is de lijn tussen het Rijnpaviljoen en het Elisabeths Gasthuis. Het aanvangstijdstip voor de aanval wordt bepaald op 21:00u.
Dobie en McCardie zijn zich op dat moment niet bewust van het feit dat 3rd Battalion, nadat de duisternis is ingevallen, nog een poging heeft ondernomen om door te stoten naar de verkeersbrug. Via Onderlangs, dicht langs de Rijn, kunnen de mannen van Fitch onder bescherming van de duisternis aanvankelijk 800 meter oprukken. Daar stoten ze op hevig vuur, waarbij veel slachtoffers vallen. Fitch wordt daardoor gedwongen de aanval af te breken.

De Brigadier Philip Hicks

Terwijl Dobie en McCardie hun aanval voorbereiden, komt het bericht van het brigadehoofdkwartier dat de opstellingen van 2nd Parachute Battalion bij de brug zijn gevallen. Als reactie daarop besluiten Dobie en McCardie hun plan af te lasten. Het bericht blijkt om 23:00u echter onjuist, wanneer 1st Battalion een radiobericht opvangt waarin de mannen van Lt. Col. Frost op de brug een vuuraanvraag doen. Dobie besluit niet direct door te gaan zonder duidelijke opdracht en stuurt een koerier naar het divisie-hoofdkwartier om het bericht te verifiëren. Als reactie daarop krijgt Dobie opdracht van Brig. Hicks, op dat moment de waarnemend divisiecommandant, met de gehele Britse strijdmacht in Arnhem-West terug te keren naar Oosterbeek.
Rond 01:00u treffen de commandanten van 1st, 11th en het 2nd Battalion The South Staffords elkaar op de hoek van de Utrechtseweg en de Oranjestraat. Het blijft een aantal uren onduidelijk wat de opdracht wordt van het divisiehoofdkwartier. Pas om 02:30u komt alsnog de opdracht de aanval uit te voeren. Dobie, McCardie en Lea, commandant van het 11th Parachute Battalion, besluiten het simpel te houden: ze gebruiken het initiële plan van 21:00u, waarbij het 11th Battalion de South Staffords als reserve zal volgen. Zij zijn overigens niet op de hoogte dat de kleine strijdmacht van 3rd Battalion eerder in de nacht de aanval al heeft ingezet via de weg langs de Nederrijn.

SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler

De Duitse leiding heeft inmiddels niet stilgezeten. Sperrlinie Spindler is verdeeld over drie Kampfgruppes. KG Von Allwörden treedt op in het westelijk deel, ten noorden van Oosterbeek. Vanaf Oosterbeek verdedigt KG Möller het gebied ten noorden van de spoorlijn tot aan het Roermondsplein in Arnhem. KG Harder, een eenheid van zo’n 300 man en bestaande uit tankbemanningen van het 9. Panzer Regiment, nemen als infanteristen het laatste deel van de Sperrlinie tot aan de Rijn voor rekening. Rond middernacht op maandag arriveren via het spoor tien Sturmgeschütze van de Sturmgeschütz-Brigade 280 in Bocholt, 48 km van Arnhem. Via de weg verplaatsten zij in de nacht naar Arnhem, om daar op dinsdagmorgen aan te komen. Deze eenheid is afkomstig van de Wehrmacht en was op zondag met de trein onderweg van Oksbøl in Denemarken naar Hamburg voordat zij naar het front bij Arnhem werden gedirigeerd.

CHARGE OF THE AIRBORNE BRIGADE
Al vrij snel na het inzetten van de aanval om 04:00u maakt 1st Battalion contact met de terugtrekkende elementen van 3rd Battalion, die eerder in het open terrein zijn vastgelopen. Fitch besluit met de laatste 50 man van zijn bataljon de aanval van 1st Battalion zo veel mogelijk te ondersteunen. In het eerste deel van de aanval kan T Company van Major Perrin-Brown over de met gras begroeide helling, links van de weg, en S Company van Major Stark langs de kade oprukken. Beide compagnieën hebben overigens nog maar de sterkte van een peloton. Als ze bij het aanbreken van de dag, het is dan rond 06:30u, door de Duitsers in de hoger gelegen opstellingen in de omgeving van het Museum worden waargenomen is er geen doorkomen meer aan. Van de 140 man die de aanval begonnen zijn er negen gesneuveld en kan slechts een aantal ontkomen. Het gros wordt al dan niet gewond krijgsgevangen gemaakt. Onder hen is Lt. Col. Dobie. De commandant van 3rd Battalion, Lt. Col. Fitch, sneuvelt bij een mortierbeschieting.
Vanaf de Oranjestraat leidt D Company de aanval langs de Utrechtseweg. Eén van de pelotons die de straten ten westen van het Elisabeths Gasthuis zuivert, bevrijdt rond 06:00u Maj. Gen. Urquhart uit zijn gedwongen verblijfplaats op de Zwarteweg, waar hij veertien uur heeft gezeten. Hij laat zich onmiddellijk met een jeep naar het divisiehoofdkwartier in Hotel Hartenstein brengen. Ondanks zware verliezen slaagt D Company erin rond 06:40u het Gemeentemuseum en de huizen ten westen daarvan in te nemen. Daar-opvolgend weet A Company de huizen tegenover het museum in te nemen en van Duitsers te zuiveren. Nu het daglicht begint te worden verdwijnt de voorwaartse beweging uit de aanval. Het bataljon bevindt zich in een kwetsbare positie ten opzichte van de hoger gelegen huizen aan de noordzijde van het spoor van waaruit ze met zware wapens worden beschoten. Vanaf de zuidelijke oever van de Rijn bestoken de Duitsers de South Staffords met 20mm en 37mmluchtdoelgeschut.

NIEUWE OPDRACHT
Rond 08:00u voeren de Duitsers de eerste tegenaanvallen uit. Die komen in eerste instantie vanuit zuidoostelijke richting, vanaf Onderlangs. Duitse infanterie slaagt erin het lager gelegen huis ten zuiden van het museum te heroveren. Het gevechtscontact speelt zich af op korte afstand. Met een tegenaanval waarbij gebruik wordt gemaakt van handgranaten, verjagen de South Staffords de Duitsers weer. Na enige tijd verschijnen de eerste Sturmgeschütze. Enkele StuG’s bestoken nu vanuit zuidoostelijke richting de opstellingen van B Company, die zich langs de hoger gelegen houtwal ten westen van het museum hebben ingegraven. Vanuit die hoger gelegen opstellingen hebben de South Staffords zicht op Onderlangs. De Duitse pantservoertuigen proberen via deze weg de Engelsen te omtrekken. Met PIAT’s weten die de aanvallen voorlopig nog af te slaan.
McCardie heeft zijn commandopost inmiddels verder naar voren verplaatst, tegenover het Van Lingen College, 200 meter westelijk van het Gemeentemuseum.
Van daaruit zoekt hij contact met Lea, die zich in de buurt van het Elisabeths Gasthuis bevindt. Lea heeft inmiddels de A Company van Major Gilchrist langs de Utrechtseweg laten bijtrekken tot Villa Rhijnstein.
Zijn B Company bevindt zich iets ten westen van het Elisabeths Gasthuis. McCardie vraagt hem om zijn 11th Battalion op de linkerflank in te zetten langs de Renssenstraat, pal langs het spoor. Lea stemt in met het verzoek van McCardie en gaat terug om zijn ondercommandanten te informeren over de wijze waar

© I N F O G R A P H I C M A R C E L K U S T E R

op 11th Battalion het vervolg van de aanval zal uitvoe-ren. Zover komt het echter niet. Om 09:30u begint de Duitse tegenaanval via de Utrechtseweg. Onder dekking van de Sturmgeschütze neemt Duitse infanterie huis na huis in. Met hun 75mm-kanonnen schieten ze gaten in de muren waardoor de infanterie naar binnen kan dringen. De South Staffords hebben alleen de beschikking over een beperkte hoeveelheid PIAT-antitankgranaten.
Rond dezelfde tijd krijgt Lea via de radio van één bij zijn bataljon ingedeelde artillery liaison officer te horen dat Urquhart de plannen voor zijn geplande aanval ter ondersteuning van de South Staffords heeft overruled.
Het divisiehoofdkwartier geeft hem opdracht zich terug te trekken in de woonwijk in de omgeving van de koepelgevangenis en zich gereed te houden voor een aanval naar het noorden, over het spoor. Dit om het hoger gelegen terrein Heyenoord-Diependaal in te nemen. Urquhart acht deze beweging noodzakelijk om de opmars van de 4th Parachute Brigade te ondersteunen, die dan nog in de richting van de hoger gelegen delen van Arnhem aanvalt. Urquharts bevel is niet langer realistisch. De Duitsers hebben inmiddels langs de spoorlijn een sterke verdedigingslijn ingericht.

GEEN DOORKOMEN MEER AAN
Het brengt 11th Battalion in een onmogelijke situatie. A en B Company bevinden zich ten oosten en noorden van het Elisabeths Gasthuis en maken zich gereed om de vastgelopen South Staffords via de Renssenstraat te ondersteunen. De andere elementen van het bataljon bevinden zich zo’n 800 meter ten westen van deze posities. Terwijl McCardie ervan uitgaat dat het 11th Battalion zijn bij het Gemeentemusuem in het nauw gedreven South Staffords spoedig komt helpen, moet Lea zijn bataljon hergroeperen in de woonwijk bij De Koepel om de nieuwe opdracht van de divisie te gaan uitvoeren. Lea stuurt nog een koerier naar McCardie om hem van de gewijzigde plannen op de hoogte te stellen, maar die komt nooit aan. De Britten raken nu snel het initiatief kwijt.
Als de South Staffords door hun PIAT-granaten heen raken, moeten ze de huizen tegenover het Museum, en vrij snel daarna ook het Museum zelf, prijsgeven. Veel Staffords worden gevangen genomen. De rest trekt in westelijke richting langs de Utrechtseweg terug. Rond 10:00u wordt het laatste verzet van de Staffords gebroken tegenover het Van Lingen College. McCardie wordt daar krijgsgevangen gemaakt.

Een StuG III van de Sturmgeschütz-Brigade 280 op Onderlangs, vlakbij de kruising met de Utrechtseweg.

A-Company van het 11th Battalion is door zijn munitie heen. “I had PIATs but no bombs, as the padre, rest his soul, had ‘borrowed’ my jeep on which we had put the bombs during the night march”, zo beschrijft Major Gilchrist de situatie. De compagnie wordt gedwongen terug te trekken via de noordelijke zijde van het Elisabeths Gasthuis, om zich zo bij de rest van het bataljon te voegen.
De ontwikkelingen volgen elkaar daarna snel op. Lea probeert zijn bataljon te verzamelen in het westelijk deel van Lombok, tussen de Oranjestraat en Den Brink. De vrij inzetbare C Company van de South Staffords, die pas rond 06:30u in het westelijk deel is aangekomen, krijgt van hem opdracht het hoger gelegen terrein van Den Brink in te nemen. Rond 13:00u voeren de Duitsers een tweede aanval uit. Nu vanuit noordelijke richting, waarbij een aantal Sturmgeschütze en ander gemechaniseerd geschut, gesteund door mortieren vanuit het noorden de Oranjebrug in zuidelijke richting passeren en vervolgens in westelijke en zuidelijke richting afbuigen. De zich reorganiserende eenheden van het 11th Battalion zijn niet opgewassen tegen de aanvallen vanaf de Oranjebrug en de Utrechtseweg. Er vallen veel slachtoffers en een groot aantal parachutisten wordt krijgsgevangen gemaakt.
Rond 15:00u zijn de gevechten in het westelijk deel van Arnhem voorbij. Van de vijf Britse bataljons die op zondag en maandag Arnhem zijn binnengetrokken, een strijdmacht van zo’n 3.000 man, hebben 700 de verkeersbrug bereikt. Slechts 500 man slagen erin om op dinsdagmiddag terug te trekken naar Oosterbeek. Rond de 120 man zijn gesneuveld. De rest, al dan niet gewond, is door de Duitsers, gevangen genomen. Drie bataljonscommandanten worden krijgsgevangen gemaakt. Frost volgt als vierde een dag later. De vijfde bataljonscommandant, John Fitch, is eerder die dinsdag gesneuveld. Slechts een klein deel van de Britse eenheden heeft gevangenschap weten te ontlopen door zich schuil te houden bij Nederlandse burgers. – Otto van Wiggen

9. SS-PANZER-DIVISION HOHENSTAUFEN 1943-1944
In 1984 verscheen bij de Franse uitgeverij Heimdal een boek over de geschiedenis van de 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen in 1944, geschreven Herbert Furbringer, een veteraan van de 9e.
Onlangs heeft Heimdal een nieuw boek uitgegeven over de Hohenstaufen, waarbij gebruik is gemaakt van Furbringers bronnen. Het beschrijft de gehele bestaansperiode van de divisie vanaf 31 december 1942 tot 8 mei 1945. De 28 bladzijden die zijn gewijd aan ‘De terugtocht naar Nederland en de slag om Arnhem’ zijn de moeite waard. Neem bijvoorbeeld de handige lijst van locaties waar de divisie-eenheden vanaf 6 september rond Arnhem werden gelegerd, en welke eenheden bij de Belgisch-Nederlandse grens achterbleven óf overgingen naar de 10. SS-Panzer-Grenadier-Division ‘Frundsberg’. Daarna volgt per dag een opsomming van de Duitse tegenmaatregelen en het verloop van de gevechten. In de benaming van de plaatsen zijn helaas wat fouten geslopen. Sommige foto’s zijn minder bekend of nieuw. Storend is ook hier dat de onderschriften vaker niet kloppen.
Zo worden Oosterbeek en Arnhem door elkaar gehaald. Ook op de bronvermeldingen is het één en ander aan te merken. Hoe het ook zij, voor de geïnteresseerden in de 9e is het boek een aanrader. Veel nieuwe inzichten zijn er niet, wél staan de Duitse acties nu eens goed bij elkaar. De prijs daarvoor is een kleine aderlating. – Wybo Boersma Charles Trang & Pierre Tiquet, 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen 1943-1944 (Éditions Heimdal, Bayeux, Frankrijk), 415 pagina’s in het Frans, geïllustreerd, ISBN 9782840484721, €79,-

 

 

 

 

 

 

“WAT WE HIER MEDE GEMAAKT HEBBEN, KAN IK JULLIE NIET BESCHRIJVEN”
DE LANDSTORM NEDERLAND IN DE SLAG OM ARNHEM

Een jonge Landstormer op de Utrechtsestraat. Duidelijk zichtbaar is de zwarte kraagspiegel. In de boeken wordt deze jongen nooit herkend als Landstormsoldaat.

In het Noord-Limburgse Ysselsteyn liggen circa 35.000 Duitse militairen begraven die tij-dens de oorlog in Nederland zijn omgekomen. Daaronder bevinden zich ook gesneuvelde Nederlandse vrijwilligers in de Duitse krijgsmacht. De begraafplaats telt (ten minste) 46 graven van zogenaamde Landstormers die tijdens de slag om Arnhem het leven lieten.
In de archieven van de Waffen-SS heb ik lijsten aangetroffen van de 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen waarop ten minste 47 Landstormers voorkomen die voor hun inzet tijdens de slag om Arnhem een IJzeren Kruis 2e klasse (EK II) hebben ontvangen. Deze twee bevindingen staan op gespannen voet met de in de literatuur beschreven inzet van het III/Gren Rgt. I ‘Landstorm Nederland’. In de loop van 2012 ben ik daarom een onderzoek gestart.
Een korte inleiding op de rol van de eenheid tijdens de slag.

ZONDER EEN SCHOT TE LOSSEN?
Om de 1st Airborne Division het hoofd te bieden na de luchtlandingen bij Arnhem in september 1944, dirigeerden de Duitsers alle mogelijke eenheden naar Arnhem. Opleidingsbataljons, marine en luchtmacht; alles wat een geweer kon afschieten werd op weg gestuurd. Ook Hanns Albin Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in Nederland, deed wat hij kon en alarmeerde de twee bataljons die hem nog ter beschikking stonden: het SS-Wachbataillon 3. in Amersfoort (circa 800 man) en het 3e bataljon van het Grenadier-Regiment 1 ‘Landstorm Nederland’ in Hoogeveen (circa 600 man). Twee bataljons die in velerlei opzicht van elkaar verschilden, maar twee overeenkomsten hadden: Rauter was de uiteindelijke baas en beide bestonden hoofdzakelijk uit Nederlandse vrijwilligers.
Het SSWachbataillon 3 had een beruchte reputatie, omdat de eenheid was belast met de buitenbewaking van de diverse concentratiekampen die Rauter in Nederland had ingericht. Over de inzet van dit onderdeel is in diverse boeken over de slag om Arnhem uitgebreid bericht. Het brondocument is het procesverbaal dat het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM) in 1946 heeft opgemaakt.
Over de rol van het III/Gren Rgt. 1 ‘Landstorm Nederland’ in de slag om Arnhem is veel minder bekend. Alles wat hierover is terug te lezen, kan worden herleid naar één bron: het boek De Landstorm, deel I uit de serie Nederlandse vrijwilligers in Europese krijgsdienst 1940-1945 van Jan Vincx en Viktor Schotanius. Kort en goed wordt vermeld dat het bataljon uit Hoogeveen kwam gefietst en in de nacht van 20 op 21 september in Arnhem arriveerde. Omdat de gevechtskracht van het bataljon gering was, werd het aanvankelijk als reserve voor het Sperrverband Spindler achter de hand gehouden. Het bataljon werd pas ingezet nadat de Polen bij Driel waren geland. Omdat de Polen langs de zuidoever van de Nederrijn naar Arnhem zouden kunnen oprukken, stelden de Duitsers het Sperrverband Harzer op langs de spoorlijn richting Nijmegen. De Landstorm Nederland kreeg een sectie ten noorden van Elst toegewezen. Zoals bekend zijn de Polen niet naar Arnhem opgerukt. Daarmee lijkt het einde van het verhaal te zijn dat de Landstormers zonder een schot te hebben gelost weer terug zijn gefietst naar Hoogeveen.
Maar was dat werkelijk zo?

OP DE PEDALEN NAAR ARNHEM
In de namiddag van 17 september 1944 ging de telefoon bij de staf van het 3e bataljon Landstorm in Hoogeveen. Ook dit bataljon werd op last van Rauter naar Arnhem gecommandeerd. De compagnieën 9, 10 en 11 vertrokken nog diezelfde avond, grotendeels per fiets, in zuidelijke richting. De manschappen was niet verteld wat de eindbestemming van hun tocht zou zijn. Vanuit Beilen vertrok de 12e compagnie, de zware compagnie met onder andere mortieren, zes 3,7cm PAK 36’s en twee stukken veldgeschut: Russische 7,62cm M1927-houwitsers. Dat het transport ‘s nachts plaatshad, was niet vreemd gelet op de geallieerde jachtvliegtuigen die overdag de wegen onveilig maakten. De eenheid bereikte in de ochtend van maandag 18 september Apeldoorn. Daar werd overdag gerust in de gebouwen van het zogenaamde Jodenbosch, het tegenwoordige Groot Schuylenburg. Deze van oorsprong Joodse inrichting voor zwakzinnigen was in 1943 door de Duitsers ontruimd. Dat wil zeggen: de patiënten en verzorgers waren naar de vernietigingskampen in het oosten afgevoerd. Daarna is het complex in gebruik genomen als Erhohlungsheim voor Duitse militairen.
Hier mochten de manschappen van de Landstorm zich ‘erhohlen’ van hun fietstocht. Aan het einde van de middag volgde het sein voor vertrek. Vrijwel iedereen wist inmiddels dat de eindbestemming het front in Arnhem was. Velen keken al uit naar een gelegenheid om onderweg “te drossen” (= deserteren).
Rond 23:00u arriveerden de eerste onderdelen van de Landstorm in Arnhem. Waar precies is niet vast te stellen, maar in getuigenissen wordt het station genoemd.
Bij een kerk kregen de manschappen te eten. Ze zagen dat de binnenstad in brand stond. De tros zou zich installeren aan de Kerkhoflaan nabij begraafplaats Moscowa. De fietsen werden bij het station, maar ook in een bos achtergelaten, mogelijk het Sonsbeekpark.
Obergrenadier Beumer verdiende naar zijn zeggen een EK II toen hij drie ‘Tommies’ ervan trachtte te weerhouden fietsen in te pikken, waarop hij door stengunvuur zwaar gewond raakte. De vrachtwagens met zwaar materieel lijken later te zijn aangekomen. Getuigen spreken van chaotische toestanden op een verzamelplaats waar allerlei Duitse eenheden arriveerden terwijl granaatscherven in het rond vlogen.
De Landstorm had zijn bestemming Arnhem bereikt.
Voordat de inzet van de eenheid wordt besproken, is het nuttig om kennis te nemen van enige achtergronden van de Landstorm.

WAT WAS DE LANDSTORM NEDERLAND?
Het Grenadier-Regiment 1 ‘Landstorm Nederland’ werd in maart 1943 mede op initiatief van Rauter in het leven geroepen, destijds onder de benaming Landwacht Nederland. De opdracht van dit regiment was het Nederlandse territoir te verdedigen tegen binnen en buitenlandse vijanden. Anton Mussert, leider van de NSB, zag in deze formatie het begin van een nieuw Nederlands leger en riep de weerbare mannen van zijn partij op om dienst te nemen. Met een dreigende invasie op de Nederlandse kust voor ogen, bood de Landstorm voor Rauter een laatste mogelijkheid om zo veel
mogelijk Nederlanders in Duitse dienst te krijgen.
Om vooral de nationaal gezinde NSB-leden in de waan te laten dat zij zichzelf niet uitleverden aan de Waffen-SS, werd de SS-aanduiding in de naam zorgvuldig vermeden en bleven de kraagspiegels zwart, dat wil zeggen, zonder SS-runen. Ook werden Nederlandse officieren aangesteld, maar dat was een kleine minderheid.
Een aanzienlijk deel van de instructeurs waren Nederlanders: oostfront-veteranen of door de Landstorm zelf opgeleide vrijwilligers. De algehele leiding berustte bij officieren van de Waffen-SS en de Ordnungspolizei. De Landstorm werd opgezet als een reservisteneenheid. De leden kregen een opleiding van vier maanden en gingen dan met groot verlof terug naar huis. De leiding van de NSB verwachtte van haar aanhangers offerbereidheid, maar een jarenlange inzet aan het grimmige oostfront was voor velen een brug te ver. Dienstneming bij de Landstorm was een stuk dragelijker en voor mannen tot 30 jaar aantrekkelijk, omdat zij als Landstormer een ontheffing van de verafschuwde arbeidsinzet kregen.
Het zal geen verwondering wekken dat tegen deze achtergrond niet altijd de meest gemotiveerde militairen werden geworven. Ruim 10% van de sterkte is tijdens de slag om Arnhem ‘gedrost’.
Een ander kenmerk van de Landstorm was de relatief lichte bewapening. Nu zou de Wehrmacht ook geen zwaar bewapende Nederlandse eenheid op Nederlands grondgebied hebben geduld, omdat de vrees altijd aanwezig was dat een dergelijke eenheid zich tegen de Duitse krijgsmacht zou keren. Rauter zag voor ‘zijn’ Landstorm een rol om in het binnenland lichtbewapende parachutisten te bestrijden en opstanden onder de Nederlandse bevolking te onderdrukken. Aldus was de inzet van de Landstorm bij de geallieerde luchtlandingen niet onlogisch. Maar op 18 september waren de Duitsers er al achtergekomen dat de vuurkracht van de 1st Airborne Division een stuk groter was dan wat voorheen voor parachutisteneenheden voor mogelijk werd gehouden.

RECONSTRUCTIE VAN DE INZET
Uit de strafdossiers van de na de oorlog veroordeelde Landstormers is op te maken dat de eerste inzet van de Landstorm plaats had rondom de Utrechtse straat en Onderlangs. Landstormers van de 10. Kompanie noemen de Nederrijn, een steenfabriek (Meinerswijk) en de haven van Arnhem als herkenningspunten. Secties betrokken posities waarbij machinegeweren in stelling werden gebracht. De manschappen van de 9. Kompanie trokken vanaf station Arnhem door de Utrechtsestraat en langs het spoor. Grenadier Van Grasstek geeft aan dat ze zich verschansten in diverse huizen tot dicht bij het Elisabeth Gasthuis. Ook secties van de 11. Kompanie moesten de Duitse linie aan de westzijde van het centrum van Arnhem versterken, maar indicaties over de posities ontbreken. Zeker is dat delen van de Landstorm zich in de spits van de Duitse verdediging bevonden. Landstormers werden ook op andere plaatsen ingezet. Grenadier Paasman moest helpen om de gevangen uit het Huis van Bewaring af te voeren. Dat gebeurde allemaal in de nacht van 18 op 19 september.
De posities waren nog maar nauwelijks ingenomen of de Landstormers werden overlopen door de Britten, omsingeld zelfs. Er werd geschoten, er vielen doden en gewonden. Landstormer Stienen en enige kameraden lagen in een leegstaande woning langs het spoor te slapen en werden verrast door een overval van Engelse militairen. De rest van de slag brachten zij in gevangenschap door op de tennisbaan in Oosterbeek. De Landstormers konden hun posities niet houden en trokken zich terug. In sommige strafdossiers wordt geklaagd over een gebrekkige leiding. Dat komt overeen met de ervaringen die de Duitsers in het algemeen ondervonden met de diverse ingevlogen alarmeenheden. Harzer, commandant van de 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen, en belast met het bevel over de Duitse defensie in Arnhem, ging er al snel toe over om deze eenheden onder directe aanvoering van zijn eigen frontervaren officieren te plaatsen.
Het zal het 3rd Parachute Battalion van Lt. Col. Fitch zijn geweest en daarna het 1st Parachute Battalion van Lt. Col. Dobie die de Landstormers uit hun stellingen bij Onderlangs hebben verdreven. Aan de Utrechtsestraat en langs het spoor zullen de Landstormers het South Stafford Battalion op hun dak hebben gekregen.
De Landstormers zagen hun oude stellingen later op de dag weer terug, toen ze achter “pantserspeerwagens” optrokken richting Oosterbeek. Het gaat hier om het rijdende geschut van de 280. SturmgeschützBrigade die in de ochtend van dinsdag 19 september in Arn

Een groepje Landstormers, ook nooit als zodanig aangeduid in de literatuur over de slag, arresteert een aantal Britse militairen op de Utrechtseweg, ter hoogte van het huidige Museum Arnhem.

hem arriveerde en meteen werd ingezet om de Britten uit de westelijke stadswijken van Arnhem te verdrijven.

BRUSTSCHUSS
De eerste kennismaking met het front is voor de Landstormers heftig verlopen: naast gewonden en vermisten zijn er elf gesneuvelden. Voor de manschappen van de 10. Kompanie braken na 18 september rustigere dagen aan. Zij kregen het bevel zich in te graven langs de spoordijk die van Arnhem naar de spoorbrug over de Nederrijn voert. Unterscharführer Klompers verklaart: “Toen wij in de stellingen in de spoordijk kwamen, waren de eigenlijke gevechten voor ons afgelopen en lagen wij meer voor de Sicherung.” Vanuit hun posities zagen ze op donderdag 21 september de Polen landen boven Driel. Ongevaarlijk was deze plek langs het spoor overigens niet, want ze werden regelmatig door granaatvuur bestookt. Landstormer Miggels raakte zwaar gewond toen hij eten ging halen en bij terugkeer zijn schuttersput door twee Duitsers bezet vond, precies op het moment dat enkele granaten insloegen in de buurt.
Obergrenadier Niezing raakte op woensdag 20 september betrokken bij heftige gevechten in de nabijheid van het station Oosterbeek en werd gewond afgevoerd. Gelet op de situatie in deze fase van de slag, zal de strijd zich rondom het station Oosterbeek Hoog hebben afgespeeld. De 11. Kompanie had, net als de 12. Kompanie die dag drie doden te betreuren. In de Duitse overlijdensformulieren is de doodsoorzaak aangetekend: Brustschuss en Kopfschuss.
Ook op 21 en 22 september hebben de 9., 11. en 12. Kompanien doden te betreuren tijdens de gevechten in Oosterbeek. De slachtoffers bij de 10. Kompanie vielen die dagen door granaatinslagen.

Zegevierende Landstormers aan het einde van de slag (bron: Collectie L. Buist).

De inzet van het bataljon kende een bloedige finale, want tijdens de laatste twee dagen van de slag sneuvelen veertien manschappen in Oosterbeek. De veelvuldig aan te treffen aantekeningen “Brustschuss”, “Kopfschuss” en “Volltreffer” getuigen van directe betrokkenheid bij gevechtshandelingen. Eén van de slachtoffers was de commandant van de 11. Kompanie, Hauptman der Schutzpolizei Berthold Vetter.

”GEVOCHTEN ALS LEEUWEN”
Na de slag om Arnhem keerden de restanten van het III./Gren Rgt. I ‘Landstorm Nederland’ terug naar het Jodenbosch te Apeldoorn. De verliezen aan doden en gewonden, maar ook door desertie, waren enorm. De compagnieën bestonden uit nog maar 30 tot 40 man.
Er was echter ook vreugde, want de slag was gewonnen.
Onderscheidingen werden ruimhartig uitgedeeld. De mannen die aan het front zijn geweest kregen een Infanteriesturmabzeichen. De gewonden, al naar gelang de zwaarte van hun letsel, een Verwundetenabzeichen in Schwarz of Silber en er werden 47 EK’s II uitgereikt. De bataljonschef, SSHauptsturmführer Adelbert Stocker en de commandanten van de 10. en 12. Kompanien, de SS-Obersturmführer Heinz Schröer en Karl Güttgemanns, kregen zelfs het EK I verleend.
In oktober 1944 verhoogde NSB-leider Mussert de feestvreugde door in persoon aanwezig te zijn als een groot aantal Landstormers wordt gedecoreerd. Mussert had ‘zijn jongens’ ook al tijdens de slag om Arnhem bezocht. Bataljonsarts Dr. Frackers getuigt ervan dat Mussert met zijn adjudant Enklaar op 24 september in Arnhem en Oosterbeek op bezoek was.
In de landelijke dagbladen was in oktober 1944 te lezen hoe de Leider terugblikte op de verrichtingen van de Landstorm: “Als de spreker (Mussert) had kunnen doen wat hij wilde, dan was hij de laatste weken steeds bij de Landstorm geweest. Nu was hij slechts één dag bij de jongens geweest, nl tijdens hun strijd in Oosterbeek. Deze dag was voor hem de vreugdevolste geworden van de laatste zes weken, waarin hij vele tochten door Nederland had gemaakt en duizenden kilometers afgelegd. Met voldoening had hij krijgsgevangen Engelsche valschermjagers zien voorbij gaan onder geleide van landstormers.” Grenadier De Vries koos in een brief aan zijn vriendin zijn eigen woorden: “Ja, m’n schat, thans weten we wat oorlog is en wat burgerleven is. Want wat we hier mede gemaakt hebben, kan ik jullie niet beschrijven en we hebben er tegen gevochten als leeuwen en zijn dan ook met vijf man voorgedragen voor het Eka II en nahkampfspanne. (…) dus mocht ik nog eens op Urlaub komen dan kun je stolz wezen op je kerel niet waar.”

Het graf van Hauptman der Schutzpolizei Berthold Vetter, commandant van de 11. Kompanie, die tijdens de slag sneuvelde.

– Arno Maan Met dank aan Nico Heitman

HOE VERDER?
In de reconstructie van de inzet van het III./Gren Rgt. 1 ‘Landstorm Nederland’ zijn nog tal van vragen te beantwoorden. Mijn onderzoek loopt nog door en ik ben daarom eenieder die één of meer stukjes van de puzzel kan bijleggen erg dankbaar. Voor contact: a.maan@planet.nl

ALS KIND TUSSEN DE LINIES TIJDENS DE SLAG
“ZOO WAS HET IN OOSTERBEEK”

Acht jaar oud was Robert (Robbie) Gunter toen Oosterbeek de oorlog in werd gekatapulteerd. Het dorp haalde het tot de canon van de krijgsgeschiedenis. Robbie verhuisde in 1947. Wat bleef waren die negen dagen in september ‘44: geduldig op het papier van de ooggetuige. 75 jaar na de slag hier zijn verhaal. Het integrale verslag is te lezen op de website van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum.

Robbies relaas begint als de introductie van theaterspel: zijn pleegzus Hanneke en hij opgenomen in het pleeggezin van tantes Nel en Miep, in een fors bemeten huis aan de Jonkheer Nedermeijer van Rosenthalweg nr. 25. Vier andere dames, door Robbie haast eufemistisch aangeduid met tante, als ‘troupe de théâtre’: de joodse onderduiksters Jet, Clara, Dinie en Nettie. En een hond genaamd Tobias. Wat zich vervolgens om hen heen ontrolt vanaf de ochtend van zondag 17 september is goeddeels bekend uit de boeken. Waar dié goed gedocumenteerde strijd zich vaak afspeelt boven hoofden van burgers in de tekstmarge, trekt de veldslag in Robbies opgetekende herinneringen als een wervelstorm om hem heen, met het damesrijke gezin in het oog. De scherpe waarnemingen en de sobere, haast nuchtere stijl bieden een unieke inkijk in de slag om Oosterbeek.

WILHELMUS
We pikken het ooggetuigenverslag op in de aanloop naar die zondag die alles veranderde: “Zo kwamen er de laatste tijd veel transporten van het Duitse leger door Oosterbeek en die werden soms aangevallen door Engelse vliegtuigen; daarom hoefden we niet naar school. Het was prachtig zomerweer. Met mijn vriendjes ging ik iedere dag naar het zwembad in de
Rijn. Op de weg erheen waren Duitse soldaten bezig om een luchtafweerkanon op te stellen.” “Zondag 17 september werden wij vroeger wakker dan normaal door het geschiet van Engelse vliegtuigen en de luchtafweer van de Duitsers. We overlegden of we wel of niet naar de kerk en zondagsschool zouden gaan. Toen het buiten wat rustiger werd, besloten we toch te gaan. De vier tantes en Tobias bleven zoals gebruikelijk thuis. Tijdens de kerkdienst blééf het onrustig in de lucht. Toen gebeurde er iets uitzonderlijks: wij kinderen werden gevraagd in de kerk te komen. Dominee Kievid zei dat wij het Wilhelmus zouden zingen. Voor het eerst in jaren klonk ons volkslied.”

Robbie Gunter op achtjarige leeftijd.

BEVRIJD
De onderduiktantes in paniek: “Het bombardement dat wij in de kerk hadden gehoord, had zich vlak bij ons huis afgespeeld. Het duurde even voor Nel iedereen weer rustig kreeg. Véél erger dan het oorlogslawaai vond ik het geluid van de gewonde koeien in de weilanden bij de rivier; dat ging door merg en been.” “Wat later zagen we uit het zuidwesten allemaal vliegtuigen aankomen, maar het was voor ons gevoel ver weg. Totdat Hanneke ineens riep: “Parachutes!” Toen we goed keken, zagen we dat er mannetjes aan hingen.
Weer later kwamen er in de verte vliegtuigen voorbij, die grote vliegtuigen voorttrokken. Het was een indrukwekkend spektakel, maar we hadden geen idee dat we er iets mee te maken zouden krijgen. Totdat iemand van ons zei dat de tram, die langs on huis reed, niet was teruggekomen uit Doorwerth.” Het feestje voor tante Nels verjaardag ging gewoon door. Na afloop stond Robbie nog even op het balkon waar ze taart hadden gegeten: “Opeens kwam er met een enorme vaart een Duitse open auto uit de richting van Arnhem rijden. Er zat een soldaatchauffeur in en een officier. Op de hoek van de Vogelweg begon de officier te schreeuwen tegen zijn chauffeur. Die remde abrupt en keerde de wagen om. De officier pakte zijn verrekijker en tuurde minutenlang de Grindweg af naar de kruising met de Benedendorpsweg. Daarna reden ze met hoge snelheid terug richting Arnhem.
Toen ik ook nog in de Acacialaan mensen naar de Benedendorpsweg zag lopen, wist ik genoeg. Ik stormde naar beneden en riep “de Tommies zijn er!”.
Hoewel Robbie aanvankelijk niet werd geloofd, liep de buurt al snel uit om de ‘bevrijders’ te verwelkomen. Zijn eigenhandig geplukte bloemen hoefden de Britten niet. “De mannen waren duidelijk vermoeid en het verwonderde mij dat ze zo klein waren, in vergelijking met de Duitse reuzen. Toen er verderop bij het viaduct onder de spoorlijn werd geschoten, kwam de colonne even tot stilstand. Later klonken twee keiharde, metaalachtige knallen, gevolgd door het snel omhoog komen van de achterste overspanning van de spoorbrug, die daarna heel langzaam inzakte.”

BUITEN
Met het aanhoudende schieten zochten de dames, Robbie en Tobias hun toevlucht in de kelder. Voor even, was de gedachte. De Duitsers zouden wel snel verslagen worden. “Op maandag waren er overal Tommies rondom ons huis. Op het Stenenkruis reed een motorfietsje. Er was een officier die regelmatig bij ons binnenkwam voor een praatje. Ik denk dat de
militaire situatie op dinsdag verslechterde. Er werd intens gevochten in onze buurt. Door het keldergat hoorden we die middag een angstaanjagend geluid: een tank. Later begrepen we van de officier dat ze niet opgewassen waren tegen deze voertuigen; de Britten zouden zich gaan terugtrekken. Ik meen naar de Acacialaan. Hij adviseerde ons om naar het westelijk deel van het dorp te gaan. Wat later kwam hij zeggen dat het even rustig was en dat we konden vertrekken. We pakten allemaal onze vluchtkoffer en liepen de weg af. Via het pad onderaan de Vogelweg liepen we naar Hogerheide 3, waar de ouders van Nel woonden. We vluchtten niet zo zeer voor het oorlogsgeweld, maar om onze onderduikers niet in Duitse handen te laten vallen.” Het was voor het eerst sinds twee jaar dat de onderduiksters weer buiten kwamen.

Jonkheer Nedermeijer van Rosenthalweg (Grindweg) nr. 25.

LAWAAI
”Oom Adriaan en tante Bets waren verbaasd ons te zien. We waren toch bevrijd?” Dat dát niet geval was bleek wel uit een granaat die vlakbij het huis ontplofte en Jet die gewond raakte aan haar arm door een granaatscherf of kogel.” Al ras werd ook hier de, wat krapper bemeten, kelder opgezocht. Haasje, de knuffel van Robbie ontbrak: “Ik was een tijdje ontroostbaar. Pas toen beloofd was dat we het snel zouden gaan halen, was ik gerust.” “De stroom viel uit, het avondeten bestond uit wat koude aardappels en in de kelder was het passen en meten om iedereen een plek te geven. De strijd kwam langzaam dichterbij. “’s Nachts durfden we geen licht te maken, de wc functioneerde al snel niet meer, wassen deden we ons nauwelijks en uitkleden al helemaal niet.” “Op een middag gebeurde het: vliegtuigen kwamen heel laag over. En toen opeens een vreselijke klap. Een bom dachten we. Tante Nel ging als eerste de keldertrap op, deed de deur open en de rest van het gezelschap volgde. Toen we boven waren zagen we wat er was gebeurd: een enorme rieten mand aan een parachute was op de dakgoot gevallen en had de regenton verpletterd. Dat liep dus goed af… Of niet: de ton bevatte onze watervoorraad. Toen die op was besloten Nel en Miep water te gaan halen uit de beek in het Zweiersdal. Het was al tegen de avond dat ze met twee emmers op pad gingen, allebei een witte theedoek om het hoofd om goed op te vallen.
Ze kwamen veilig terug, Met water! Voedsel was natuurlijk ook een probleem, maar niet het belangrijkste. Dat was het lawaai! Dat was zo oorverdovend, dat ik vaak dacht: “Als ze nu maar vijf minuten stoppen met schieten, dan mogen ze daarna weer doorgaan.”

MOFFEN
De aanhoudende beschietingen zetten een buurwoning in lichterlaaie, waarop de groep genoodzaakt was wederom zijn toevlucht elders te zoeken: Hogerheide 9. De kelder daar bleek bomvol met schuilende Oosterbekers te zitten. “Terug durfden we niet en dus zijn we maar in de lege woonkamer gaan zitten, met de handen voor het gezicht als enige bescherming. Die nacht heb ik ervaren wat doodsangst betekent. Toen het licht werd is Nel gaan kijken hoe het met het huis van Adriaan en Bets was gesteld. Het bleek niet afgebrand, waarschijnlijk door de kletsnatte kastanjeboom ernaast.” En dus terug naar de kleine kelder. “Tijdens één van die laatste dagen klonk buiten opeens muziek. Toen ik ook nog een Engelse stem hoorde, concludeerde ik dat het gevecht voorbij was en dat de Tommies gewonnen hadden. Maar later ging het schieten weer ‘gewoon’ verder. Op een nacht werd dat bombardement nog eens opgevoerd, en waarschijnlijk abrupt gestopt.” De volgende ochtend kwamen de Duitsers. “Ze sloegen met hun geweerkolven op de deuren en schreeuwden dat we naar buiten moest komen. Vooral onze vier Joodse tantes moeten op dat moment gedacht hebben dat dit het einde was. Ze bevalen ons in oostelijke richting te gaan. En zo liep onze haveloze groep even later de bult af, de Weverstraat in.”

EVACUATIE
”Ik denk niet dat iemand van ons toen wist welke dag het was. Nú weet ik dat het dinsdag 26 september is geweest. Negen etmalen waren verstreken sinds die zonnige Bevrijdingsdag. We liepen door verwoeste straten. De weg was bezaaid met rommel, een tank, containers en parachutes. We hoorden weer vogels fluiten. We probeerden terug te gaan naar ons huis, maar bij de Emmastraat werden we tegengehouden door Duitse soldaten. Uiteindelijk vonden we een verlaten huis waar in trokken Molenweg 12, een zadelmakerij / leerbewerker.” Oosterbeek werd geëva
cueerd, of beter: tot Sperrgebiet verklaard. “Hoe en waarom we uit het dorp weg moesten, weet ik niet.
Er was een gerucht dat het dorp om twee uur ‘s middags gebombardeerd zou worden, en dat we vóór die tijd zouden moeten evacueren.” Via de druk belopen Utrechtseweg, Noorderweg en Parallelweg ging het langs het spoor richting Wolfheze. In de chaos ging het mis. “Ik merkte dat drie van onze vier Joodse tantes niet meer achter ons liepen. Even verder konden oom Adriaan en tante Bets meerijden op een paard en wagen en verdwenen ook uit ons zicht. Met deze voettocht wandelden Robbie, Hanneke, Nel, Miep, Jet en Tobias het strijdtoneel af, Oosterbeek voorgoed achterlatend.


– Robert Gunter (bewerking: Alexander Heusschen) – Foto’s: Robert Gunter
Naschrift Via wat omzwervingen belandden ze in een boerderij bij De Glind, waar ze de bevrijding meemaakten. Clara, Dinie en Nettie overleefden de oorlog op een veilig adres in Apeldoorn. Rond 18 april 1945 werden ze bevrijd door Canadese troepen. In juni keerden Robbie en zijn gezin terug naar huis. Met kerst kregen alle Oosterbeekse kinderen cadeautjes uit Engeland: Robbie een doos met plakkaatverf en penselen. Het denkbeeldige huis dat hij met deze spullen schilderde kreeg als titel mee ‘Zoo was het in Oosterbeek’. Robert Gunter woont tegenwoordig in Roosendaal (NoordBrabant).

HISTORISCH PERSPECTIEF
DOOD AAN DE DREIJENSEWEG

(Bron: Bundesarchiv, Bild 101II-M2KBK-771-36 HQ / fotograaf: PK-Kriegsberichter Höppner).

Deze foto is de meest schokkende afbeelding die ik ken van de Slag om Arnhem. Naast de gruwelijke details, komt dat ook door de afwezige blik in de ogen: zo ziet “dood” er dus uit. Ook is het één van de minder bekende foto’s van de slag; op een enkele uitzondering na is deze niet gepubliceerd of anderszins te zien geweest. Het Duitse Bundesarchiv is de eigenaar ervan en op hun website wordt deze als enige uit de serie van PK-Kriegsberichter Höppner niet weergeven ‘om juridische of andere redenen’. Mogelijk komt deze terughoudendheid voort uit piëteit met familie van het slachtoffer of om jonge generaties te behoeden voor schokkende beelden. Oorlog is inderdaad verschrikkelijk in zijn gruwelijkheid en willekeur. Maar als we willen lezen en leren over deze oorlog dan horen dit soort beelden daar ook bij.

De foto van de dode para met een granaat in zijn linkerhand is gemaakt op 20 september 1944 in de buurt van de Dreijenseweg in Oosterbeek. De dag ervoor was er langs die weg hard gevochten bij de pogingen van de 4th Parachute Brigade om de hoger geleden grond van Lichtenbeek te veroveren en zo een betere positie tot de westelijke toegangswegen naar Arnhem in handen te krijgen. De pogingen mislukten jammerlijk, met grote verliezen voor de Britten, en op de 20e was de weg stevig in handen van de Duitsers.
De granaat die de dode para in zijn hand heeft is een Gammon bomb (afbeelding 2), een vooral bij Airborneeenheden populair wapen voor close combat tegen gepantserde voertuigen. De granaat werd uit de hand gegooid en detoneerde bij impact. De ontsteker werd scherp gesteld doordat de gooier een lint vasthield dat de pin eruit trok. Het lint werd beschermd door een schroefkap die voor het gooien moest worden verwijderd. Op de foto van de para zit de schroefkop nog op de granaat. De uitvinder van de ‘bomb’ was Luitenant Bob Gammon, één van de eerste officieren van het 1st Battalion The Parachute Regiment. Gammon raakte gewond tijdens de invasie van Sicilië en werd vanwege schade aan zijn gehoor tot zijn ontsteltenis afgekeurd voor verdere dienst bij het Parachute Regiment en was er in Arnhem dus ook niet meer bij.

Afbeelding 2: een Gammon bomb.

FLAKPANZERS
De foto van het slachtoffer komt uit één van de twee filmpjes van Höppner die hij gemaakt heeft op en bij de Dreijenseweg. De twee foto’s direct ervóór, beeld 34 en 35 van het rolletje, zijn wél zeer bekend en laten twee elkaar passerende ‘Möbelwagen’ (Flakpanzers) van de 9e Waffen-SS-divisie zien (afbeelding 3). Deze foto’s van de slag zijn van grote historische waarde omdat ze een overtuigend beeldbewijs vormen van het soort materiaal waartegen de Airbornes het moesten opnemen. Misschien is één van deze Flakpanzers het doel geweest van de afgebeelde gesneuvelde Airborne, de dag ervoor. De locatie van de foto’s van de
Flakpanzers is ongeveer halverwege de Dreijenseweg, tussen station OosterbeekHoog en de Amsterdamseweg.
In het boek ‘From Delhi to Arnhem’ over het 156th Battalion van John O’Reilly komt de volgende passage voor over de gevechten aan de Dreijenseweg (p166): “Turning to the soldier on his right, Waddy told him to toss a grenade at the flak gun. As the man prepared to throw a grenade, a bullet smacked into his forehead, killing him instantly.” Het zal toch niet dat…. ?

SCHERMUTSELING
De bron van dit verhaal is John Waddy zelf, hij was tijdens de slag compagniescommandant in het 156th Battalion en raakte gewond bij de pogingen de Dreijenseweg te veroveren. In Ministory 105 uit 2010 beschrijft hij het voorval zelf: “Toen zag ik opeens het kanon, aan het einde van de weg. Het was een dubbelloops 20mm-Flak-kanon op een halfrupsvoertuig. Omdat het in mijn opmarsroute stond, besloot ik voorwaarts te gaan en te proberen het stuk buiten gevecht te stellen in samenwerking met een paar van mijn soldaten. We rukten op door de struiken, totdat we het kanon op vijftien meter waren genaderd. De Duitsers schreeuwden naar elkaar en ik kon de lege granaathulzen ratelend op de vloer van het half rupsvoertuig horen vallen. Juist op dat moment kreeg de soldaat rechts van mij een kogel in zijn voorhoofd. Ik zag dat er een Duitse sluipschutter in de boom boven het kanon zat. Ik had alleen mijn Colt .45-pistool bij mij en vuurde vijf schoten op hem af en op dat moment schoot hij of een andere Duitser mij in mijn onderbuik.” Tijdens een battlefield tour in Oosterbeek in 2012 kreeg ik de mogelijkheid om de foto voor te leggen aan John Waddy zelf. Het voorval herinnerde hij zich nog, maar hij kon noch bevestigen noch ontkennen dat de foto erbij hoorde. Hij vertelde wel dat hij na de oorlog op dezelfde plek zijn rugzak nog heeft teruggevonden.
De plek van deze schermutseling van Waddy is exact bekend, namelijk waar het bospad vanaf de toenmalige watertoren, nu een grafmonument van missiehuis Vrijland, uit het bosperceel Oostelijk van de Johannahoeve haaks uitkomst op de Dreijenseweg (zie O’Reilly, p160). Deze watertoren was min of meer de basis van waaruit het 156th Battalion die ochtend zijn diverse aanvallen uitvoerde op deze weg. Waar het pad uitkomt op de Dreijenseweg is ongeveer dezelfde plek waar de foto’s van de Flakpanzers door Höppner zijn gemaakt op de dag erna. Als we aannemen dat de foto van de gesneuvelde Brit ook daar in de buurt is gemaakt, dan is hij naar alle waarschijnlijkheid de door Waddy beschreven gesneuvelde soldaat naast hem.
Daarmee is het ook waarschijnlijk dat hij behoorde tot het 156th Battalion en kunnen we proberen de ongelukkige Brit een naam te geven.

Afbeelding 3: Twee Flakpanzers op de Dreijensweweg, een dag na de dood van de para (bron: Bundesarchiv, Bild 101II-M2KBK-771-34 HQ / fotograaf: PK-Kriegsberichter Höppner / beeld 34. Beeld 35 was bij publicatie van dit artikel niet beschikbaar via het Bundesarchiv).

CASUALTY DETAILS
De best beschikbare bron voor de locatie van veldgraven is de door Jan Hey samengestelde Roll of Honour.
Hierbij moeten we wat ruimer zoeken dan alleen op de bij ons bekende overlijdensdatum van 19 september; helaas zijn deze data vaak niet of niet correct geregistreerd in de officiële brongegevens. Ook de eenheid
kan een aanwijzing geven, de strijd op deze exacte plek werd vooral gevoerd door 4th en 5th Platoon van A Company (3rd Platoon was nog op de Ginkelse Heide) en Waddy’s B Company van het 156st Battalion.
Naast een aantal slachtoffers op de 19e met een ‘No Known Grave’, zijn er een paar kandidaten waarvan het veldgraf zich bevond in de omgeving van deze plek. Het meest in de buurt komt de beschrijving van Private Layton, wiens veldgraf “in a wood west of Dreijenseweg” lag. Hij behoorde tot het 5th Platoon van A Company, het peloton van Lieutenant Delacour die zelf een kleine 100 meter verder westwaarts langs het bewuste pad in het bos sneuvelde. Er wordt ook beschreven dat elementen van A Company opgeslokt werden door Waddy’s B Company als deze als tweede aanvalt. A Company’s commandant, Major Pott, was met het restant van zijn 4th Platoon erin geslaagd de Dreijenseweg over te steken en Lichtenbeek te bereiken. Dat Waddy samen met Layton het Duitse pantervoertuig aanviel aan de westelijke kant van de Dreijenseweg is dus zeer goed mogelijk.

Pte George William Layton.

Van Layton blijkt een foto te zijn gepubliceerd in een lokale Britse Roll of Honour vlak na de oorlog. Er zijn een aantal details die erg overeenkomen met de gesneuvelde Brit op de Höppnerfoto: het kapsel en de haarlijn, het linker nogal uitstaande oor, de kin en kaaklijn en de scheve voortand. Genoeg aanwijzingen om een poging te doen om een positieve identificatie te verkrijgen via mogelijk nog levende familieleden, áls deze te vinden zijn. Naast het gruwelijke beeld biedt de foto hopelijk ook troost; deze soldaat heeft in ieder geval niet geleden. Bovendien getuigt de foto ook van zijn moed: het vraagt heel wat om op een paar meter afstand een vijandelijk gepantserd voertuig aan te vallen met niks anders dan een uit de hand te gooien granaat.
Vanuit zijn casualty details weten we dat het gaat om George William Layton, 25 jaar in september 1944, echtgenoot van Marjorie Mary Layton uit Balsall Heath, Birmingham. Er zijn tegenwoordig verschillende genealogische internetsites, en vooral Britse data zijn goed toegankelijk. Via de site “Find my past” heb ik de volgende gegevens achterhaald: George is geboren in jul-aug-sept 1919 in Auckland, Durham. Opvallend is de vermelde “Mother’s maiden name”, die gegeven wordt als Layton. Je zou dat verwachten als zijn vaders naam. Marjorie is geboren in janfeb-mar 1925 in Uppingham, Rutlandshire.

BETEKENIS
De volgende stap is een trouwdatum proberen te achterhalen om het zoeken naar eventuele kinderen gemakkelijker te maken. Het opgevraagde Marriage Certificate geeft als datum 19 February 1944. George was toen 24 en Marjorie 18. Zeven maanden later zou
George sneuvelen. Als getuigen zijn vermeld Albert Edward Corrall, de vader van de bruid, en van de kant van de bruidegom R.G. Coates en J. Coates. Als vader van hem wordt genoemd met opvallende dubbele achternaam: Percy Coates Layton. Het ook opgevraagde geboortecertificaat van George Layton geeft uitsluitsel hierover: bij de naam van zijn moeder staat Elizabeth Ann Layton en bij zijn vader staat “ “. De vader van George was er dus niet meer toen hij werd geboren, en zijn moeder wilde blijkbaar ook niet zijn naam vermeld hebben. Vandaar dat zijn achternaam de naam van zijn moeder is.
Verder zoeken levert dat zijn moeder Elisabeth geboren is in oct-nov-dec 1901, zij was dus pas net 17 toen zij zwanger werd van George. Een ander vermoeden wordt ook bevestigd: in 1922 trouwt Elisabeth Ann Layton met Percy Coates, George is dan twee jaar.
Ook hier kunnen we alleen gissen naar het ware verhaal, maar het lijkt dapper dat Percy Coates in die tijd een ongehuwde moeder en haar kind onder zijn hoede neemt. Het stel krijgt nog twee zoons, halfbroers van George dus en beide ook geboren in Auckland, Durham: John Coates in 1923 en Reginald G. Coates in 1925. Daarmee is de cirkel rond, want dat zijn de twee vermelde getuigen tijdens het huwelijk van George en Marjorie.
Op basis van deze informatie is grondig gezocht naar contactgegevens van eventueel nog levende familieleden. Helaas heeft deze zoektocht geen concrete resultaten opgeleverd. Zijn vrouw is waarschijnlijk niet meer in leven, van zijn halfbroers is geen adres te achterhalen; de naam Coates komt veel voor. Ook een poging met het achterlaten van een oproep bij het graf van Layton op de Airborne Cemetery rond de 70e herdenking heeft niets opgeleverd. Met zekerheid kunnen we de gesneuvelde soldaat dus helaas niet identificeren. Maar als we aannemen dat de moedige man op de foto Layton is, dan zit er nu wat meer betekenis achter graf 32.B.6. op de Begraafplaats in Oosterbeek dan alleen de graftekst “Thank you God, for the memory of a man so very fine. Life is Eternal, he has not died.”
– Paul Meiboom – Reacties: pemeiboom@gmail.com

PROGRAMMA 2019

Annulering battlefield tour Arnhem De jaarlijkse battlefield tour in september over de slag om Arnhem zal dit jaar niet plaatsvinden. De VVAM-gidsen zijn helaas al bezet.
Battlefield Tours Groningen verzorgt op za. 14 en op zo. 15 september soortgelijke rondleidingen, onder leiding van VVAM-gidsen en de International Guild of Battlefield Guides. Inschrijven via www.battlefieldtours.nu. Het startpunt is steeds in Oosterbeek.
Zaterdag 21 september: Airborne Markt+ op de Ginkelse Heide Zoals ieder jaar heeft de VVAM weer een PR-stand op de Ginkelse Heide tijdens de parachutistendropping en herdenking. Dit jaar worden meer bezoekers verwacht dan anders; voor de VVAM een unieke kans om nog bekender te worden. We zoeken leden die bereid zijn om enige tijd de stand mee te bemannen. Als we genoeg mensen hebben, dan houd je voldoende tijd over om de markt, de demonstraties en de dropping te zien. Inlichtingen en opgave bij Wybo Boersma: 0318-639 633 / w.boersma@wxs.nl Maandag 7 t/m vrijdag 11 oktober: battlefield tour Ardennen Dit jaar organiseert de VVAM geen meerdaagse battlefield tour naar de Ardennen. Deze tour, met nagenoeg hetzelfde programma, wordt wel gedaan door Dalstra Reizen uit Surhuisterveen. Gids is Wybo Boersma. Meer informatie en inschrijven: www.dalstra.nl (home/België/ WO II ‘The battle of the Bulge’. Er zijn meerdere mogelijkheden om op te stappen.
Zaterdag 16 november: Airborne Day De derde editie van dit evenement van en voor VVAM-leden met de slag om Arnhem en Market Garden als leidend thema. Het is dé dag bij uitstek om in een ongedwongen sfeer elkaar te ontmoeten, ervaringen en specifieke (onderzoeks)kennis uit te wisselen, materiaal/documenten uit privécollecties te delen of bijvoorbeeld een doorlopende presentatie te geven over de 75e herdenking. Er zullen ook weer diverse stands zijn, waaronder de VVAM-boekenstand. Leden die een bijdrage willen leven aan deze dag kunnen contact opnemen met Wybo Boersma: 0318-639 633 / w.boersma@wxs.nl of Erik Jellema: jellema104@hotmail.com

VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 16 – DECEMBER 2019
NUMMER 17 – MAART 2020
NUMMER 18 – JULI 2020

De GPS-coördinaten bij de 75 markante plekken op pagina’s 8 t/m 13. Zie ook de kaart op de achterkant.

1 51.976773, 5.912996
2 51.976859, 5.915077
3 51.980893, 5.915831
4 51.979072, 5.913669
5 51.980946, 5.909962
6 51.979917, 5.908068
7 51.996118, 5.947019
8 51.960141, 5.883701
9 51.968598, 5.906762
10 51.983579, 5.903326
11 51.98382, 5.89671
12 51.98317, 5.89716
13 51.98445, 5.89455
14 51.98520, 5.89300
15 51.98542, 5.89245
16 51.98476, 5.88810
17 51.995400, 5.912636
18 52.00199, 5.92438
19 52.00146, 5.90786
20 51.987080, 5.890621
21 51.983606, 5.877466
22 51.981058, 5.870214
23 52.00603, 5.89286
24 52.033252, 5.865027
25 52.002272, 5.856160
26 51.98016, 5.86101
27 51.988827, 5.861942
28 51.979199, 5.860346
29 51.979725, 5.840265
30 51.978370, 5.837341
31 51.979470, 5.838190
32 51.979198, 5.838160
33 51.980339, 5.834410
34 51.980321, 5.833101
35 51.978790, 5.830450
36 51.977481, 5.829617
37 51.977478, 5.826933
38 51.977643, 5.834590
39 51.97420, 5.83667
40 51.981918, 5.823608
41 51.987719, 5.832690
42 51.98746, 5.82918
43 51.988621, 5.815256
44 51.987922, 5.813114
45 51.985804, 5.837386
46 51.990264, 5.836667
47 51.991390, 5.834304
48 51.995316, 5.802741
49 51.989612, 5.813446
50 51.995513, 5.802705
51 51.95948, 5.78919
52 51.97229,5.73880
53 52.036910, 5.670948
54 52.055367, 5.649778
55 51.846011, 5.873032
56 51.848073, 5.870433
57 51.842738, 5.869012
58 51.85722, 5.86740
59 51.86368, 5.84714
60 51.876264, 5.822857
61 51.891476, 5.792436
62 51.835950, 5.868930
63 51.814719, 5.798897
64 51.815374, 5.877598
65 51.767026, 5.827104
66 51.766521, 5.863183
67 51.778077, 5.893265
68 51.764555, 5.918816
69 51.774655, 5.928863
70 51.821436, 5.908623
71 51.837989, 5.960686
72 51.90878, 5.90095
73 51.936806, 5.581643
74 51.884919, 5.438232
75 51.944930, 4.861197

INHOUDSOPGAVE
Verenigingsnieuws – Algemene ledenvergadering 2019
Thema-avond – Nabeschouwing lezing Antitank
Interview – De waarheid kent geen tijd
MINISTORY 130 – Zoeken naar een spoorwegovergang
Thema – Het bataljon dat in het bos verdween
Conflictarcheologie – Britse schuttersputten langs de Oorsprongbeek
Achtergrond – Bits and pieces; het uniform van Major John Waddy
Ondertussen – Teruggeslagen grond; de mogelijke berging van een Typhoon
Programma

Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar. Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.
Redactie: Alexander Heusschen, Jasper Oorthuys, Otto van Wiggen
Bijdragen van: Frans Ammerlaan, Wybo Boersma, Alexander Heusschen, Erik Jellema Willem Kleijn, Jasper Oorthuys, John O’Reilly Martijn Reinders, Arjan Vrieze, Otto van Wiggen, Eugène Wijnhoud
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl
Vormgeving: Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk: Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl, info@vriendenairbornemseum.nl
(06) 510 824 03
Postadres:
Wissenkerkepad 22
6845 BW Arnhem

Omslag: De geplande verdediging van Arnhem en de verkeersbrug door de 4th Parachute Brigade tegen vijandelijke dreigingen uit het noorden tijdens operatie Market Garden (bron: John O’Reilly, From Delhi to Arnhem).

VERENIGINGSNIEUWS DE ALGEMENE LEDENVERGADERING VAN 16 MAART

Op 16 maart vond in de Concertzaal te Oosterbeek de jaarlijkse Algemene Ledenvergade- ring van de VVAM plaats. De vergadering startte met het gedenken van acht leden die ons in de afgelopen periode zijn ontvallen. Algemene Ledenvergaderingen staan meestal in het teken van de financiële verantwoording van het afgelopen jaar en de begroting voor het komende jaar. Zo ook deze. Voor hen die de details willen lezen, verwijs ik naar de no- tulen die op onze website staan.

In deze korte toelichting stel ik vast dat we er op financieel gebied goed voorstaan. Zo hebben we inmiddels 626 betalende leden en zien we dat onze activiteiten zoals de battlefieldtours en onze thema-avonden niet alleen druk

De aanwezigen tijdens het middagprogramma van de ALV (foto: Arjan Vrieze).

bezocht zijn, maar ook nog eens kostendekkend. Logisch dat we daar in 2019 mee willen doorgaan. In de verga- dering heb ik daarnaast Alexander Heusschen formeel benoemd als bestuurslid met als taak de hoofdredactie van Airborne Magazine. Daarnaast is het nu officieel dat Jasper Oorthuys Gerard Gijsbertsen heeft vervangen als secretaris.

Het bij de ALV aanwezige deel van het bestuur van de vereniging op de trappen van de Concertzaal. VLNR: Herman van Ingen (penningmeester), Erik Jellema (activiteiten), Jasper Oorthuys (secretaris), Otto van Wiggen (voorzitter) en Alexander Heus- schen (hoofdredactie blad) (foto: Eugène Wijnhoud).

ENGELSE LEDEN

Naast de financiële paragraaf was een toelichting op de situatie rond de Engelse leden belangrijk genoeg om bij stil te staan. In het vorige magazine heb ik u al geïnformeerd over het teruggelopen aantal leden en de kosten die het uitbrengen van drie Airborne Magazines in het Engels de VVAM kost. Omdat die verhouding uit balans is, heb ik de aanwezigen een drietal opties voorgehouden:
1. Onverkort doorgaan met de uitgave van Airborne Ma- gazine in het Engels. Dat is gezien de kosten en de hoeveelheid werk eigenlijk een non-optie.
2. Eenmaal per jaar een Engelstalige special uitgeven voor de Engelse leden.
3. Het volledig ‘afkappen’ van de Engelse leden, min of meer zoals voorgesteld door de Engelse vertegenwoor- diger.

Na overleg hebben we als VVAM besloten te kiezen voor optie twee: een jaarlijks speciaal nummer voor de Engel- se leden, met een vertaling van een aantal artikelen uit de Nederlandstalige Airborne Magazines van dat jaar, zonder de specifieke artikelen over battlefieldtours. Wij zullen de Engelse leden op korte termijn in een brief in- formeren over de uitkomsten van deze bespreking.

LEZING LANDSTORM

Analoog aan de vorige ALV werd het middagprogramma na de pauze ingevuld door een lezing over een aan de slag om Arnhem gerelateerd onderwerp. Dit keer was dat een lezing van Arno Maan over het derde bataljon van het SS-Grenadier-Regiment 1 van de Landstorm Nederland (III.Btl. Gren.Rgt.1). In een gedetailleerde en uitermate beeldende lezing informeerde Arno de 45 aanwezigen over de rol van de circa 1200 Nederlandse SS-vrijwilligers die aan Duitse zijde hebben meegevochten.

Uit de bloemrijke toelichting van Erik Jellema op de VVAM-activiteiten in 2018 en het programma voor 2019 (foto: Arjan Vrieze).

De bronnen vertellen ons dat dit bataljon pas in Arnhem arriveerde toen de slag al dagenlang woedde, vervolgens in reserve werd gehouden en uiteindelijk in stelling werd gebracht langs de spoorlijn bij Elden en Elst toen op don- derdag 21 september 1944 de Poolse Brigade bij Driel was geland. Volgens dezelfde bronnen zouden zij daar niet hebben gevochten en op 26 september 1944 zonder een schot te hebben gelost, weer zijn vertrokken.
Arno Maan liet ons zien dat die versie niet klopt. Hij heeft jarenlang onderzoek naar deze Nederlandse eenheid gedaan. Zijn conclusies zijn onder andere gebaseerd op de verslaglegging in dossiers die zijn aangelegd in het ka- der van de Bijzondere Rechtspleging, direct na de oorlog.
Arno stond naast een beschrijving van de activiteiten van deze eenheid stil bij het ontstaan van dit bataljon: wat voor soort mannen dit nou waren en waarom zij zich bij dit legeronderdeel aansloten. Een boeiende uiteenzetting met veel nieuwe inzichten.

– Otto van Wiggen

Arno Maan aan het woord (foto: Arjan Vrieze).

 

THEMA-AVOND DE 6-PONDERS DIE HET VUILE WERK DEDEN / BRITSE ANTITANK IN DE SLAG OM ARNHEM

De stukken van B Troop bij de noordelijke brugoprit in Arnhem.

Op vrijdagavond 15 februari vond in dorpshuis De Poort van Doorwerth de eerste VVAM-themabijeenkomst van 2019 plaats, die door maar liefst 66 gasten werd bezocht. Dat hadden er zelfs meer kunnen zijn, maar de beperkte capaciteit van de beschikbare ruimte noodzaakte ons een aantal geïnteresseerden teleur te stellen. Het onderwerp was dit keer de rol van de Britse anti- tankeenheden in de Slag om Arnhem. De presentatie werd verzorgd door Eugène Wijnhoud, erkend en gewaardeerd materiedeskundige op dit gebied. In een boeiend, overzichtelijk en uiterst nauwkeurig geïllustreerd verhaal schetste Eugène de verschillende fasen in de slag en het aandeel dat de antitank daarin had. De rol van Luuk Buist in het overzichtelijk maken van de presentatie mag niet onvermeld blijven.

Eugène Wijnhoud tijdens zijn lezing.

52 STUKS
Tot op het stuk nauwkeurig, en ondersteund met overzichtelijke schetsen en een grote hoeveelheid authentieke foto’s, stond Eugene stil bij de volgtijdelijke fasen van de slag om Arnhem. Eugène nam de toehoorders eerst mee naar de verrichtingen van de aan 2nd Parachute Battalion gekoppelde B Troop die rond de noordelijke oprit van de Arnhemse brug stellingen hadden betrokken. Daarna volgde de inzet in de wijk Lombok in Arn-hem-West op maandag en dinsdag 18/19 september. Als laatste kwam de strijd aan bod in en rond de perimeter van Oosterbeek van 20 tot en met 25 september.

In twee lifts waren de Britten in staat 52 6-pdr-anti- tankkanonnen (in Horsa-zweefvliegtuigen) en zestien 17-pdr-geschut (in Hamilcar-zweefvliegtuigen) naar de landingszones te vervoeren. De parachutistenbataljons van de 1st en 4th Parachute Brigades werden ieder on- dersteund door vier 6-ponders. De drie bataljons van de 1st Airlanding Brigade konden per bataljon beschikken over de vuurkracht van acht 6-ponders. Voor de Pool- se Brigade waren vijftien 6-ponders bedacht. De Polen hebben hun antitankstukken echter nooit zelf kunnen gebruiken omdat deze ten noorden van de Rijn werden ingevlogen, terwijl de Poolse parachutisten uiteindelijk pas op donderdag 21 september ten zuiden van de Rijn zouden worden gedropt.

MORTIERVUUR
De vraag doet zich gelden hoe effectief het antitankge- schut nou eigenlijk is geweest tijdens de slag. In algemene zin kan worden gesteld dat het resultaat van hun inzet teleurstellend kan worden genoemd. Met name de 17-ponders hebben nauwelijks kunnen deelnemen aan de gevechten. Voor een deel had dit te maken met hun gewicht. Voor een ander deel omdat een aantal Mor- ris-trekkers het op de beslissende momenten liet afweten. Veel antitankkanonnen en hun bemanningen bleken te zijn uitgeschakeld door Duits mortiervuur.

6-ponder op de Utrechtseweg.

Toch werden weldegelijk belangrijke successen geboekt. Zo waren de stukken van B Troop behoorlijk effectief. Ze hebben een belangrijk deel van de pantservoertuigen van het 9. SS-Aufklärungsbataillon van SS-Hauptsturm- führer Gräbner op de noordelijke oprit weten uit te scha- kelen. Daarnaast waren zij ook effectief tegen de Panzer- kampfwagen IV van Kampfgruppe Mielke toen deze op maandag en dinsdag de brug vanuit het oosten aanvielen. De 6-ponders (negen stuks) en een enkele 17-ponder die zich een dag later in de wijk Lombok hadden verzameld, afkomstig van A, C en E Troops en verbonden aan res- pectievelijk het 1st, 3rd en 11th Parachute Batallion zijn veel minder effectief geweest tegen de tegenaanvallen van het gemotoriseerde geschut van Sturmgeschütz Brigade 280 en de halftracks van Kampfgruppe Spindler. Een duidelijke verklaring daarvoor is niet echt te geven.

VICTORIA CROSS
De gevechten in Oosterbeek lieten weer een heel ander beeld zien. De 6-ponders van de South Staffords in het zuidelijke deel van de perimeter bij Oosterbeek-Laag wisten de Duitsers behoorlijke verliezen toe te brengen. Eén commandant van een 6-ponder die was verbonden aan dit bataljon, Lance-Sergeant John Baskeyfield, werd er zelfs voor onderscheiden met een Victoria Cross. Een wisselend beeld karakteriseerde ook de inzet van het ge- schut in het westelijk deel van de perimeter, waar de bij het Border Regiment ingedeelde antitankkanonnen een aantal tot vlammenwerpende tanks omgebouwde Franse Char B’s hebben weten uit te schakelen. Datzelfde gold ook voor het noordelijke deel waar de antitankkanonnen van de King’s Own Scottish Borderers het tegen pantser- voertuigen van Kampfgruppe Spindler hebben opgeno- men. Dat de vraag volgde waarom 1st Airborne Division zoveel antitankcapaciteit had meegenomen, terwijl vol- gens de planners van de operatie amper sprake zou zijn van een Duitse gepantserde dreiging, was te verwachten. Helaas laat het antwoord hierop zich 75 jaar later nog slechts raden.
– Otto van Wiggen

Timmermans op de exacte locatie van de aanslag op nazileider Heydrich in Praag.

DE WAARHEID KENT GEEN TIJD
DE MOTIVATIES EN ONDERZOEKSMETHODEN VAN EEN NEDERLANDSE BATTLE DETECTIVE

Zijn methodes lijken op die van Sherlock Holmes in de BBC-serie Sherlock (2010-). Zelf zou hij zich eerder ‘myth buster’, of beter ‘battle myth buster’ noemen. Voor Tom Timmermans (Eindhoven, 1970) is een krijgshistorisch ‘feit’ pas een feit als dit is ontdaan van aannames en op z’n minst forensisch door hem is getoetst. “Waarheidsvinding, daar gaat het me om”, zegt hij met een brede lach. Hoe een hobby een diepe passie werd.

Tom Timmermans, financieel analist, vrijwilliger bij de Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog en drijvende kracht achter het Engelstalige Battledetective. com, is er de man niet naar om dingen voor lief aan te nemen. Nooit gedaan ook. “Het begon eigenlijk tijdens mijn dagelijkse treinritten van Eindhoven naar mijn werk bij de Rabobank in Utrecht”, zegt Timmermans. “Ik lees graag, en ik had altijd wel een boek bij me over een militairhistorisch onderwerp. En uiteraard een extra boek voor als ik zonder zou komen te zitten. Wat me opviel,
en wat me nog steeds bezig houdt, is dat veel anekdotes en verhalen keer op keer worden overgenomen in nieuwe publicaties. Soms zie je dezelfde gebeurtenis zelfs terug op een heel andere locatie of op een ander tijdstip. Daar wil ik dan het fijne van weten.”

 

De baan van één van de kogels die Kussin doodden.

KUSSIN
Het is 2007 als Timmermans zijn website begint met dossiers, ‘case files’, die een nieuw licht werpen op een bekend WOII-feit. Inmiddels zitten er zo’n 80 dossiersin de online archiefkast van Battledetective.com, stuk voor stuk goed doorwrochte stukken die een interesse verraden in het op een haast wetenschappelijke manier rechercheren van het verleden. “Het is vaak een zin of een enkel woordje dat me opvalt in een tekst”, aldus Timmermans. “Neem bijvoorbeeld het verhaal over Kussin, de generaal-majoor die Stadtkommandant was van Arnhem ten tijde van de slag om Arnhem. Ik vraag me dan, net als sommige andere lezers af: waarom hebben de Britten die man niet gevangen genomen en ondervraagd, in plaats van hem onder vuur te nemen, met de bekende afloop tot gevolg?” Waar de meesten de schouders ophalen en doorgaan met koken of de was, neemt Timmermans laptop, camera of een forensisch hulpmiddel ter hand. “Het gaat me om het valideren van een these. Zo heb ik het in het geval van Kussin onderzocht of hij inder- daad is gescalpeerd, zoals in diverse rapporten en boeken is vermeld.” Timmermans kwam tot een ander, zij het misschien bekend inzicht, zoals valt te lezen op zijn site. Maar de bijvangst is op z’n minst intrigerend. “O, je be- doelt de analyse van zijn gebit? Nou, in feite is dat een sa- menloop van toevalligheden geweest”, legt Timmermans enthousiast uit. “Ik wist aan het niet helemaal publieke document te komen dat bij de herbegrafenis van Kussin is opgesteld. Daarin is ook zijn gebitsstaat opgenomen. Ik moest kort daarna voor een controle naar mijn tandarts en heb hem gevraagd of hij de omschrijvingen voor mij wilde ‘plotten’ op een gebitskaart. Weer iets later kwam ik op een rommelmarkt een fantoommodel tegen van een schedel. Met een onderlegger, een rode marker en wat uitleg heb ik er zo een onderzoeksverslag van gemaakt van de bullet trajectory. En het mooie is: Kussin is wat verstopt op de site, maar het is één van de meest gelezen case files.”

LUMINOL
De resultaten mogen dan vaak met wat geluk tot stand komen, Timmermans’ methoden zijn alles behalve toe- vallig. “In zekere zin heb ik gemakkelijker praten dan iemand die een boek schrijft”, zegt Timmermans. “Ik hoef alleen maar het werk van een ander te ontkrachten. Of beter: te toetsen. Daarbij maak ik inderdaad gebruik van methoden en hulpmiddelen die je misschien eerder verwacht in een tv-serie zoals Crime Scene Investigati- on. Ik probeer in ieder geval altijd zo volledig mogelijk te zijn. Zo kwam ik bijvoorbeeld via Crimescene.com aan luminol, een stof waarmee je bloed, zelfs heel oud bloed, blauw laat oplichten. Met een vriend van mij heb ik vervolgens onderzoek gedaan in de toren van de Vlok- hovense kerk in Eindhoven. Het verhaal ging dat daar in de oorlog een Duitse sluipschutter zou zijn gedood. We zijn ter plaatse gaan kijken en hebben de beschreven plek in de toren geluminold. Het enige dat daarbij aan het licht kwam was een roestige spijker. Blijkt het spul een verbinding aan te gaan met álle ijzeroxidatie, ook die in bloed. Zo leren wij ook steeds bij. Het verhaal werd niet veel later overigens ontkracht door de koster.

Luminol-onderzoek in de Vlokhovense kerk.

Vaak is het ook een kwestie van écht goed zoeken op internet, doorvragen en een beetje brutaal durven zijn. Robert Kershaw citeert in It never snows in September een Duitse soldaat die zegt dat de Amerikanen bij de kanaalbrug in Veghel giftige stoffen uit de nabijgelegen fosfaatfabriek in een greppel hebben laten lopen om de Duitsers te stoppen. Daar bleek niets van waar. De fosfaatproductie lag vanwege de oorlog namelijk helemaal stil, vertelde iemand die in de fabriek had gewerkt.

Zimmerit-productie.

Soms moet je net even wat meer moeite doen. En begrijp me niet verkeerd: iedereen kan dat. Dat verhaal over Jan van Hoof, de Nijmeegse verzetsheld die de Waalbrug voor vernietiging zou hebben behoed door de bedrading naar de springladingen op de brug onklaar te maken… Heinz Harmel, bevelhebber van de 10. SS-Panzer-Division Frundsberg, zegt in Der Freiwillige, een tijdschrift voor oud-SS’ers, dat hij opdracht heeft gegeven voor vernietiging, maar dat de draden al waren beschadigd door granaatvuur bij de brug. Nummers van Der Freiwillige zijn gewoon via het Bundesambt für Verfassungsschutz, zeg maar de Duitse AIVD, op te vragen.”

ONBEVANGEN
Zijn ‘hobby’ slokt behoorlijk wat tijd op, geeft Timmermans enigszins schoorvoetend toe, maar de waarheid kent geen tijd. En daarbij: het is soms gewoon een razend in- teressante zoek- en experimenteertocht, meent hij. “Mijn vriendin vindt het gelukkig prima, en gaat vaak mee.” Alle monumentale Duitse kanonnen en tanks in Europa fotograferen? Tuurlijk, er staat nog een ‘onontdekte’ PAK in Toulon! Een kijkje nemen in de kelder van het lone house in Bruneval? Zaklampje mee en doen. De plek waar George Patton verongelukte? Dan zetten we de boel toch gewoon even af, geel hesje aan, verkeer tegenhouden en met krijtstrepen de ongelukssite markeren om een beter inzicht te krijgen. En hoe maak je eigenlijk zimmerit? “De bestanddelen staan op Wikipedia. Het is vooral een kwestie van het bindmiddel pas op het laatst toevoegen, weet ik nu”, legt Timmermans luid schaterend uit. Om vervolgens in geuren en kleuren te vertellen hoe je die antimagnetische pasta, door de Duitsers in de oorlog op pantservoertuigen gesmeerd, nu eigenlijk maakt.

Temidden van het onderzoeksmateriaal voor de ‘smoking gun’-theorie bij Wageningen University & Research.

Grondmonsters in de collectie van Timmermans.

Onder andere met hulp van een collega met een autospuitcabine in zijn geval.
Met zijn jeugdige onbevangenheid lijkt Timmermans vaak een heel eind te komen. En ach, als dat hier en daar wat vragen of kritiek oplevert, dan zij dat zo. “Waarheidsvinding staat bij alles wat ik doe voorop; wat heeft er nou daadwerkelijk plaatsgevonden? Daar probeer ik zo dicht mogelijk bij te komen. En natuurlijk krijg ik dan weleens kritiek. Ik toets werkmethoden, en dan kom je soms in het persoonlijke domein van iemand. Maar mij gaat het écht om het aantonen van de juistheid of onjuistheid van uitspraken. Dat staat voor mij overigens niet gelijk aan gelijk krijgen. Mocht ik het zelf bij het verkeerde eind hebben of mocht er informatie ontbreken in mijn eigen bevindingen, dan pas ik mijn case file aan. Een update is gelukkig zo gemaakt. Dat is ook het voordeel van een site runnen.”

“Wat er nog op mijn lijstje staat?”, vraagt Timmermans. “Waterloo in ieder geval. En Hastings en misschien Little Bighorn, een slag tussen indianen en het Amerikaanse leger in 1876.” De waarheid is voorlopig nog niet van Tom Timmermans af.

– Alexander Heusschen
– Fotografie: Tom Timmermans

Stralingsmeting op een nog steeds radioactieve ‘marker disk’ uit WOII.

Naschrift: Op dit moment is Battledetective.com bezig met een analyse van wat Timmermans de ‘smoking gun’ van de Slag om Arnhem noemt: de cruciale luchtfoto’s waarmee inlichtingenofficier Brian Urquhart (100 inmiddels) zijn meerderen adviseerde de operatieplannen niet door te zetten: wat is er nou eigenlijk precies op te zien? Hopelijk meer hier- over in een volgende uitgave van Airborne Magazine.

MINISTORY 130: ZOEKEN NAAR EEN SPOORWEGOVERGANG

In september vorig jaar fietste ik als slagveldgids1 met een geïnteresseerde langs de opmarsroute van 1st Battalion The Parachute Regiment. Als vanzelfsprekend kwamen we tussen de Johannahoeve en het spoorviaduct bij station Oosterbeek uit op de vraag waar 1st Bn. nou eigenlijk het spoor moet zijn overgestoken. Dit bracht me ertoe verder onder- zoek te doen. Dus op naar Utrecht, waar ik bij de bibliotheek van het Spoorwegmuseum en bij Het Utrechts Archief een aantal oudere documenten heb bekeken. Met het resultaat wil ik een bijdrage leveren aan deze nog steeds levendige discussie.

1st Parachute Bn. landde in de middag van 17 sep- tember 1944 op landingszone X en verzamelde zich rond de Jonkershoeve op de Renkumse Heide. Het bataljon was versterkt met A Troop van de 1st Airlan- ding Anti-Tank Battery RA (6 pdr), een sectie van D Troop van de 1st Airlanding Anti-Tank Battery RA (17 pdr), een Recce Detachement uit het 1st Parachu- te Squadron RE en no. 1 section van de 16 Parachute Field Ambulance.2
Dit versterkte bataljon zou na de eerste lift hebben beschikt over:
1. de organieke bataljonsvoertuigen: twee Universal- carriers en acht jeeps3,
2. vier 6-ponder-antitankkanonnen, getrokken door jeeps4,
3. twee 17-ponder-antitankkanonnen, getrokken door een Morris-trekker5,
4. één of twee jeeps bij het Recce Detachment RE. Verder wordt aangenomen dat bij no. 1 section, 16 Parachute Field Ambulance – uitgaande van de per- sonele sterkte6 van deze sectie van één regimental medical officer, een sergeant en achttien anderen – in totaal vier jeeps voor gewondentransport aanwezig waren: één voor het bataljonshoofdkwartier en één voor elke compagnie. Eén van de Horsa-gliders met een 6-ponder heeft landingszone Z niet gehaald. Van de 17-ponders is één Hamilcar-glider bij de landing gecrasht. Beide kanonnen en voertuigen waren dan ook niet meer inzetbaar.7 Het bataljon moet dus, bij vertrek van de LZ, de beschikking hebben gehad over maximaal achttien wielvoertuigen én twee rupsvoer- tuigen.
De opdracht voor 1st Bn. luidde:
”Tasks: (i) Occupy high ground in squares 7580 and 7279 to deny enemy direct observation on to ARNHEM.
(ii) to cover approaches to town within bn bdys. (iii) To keep one Coy in res in area rd junc 746790 for use as Bde res. This Coy NOT to be committed without ref to Bde HQ.” 8

HANDKRACHT
Om circa 17:00u begon het bataljon aan de opmars naar de opgedragen doelen. De route voerde van lan- dingszone X via NS-station Wolfheze en de Johanna- hoeveweg, ten noorden van het spoor, naar de Leeren Doedel. Vandaar zou de opmars verder gaan op de Amsterdamseweg, in oostelijke richting naar de krui- sing Amsterdamseweg-Schelmseweg (kaartvierkant 7279) en de Apeldoornseweg ten noorden van de villa Heselbergh (kaartvierkant 7580).
De opmars van 1st Bn., zonder R Company die met de enige 17-ponder9 en waarschijnlijk met één jeep voor gewondentransport elders in gevecht was, kwam rond 21:00u via een omweg tot staan in de directe omgeving van de Johannahoeve10. Verkenningen ga- ven aan dat er een sterke Duitse aanwezigheid was bij de Leeren Doedel, net als op en langs de zuidrand van de Amsterdamseweg. De zon was inmiddels bijna on- der. Om 21:45u viel de duisternis echt in. Daarmee was het plan om verder te trekken over de Amster- damseweg onmogelijk geworden. Wat nu? Een onverwacht ontvangen radiobericht van 2nd Bn. maakte duidelijk dat deze op de verkeersbrug aanwezig was en vroeg om versterkingen.11 Daarop nam Lt. Col. Dobie zijn besluit: ”I’m not going on to the north of Arnhem; we will try to get down to help Johnny at the bridge.”12 Zijn originele opdracht om stellingen te betrekken aan de noordrand van Arnhem liet hij hiermee los.
Het moet ergens tussen middernacht en 04:00u zijn geweest dat 1st Parachute Bn. vanuit de omgeving van de Johannahoeve het spoor Arnhem-Utrecht overstak in zuidelijke richting. Deze verplaatsing werd uitge- voerd op korte afstand van de vijand en dus was vij- andcontact ongewenst. Deze verplaatsing moest dus onder strikte geluidsdiscipline en zo stil mogelijk wor- den uitgevoerd. Dit leidde tot de opdracht om geen motoren te starten en op handkracht de circa veertien jeeps (leeggewicht: ruim 1.000 kg) en twee Univer- sal-carriers (leeggewicht: bijna 3200 kg) over enige af- stand duwend te verplaatsen13. Dat dit over bospaden en onverharde weggetjes gebeurde maakte deze actie extra zwaar.14

SITUATIE VIJAND
Maar waar stak het bataljon het spoor over? De voor de hand liggende optie, zeker op de stafkaart uit 1944 (figuur 1) is het spoorviaduct van Oosterbeek. Maar was dat ook mogelijk, gelet op de vijandelijke posities en activiteiten op dat moment? Eerder op de avond van de 17e waren bij datzelfde viaduct al twee eenheden gepasseerd. Eerst het SS-Panzergrenadier Ausbildungs und Ersatz Bataillon 16 dat rond 22:00u naar het noorden ging, om vervolgens contact te maken met de SS-Kampfgruppe Von Allwörden bij de Leeren Doe- len15. En iets later ook de C Company van 3rd Para- chute Bn. dat in oostelijke richting een weg zocht naar Arnhem, ten zuiden van de spoorlijn. In hun verslag wordt geen melding gemaakt van gevechtscontact bij het spoorviaduct.
Zeker is dat Kampfgruppe Von Allwörden bij de Leeren Doedel in eerste instantie niet genoeg manschappen16 had om de hele Dreijenseweg te bezetten. Wel had deze eenheid de mogelijkheid patrouilles uit te sturen en tijdelijke waarnemingsposten in te richten. Uit de war diary van 1st Parachute Bn. blijkt dat men één of meerdere patrouilles is tegengekomen en er steeds kort vuurcontact was. Het is dus waarschijnlijk, maar niet bevestigd, dat de Kampfgruppe Von Allwörden het spoorviaduct in ieder geval onder waarneming hield. Deze optie valt om die reden voor mij af.

Figuur 1: Uitsnede stafkaart 1944, blad 6 NW Arnhem-Ginkel; 1:25.000. De afstand tussen beide verticale lijnen is 1 km.

In de war diary van 1st Parachute Bn. wordt aange- geven dat men tijdens de verplaatsing ten westen van het station op de vijand stuitte17 en deze groep met een aantal gewonden verdreef in waarschijnlijk oos- telijke richting. In het verslag staat ook de zinsnede “bumped enemy post cross tracks”. Dit kan worden vertaald als het verdrijven van een vijandelijke post aan de overzijde van het spoor. Maar het kan ook een vijandelijke post aan weerszijden of dwars-over (a-cross) het spoor zijn geweest. Deze post kan moge- lijk bij het westelijke einde van de perrons hebben ge- zeten. Het betekent in ieder geval dat men ten westen van deze Duitse post het spoor is overgestoken.

DWARSPROFIEL
Waren er dan nog andere oversteekmogelijkheden? De suggestie wordt vaak gedaan dat men ‘gewoon’ het spoor is overgestoken. Maar het dwarsprofiel van de spoorbaan zag er op hoofdlijnen uit zoals dat er nu nog steeds uitziet. Uit het Handboek Spoortechniek18 van vóór de oorlog blijkt dat in een dwarsprofiel links en rechts van het spoor altijd afwateringsgeulen aan- wezig waren (figuur 2). Daarnaast stelt dit boekwerk dat: “het profiel van de aardebaan is bepaald door ervaring”. Ten aanzien van de gehele constructie geldt verder dat “de kruinbreedte een functie is van de afstand van de sporen bij twee of meer sporen, de lengte en de dikte van de dwarsliggers; de dikte van de ballastlaag onder de dwarsliggers, de hoeveelheid ballast die voor de koppen van de dwarsliggers nodig is; het talud waaronder de ballast blijft staan; de hel- ling die de aardebaan ten behoeve van de afwatering moet verkrijgen en de breedte van de berm naast het ballastbed”. Met zoveel variabelen is dus geen exacte afmeting te geven van de hoogte en breedte van het talud in 1944.

Figuur 2: een voorbeeld van een normaal dwarspro- fiel spoorbaan (Handboek voor Spoorwegtechniek).

Mede gelet op de situatie ter plaatse kan worden gesteld dat de spoorbaanconstructie als militaire hindernis moet worden gekwalificeerd als stoppend voor wielvoertuigen en ten minste remmend voor rups- voertuigen. Dit maakt het dwars over het spoor en geluidloos verplaatsen van de voertuigen van 1st Parachute Bn., al dan niet met een aangehaakte last, bijzonder lastig en eigenlijk vrijwel onmogelijk. Dit zou ook betekenen dat er geen andere mogelijkheden wa- ren om het spoor over te steken dan of via het viaduct of via een andere spoorwegovergang. Daarmee valt de optie ‘gewoon het spoor oversteken’ dus ook af.

Figuur 3: Uitsnede tracékaart Bilderberglaan (Utrechts Archief, NL-UtHUA_A179713).

LORRIE-UITZET
Is er dan nog een andere optie te vinden? Het bestude- ren van de handgetekende tracékaarten van het spoor tussen Ede-Wageningen en Arnhem (schaal 1:1.000 uit de jaren ‘30) in Het Utrechts Archief onthult nog een andere onverwachte mogelijkheid.
Op een militaire stafkaart uit 1944 (figuur 1) is, zij het nauwelijks of niet zichtbaar door andere symbo- len, een woning19 ingetekend aan de zuidzijde van het spoor, tussen het spoortracé en de Bilderberglaan. Dit is circa 200 meter ten westen van de huidige T-splitsing met de Valkenburglaan en de Nico Bo- venweg. Deze woning (figuur 4) is al wel zichtbaar op de originele tracékaart van het spoor ten westen van de halte Oosterbeek-Hoog. Op deze kaart is bij deze woning ook een zogenaamde lorrie-uitzet (figuur 3: verticale lijnen net boven het midden) zichtbaar: een locatie waar door spoorwegwerkers een lorrie, een klein niet-aangedreven railvoertuig, op het spoor kan worden gezet. Dat betekent dat deze overgang en de directe omgeving verhard moeten zijn geweest.

Figuur 4: Bilderberglaan 1, februari 2019 (foto: D. Hoekendijk).


Figuur 5: Geremde eenvoudige lorrie (foto: Robert Bakker, SPIBA).

Figuur 6: Spoorwegovergang met eikenhouten overwegbeplating in Wolfheze (Het Utrechts Archief, nr. 836116. Opnamedatum 6 feb. 1954. Foto: NS).

Deze lorrie-uitzet was hoogstwaarschijnlijk voorzien van een eikenhouten overwegbeplating zoals in figuur 6. De huidige bewoner van de woning vertelde dat NS deze uitzet heeft verwijderd, ruim voordat de vorige bewoners de woning betrokken. Dat moet dan tenminste 40 jaar geleden zijn geweest, dus in ieder geval vóór 1980. Waarschijnlijk is toen ook de opgang naar het spoor aan de zuidzijde verwijderd. Aan de noordzijde is de opgang nog wel terug te vinden in het bos (figuur 7). Vanaf de bosrand is ook de locatie van de Johannahove goed zichtbaar (figuur 8).
Op de luchtfoto van de omgeving van Oosterbeek-Hoog op de volgende bladzijde, genomen op 6 september 1944, is linksboven op de foto deze spoor- wegovergang zichtbaar. Op de uitvergroting van dat deel van de betreffende luchtfoto (rechts) is de wo- ning even ten zuiden van het spoor herkenbaar. Ook de oversteek zelf is zichtbaar en er lijken voertuigsporen te zien te zijn die vanaf de overgang in zuidoostelijke richting lopen.

Figuur 7: Noordzijde spoor, oude opgang naar lorrie-uitzet overgang (foto: D. Hoekendijk).

Figuur 8: Blik op Johannahoeve vanuit bosrand (foto: D. Hoekendijk).

Ten opzichte van de Johannahoeve lag deze lorrie-uitzet, tevens spoorwegovergang, globaal ten zuidwesten van en achter de waarschijnlijke posities van 1st Bn. in de nacht van 17-18 sep 1944. Dit maakt het een ideale situatie, waarbij de eenheid zich gedekt door het bos naar de spoorweg kon verplaatsen, weg van de vijand in de omgeving van de Leeren Doedel. Deze manoeuvre werd dan ook aan het zicht van de vijand onttrokken. De bossen maskeerden de geluiden. De paden naar deze overgang waren net als nu hoogstwaarschijnlijk onverhard.
Ook vanaf het spoorviaduct Oosterbeek, op 1,2 km in oostelijke richting, was deze overgang niet zicht- baar. De flauwe bocht in het spoor onttrekt deze oversteekmogelijkheid grotendeels aan het zicht van even- tuele Duitse patrouilles of waarnemingsposten bij het viaduct of op de perrons. Dat is zeker het geval in het holst van de nacht.

CONCLUSIE
⦁ 1st Parachute Bn. heeft hoogstwaarschijnlijk de lorrieuitzet-oversteek gebruikt voor de voertuigen van het bataljon, om vervolgens aan de zuidzijde van het spoor op de Bilderberglaan, de motoren weer te kunnen starten.20
⦁ De parachutisten zijn eenvoudig te voet ten oosten hiervan het spoor overgestoken en hebben zo een scherm gevormd om de overstekende voertuigen te beschermen, in het geval van vroegtijdige ontdek- king.
⦁ De opmars richting Arnhem is vervolgens zuid van het spoor voortgezet door Oosterbeek.

Figuren 9 en 10: Luchtfoto van 6 september 1944: spoorlijn Utrecht – Arnhem ten westen van Station Ooster- beek Hoog, rechts aan de rand van de linkerfoto (foto: 541 Squadron RAF).

Het is niet onwaarschijnlijk dat door het eerdere gevechtscontact langs het spoor, men er voor heeft gekozen om via de eerste verharde zijweg, de Graaf Ottolaan, rechtsaf door de Oosterbeekse bebouwing verder te trekken, uit het zicht van de vijand, waarna men om 05:30u21 in de omgeving van de oostrand van Oosterbeek op de Utrechtseweg weer vuurcontact had.
– Kolonel KL b.d. Dirk Hoekendijk MLD

Bronnen
⦁ Curtis, Cherry & Howes, Four days at Arnhem (Brendon Publishing, Warton, 2016).
⦁ Revell, Cherry & Gerritsen, Arnhem, A few vital hours (Sigmund Publishing, Renkum, 2013).
⦁ Hees, A.J., Tugs and Gliders to Arnhem (2000).
⦁ Handboek voor Spoorwegtechniek (Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, Leiden, 1937).
⦁ Fürbringer, H., La Hohenstaufen (Album Histori- que, Edition Heimdal, 1998).
⦁ Kershaw, R.J., It never snows in September (Ian Allen Publishing, Hersham, 2013).
⦁ De inzet van het 17-ponder anti-tankkanon tijdens de Slag om Arnhem, A.B.R.G., 1994.
⦁ Het Utrechts Archief, NL-UtHUA_A179713
(km 85.8 – km86.8), tracékaart Oosterbeek-West.
⦁ VVAM ministory 107, John Waddy, bijlage bij Nieuwsbrief 121 VVAM, februari 2011.
⦁ VVAM-thema-avond Antitank in de slag om Arnhem – inzet van de 6- en 17-pdrs bij Arnhem (Eugène Wijnhoud, 15 feb. 2019).
⦁ Website Pegasus Archive – Arnhem – War Diaries: ⦁ www.pegasusarchive.org/arnhem/frames.htm

Voetnoten
1. Zie 1. www.bta44.nl.
2. OPERATION “MARKET” 1 Parachute Brigade Operational Order No.1, Paragraph 8.c.
3. Tugs and Gliders to Arnhem, p. 276.
4. De inzet van het 17-ponder-antitankkanon, p. 3.
5. De inzet van het 17-ponder-antitankkanon, p. 3.
6. VVAM Ministory 107, p. 1.
7. VVAM-thema-avond Antitank in de slag om Arnhem (Eugène Wijnhoud, 15 feb. 2019).
8. OPERATION “MARKET” 1 Parachute Brigade Operational Order No.1, Paragraph 8.c.
9. VVAM-thema-avond Antitank in de slag om Arnhem (Eugène Wijnhoud, 15 feb. 2019).
10. Voor meer details zie Four days at Arnhem, p. 7.
11. Idem, p. 8, 1ste alinea, laatste drie regels.
12. Idem, p. 8, 2de alinea, laatste twee regels.
13. Idem, p. 8, 5e alinea, eerste vier regels.
14. Idem, p. 9, 18th September 1944 – 03:00u.
15. Arnhem, a few vital hours, p. 79.
16. La Hohenstaufen, p. 419: “1 Kompanie der SS-Panzerjäger-Abteilung 9: 120 Mann ohne
Geschütze”, als Infanterie. NB. Daarnaast wijst Kershaw op pagina’s 123 & 411 op de mogelijke aanwezigheid van twee Panzerjäger IV en een 75mm-antitankkanon op de avond van de 17e, als ook op het ter plaatse zijn van pantservoertuigen van de 9. SS-Aufklärungs-Abteilung.
1. Four days at Arnhem, p. 9 – 03:00u.
2. Handboek voor Spoorwegtechniek, p. 8.
3. Huidige adres: Bilderberglaan 1, 6861 AC Oosterbeek.
4. In een gesprek van de auteur met de bewoonster (februari 2019) gaf deze aan dat in het verleden regelmatig touringcars stopten bij de woning en een gids uitleg gaf. Dit is geen sluitend bewijs, maar wel een indicatie dat de conclusie niet onwaarschijnlijk is.
5. Four days at Arnhem, p. 9 – 05:30u.

HET BATALJON DAT VERDWEEN IN HET BOS
156TH BATTALION, THE PARACHUTE REGIMENT IN DE SLAG OM ARNHEM

Op zondag 28 April 2019 organiseert de VVAM de battlefieldtour 156th Battalion in de slag om Arnhem. Het programma bestaat uit een busrit en twee wandelingen van vijf kilome- ter vóór en na de lunch. Onze gids is Nick Kelso, een in Nederland wonende Brit die John O’Reilly, auteur van twee ongeëvenaarde boeken over het 156th, goed kent. Enkele achter- gronden bij een tocht over het slagveld.

In 2009 bracht John O’Reilly, zoon van een 156th-ve- teraan, het boek From Delhi to Arnhem uit. In 2017 volgde het supplement Walking in Their Footsteps. Beide werken zijn uiterst gedetailleerd en voorzien van uitstekende kaarten. Ze vormen de basis voor dit artikel. Een aanrader is ook Men at Arnhem (1976) van Tom Angus, een pseudoniem voor Geoffrey Po- well. Deze voormalige compagniescommandant van het bataljon beschrijft zijn belevenissen zó dat hij je als het ware aan de hand meeneemt door de bossen tussen Ede en Oosterbeek. Brigadier Hackett’s I was a stranger is voor deze tour minder interessant omdat dit boek van de commandant van de 4th Parachute Brigade begint nadat zijn brigade nagenoeg is ver- nietigd en hij zelf als bevelhebber over het oostelijke deel van de perimeter rond Oosterbeek zwaargewond is geraakt. Wellicht was de ervaring van het verliezen van zijn brigade een te erg trauma om te beschrijven. Erg jammer, want de beweegredenen die schuilen achter de diverse commandantenbeslissingen die ge- nomen werden op 18, 19 en 20 september 1944 blijven daarmee in mist gehuld.

OPRICHTING VAN HET BATALJON
Het ontstaan van het 156th Parachute Battalion is te- rug te voeren op een directief van Winston Churchill in mei 1940 waarin hij opdraagt ‘a British Airborne Force’ op te richten, naar aanleiding van het tot de verbeelding sprekende optreden van Duitse para- chutisten in Scandinavië, Nederland en België (op fort Eben-Emael). In India werden vrijwilligers gere- kruteerd voor de oprichting van de 50th Parachute

Boekwerken van John O’Reilly en Tom Angus.

Links: Captain Hector Montgomery, 2 I/C van B Coy voor Newport Stables, Melton Mowbray. Rechts: Newport Stables in 2018 (foto: Erik Jellema).

Brigade. Deze brigade bestond uit de Britse 151st , opgericht op 15 oktober 1941, de Indiase 152nd en de 153rd Gurkha Parachute Battalions. Kort daarna vertrok het 151st Battalion naar het Midden-Oosten. Daar werd de naam om de vijand te misleiden ver- anderd in 156th Battalion. In 1943 werd Lieutenant Colonel Des Voeux de commandant van de eenheid. De uit India meegevoerde parachutes bleken bij aan- komst in Kabrit (Egypte) verrot te zijn. Vanuit En- geland werden nieuwe parachutes opgestuurd die al ras door David Sterlings Special Air Service werden onderschept voor een actie achter vijandelijke linies. De parachutes gingen daarbij verloren. Ondertus- sen werd in Egypte ook de 4th Parachute Brigade gevormd. Dit leidde tot personele wisselingen. Veel personeel van het 156th Bn. kwam terecht bij andere para-eenheden, waaronder de 6th Airborne Division en bij andere bataljons. Zo werden Captain Lonsdale en Major David Gilchist, bekende namen uit de slag, respectievelijk plaatsvervangend bataljonscomman- dant en compagniescommandant bij het in Palestina gevormde 11th Parachute Battalion. Beiden waren af- komstig van het 156th. In die tijd droeg het bataljon bij voorkeur de Indian bush hats. De divisiecommandant moest opdracht geven tot het dragen van de rode baret.

OPERATIONELE INZET
Het bataljon nam niet deel aan de invasie van Sicilië in juli 1943, maar werd pas in september van het vol- gende jaar ingezet bij acties in Zuid-Italië, als deel van de 4th Parachute Brigade, 1st Airborne Division. Na gevechtservaring te hebben opgedaan in Italië werd het bataljon in november 1943 verscheept naar En- geland, waar het op 10 december 1943 aankwam in de haven van Liverpool. Vooral de groene velden en de smaak van het Engelse bier maakten indruk op de para’s, zo gaat het verhaal.

Initieel werd het bataljon ondergebracht op diverse locaties in Rutland, maar Des Voeux concentreerde alle eenheden niet veel later rond het plaatsje Mel- ton Mowbray in Midden-Engeland. Op Ringway, het huidige Manchester Airport, werden de eerste para- chutesprongen gemaakt. De trainingen overdag wer- den afgewisseld met sociale activiteiten in de avond. Zo sociaal dat er verschillende verkeringen en huwe- lijken uit voortkwamen, waaronder de verkering van Sergeant Humphreys met een zekere Margaret Ro- berts. De twee verloren elkaar uit het oog; Margaret zou in 1979 het wereldtoneel betreden onder de naam Margaret Thatcher.

Knossington Hall (foto: www.hmslimited.co.uk).

Kaart 1: De vier vluchten (nine-ship elements) die met 34 vliegtuigen het 156th Bn. op de Ginkelse Heide dropten. Zichtbaar is ook het RV van het bataljon aan de westkant van de heide.

Operation order no.1 van de 4th Parachute Brigade.

Het bataljon was teleurgesteld toen het ook niet werd ingezet op D-Day. 4th Parachute Brigade stond constant stand-by; vóór Market Garden werden vijftien operaties gepland en ook weer afgelast. Voor operatie Comet, oorspronkelijk operatie Fifteen, zou B Com- pany van het 156th, onder leiding van Major John Waddy, als coup de main eenheid landen ten noorden van de brug bij Grave. Tijdens de briefing van de plannen fluisterde Geoffrey Powell van C Company Waddy toe: “This will get you either a Victoria Cross or a wooden one”. Comet was behoorlijk ambitieus. 1st Parachute Brigade zou de brug bij Arnhem innemen en bezet houden. De 1st Airlanding Brigade met de 1st Independent Polish Parachute Brigade moest Nijmegen innemen. De 4th Parachute Brigade kreeg de brug bij Grave toegewezen. Wat opvalt is dat in dit operatieplan wél sprake was van een snelle verrassingsaanval op de bruggen, waar deze in het latere Market Garden ontbrak. Comet werd op 10 september 1944 gecanceld vanwege de gewijzigde tactische situatie. We weten dat veldmaarschalk Montgomery op die dag op de Belgische vliegbasis Melsbroek toe- stemming kreeg van Eisenhower om operatie Market Garden te starten. Op 11 september vond in Moor Park in London een conferentie plaats, waarna de 4th Parachute Brigade haar opdracht kreeg. Operation order no.1 werd op 13 september op schrift uitgegeven. Brigadier Hac- kett, commandant van de 4th Parachute Brigade, deed zijn bevelsuitgifte op 13 september in Knossington Grange, zijn brigadehoofdkwartier in het plaatsje Knossington, niet ver van Leicester en op een steen- worp van Melton Mowbray.

Links: Captain Harkess, de brigade RASC-officier, in Knossington, met op de achtergrond de kerk. Rechts: Knossington Church in 2018 (foto: Erik Jellema).

EINDELIJK MARKET GARDEN
Een brigade advance group onder leiding van Brigade Major Dawson, vervoerd in vier Dakota C47’s, sprong op 17 september op dropzone X. Haar taak was te zorgen voor het, in samenwerking met het 3e peloton Pathfinders, markeren van DZ Y, het inrichten van de verzamelpunten voor de bataljons (zogenaamde RV’s), zorgen dat zo snel mogelijk na de landing ver- bindingen tot stand kwamen en het beschikbaar stel- len van vuursteun. De advance group van het 156th Bn. stond onder leiding van Major Page, de comman- dant van HQ Company.
De opdracht van de 4th Parachute Brigade was om met de tweede air lift op maandag 18 september 1944 te landen op de Ginkelse Heide en vervolgens het hooggelegen terrein ten noorden van Arnhem in te richten ter verdediging. Daar zou het het 1st Parachu- te Battalion van Lieutenant Colonel Dobie aflossen. Een mooie kaart uit From Delhi to Arnhem laat zien waar die verdediging had moeten liggen: in het gebied van de Saksen Weimarkazerne in Arnhem, met op de westelijke flank van het 156th het 10th Battalion. 11th Bn. zou in reserve worden gehouden. C Com- pany van het 156th moest zelfs een vooruitgeschoven positie uitbrengen ter hoogte van de Koningsweg op de Arnhemse Heide.


Kaart 2: Het legeringsgebied van de 4th Parachu- te Brigade bevond zich tussen de vliegvelden RAF Saltby en RAF Spanhoe. In tegenstelling tot wat in de battlefield tour guide van Colonel Waddy en de boeken van John O’Reilly staat is de 82nd Airborne Division óók vanaf vliegvelden in deze omgeving vertrokken. Zo vertrok generaal Gavin bijvoorbeeld vanaf RAF Cottesmore, tussen Saltby en Spanhoe. De 101st Airborne Division vertrok van de vliegvelden ten zuidwesten van London, waaronder Membury en Ramsbury. De vliegvelden noordwest van London, zo- als Down Ampney en Broadwell, waren thuishavens van de RAF. Zo kwam Flight Lieutenant David Lord van Down Ampney en werd de 1st Border Regiment als airlanding battalion vanaf Broadwell ingevlogen.

156th Bn. bestond uit 603 man. Naast een Head- quarters Company en een Support Company had het bataljon drie rifle companies. De Support Coy voor- zag het bataljon van vier 6 ponder-antitankkanonnen, afkomstig van de 1st Anti-Tank Battery RA, vier Vic- kers medium machinegeweren en zeven 81mm-mortieren. De rifle companies bestonden uit een Company HQ en drie pelotons met elk 35 man. De sterkte van een compagnie kwam daarmee op 125 man. Een parachute battalion was ‘licht’ in vergelijking met een 750 man tellend airlanding battalion met vier com- pagnieën, elk met vier pelotons.

Kaart 3: De geplande verdediging door de brigade tegen een dreiging vanuit het noorden.
LUCHTLANDING
Op 17 september 1944 zagen de soldaten van het 156th de vliegtuigen van de eerste air lift vertrekken, waaronder ook de brigade advance group. Hun ei- gen take-off vanaf vliegveld RAF Saltby was gepland om 08:00u, maar werd vanwege de mist uiteindelijk uitgesteld tot 11:00u. Ook het 11th Bn. vloog vanaf Saltby. De rest van de 4th Parachute Brigade steeg op vanaf vliegveld RAF Spanhoe, 30 kilometer zuidelijker. De zeven Horsa’s van het bataljon vlogen vanaf Keevil en de Hamilcar met twee Universal Carriers (Bren Gun Carriers) vanaf RAF Tarrant Rushton, het meest zuidelijke vliegveld.
In Walking in Their Footsteps staat een overzicht van alle vliegtuig-chalk numbers waarmee het 156th is ingevlogen: 35 Dakota’s, zeven per rifle company, vier voor Battalion HQ en tien voor de support company. Daarnaast dus de zeven Horsa’s van Keevil met jeeps, trailers, verbindings- en medisch materiaal en munitie. De Hamilcar van Tarrant Rushton met de twee Universal Carriers completeert het rijtje.

Summier overzicht van de samenstelling van het 156th. Let op de afwijkende nummering van de pelotons: 1 en 2 ontbreken.

Het 156th Bn. vertrok tussen 11:00u en 11:20u van Saltby. In vier vluchten van zogenaamde nine-ship elements, theoretisch 36 vliegtuigen, kwam het bataljon tussen 15:00u en 15:10u aan boven DZ Y op de Ginkelse Heide. Ze waren vier uur vertraagd. Van de 127 vliegtuigen voor de hele 4th Parachute Brigade werden vijf door luchtafweergeschut neergehaald. Een zesde werd uit- geschakeld na de landing. Het ba- taljon verloor Dakota CN619 met de helft van het medium machine gun platoon aan boord in de buurt van Dodewaard. Eén van de gliders kwam vroegtijdig aan de grond bij Eindhoven. De Hamilcar met de Universal Carriers kwam goed aan op LZ X. De link-up van het bataljon met de glider party was bij de spoorwegovergang van Wolfheze.

In het boekwerkje Ben jij bij het parachutespringen geweest? Airborne herdenkingen bij Ede van Gerard Gijsbertsen is een zeldzame foto opgenomen van de pathfindermarkeringen op de Ginkelse Heide, vlakbij het tracé van de A12 die toen werd aangelegd.

Het 3e peloton van de 21st Independent Parachute Company (Pathfinders) van Lieutenant Hugh Ashmore zette het Eureka-baken op net ten zuiden van de huidige A12. De dag ervoor had dit peloton LZ S voor de 1st Airlanding Brigade gemarkeerd. Er werden panelen gelegd in de vorm van een Y voor ‘DZ Y’, een T gaf de windrichting (N-O) aan en ter verdere markering werden rookpotten gebruikt.
Lieutenant John Davison, commandant van het 7e peloton van B Company, werd in de lucht getroffen door een salvo uit een machinegeweer, genoeg aan- wijzing dat de DZ ‘hot’ was en dus onder vijandelijk vuur lag. Op de grond woedde een strijd tussen het 7th KOSB Bn. en Wachbataillon NW/3 bestaande uit Nederlandse Waffen-SS, afkomstig van de bewaking van Kamp Amersfoort dat gelegerd was in Kamp Amsvorde, waar nu de Leusderweg kruist met de Laan 1914.

GETTING THERE
Na een uur te hebben gewacht en een uur extra vertraging vertrok het 156th om 17:00u via de spoorweg richting Arnhem. Twee officieren en 50 man waren niet komen opdagen. Nadat Brigadier Hackett opdracht had gekregen zijn 11th Bn. af te staan, veran- derde hij ook zijn opmarsroute van de weg Ede-Arn-hem naar de spoorlijn. Hackett had namelijk wel in de gaten dat de tactische situatie inmiddels om andere beslissingen vroeg.
Dat bleek ook wel toen C Company, met No. 10 Platoon als spits, om 21:00u op een Duitse opstelling stuitte, westelijk van de Dreijenseweg. Dit peloton onder leiding van Sergeant Black liep in een hin- derlaag: vier man werden gedood. Twee verkenners waren vermist en verder vielen acht gewonden te betreuren. Geen goed begin voor het 156th. Major Geoffrey Powell verkende de situatie en gaf Lieute- nant Willcock, commandant van het 9e peloton met daarin Lance Corporal John O’Reilly, opdracht tot een linksomtrekkende beweging. Deze manoeuvre liep echter telkens vast op Duits mitrailleurvuur. Dit leidde ertoe dat het gehele bataljon werd teruggetrok- ken ter hoogte van het spoortunneltje bij Wolfheze, waar de dag ervoor het Reconnaissance Squadron was vastgelopen op Ausbildungs und Ersatz-Bataillon 16 van Sturmbannführer Krafft. Wat Hackett tegen zijn bataljonscommandanten zei na de bevelsuitgifte in Knossington bleek bewaarheid te worden: “You can forget all that [het bevel]. Your hardest fighting will not be in defending the northern part of Arnhem, but in getting there”.

Kaart 4: Opmars van het 156 Bn. en het eerste gevechtscontact bij de Dreijenseweg.

HET GEVECHT BIJ DE DREIJENSEWEG
Gedurende de nacht gaf Brigadier Hackett opdracht aan het 156th Battalion om bij het aanbreken van dag een aanval te doen over de Dreijenseweg om de hoog- te van Lichtenbeek in te nemen. Waarschijnlijk was dit bedoeld als tussengelegen aanvalsdoel; om daar te reorganiseren en dan de opmars richting Arnhem voort te zetten. C Company van Major Powell zou het spits afbijten en daarbij worden ondersteund door een vuurbasis van B Company bij station Oosterbeek. Waarom de aanval werd uitgevoerd over open terrein blijft een raadsel. De vijand had zich tijdens de nacht teruggetrokken op de Dreijenseweg. Nadat C Company op hoogte 56.5 consolideerde, ging A Company van Major Pott om 08:00u iets noordelijker voor- waarts in de richting van Lichtenbeek, ten oosten van de Dreijenseweg. No. 4 Platoon, het spitspeloton, kwam al vóór de Dreijenseweg in de problemen. De begroeiing was daar minder dicht, zodat de Duitsers deze sector met drie mitrailleurs konden bestrijken. Langs de Dreijenseweg had Obersturmbannführer Spindler de zogenaamde Spindlerlinie opgetrokken. In deze linie waren ook Duitse pantservoertuigen met 20mm-luchtdoelkanonnen aanwezig. Pott stelde de Bren Guns van No. 5 Platoon op als vuurbasis en liet de rest van dat peloton en een ad hoc-peloton Glider Pilots een linksomtrekkende beweging maken. De pelotonscommandant van No. 4. Lieutenant Wattling sneuvelde, pelotonscommandant van No.5, Lieutenant Delacour, overleed aan zijn verwonding en Captain Muir van het Glider Pilot-peloton raakte gewond. Gewonden werden met de Universal Carrier afgevoerd. Pott verzamelde een aantal mensen om zich heen en hervatte de aanval. Hij slaagde erin met veertien man de hoogte van Lichtenbeek te bereiken. Een initiële Duitse tegenaanval met 40 man werd op korte afstand afgeslagen. Maar om 14:30u moest de kleine groep zich toch overgeven. Sommigen werden afgevoerd als krijgsgevangen, zwaargewonden zoals Pott werden aan hun lot overgelaten.
Om 09:00u was Major Waddy met B Company ook gearriveerd bij de bataljonscommandopost in de na- bijheid van een watertoren, zo’n 200 meter westelijk van de Dreijenseweg. Hier werd Waddy opgedragen A Company te steunen in de aanval op Lichtenbeek. Des Voeux dacht dat er slechts wat snipers als weer- stand te verwachten waren. Het kabaal van de strijd overtuigde Waddy dat dat een ietwat te optimistische gedachte was. Met twee pelotons voor en één achter trok Waddy op. Dicht bij de Dreijenseweg kwa- men ze veel gesneuvelde en gewonde para’s tegen. 20mm-luchtafweergeschut, ‘self propelled’, blokkeer- de de weg. Ook tanks werden gemeld. Waarschijnlijk waren dit Jagdpanzers IV van Kampfgruppe Von Allwörden. De Duitsers versterkten de sector waar Pott was doorgebroken. Het aantal gewonden bij B Com- pany liep snel op. Toen Waddy met een aantal man het 20mm-kanon tot op tien meter was genaderd, werd hij door een sniper geraakt. Met zijn Colt .45 was hij geen partij voor de sluipschutter. Opvallend is dat de gewonde majoor afgevoerd werd via de spoor- wegovergang van Wolfheze en hij onderweg blijkbaar geen problemen ondervond.

ZWARE VERLIEZEN
Nadat Major Page van HQ Coy tevergeefs getracht had de weg over te steken, viel het geheel terug ach- ter de positie van C Company op hoogte 56.5. Daar werd het bataljon zelfs beschoten door Messerschmit- ts en Nebelwerfer. De vermiste divisiecommandant, Major General Roy Urquhart, die inmiddels was teruggekeerd op zijn hoofdkwartier, bracht een bezoek aan Brigadier Hackett. Besloten werd de 4th Parachute Brigade via Wolfheze terug te trekken op Oos- terbeek. Het 10th Battalion dat ten noorden van het 156th Battalion ook in gevecht was verwikkeld bij de Dreijenseweg werd opgedragen als eerste het gevecht af te breken. Die opdracht kwam zelfs voordat de gliders van de derde lift op LZ L (Johannahoeve) waren geland. De terugtocht over vlak terrein bij daglicht leidde tot verwarring. Toen de derde lift met 30 gliders op LZ L landde, heerste er chaos. Het 10th Bn. was onderweg naar de spoorwegovergang van Wolfheze. En het 156th Battalion trok terug richting Wolfheze met No. 9 Platoon van C Company als achterhoede. Lieutenant Colonel Des Voeux gaf opdracht om over de op een hoge dijk gelegen spoorweg naar het zui- den te bewegen. Omdat niet alle eenheden deze order ontvingen, werd het bataljon opgesplitst. 130 man bleven achter bij de Dreijenseweg: dood, gewond, krijgsgevangen of vermist. Het bataljon was nagenoeg gereduceerd tot de sterkte van één versterkte compagnie.
Het deel van het bataljon dat via Wolfheze trachtte door te stoten naar Oosterbeek werd in twee grote groepen krijgsgevangen gemaakt. Het andere deel van het 156th bracht de nacht door in de bossen ten zui- den van de spoorlijn, ter hoogte van het tunneltje. Hackett achtte nachtelijke verkenningen naar Oos- terbeek te riskant. 270 man van het bataljon begon- nen om 06:15u aan de tocht richting Oosterbeek. Het doel was de weg Ede-Arnhem (Utrechteseweg), om vervolgens bij Hartenstein contact te maken met de divisie. Het 156th vormde de spits van wat was overgebleven van 4th Parachute Brigade. De marsor- de binnen het bataljon was: A Coy, HQ Coy en C Coy, gevolgd door Brigade HQ en het 10th Bn. De route liep over de Bilderberglaan en de kaarsrechte, stijgende Breedelaan richting Hotel Bilderberg. Het 7th Bn. KOSB was via een kortere route al gearriveerd in Oosterbeek.

KILLING WOODS
A Company werd op de top van de Breedelaan beschoten door Duitse mitrailleurs. Binnen Brigade HQ vielen gewonden. Tegen 08:00u gaf Des Voeux Powell opdracht om met zijn C Company een aan- val over de rechterflank uit te voeren, om daarmee de Duitsers in de rug aan te vallen. Het aanvalsdoel was de wegkruising Utrechtseweg-Wolfhezerweg tot Bree- delaan. In zijn boek Men at Arnhem beschrijft Powell de gevechten in de Bilderbergbossen op unieke wijze: het is alsof hij je aan de hand meeneemt van boom tot boom. C Company bestond nog uit 80 man. Lieutenant Donaldson van No. 11 Platoon was zijn enige overgebleven pelotonscommandant. Hij raakte gewond bij de gevechten en werd waarschijnlijk door de Duitsers in koelen bloede doodgeschoten. De drie uur durende gevechten in de buurt van de watertoren kostten C Company teveel verliezen, waarop Major Powell besloot terug te trekken.
Brigadier Hackett besloot niet verder aan te vallen in zuidelijke richting, maar de Van Tienhovenlaan in oostelijke richting in te slaan. Intussen werd de groep van nu nog zeven officieren en 120 man inge- sloten door Krafft vanuit het noorden en door de Un- terführerschule Arnheim en Bataillon Eberwein van- uit het westen. Hackett gaf daarop het 10th Battalion opdracht de aanval te leiden. Na een trage start ging het 10th Battalion er zo snel vandoor dat de aanslui- ting met het 156th Battalion en Brigade HQ verloren ging. Het 10th Battalion slaagde erin om rond 13:30u met slechts 60 man de eigen troepen te bereiken in de buurt van de Valkenburglaan in Oosterbeek.

Het 156th Battalion en Brigade HQ ondervonden echter nog meer weerstand. Er werden zelfs pantser- voertuigen gerapporteerd op de Valkenburglaan en bij de spoorlijn. In de buurt van de tennisvelden raakte bataljonscommandant Des Voeux dodelijk gewond. Hij werd het laatst gezien zittend tegen een boom. Zijn lichaam is pas jaren later geïdentificeerd toen zijn veldgraf werd gevonden. Zijn plaatsvervanger, Major Ritson, sneuvelde eveneens. Ook hij werd pas in 1998 geïdentificeerd. Major Blundell, de 4th Brigade intel- ligence officer, sneuvelde en Major Dawson, de bri- gade major, raakte gewond in zijn schouder. Captain Booty maakte een foto van de gewonde Dawson, luttele seconden voordat deze dodelijk werd getroffen in zijn hoofd. De gevechten bij de tennisvelden vonden plaats rond het middaguur.

HACKETT’S HOLLOW
Tegen 14:00u riep Hackett Powell bij zich. Hij wees naar een groep bomen 100 meter verderop; in de nabijgelegen kuilen waren Duitsers zichtbaar. Hackett gaf Powell opdracht met zijn nog enigszins georga- niseerde groep deze zogenaamde ‘hollow’ in te ne- men. Met de bajonet op het geweer ging de groep van Powell op de Duitsers af die er snel vandoor gingen. In de hollow verzamelden zich zo’n 150 man. Major Page, commandant van HQ Company, moedigde de soldaten aan. Toen hij gewezen werd op de aanwezig- heid van een pantservoertuig werd hij bij het waarne- men daarvan getroffen door een kogel in het hoofd. Het verlies van Page maakte diep indruk op Powell, zoals indrukwekkend beschreven in zijn boek. Om 17:00u uur gaf Hackett wederom opdracht tot een bajonetcharge. 70 man kwamen aan bij de posities van A Company van het 1st Border Regiment, waar de groep snel verder gestuurd werd met de woorden: “Clear off you filthy, shower!”. Lance Corporal Ro- senberg fungeerde als achterhoede. Nadat hij met zijn Bren gun en handgranaten de Duisters op afstand had gehouden, wist hij op miraculeuze wijze te ontkomen. Later meldde hij zich weer bij Powell die hem ter plekke bevorderde. De Duitsers vonden 80 doden en gewonden in Hackett’s Hollow.

REORGANISATIE EN GEVECHTEN IN OOSTERBEEK
Het156th Battalion had nog drie officieren en 50 man. Hiermee werden twee pelotons geformeerd. Daarmee werden posities aan de stationsweg en aan de Mariaweg ingenomen. De gevechten in Ooster- beek maken geen deel uit van de battlefieldtour. De acties van Major Powell en de restanten van het batal- jon zullen uitgebreid aan bod komen tijdens de batt- lefieldtour over de noordelijke perimeter op een later moment.
Er keerden slechts 26 man terug in Melton Mowbray, eind september 1944. Nog eens tien man ontsnapten in oktober uit bezet gebied tijdens operatie Pegasus. Dit is alles wat overbleef van de 603 man van het 156th Battalion. Het bataljon telde de meeste gesneuvelden (105) van alle zes parachutistenbataljons in de slag om Arnhem.
– Erik Jellema
– Kaarten met speciale toestemming van John O’Reilly

Opgeven voor de battlefieldtour 156th Battalion in de slag om Arnhem kan via activiteiten@vriendenairbornemuseum.nl. Ga mee, en treed letterlijk in de voetsporen van het bataljon dat verdween in het bos.

CONFLICTARCHEOLOGIE BRITSE SCHUTTERSPUTTEN LANGS DE OORSPRONGBEEK

De schuttersputten langs de Oorsprongbeek in Oosterbeek: ondiepe kuiltjes in de bosgrond. Bij menig kenner zijn de plekken bekend. Maar wat weten we eigenlijk over deze oorlogsresten? En hoe kunnen resten in het landschap ons meer vertellen over de slag om Arnhem?

KLASSIEKE BRONNEN
Over de slag om Arnhem is menig boekenkast vol geschreven. De eerste decennia na de oorlog waren dit vooral overzichtswerken. Recenter kwamen er meer in depth-boeken bij. Het is inmiddels geen uitzondering meer dat een boek van 100 of 200 pagina’s de

Eén van de originele sporen van Britse schuttersputten langs de Oorsprongbeek. (foto: Leo van Midden)

kroniek van een hele specifieke eenheid tijdens de slag tot op de minuut nauwkeurig beschrijft.
Voor deze reconstructies kunnen verschillende soorten bronnen geraadpleegd worden. Elk heeft zijn eigen kracht en nadeel. Zo zijn er de gevechtsverslagen, bij de Britten War Diaries geheten. Hierin zijn gebeurtenissen voorzien van toponiemen of coördi- naten en tijdstippen.
Het valt mij op dat het vaak ook de veteranen zelf zijn die aan het woord komen als de geschreven bron- nen op detailniveau tekort schieten. De mensen die er zelf bij waren, zouden in principe tot op enkele meters nauwkeurig hun voormalige stelling kunnen aanwijzen. Hier wordt een beroep gedaan op het geheugen van iemand: een persoon die in de fog of war gebeurtenissen heeft opgeslagen en het soms (op aan- vraag) na decennia moet recapituleren. Naast het feit dat dergelijke herinneringen vertroebeld kunnen zijn, is iemands persoonlijke herinnering altijd een subjec- tieve weergave van wat er is gebeurd. Dit laatste geldt ook voor de geschreven bronnen.
Foto’s en bewegend beeldmateriaal lijken in eerste instantie objectiever te zijn. Details die erop te zien zijn, kunnen nagenoeg niet vervalst zijn – maar wel in scène gezet. De maker van het beeld laat enkel zien wat hij wil dat de kijker ziet, zeker als het om militaire propaganda gaat.

DE BODEM ALS ARCHIEF
Het is pas veel later gebeurd dat ook grondsporen en vondsten uit de grond zich bij de bronnen hebben gevoegd. Archeologen noemen dit het bodemarchief. Sporen in het bos kunnen nog in het landschap zicht- baar zijn, zonder daarvoor te hoeven graven. Denk aan loopgraven en schuttersputten. In de wijde regio zijn er een flink aantal bekend van zowel vóór, tijdens als na de slag om Arnhem.
Vondsten die uit zo’n spoor komen geven ons ook informatie. Het sleutelwoord hierbij is context: hoe en waar een object wordt aangetroffen, in welk spoor en met welke andere objecten.
Een methode kan metaaldetectie zijn, mits er een vorm van registratie plaatsvindt (het vastleggen van de context). Hier onderscheidt archeologie zich van schatgraverij: waar puur naar objecten wordt gezocht om (los van hun context) in een privévitrine of op Marktplaats te eindigen.
De meerwaarde van een object uit de bodem is dat het gekoppeld kan worden aan een specifieke gebeurtenis, zoals een gevecht. Het geeft niet alleen informatie over het verloop van een gevecht of het (over) leven in een stelling. Een vondst, maar ook een restant in het landschap biedt een unieke, andere kijk op historische gebeurtenissen.

STRIJD LANGS DE OORSPRONGBEEK
Terug naar de ondiepe kuiltjes langs de Oorsprongbeek. De plekken zijn al sinds kort na de Tweede Wereldoorlog bekend. Zo vertelde Robert Voskuil dat hij zich de schuttersputten al uit de jaren ’50 herinnert. Tegenwoordig worden ze getoond tijdens battlefieldtours waardoor ook het publiek er kennis van neemt.

Hoogtekaart van het gevechtsgebied rond de Oorsprongbeek met de originele sporen en de reconstructie.

De sporen liggen op enige afstand van de Van Borsse- lenweg die tijdens de slag om Arnhem enkele dagen de frontlijn was. Algemeen wordt daarom aangenomen dat de sporen restanten zijn van Britse schuttersputten uit de periode 20 tot uiterlijk 22 september 1944. De posities liggen hoger dan de te verdedigen kruising Veerweg-Van Borsselenweg en achter de Oorsprong- beek die hier als een soort natuurlijk obstakel dient. Uit de geschreven bronnen en meerdere publicaties is bekend dat hier eenheden van 1st Battalion The Border Regiment in stelling lagen. Zij verdedigden
de westelijke rand van de perimeter. Specifiek in de omgeving van de Oorsprongbeek lagen delen van B en D Company ingegraven. Dit deel van het Border Regiment voerde dagenlang strijd met onder meer mannen van het Wossowski Bataillon en de SS-Unterführerschule ‘Arnheim’. De Duitse eenheden kregen steun van buitgemaakte Franse tanks.

Niet elk boek geeft hier overigens hetzelfde beeld: de locaties van de compagnies en bijbehorende pelotons verschillen – dit geldt ook voor de Duitse eenheden. De verschillende geschreven bronnen geven net weer andere (detail)informatie. Bovendien is er tot op he- den discussie over de stellingen en wapenfeiten van de Britse pelotons en de inzet van de Franse tanks.

SPOREN VAN STRIJD
De locaties van de diverse pelotons van B en D Coy 1 Border zijn echter vooral gebaseerd op geschreven bronnen en ooggetuigenverslagen. In dit licht is het belangrijk om te wijzen op de resten van de schutters- putten langs de Oorsprongbeek. Ze liggen niet op een locatie die uit andere bronnen bekend is als (Britse) stelling tijdens de slag om Arnhem. Het is dan ook opvallend dat ondanks dat de sporen nooit zijn verge- ten, ze niet eerder zijn vastgelegd.
Sinds 2017 laat grondeigenaar Geldersch Landschap & Kasteelen (GLK) deze en andere sporen op Land- goed Oorsprong registreren. Dit wordt uitgevoerd door de Werkgroep WO2 van de regionale Archeo- logisch Werkgemeenschap Nederland (AWN). De sporen zijn nu vastgelegd in GPS-coördinaten en per stuk beschreven. GLK houdt bij bodemingrepen nu rekening met de sporen zodat ze bewaard blijven voor de toekomst. De registratie van de sporen langs de Oorsprongbeek is een mooi voorbeeld van hoe resten in het landschap een toevoeging kunnen zijn op an- dere bronnen.

RECONSTRUCTIE
Eind 2018 heeft de Werkgroep in opdracht van GLK tevens een schuttersput nagemaakt. De kenner ziet direct: dergelijke uitbouw met hulpmiddelen zoals houten palen en planken zijn atypisch voor wat je in de perimeter zou verwachten. De keuze hiervan was echter een praktische. Een ‘gat in de grond’ ligt dan wel dichter bij de waarheid, maar zal (evenals de ori- ginele sporen) in de loop der tijd verdwijnen. Bovendien is deze slit trench volledig gemaakt aan de hand van een Field Manual voor de Britse infanterist. De locatie zal in de nabije toekomst worden voorzien van een informatiepaneel.
Wie in de reconstructie staat, kijkt vanaf een hoger gelegen positie het beekdal van de Van Borsselenweg in. Het landschap is hier nog nagenoeg gelijk als tijdens de oorlog. Er is hier uitzicht op de voormalige Duitse posities tijdens de slag om Arnhem.

VERVOLGONDERZOEK
Het onderzoek van de originele resten langs de Oorsprongbeek is zinvol omdat het de sporen heeft vastgelegd. Op basis hiervan kunnen de sporen als bron dienen, gelijk aan de andere geschreven, mondelinge en andere bronnen. Zo geven de archeologische sporen hun eigen ‘visie’ op de historische gebeurtenissen. Tijdens het archeologisch onderzoek kwam onder meer aan het licht dat er verschillende types schutters- putten aanwezig zijn – ronde kleinere en bredere ova- le vormen, voor één of meer personen of bijvoorbeeld een mortier. Hier zou in de toekomst vervolgonder- zoek naar gedaan kunnen worden. Het zichtveld van de locatie langs de beek is tegenwoordig echter ont- nomen door bomen. Je ziet zo niet meer ‘wat men toen zag’.
De reconstructie, hoewel niet slag om Arnhem-cor- rect, biedt meer oorspronkelijke ‘beleving’, op een andere net hoger gelegen plek. Er is vrije uitkijk over het gebied waar de Duitse aanvallen plaatsvonden en richting de laaggelegen kruising van de Van Borsse- lenweg. Ook deze reconstructie levert zo zijn bijdrage aan het levend houdend van de herinnering aan dit deel van de slag om Arnhem.

– Martijn Reinders

Uitzicht vanaf de reconstructie richting de Duitse linie westelijk van de Van Borsselenweg.

VERDER LEZEN:
Historie en archeologie van schuttersputten langs de Oorsprongbeek in Oosterbeek (2018, AWN-afdeling Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland).

ACHTERGROND
BITS AND PIECES – MAJOR JOHN WADDY’S UNIFORM

Battle dress van Major John Waddy, commandant van B Company, 156 Parachute Battalion, The Parachute Regiment (foto: Wybo Boersma).

Het uniform vertoont diverse beschadigingen die door Waddy zijn gerepareerd met delen uit andere uniformen. De parachute wing is provisorisch van een zwarte achtergrond voorzien, typisch voor in India geformeerde en opgeleide Airborne-eenheden zoals het 156th Parachute Battalion. In de jaren negentig van de vorige eeuw schonk Waddy zijn uniform, zijn naamplaatje uit het krijgsgevangenenkamp en enkele andere artikelen aan het Airborne Museum.
Major Waddy landde op 18 september 1944 op de Ginkelse Heide, drop zone Y, bij Ede. Als eerste eenheid die op weg ging, vertrok het bataljon rond 17:00u langs de spoorlijn Utrecht-Ede in de richting van Arnhem. De volgende dag kreeg Waddy opdracht met zijn compagnie door de posities van A Compa- ny door te stoten naar het hoger gelegen terrein ten oosten van de Dreijenseweg. Bij Oosterbeek. Daarbij raakte Waddy zwaargewond. Een Rhodesische soldaat zag kans hem naar het compagnieshoofdkwartier te brengen.
Bij de regimental aid post gaven de dokters hem weinig kans om zijn verwondingen te overleven. Waddy werd naar hotel De Tafelberg in Oosterbeek gebracht dat op dat moment dienst deed als main dressing station. Dokter Guy Rigby opereerde hem op de biljarttafel, waarna hij naar een nabijgelegen huis werd gebracht. Daar raakte hij voor de tweede keer gewond, nu aan zijn linkervoet, in zijn gezicht en aan zijn schouder. Na de slag kwam Waddy in Apeldoorn terecht waar hij zes weken verbleef om vervolgens voor de rest de oorlog in het krijgsgevangenkamp Stalag VII-A bij Moosberg door te brengen.

Herkenningsplaatje prisoner of war. (foto: Wybo Boersma)

Na de oorlog leidde John Waddy diverse battlefieldtours in Oosterbeek. Ook was hij militair adviseur voor de film Een brug te ver. In 1999 verscheen zijn boek A tour of the Arnhem Battlefields, dat nog steeds een must is voor geïnteresseerden in de slag om Arnhem. In 2008 gaf Waddy een battlefieldtour voor de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum.
– Wybo Boersma

VERGETEN WERK – 18 PLATOON – SIDNEY JARY

18 Platoon is het indrukwekkende en bij vlagen zeer kritische relaas van een twintigjarige Britse pelotonscomman- dant die zich tussen juli 1944 en juni 1945 met de 43rd (Wes- sex) Infantry Division vanuit Normandië een weg baande naar Bremen. De divisie leverde strijd in Oost-Nederland, onder andere bij Nijmegen en Elst. De gemiddelde levensverwachting in een rifle squad was zo’n drie weken. Alleen al om die reden is het een klein wonder dat Sidney Jary zijn verhaal op papier heeft kunnen zetten.

Het boekje is verdeeld in zeven hoofdstukken, die ieder een deel van de afgelegde route of acties beschrijven: van Normandië tot na de oversteek van de Rijn. Enkele foto’s en handgetekende kaartjes illustreren het geheel.
In Normandië, waar de eenheid van Jary, het 4th Battalion Somerset Light Infantry (SLI) van de 43. Division op 23 juni aan land gaat, leidt met name de verovering van de beruchte Hill 112 (operatie Jupi- ter) tot grote verliezen. Sydney Jary komt als één van de vervangers bij het bataljon. Als kersverse tweede luitenant krijgt hij de leiding over een half peloton van zeventien man. Op dat moment zijn slechts vijf daarvan over van het oorspronkelijke peloton dat een maand eerder aan land ging.
leiding en de harde praktijk, verloopt de actie voor het 18e Peloton redelijk voorspoedig. Nadat eind au- gustus de verovering van Normandië een feit is, gaat het noordwaarts. De 43. Division krijgt de order als eerste gevechtsformatie de Seine bij Vernonnet over te steken.

OPERATIE BLUECOAT
De eerste grotere actie voor Jary is de verovering van Mont Pincon, zo’n twintig kilometer ten zuiden van Caen, als onderdeel van operatie Bluecoat (30 juli-7 augustus). Ondanks het feit dat hij hierbij direct ge- confronteerd wordt met het aanzienlijke verschil tus- sen de theoretische dogma’s van de directing staff-op-

Sidney Jary.

OPERATIE MARKET GARDEN
Op 21 september beveelt Horrocks de 43. Division zich naar de Overbetuwe, ‘The Island’, te verplaatsen om een aanval richting Arnhem te doen. Ze komen echter te laat. Het 4e Bataljon met Jary’s peloton komt op 22 september in Nijmegen aan waar ze kort halt houden en direct worden getrakteerd op Duitse zware 105- of 240 mm-granaten die vanaf Bemmel op de stad worden afgeschoten. D Company marcheert over de brug, waar nog dode Duitse soldaten liggen, en brengen de nacht door in de buurt van Lent.

De volgende dag marcheren ze verder richting het verlaten Oosterhout, dat in puin ligt vanwege de zware beschietingen over en weer. Bij het geplunderde Elst nemen de Engelsen posities in langs de spoorweg, tot aan de brug over de Linge. Hier blijft de compagnie twee weken en wordt dagelijks beschoten door Duitse artillerie vanaf Rijkerswoerd. Ook voeren de Duitsers dagelijks patrouilles uit, met diverse slachtoffers tot gevolg. Jary: “De vijand besloot ons het leven zo ver- velend mogelijk te maken met onvoorspelbare beschietingen door hun zware artillerie, precies in het midden van onze compagniesector.
We noemden dat ‘stonks’. Eén van die granaten viel precies in één van de loopgraven van het 16e Peloton. Van de twee mannen die daar met een Bren in lagen was geen spoor meer te vinden. In mijn peloton wer- den Lance-corporal Jack Lee en private Peter Filmer begraven in hun loopgraaf. Andere mannen van hun sectie groeven hen vlug weer uit, ze waren niet gewond en heel smerig, maar ook opmerkelijk vrolijk.”

OPERATIE VERITABLE
Na omzwervingen via Mook, Geilenkirchen en zelfs het verdedigen van een brug over de Maas bij Visé tijdens het Ardennenoffensief bevindt het bataljon zich in februari weer in de buurt van Nijmegen. Daar gaat op 8 februari operatie Veritable van start, met de 43. Division in reserve. Jary beschrijft hoe ze de stad Kleef, althans wat er van over is, doortrekken nadat deze door de 15th (Scottish) Infantry Division was ingenomen.

Op 26 maart steken ze in Buffaloes, amfibische pantservoertuigen, de Rijn over bij Rees, waarna het rich- ting Achterhoek en Twente gaat. Uiteindelijk komt het bataljon na een lange strijd aan in de havenstad Bremen. 18. Platoon is dan nog 19 man sterk. Joe Vandeleur, commandant van de 129th Brigade, feliciteert Jary met de overwinning, waaraan het peloton volgens Jary “geen aandeel had”. Ook Brain Horrocks, commandant van XXX Corps, komt nog langs. Tot verbazing van Jary herkent Horrocks hem nog en zegt: “Glad to see you’re still alive, Jary”.

A GRIM PRICE IN BLOOD
Jary publiceert 18 Platoon in 1987 in eigen beheer. Het boek maakt na verschijning in Engeland de no- dige indruk, óók binnen het Britse leger. Jary neemt dan ook bepaald geen blad voor de mond, met name als het gaat om de kwaliteit van de gemiddelde le- gerofficier, maar verpakt zijn kritiek wel als ‘lessons learned’. Het hoofd van het Department of War Studies van Sandhurst, de Britse officiersopleiding, Dr. John Pimlott schrijft: ”Sydney Jary’s account of his experience as a platoon commander in the 4th Battalion The Somerset Light Infantry (SLI) during the campaign in North West Europe in 1944-45 is of inestimable va- lue to historians and should be read by all young army officers”. General Sir David Fraser GCB/OBE/DL is zo mogelijk nog lovender: ”18 Platoon is one of the best subalterns books – probably the best – to come from the 2nd WW”.

– Willem Kleijn

Mannen van de 43. Division in Nederland op 18 september 1944.

ONDERTUSSEN TERUGGESLAGEN GROND – DE MOGELIJKE BERGING VAN DE TYPHOON MET FLIGHT SERGEANT HURRELL

Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken heeft vorig najaar besloten werk te maken van de berging van tientallen vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Met instem- ming van bijna de gehele Tweede Kamer, DENK uitgezonderd, is in aanloop naar de viering van 75 jaar bevrijding de weg vrijgemaakt voor het zoeken naar zo’n 30 tot 50 vermiste piloten op Nederlandse bodem. Eén van hen is William Hurrell. Hij stortte op 26 septem- ber 1944 met zijn Hawker Typhoon neer bij Eefde. Zijn stoffelijk overschot moet zich nog steeds in het toestel bevinden.

Het monument voor Hurrell, 60 meter oostelijk van zijn veldgraf.

Tijdens mijn werk voor het Kadaster kwam ik een tijd geleden per toeval langs een monument in de buurt van Eefde, met daarop een naam die ik in verband kon brengen met Market Garden. De oudheidkundige ver- eniging De Elf Marken die het monument twintig jaar geleden heeft laten oprichten, bleek al diverse pogingen te hebben ondernomen om meer te weten te komen over Flight Sergeant William Hurrell, gevechtspiloot bij No. 175 Squadron, Royal Air Force Volunteer Reserve. Hurrells gegevens zijn opgenomen in de Roll of Honour van gesneuvelden tijdens de slag om Arnhem van de VVAM, dat is te raadplegen op www.marketgarden.com.

Op dinsdagmiddag 26 september 1944 stegen om 12:35u vanaf oorlogsvliegveld Deurne in België zes Typhoons op voor een gewapende verkenningsvlucht boven Nederland. De toestellen maakten deel uit van het 175ste squadron van de Royal Air Force. Het was Hurrells derde operationele vlucht. Het zestal bereikte rond 13:00u Apeldoorn, toen zij plotseling werden verrast door meer dan 50 Messerschmitts Bf 109 die daar actief waren vanwege de slag om Arn- hem. Flying Officer Clarke en Flight Sergeant Hurrell werden aangevallen voordat zij zich konden verspreiden. Het toestel van Clarke werd verschillende keren geraakt, maar kon de basis in Deurne nog bereiken. Ook de ande- re toestellen wisten een veilig heenkomen te vinden. Van Hurrell werd niets meer vernomen. Uit later onderzoek door de Air Historical Branche 5 (RAF) van het Ministry of Defence is gebleken dat zijn toestel is neergeschoten door Leutnant Klaffenbach (of Klassenbach) van 111/ JG4 en vermoedelijk van grote hoogte naar beneden is gestort. Het is terechtgekomen in een stuk land aan de Lindeboomweg in Eefde, waar het zich zó diep in de grond boorde dat bergen onmogelijk bleek.

ZEGELRING
Dat er kort na de oorlog pogingen zijn gedaan om de identiteit van de bemanning te achterhalen blijkt uit een reactie van de burgemeester van Gorssel op een nota van het Ministerie van Oorlog (8 april 1948) waarin wordt geïnformeerd naar de stoffelijke resten van ‘één of meer piloten’: ”Naar aanleiding van nevensvermeld schrijven deel ik U mede, dat op 26 September 1944 nabij Eefde in deze ge- meente een geallieerd vliegtuig, nog voorzien van racketbom  na een luchtgevecht is neergestort. In September 1945 heb ik een nader onderzoek laten instellen om een identificatie van het vliegtuig en de eventuele bemanning, te bevorderen. […]. Ook waren nog enige stoffelijke resten van de bemanning aanwezig nl. enige beenderen (geen tanden of kiezen) en een gedeelte van een hand. Op een der vingers is een zegelring aangetroffen met een monogram H.W. of W.H. Overigens is niets aangetroffen waaruit de identiteit van de bemanning zou kunnen worden vastgesteld.
Op 23 juni 1946 kreeg ik een bezoek van Capt. I. Ness, verbonden aan de Royal Air Force, van de dienst voor onderzoek van vermiste Engelse piloten […] die de plaatjes met de serienummers en zegelring meenam. […] De plaats waar het wrak in de grond is gedrongen, is niet door een grafteken aangeduid en de plaats van de ramp wordt niet als graf beschouwd. De grond is in gebruik als bouwland. De plaats is eventueel nog met zekerheid aan te duiden. men (bron: W. van de Kamp, Ons Markenboek, 13e jaargang nr. 2 en 17e jaargang nr. 2).

BETEKENISVOL
In 1994 werd Hurrells naam bij hernieuwd onderzoek definitief aan de vergetelheid onttrokken. Waar aanvankelijk werd gedacht dat het om een Belgische piloot ging, kon nu voor het eerst worden vastgesteld dat het om een piloot met de Britse identiteit moest gaan, en wel om dat van de vermiste Flight Sergeant. Pogingen om zijn veldgraf te laten aanmerken als een officieel, bij de Common- wealth War Graves Commission in Ieper geregistreerd graf bleken minder succesvol. En dus rust Hurrell nog steeds in het toestel waarmee hij in 1944 in de Gelderse aarde verdween, zo is het vermoeden.

De Studiegroep Luchtoorlog heeft de locatie van de Typhoon een tijd geleden voorgedragen voor berging. Defensie heeft daarop in september 2018 een diepscan met een grondradar uitgevoerd op de crashlocatie. Met Ollongrens “betekenisvolle gebaar dat recht moet doen aan de wens van nabestaanden van omgekomen bemanningsleden” zou binnenkort zomaar een einde kunnen komen aan de vermissing van Hurrell. Het geld is er en de locaties die mogelijk stoffelijke resten herbergen hebben namelijk voorrang gekregen op de lijst van ‘kansrijke bergingen’ die de Bergingsdienst van de Koninklijke Landmacht heeft aangelegd. Het zou mooi zijn als deze ultieme poging zou leiden tot een begrafenis met militaire eer van deze 21-jarige piloot van de RAF. Aan één wens van de onlangs getraceerde achternicht van Hurrell, Brydie Hurrell uit Australië, is in ieder geval al tegemoet gekomen: na 75 jaar weet de familie eindelijk waar William moet zijn.

 


F/S William Hurrell.

– Frans Ammerlaan

PROGRAMMA 2019
VOORJAAR
Zaterdag 13 April 2019: Boekenmarkt 2.0, inclusief wargame en korte battlefieldtour Zondag 28 april 2019: Battlefieldtour 156 Parachute Battalion
Zondag 19 mei 2019: Themamiddag: The Glider Pilot Regiment
Juni: Thema-avond (nadere informatie volgt)

NAJAAR
Zaterdag 7 september: Battlefieldtour Lombok September: Battlefieldtour Market Garden (nadere informatie volgt)
Zaterdag 5 oktober: Battlefieldtour Pegasus 2 Zaterdag 16 november: Airborne Day Vrijdag 13 december: Thema-avond
(nadere informatie volgt)

Voor meer informatie over of deelname aan de verschillende activiteiten óf wijzigingen in het programma
zie www.vriendenairbornemuseum.nl of mail naar activiteiten@vriendenairbornemuseum.nl

Let op: dit programma is enigszins gewijzigd ten opzichte van dat in Airborne Magazine nr. 13.

VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 15 – AUGUSTUS 2019
NUMMER 16 – DECEMBER 2019
NUMMER 17 – MAART 2020

BIJDRAGEN
De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties.
We verwelkomen bijdragen aan het blad.
Vraag voor een soepele verwerking van uw artikel en/of beelden naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl.

Het publiek tijdens de recente thema-avond Antitank (foto: Jasper Oorthuys).

DE ACHTERZIJDE
Zo ongeveer moet de plek hebben uitgezien waar 1st Parachute Battalion in de nacht van 17-18 september 1944 het spoor Utrecht-Arnhem overstak naar het zui- den, om zijn opmars te vervolgen richting Arnhem. Af- gebeeld is de eikenhouten overwegbeplating bij station Wolfheze, een markant punt uit de slag om Arnhem. De lorrie-uitzet, zoals beschreven in Ministory 130 op bladzijden 11-15, was smaller, maar had waarschijn- lijk dezelfde kenmerken (foto: Het Utrechts Archief, nr. 836116. Opnamedatum: 6 februari 1954, W. van Schaik, fotograaf Nederlandse Spoorwegen).

NO.13 AIRBORNE MAGAZINE / A publication by the Society Friends of The Airborne Museum 27/11/2018

TABLE OF CONTENTS
3. 2018 in retrospect – The new board’s first year

5. Special find at Arnhem Bridge – II

7. Fighting the British at Arnhem A new book by R.M. Gerritsen

9. “Far more important to me than any top athlete ever”

12. Traces and finds relating to the figh-ting around the Westerbouwing

16. The 1st Independent Parachute Brigade in Operation Market Garden

22. A letter laid aside

24. MINISTORY 129: Location of famous photo discovered (3)

27. Teerosen op de Veluwe – W.H. Tiemens

29. Personal stories at the Oosterbeek Cemetery

32. Albin’s enigma

33. Taxis, T-shirts, and more

34. Reactions – “I probably learned more from the tour than from an entire book”

35. Program

On the cover: Two soldiers from the 1st (Polish) Independent Parachute Brigade practice with radio equipment during training in the United Kingdom. (source: Narodowe Archiwum collection Cyfrowe, Polen)

Reenactors during the Border Regiment battlefield tour on October 6th.

2018 IN RETROSPECT – THE NEW BOARD’S FIRST YEAR
It’s common among organisations and companies to look back and evaluate the performance at the end of the year. Partly to focus on celebrating Christmas and New Year’s Eve and partly to make the balance between the set of planned targets and the results. For us as the newly appointed Board even more important since it was our first year that we were in charge.
Let me start with one of the most urgent matters: the relationship between the Society and the Museum. As mentioned in Airborne Magazine 12 we promised to report back on the meeting which was scheduled between the Foundation of the Museum and a representation of the SFAM Board. This meeting took place on the 13th of September. Contact between Museum and SFAM remained limited to a formal correspondence by letter for more than two years. This meeting was the first conversation with sufficient room to explain each other’s point of view. It turned out to be a convenient meeting.
SFAM representatives and Museum agreed that we will respect each other’s different ambitions and chosen directions. The Society’s first mission remains the deepening and sharing of knowledge and understanding of the Battle of Arnhem. If required and requested the Society will assist and support the Museum. To add deed to the word the Society transferred an amount of € 2000 to the Museum, some days after this meeting, to help them to facilitate the construction of a silent room in the Museum. This gesture was appreciated and resulted indirectly in the restart of a structural contact between representatives of Museum and Society.

The second topic the board is concerned about is the issue of the English membership. As mentioned in Airborne Magazine 12 the number of English members has decreased substantially since the beginning of this year. We assume that this is the result of a lack of communication due to the inward focus of the SFAM and the long delay between the publication of the English version of the Airborne Magazine. In the hope of regaining some goodwill it was decided to carry all English members over to 2018 for free. Together with the promise to publish three editions of the Magazine in English, this measure was communicated with an accompanying letter, signed by me personally. Although we have realised three editions this year we must conclude that the desired effect didn’t occur. At this time just 29 English members remain. Apart from honorary and life members, who pay no dues, only six English paying members remain. The production, translation and distribution of the English version of the Airborne Magazine costs the Society between €2000 and 3000 per year. The board feels the effort and costs are disproportional and will present a solution at the General Members Meeting in March of 2019.
Besides these challenges, some positive developments should be mentioned as well. We expected a decrease in our membership as a consequence of the chilled relationship with the Museum. This has not come to pass. Over the course of last year a net 28 members joined the Society. Additionally we searched our membership file to rule out a significant number of nonpaying members. With some justified pride we can now report that the Society has 636 paying members. Financially the Society is healthy.
With regard to our ambition and primary mission the announced intensification of our Battlefield Tours and the qualitative investment of the Airborne Magazine has been widely appreciated. The Battlefield Tours attract many participants. As a result, the Society has money to spare for new initiatives.
Separate to the planned Battlefield Tours, we have responded proactively to adhoc requests to organise tours for specific audiences. We accommodated a large group of UK military personnel, participating in the Nijmegen 4Days Marches, and guided them along the Arnhem battlefields. An activity which was followed by a group of German officers and NCOs originating from the German Rapid Reaction Division. Finally, the Airborne Themeevenings turned out to be successful and demonstrated an increasing amount of visitors. Reason why we decided to proceed with these events for next year.
In 2019 we now have planned four.

Since we now have stabilised relations with the Museum, and hope to solve the issue of the UK members, we are in a position to focus our energy towards 2019. An important and remarkable year because it marks ’75 Years Battle of Arnhem’ which will bring a widely carried increase in activities. A perfect opportunity to demonstrate our relevance as a knowledgebased Society. With regard to the 2019 activities I’m proud to announce that our Board will be augmented by a professional Public Relations official. We hope to report more on how we plan to contribute to ’75 Years Battle of Arnhem’ in Airborne Magazine 14.
This finally brings me to wish you and all of your loved ones a Merry Christmas and a Happy New Year.
– Otto van Wiggen

SFAM board members Otto van Wiggen and Erik Jellema in front of Sosabowksi’s headquarters on Molenstraat in Driel.

SPECIAL FIND AT ARNHEM BRIDGE – II
In Airborne Magazine nr.12 we reported a special find next to the Arnhem Rhine bridge. The editors received a number of responses upon publication that shed more light on the role of the British antitank guns when the Panzer IV was knocked out.

Grenadiere at Bravado II. Kriegsberichter Adendorf photographed the Bravado II by Sgt. Kill on the corner of Ooststraat and Westervoortsedijk. (source: IWM MH3955)

LOCATION AND SHOT DIRECTION
In the previous article, the location of the 6pounder antitank gun, based on Wilkinson’s Gunners at Arnhem, was located next to the factory. This No.3 gun from Btroop, together with the gun from Sgt. Robson covered the access to the bridge from the east (via the Westervoortsedijk). However, on a photo after the battle, the gun can be seen on the corner of the Eusebiusbuitensingel and Westervoortsedijk. This is the piece by Sgt. Kill. It was set up in such a way that it could bring fire to the main road in the northerly direction and not to the Westervoortsedijk.

WHO STOPPED THE PANZER IV?
Based on the photo with the location, and shot direction of both British pieces, it is very likely that the gun from Sgt. Robson took out the Panzer IV ausf. H. It was the only antitank gun that could fire onto Westervoortsedijk on Monday morning 18 September.

Oblique. The position and shot direction of the pieces of Sgt. Robson and Sgt. Kill displayed on an aerial photograph of September 18, 1944. (source: B. Gerritsen)

NAME OF THE PIECE
The antitank guns had names. Eugène Wijnhoud let us know that the piece by Sgt. Kill was named ‘Bravado II’. Shortly after Wijnhouds reaction, the editors received a photo showing the devastation on the northern side of the Westervoortsedijk, with an antitank gun among the rubble. It’s missing a wheel and the gun is on its side. The debris has been moved away to make way for the Foulkes and Simonds Bailey bridges that were laid next to the destroyed bridge. Is this the last evidence of Bravado II?

Track link with connecting pin (photo: L. van Midden)

THE TRACK
The editors do not yet know what will happen to the recovered track. Since the release of the previous issue, the track link has been cleaned and letter codes have become visible. On the link pins that connect the track segments, wear can be seen from the many kilometers the vehicle traveled to the end point next to the Camiz. – Leo van Midden With thanks to Eugène Wijnhoud and Bob Gerritsen for their help with this article.

Westervoortsedijk. An antitank gun is visible among the rubble along the Westervoortsedijk: the Bravado II? (source: GA1584-745 Westervoortsedijk Camiz- Nico Kramer)

FIGHTING THE BRITISH AT ARNHEM
THE SSUNTERFÜHRERSCHULE ARNHEIM R.M. (BOB) GERRITSEN
On 21 September 2018 Fighting the British at Arnhem was presented at the Oosterbeek bookshop Meijer & Siegers. Bob Gerritsen previously published Arnhem, a Few Vital Hours, Retake Arnhem Bridge and Arnhem Bridge, Target MIKE ONE, in collaboration with Scott Revell, Niall Cherry, David Truesdale and Martijn Cornelissen. With Fighting the British at Arnhem he now has an important and very relevant book in his own name.

A jeep captured by the Germans is investigated (source: B. Gerritsen)

The book places in great detail, the combat actions of the SSUnterführerschule Arnheim within the performance of the Kampfgruppe Von Tettau during the Battle of Arnhem. This makes the cohesion of the battles clear for the first time in postwar his
tory, and sheds new light on the often underexposed performance of Von Tettau’s troops. The fact that Von Tettau’s share has never received much attention is due to the fact that until recently hardly any extensive archival research has been done into this unit. Bob Gerritsen fills up that gap with Fighting the British at Arnhem. Partly because of his large network he has been able to make surprising finds.
The SSUnterführerschule Arnheim was founded in 1943 to train executives for the WaffenSS. Four companies were stationed in barracks in Arnhem.
For me it was surprising to see that SS officers were photographed at the Saxony Weimar barracks, in front of the building and my desk where I myself was a company commander in 1990. The description of the locations that the SS-Unterführerschule in Arnhem has had will be familiar to many readers.

August 1944 in the Saxony Weimar barracks: the framework of SSUnterführerschule Arnheim for one of the alloy buildings. LR: SSHauptsturmführer Hermann Meyer, SSObersturmführer Heinrich Oelkers, SSUntersturmführer Friedrich Voigt and SSOberscharführer Wimmer. (source: B. Gerritsen)

In August 1944 the school was moved to the Dutch coast, in defense of the sector The HagueKatwijk aan Zee. In addition to duties in coastal defense, the training of executives continued. In September 1944 the school was moved again, this time to the socalled Waalstelling. For example, the bridge at Zaltbommel had to be set up for defense.
On September 17 1944, the SS Unterführerschule came under the command of the Kampfgruppe von Tettau and the units were deployed against the British who fought on the western side, roughly the 1st Battalion The Border Regiment.
The SS Unterführerschule Arnheim, led by SSStandartenführer Lippert, consisted of two units of battalion size: Bataillon Schulz and Bataillon Eberwein. Bob Gerritsen makes clear how these units moved from Wageningen, towards Renkum and Heelsum. Bataillon Schulz was strengthened with 10.Schiffsstammabteilung, naval soldiers whom encounter afterwards in the battles with B Coy 1st Borders at Renkum. Later this unit will be relieved at the Westerbouwing by German air force soldiers. With a description of the actions of Bataillon Wossowski, supported by Panzerkompanie 224, who reached the battlefield from Naaldwijk with seventeen captured French flamethrower tanks, Gerritsen added new insights to the battle on this hill.
It goes too far to describe these battles in detail, but it is a relief to read now which units of Kampfgruppe Von Tettau where exactly fought on the west side of the British perimeter. Bob also describes in detail which units of Von Tettau were erected from Ede over the Ginkelse Heide until finally reaching the Sonneberg area, just north of the Utrechtseweg near Hartenstein.
The book does not end, as is often the case, in the evacuation of the British over the Rhine on 26 September, but also discusses the role played by the SS Unterführerschule in the formation of German bridge heads south of the Rhine, at the brickworks De Korevaar and Terwindt.
It is the merit of Bob Gerritsen that he has linked the action of SSUnterführerschule to the actions of Von Tettau, a part of the struggle of which many have heard the clapper. Gerritsen now shows us the clock for the first time. – Erik Jellema R.M. Gerritsen, Fighting the British at Arnhem, SSUnterführerschule Arnheim (RN Sigmond Publishing 2018), 224 pages, English, hundreds of annotated blackandwhite photos, clear maps, appendices, acknowledgment and index, ISBN 9789081270397.


“FAR MORE IMPORTANT TO ME THAN ANY TOP ATHLETE EVER” A TALK WITH THE MAN BEHIND THE AIRBORNE FREEDOM TRAIL
Running In the footsteps of John Frost. Over unpaved paths, through streams, over obstacles, and past famous locations from the Battle of Arnhem. The Airborne Freedom Trail, a trail run which saw its first edition on September 8th combines endurance sports with a deeply felt historical awareness of the events around Arnhem in September ‘ 44. “You could call it a modern form of commemorating”, initiators Bart Koopmans and Richard Kaper say.
”Imagine: it is September 1944. The ground below you is still far away. Above the roar of the aircraft engines, you hear the heart beat of your comrades. Or is it your own heart that thumps in your throat? You go over your equipment once more, looking down to the country that is not your own. One more time: recheck your stuff. This country is not a safe place. You swallow. And then you jump. No, you fall down with dizzying speed, to an unknown fate.
Your parachute pops open and the world becomes quieter. You look around you, amazed. Curious, a little scared, but ready to execute the tasks you were given. You don’t think of tomorrow, you don’t know anything about tomorrow. For many there is no tomorrow. Welcome to the Bridge To Bridge. Run. To Remember Freedom.” (source: Studio Halfvol)

These probing words started the trial edition of the Airborne Freedom Trail for a handful of people in 2017. “It is a ‘fire baptism’ to which all participants are subjected, played in a darkened army tent on Ginkel Heath, moments before the start of the off road running competition. “Although competition is not really the right word,” says Bart Koopmans (1988) of Oosterbeek, a trail runner himself, an army reservist and one of the two organizers. “It’s not a contest in the sense that it’s about who reaches Arnhem Bridge first. It is the combination of the individual achievement and the historical setting that makes this run so special and sets it quite apart from other runs.
Before you go on your way, you sit on a bench in an army tent and you are ‘charged’ with the realization that you are in a unique historical place. With that we will send you off, and that is also the reason why most of the runners participate: to get connected with the past and the historic events that took place here.”

BLENDING IN
Trail runs were called ‘forest runs’ just fifteen years ago. Over the years this extreme endurance sport has been given a professional character. One look at the site of MudSweatTrails, thé Dutch site on the internet for trail runners and trail running, or the Airborne Freedom Trailaftermovie on YouTube is enough. Koopmans: “The organization of Bridge To Bridge was looking for an event on Saturday, the day before the big event on Sunday. That’s how Richard and I got in touch. We soon came to the area west of Arnhem. The three advance routes to Arnhem from the battle have been taken as a base for setting up three trails. Participants get sent a route book in advance with detailed information about the routes to the bridge, and about the events that took place 74 years ago. Along the way you’ll pass photo screens with images from the battle. You don’t just run over the DZ’s and LZ’s, but you’ll also visit the cemetery and the old church in Oosterbeek while running. Afterwards we’ll send an aftermovie to every runner.
For next year we are already thinking of giving the routes appropriate names, naming them after prominent people from the battle perhaps, and of adding more information on the battle, to give the run even more depth. In this way we try to blend in the historic facts with personal experiences.”

DEEP PASSION
The 2018 Freedom Trail proved that the latest addition to the wide range of Airborne commemorations appeals to a large audience: some 800 runners participated. “Our goal for next year is 1250, with 250 English participants, if possible”, Richard Kaper (1973) adds. Richard is head of sport participation at NOC*NSF that is based on Papendal. Richard is from Arnhem and is an active trail runner. “I have been running far too little recently.
What binds all trail runners in any case is a deep passion for nature and the environment in which we practice our sport. And trail running is meditative. Participants in the Freedom Trail often have their own gripping story, a personal motivation to take part in this particular event. What is striking is that, for example, we have had a rather large group of Srebrenica veterans at the start. If I may say so, Dutch people generally have a somewhat volatile way of commemorating. In this trail run you experience quite a different thing: people really taking the time on the Airborne cemetery to find a place for the wooden Remembrance Cross that we provide them with, people who get completely silent when they run the old church at the Benedendorpsweg… When we started this trail run, we thought: ‘ How do we let runners stand still at certain points, how do we make sure that they actually get a feel of the events od September ‘44?’ But that proved no problem whatsoever. Participants are totally ‘switched on’ during the run, without a doubt. I think this has to a large extent to do with the fact that this sport revolves around the individual achievement.
When you arrive at the cemetery, you have already had time to think about things. Such a feat makes you even more aware of what the men had to endure at the time.” Kaper’s observations cannot be better illustrated than with Thomas Dunkerbeck’s words. Thomas is one of the best endurance athletes in the Netherlands. In the Aftermovie from 2017 he says about his greatest examples, two veterans he got acquainted with at a young age: “They are far more important to me than any top athlete ever”. While standing in his running kit between the headstones on the cemetery, he lets his tears run freely. You don’t get closer to the past as a sportsman. – Alexander Heusschen

The Airborne Freedom Trail consists of three different routes: the 44 km route, which starts on Ginkel Heath, a 28km one and 18 km trail, starting at the Papendal training centre. The finish is near the Airborne at the Bridge visitors’ centre in Arnhem. In 2019, the Freedom Trail will take place on September 14th. For more information: bridgetobridge.nl or mudsweattrails.nl

TRACES AND FINDS OF THE FIGHTING AROUND WESTERBOUWING
Since the 1990s an organized and appropriately authorized group of volunteers has searched for the remains of soldiers missing in the Arnhem area. In the course of their activities, they often unearth objects that are in some way related to the Battle of Arnhem. This group examined the field between Westerbouwing heights and Veerweg, the southwestern part of the Perimeter in november 2005. In a separate development, the regional Archeologisch Werkgemeenschap Nederland (Volunteer Archaeological Society Netherlands, AWN) started a World War 2 taskgroup which focuses on traces of military conflict in the landscape. This group made an inventory of the foxholes at the nearby Oorsprongbeek in 2017. Before discussing the remaining traces and finds from this area, we need to look at the events of 1944.

21 SEPTEMBER 1944
On and around the mentioned field heavy fighting took place in september 1944. I’ll specifically look at the events on Wednesday September 21st. At this time, the Westerbouwing heights were still occupied by B Company, 1st Battalion The Border Regiment, though they were under pressure from the Heveadorp area. They fiercely resisted the attacks by 10. Schiffsstammabteilung, a training unit of the Kriegsmarine. In the night of 20 on 21 September, this unit was replaced by another. This 3. Kompanie of the Ersatz und AusbildungsRegiment ‘Hermann Göring’ (another training unit, this time belon-

The spot of the destroyed Renault Char B of Leutnant Höser and the findspot of the exploded shell cartridges (within the white circle) shown on an Allied aerial reconnaissance photo. The photo combines multiple chronological moments: the tank is a relic of the attack in september 1944 from Westerbouwing in the direction of the Perimeter to the east. On this photo from February 14 1945, the vehicle is almost entirely surrounded by new trenches. These were part of a new defense line, set up áfter the Battle of Arnhem. The section of the socalled PantherStellung shown here used the nearby Rhine as a natural tankditch and was aimed to the South. The trench system at this time was not yet complete. Photos taken at a later date show that further trenches and positions had been dug. (collection: Wageningen University & Research, Special Collections).

 

Objects found in the field between Westerbouwing and Veerweg include a variety of brass shell cartridges for both the 4.7 and the 7.5 gun from the French tank of Leutnant Höser. This tank was disabled on September 21st, 1944, the ammuniation subsequently exploded. A small sign with French text was found as well. The text suggests the sign indicated the location of the spare parts and accessories (“accessoires & rechanges”) of (the carriage of) the 4.7cm gun. All these items were found at the location where the tank was destroyed, shown circled in white on the photo on page 12.

ging to the Luftwaffe) is also called the Wossowski Bataillon, after its commander.
In the early morning of the 21st, they were able to push the Borderers off the Westerbouwing, all the way back to the crossroads of Veerweg and Van Borsselenweg. For the situation that pertained henceforth, see the elevation map on page 15.
Wossowski itself took the strategic heights, but the infantry was supported by four tanks of Panzer Kompanie 224. This unit comparised a total of 18 French battleready tanks, most of them of the Renault Char B2type. These tanks had been captured much earlier in the war and had been repurposed by the German army.

THE FRENCH TANKS AND THEIR FATE
Much is already known about this unit and its vehicles from earlier publications. We know, for instance, that in most tanks the 7.5cm hull gun had been replaced with a flamethrower. This horrible weapon was deployed in and around
Oosterbeek against the British. It should be noted that apart from the hullmounted flamethrower or 7.5cm gun, each tank also had a 4.7cm gun in a turret.
Most of these tanks met a sticky end. That goes for the attack by the Wossowski Bataillon and its French tanks as well. They moved east from the area of the Valkeniersbossen and Westerbouwing, both straight through the woods and across the Veerweg and Benedendorpsweg. The tank in front was put out of action on the field mentioned before. It was hit by the portable antitank weapon (PIAT) fired by Private George Everington (12 Platoon, B Coy, 1 Border), which forced it to a stop. Its commander, Leutnant Heinrich Höser was killed by British MG fire while trying to escape from the tank turret.
The tank remained right in the middle of the field.
All in all three of the four tanks deployed during this attack were quickly destroyed, two by Private Everington. The fourth tank withdrew soon after. The attack by Wossowski’s infantry went equally badly, suffering heavy casualties and Oberleutnant Artur Wossowski himself was killed.

FINDS IN THE FIELD
Some of the finds that have come to light at the spot the tank was stopped in the field are quite interesting in the light of this history: exploded cartridge cases of both 4.7 and 7.5cm shells manufactured in France. These archaeological finds of cartridges in both calibers strongly suggest that the tank in the field was not a socalled Flammpanzer, as the tank still had both its original guns of 4.7 and 7.5cm. It also offers something to consider: was it a conscious decision to deploy this variant of the tank with both its guns instead of a flamethrower version? And if so, who made that decision? Did the open terrain in the field play a role, in constrast to the wooded area around it?
The condition of the finds also proves that the ammunition in the tank exploded after it was hit by British fire. The cartridge head has been torn loose from the rest of the cartridge and has curled up: obviously the shells exploded violently after the tank had caught fire. This object isn’t just a testimonial for the Germans’ use of unusual weaponry in their arsenal, but its condition also attests to the destructive force of a tank destroyed by British weaponry.

One of the elongated traces along Oorsprongbeek. Together with some other dips in the terrain, this trace has been interpreted for decades as a group of British foxholes from the Battle of Arnhem, even though recorded sources do not mention this location. (photo: Leo van Midden, Archeologische Werkgroep WO2 AWN17).

TRACES ALONG OORSPRONGBEEK
After much effort the Germans did succeed in capturing the VeerwegVan Borsselenweg crossroads. The remaining soldiers of B Coy 1 Border had already retreated in a (north) easterly direction. The positions of these units have been drawn on the map (see elevation map), but it is certainly possible that the written sources are incomplete.
With this in mind, it’s important to point to the foxholes still visible along Oorsprongbeek (again, see the elevation map). These foxholes have been known for decades and are often pointed out during Battlefield Tours. The (new) owner of the area, Geldersch Landschap & Kasteelen (The Gelderland Landscape heritage & Castles foundation), however, only recently requested the WW2 Archaeological taskforce of the AWN to write a report on these foxholes, so the foundation is better able to take these traces into account. This better enables the foundation to maintain these traces for the future.
It is generally supposed that the British foxholes date no later than September 22nd, 1944. The positions are elevated in relation to VeerwegVan Borsselenweg crossroads, the defended objective,

Elevation map of the area around Westerbouwing on the western edge of the Perimeter. British platoons belonging to B Company 1 Border were dug in here. The Wossowski Bataillon was under orders of Kampfgruppe ‘Von Tettau’. The map shows the situation of the attacks on September 21st 1944. It is easily visible that the Westerbouwing heights provide an important strategic advantage compared to the valley formed by the Oorsprongbeek brook, which ends at the crossroads. (source: AHN2, modified by the author).

and behind Oosprongbeek which acts as a sort of natural barrier. During the examination of these traces, it struck the researchers that the locations of these positions do not match the recorded deployment of units of 1 Border.
The registration of the traces along Oorsprongbeek and the finds in the field across from it are a great example of how traces of combat in the archaeological record and landscape can provide additional information to the wellknown written sources. – Martijn Reinders With thanks to Hans Timmerman, David van Buggenum and Leo van Midden.
FURTHER READING
• S. Eastwood, C. Gray en A. Green, When dragons flew; An illustrated history of 1st Battalion The Border Regiment 193945 (1994) • B. Gerritsen, Fighting the British at Arnhem; The SSUnterführerschule Arnheim, Its origins and operations against the 1st British Airborne Division September 1944 (2018) • Ph. Reinders, Panzer Kompanie C (No) 224 in the Netherlands 19431945 (2010) • M. Zwarts, German Armoured Units at Arnhem, September 1944 (2001)

Guestspeaker Florian Huiskamp on the role of Sosabowski before and during the battle.

THE 1ST INDEPENDENT POLISH PARACHUTE BRIGADE IN OPERATION MARKET GARDEN
On Friday evening the 19th of October the SFAM organised its second Airborne themeevening. The theme for this evening was the 1st Polish Independent Parachute Brigade during Operation Market Garden. Dr. Florian Huiskamp was our main speaker for this event. He was promoted on the subject of‘ Polish soldiers in western Europe during World War 2’ in 2015 and turned out to be a real subject matter expert. In the presence of 42 attendees he went back in time to the September days in 1944 and zoomedin on the combat operations north and south of the river Rijn.
Anyone who wants to understand the Polish military presence in western Europe during World War 2, will find its prelude in the Interbellum; the years between the First and Second World War. Dr. Huiskamp briefly elaborated on the consequences of the founding of a renewed Polish state in 1918, the importance of a militarised society and the meaning
of Polish patriotism. A society in which young men were prepared to serve in the Armia Krajowa, the Polish Army in Poland. Most attendees were, besides the role of the Polish Parachute Brigade, undoubtedly aware of the contribution to the liberation of southern Netherlands by the Polish Armoured Division. The size of these, and other Polish forces however turned out to be a surprise. After the release of Polish soldiers from Russian imprisonment, as a consequence of the SikorskyMaisky treaty in July 1942, more than 150.000 of them found their way to the West. An additional 200.000 fought, whether or not under pressure of the Russians, in the Red Army against the Germans.

With regard to this theme it is important to understand that it has been stipulated by the Polish government in exile that the newly created Polish Parachute Brigade primarily was to participate in the liberation of Poland. For that reason they didn’t take part in the operations in Normandy in the summer of 1944. The Brigade solely was to be used in smaller operations and would have been extracted in case it suffered more than a 15% casualty rate. This prerequisite might explain MajorGeneral Sosabowski’s sceptical attitude towards Operation Market Garden’s feasibility. We have to take into account that the Polish paratroopers presumably considered the developments with regard tot the Warsaw uprising more important than their contribution to the liberation of Holland. The uprising in Warsaw started at the 1st of August. For a long time the Polish paratroopers to play a role in this uprising.

The meaning of MajorGeneral Sosabowski as the commander of the Polish Parachute Brigade, and his attitude towards his British superiors didn’t remain unmentioned. Dr. Huiskamp portrayed MajorGeneral Sosabowski as a patriotic, social and paternal leader who, with a strong developed sense of ethics, really took care of his soldiers. It’s true that Sosabowski was critical on the initial plan of Market Garden and its underestimation of the German military strength, but he was determined as well.
Field Marshall Montgomery’s critics after the operation, and his accusation that ‘The Poles fought very badly’, as a consequence of Sosabowski poor leadership, also is completely unjustified.

FINALLY LANDED
In his presentation Dr. Huiskamp clarified the challenges and setbacks the Polish Brigade was confronted with. According to the initial plan the Polish paratroopers were supposed to land on Tuesday 19th of September just south of the bridge at Arnhem. Due to bad weather conditions in England the drop was postponed until the planned drop south of Arnhem bridge was no longer an option. An alternative Dropping Zone was allocated close to the village of Driel. From there the Polish paratroopers were supposed to cross the river Rhine making use of the ferry and reinforce Major General Urquhart’s beleaguered troops at Oosterbeek. Major General Sosabowski was forced to make this new plan while waiting at the airstrip of Saltby airfield. He shared this plan with his battalion and company commanders on Wednesday the 20th. But the departure was again postponed, just after the engines of the aircraft were started.

Maj.-Gen. Sosabowski inspects his troops.

Another day later, the Poles departed for Holland on Thursday the 21th of September. Of the original 114 aircraft, just 72 arrived at Dropping Zone K at the end of the afternoon. The remaining 42 aircraft were ordered to return to England during their flight due to bad weather conditions. Instead of the 1568 departed Polish paratroopers just 1003 reached Dropping Zone K. They belonged to 2nd and 3rd Battalion. The casualties during the landing were limited despite the fact that the Germans were able to bring effective machine gun and mortar fire at the Dropping Zone. Immediately after the landing the Poles were heading towards the southern river banks
only to find out that the ferry is not present anymore and the opposite side of the river in German hands.

On 2230 hours in the evening Captain Ludwik Zwolanski reports to Major General Sosabowski. Zwolanski is the Polish Brigade’s liaison officer at 1st Airborne Division HQ. He has swum across the river and is carrying a message from Major General Urquhart. His urgent request is to cross the river this night using im provised rafts. These rafts will be ready at 0100 hours. Anxiously the Poles wait until 0300 hours. When no rafts show up, Major General Sosabowski is forced to withdraw his soldiers to the village of Driel.


In the early morning of Friday the 22th of September, the first elements of 30 Army Corps’ reconnaissance unit, the Household Cavalry Regiment, arrive at Driel. Two platoons commanded by Captain Wrottesley were able to make use of the dense morning fog and arrive at Driel via Valburg and Heteren. Later that day they are followed by a battalion of the Duke of Cornwall’s Light Infantry reinforced by a squadron of tanks of the Dragoon Guards.

In the evening a second attempt is made to ferry troops to the northern bank of the river. This time 8th Parachute Company is tasked to do so. Unfortunately only 5 small inflatable boats are available. With these boat 52 Polish paratroopers are ferried across the river. Saturday the 23rd of September is used to plan a collaborative effort to bring more Polish paratroopers and infantry units of 130th Infantry Brigade across the river. Sosabowski’s Chief of Staff is assured that more boats will be made available and that the crossing will be supported by 30 Army Corps’ artillery. In the afternoon the remaining Polish paratroopers, who were called back at Thursday, finally arrive in Holland. They land by parachute close to Grave and march on foot to Driel were they arrive on Sunday.
The third attempt to cross the river is made in the night from Saturday to Sunday. In the end only a limited amount of boats is made available. This results in an additional 153 Polish paratroopers reinforcing the defensive positions in Oosterbeek.

PROVOCATIONS
On Sunday morning the 24th of September Lieutenant General Horrocks, commander 30 Army Corps, visits Driel. To Major General Sosabowski’s surprise he is not accompanied by Lieutenant General Browning, commander of 1st Airborne Corps.
From the church tower Sosabowski informs Horrocks about the current situation. Horrocks is listening but doesn’t react. After the update he orders Sosabowski to report that afternoon at the HQ of 43 Wessex Infantry Division at Valburg. It turns out to be an inconvenient meeting. Besides Lieutenant Generals Horrocks and Browning, the commander of the 43 Wessex Division, Major General Thomas, is present. Initially Sosabowski’s translator Lieutenant Dyrda is not given permission to be present during the meeting. Only after some Polish urging does Browning agree. Major General Thomas opens the meeting by informing Sosabowski that his brigade is now under his command. He continues by announcing this night’s upcoming crossing operation. An operation to be executed by 130th Infantry Brigade with its 4th Battalion The Dorset Regiment and 1st Polish Parachute Battalion. The operation will be lead by Brigadier Walton, 130th Infantry Brigade’s commander. It’s an overt provocation. Not just because Thomas is deciding which Polish battalion is to take part in the operation. But specifically because the crossing operation is to be executed by a general lower in rank than Major General Sosabowski. It results in a serious disagreement after which furiously Horrocks reacts at Sosabowski that ‘you are under my command and you have to do as ordered’.

Intermission during the theme evening at ‘t Huukske.

In the end the operation is carried out that night. Not with the purpose to reinforce the existing bridgehead of 1st Airborne Division, but to hold the perimeter in own hands and to facilitate 1st Airborne Division’s retreat. With just 9 inflatable boats the Dorsets are the first to cross. Their mission is to seize the Westerbouwing heights. Just half of the battalion succeeds in crossing the river. Most of them are taken prisoner when they reach the opposite bank. This last attempt to bring forces to the northern bank turns out to be an additional failure.
In the afternoon of the 25th of September the decision is made to retreat the remaining elements of 1st Airborne Division to the southern bank of the river. This operation will take place the same night.
Under cover of darkness and artillery support Urquhart’s men silently move in the direction of the river. The soldiers of 8 Parachute Company are among the forces to act as rearguard. Just 2323 soldiers of 1st Airborne Division reach the southern bank of the river. Amongst them 160 paratroopers of the Polish Parachute Brigade. Approximately 120 Polish paratroopers get captured. That same day the Polish Parachute Brigade leaves Driel on foot. They march from Driel to Nijmegen. On the 6th of October the Polish Brigade is transferred to a British base close to the Belgian Canal coast. From Oostende harbour they return to England by boat on the 10th and 11th of October. – Otto van Wiggen

Dr. Florian Huiskamp’s thesis ’Without fear and without reproach’ (‘Zonder vrees en zonder verwijt’) can be viewed and downloaded for free on www.polishsoldier.nl

The Hague 2006: Queen Beatrix awards the Order of William to members of the 6 Brygada Powietrznodesantowa (the 6th Polish Parachute Brigade from Krakau), the successors of the 1st Brigade.

A LETTER THAT WAS LAID ASIDE HOW THE POLES AT DRIEL COULD HAVE BEEN RECOGNIZED EARLIER
The Polish paratroopers who fought in Holland in September 1944 had to wait 62 years before their rehabilitation. This postponed rehabilitation came too late for most of them. Just one official action could have initiated the formal award for the Polish Parachute Brigade already during the sixties of the previous century.
It’s late in the afternoon of the 21th of September when the first Polish paratroopers land by parachute south of the Rhine near the village of Driel.
At that moment Operation Market Garden is in its fifth day. The situation on the British side at Arnhem is severe. The Arnhem bridge has been retaken by the Germans and the 1st Airborne Division is surrounded in a small perimeter in Oosterbeek. Polish suport is much needed. In the days to follow Polish paratroopers are ferried across the
Rhine to support their besieged comrades. Despite these attempts the 1st Airborne Division is forced to retreat on the 26th of September. As a result of the combat operations more than 100 Polish paratroopers are killed in action. In the aftermath of the operation British army command blames the Poles for ‘not having being combat ready’ and ‘not having fought bravely’. As a result the British command forces the brigade commander, Major General Sosabowski, to resign on the 9th of December.

BATTLE ON PAPER
55 Years after the battle, Dutch student journalism, Geertjan Lassche, is in the process of making a documentary for the Evangelical Broadcasting about a Dutch nurse from Driel, Cora Baltussen, and a Polish veteran: Corporal Wladislaw Korob. The movie describes their experiences in the vicinity of Driel during the Battle of Arnhem. When Lassche learns about the fact that the Polish paratroopers have never been awarded for their contribution, he commits himself to produce a television documentary about the Polish participation in the battle.
In January 2004 Lassche is given permission and a budget from the Evangelical Broadcasting to start the production. In the following months he is able to interview a large number of veterans, eye witnesses and previous commanders about the case. Bit by bit Lassche discovers that various efforts have been tried in the past to honour the Polish Parachute Brigade. In the summer of 2004 he opens up a document in the archives of the Ministry of Defence in which Queen Wilhelmina approves a presentation to award 10 Polish paratroopers for bravery. Additional to this, a letter written in 1961 by Cora Baltussen is found in which she requests the Queen to award the Polish Brigade. It turns out that Queen Wilhelmina’s approval has been sent forward to the Ministry, but that it has been pushed aside because it concerned ‘a political sensitive issue’.
Lassche thereafter tries to contact Prince Bernhard. The Prince is willing to cooperate. At that moment he is unaware of Queen Wilhelmina’s approval. In September television channel Netwerk informs the Ministry of Defence about the existence of these documents. They request an interview with Henk Kamp, the Minister for Defence. Henk Kamp responds that a Ministerial Decision, originating from 1952, prevents him to reward acts of bravery committed during World War 2. Prince Bernhard calls upon the Dutch Parliament to reward the Polish Parachute Brigade and their commander posthumously with the highest Dutch award, the Military Order of William.
Television Channel programme broadcasts an condensed version of Geertjan Lassche’s documentary ‘God bless Montgomery’, ‘the forgotten Poles in the Battle of Arnhem’ on the 14th of September. This is followed by an interview with Prince Bernhard. Additional new facts emerge about the Polish contributions demonstrated during the Battle of Arnhem. After the broadcast questions are raised in Parliament by Frans Timmermans (Socialist Party) and Hans van Baalen (Liberal Party). The formal reaction of Henk Kamp is that the Ministerial Decision from 1952 precludes an official award. Timmermans and van Baalen are tenacious. They submit a resolution in which they request the Parliament to task the Capittel of the Military Order of William to investigate options to reward posthumously. This resolution is accepted unanimously.
One year later, on the 9th of December, sufficient evidence has been collected to demonstrate that soldiers of the Polish Parachute Brigade fought bravely indeed. Their contribution was more than important during the entire operation. The investigation team lays hands on an encrypted message of Field Marshall Montgomery in which he accuses the Polish soldiers of not fighting well.
This statement is the most important evidence of the British humiliation of the Poles.
On the 31st of May 2006, Queen Beatrix, reaches out the Order of William to the 1st Polish Independent Parachute Brigade. Major General Sosabowski’s relatives receive the Bronze Lion, in the name of the deceased General. – Otto van Wiggen

Photo 1: German soldiers from various units (photograph: Kriegsberichter Pospesch. Source: Bundesarchiv)

MINISTORY 129: LOCATION OF FAMOUS PHOTO FOUND (3)
For the time being this will be the last photo in the series ‘discovery of an unknown location’ of a photograph taken during the battle of Arnhem. It’s not sure if this picture was taken at the time. The official caption only reads: “Schlacht um Arnheim (…) Zu den rasch zusammengefasste deutsche Kräften, die gegen die gelandeten Truppen eingesetzt werden, gehören Grenadiere des Heeres, Männer der Polizei, Fallschirmjäger und SSPanzergrenadiere.”

The location was unknown. The photo is much used in books on the battle because it illustrates the diversity of German troops quite well, and thus the German improvisational abilities. A Waffen SS officer, Fallschirmjäger, Luftwaffe soldiers and regular Wehrmacht soldiers can be seen. The details in the background have often led to wrong conclusions. The scene was often wrongly placed at the railway yard in Arnhem, because of the visible overhead lines. It turns out that it is not Arnhem, but a city further south: the photo was taken in the Keizer Lodewijkplein (nowadays the Trajanusplein) in Nijmegen! The trees in the background are in the Hunnerpark. We are looking northwest, the Waal bridge is behind the trees. The SS Hauptsturmführer, identifiable by the rank insignia, is most likely Karl Heinz Euling, the commander of the German positions in that area. The pylons and other posts can be seen on several photos from 1944-45 (see pictures 2 to 4).

Photo 2: A German 88mm gun in Keizer Lodewijkplein, looking south to the Meester Franckenstraat. (source: collection of the Regional Archive, Nijmegen)

Aerial photos show there were six roads leading into the square and two tram lines across it. Both tram lines came from the St. Jorisstraat on the southern border of the Hunnerpark, a double line led to the Meester Franckenstraat, and the other single line ran down Ubbergseweg, along the back of Huize Belvoir. The dark pylon right in the middle of the Pospesch photo belongs to the Ubbergseweg tram line. The curved crossbar on which the overhead line hangs is situated on the left of the tram. The other white poles and the ‘portal’ only appear on photos from 194445. Perhaps it is a kind of emergency suspension for the overhead line of the other tram line. Finding a location like this is like looking for a pin in a haystack. The trick is to make the haystack smaller. In addition, you have to be lucky. This time part of the solution, after a couple of unsuccessful attempts, was photographer Pospesch. Only a handful of photos are known of him during Market Garden, including a few from the battle around the Pannerden ferry. He was attached to the Frundsberg division and made photographs of the units crossing there. In these photos in Market Garden then and now from Karel Margry (p. 359) you immediately encounter a Hauptsturmführer in the description: Euling. His unit was one of the first to cross and would eventually arrive in Nijmegen around noon on the 18th.

Photo 3: Keizer Lodewijkplein, looking east. In the background the burntdown Huize Belvoir, the position of the Fallschirmjäger (source: collection of the Regional Archive, Nijmegen. Photo 4: Keizer Lodewijkplein, looking south. Left, behind the post: Graadt van Roggenstraat, right: Meester Franckenstraat (source: collection of the Regional Archive, Nijmegen

Euling took command of the position that protected the southern ramp of the Waal bridge, in the Hunnerpark and around the Keizer Lodewijkplein. Searching on photos from 1944/1945 then yielded the result of photos 2 to 4.

With that, all the pieces of the puzzle fell into place. It is known that Kampfgruppe Euling consisted, among other things, of units of Fallshirmjäger, Luftwaffe (Hermann Göring) and WaffenSS. This is exactly the same as the soldiers depicted in Pospesch’s photo (1). We also know that Pospesch was in Nijmegen because of the statement from miss C. Omboo from Lent: “On Sunday evening, September 17th, a German press photographer came to ask us for quartering. The photographer said: “Ich mache das Sie nicht mehr Soldaten bekommen! The name of the photographer was Carl Pospesch. He came back from Nijmegen with holes in his trousers, from the shooting at the Valkhof’.”

Photo 5: Obersturmbannfuhrer Otto Paetsch (who also fought in Arnhem), Brigadeführer Heinz Harmel and Euling. The photo was taken in February of 1945. (Source for photo 6: Bundesarchiv, 18320060819500)

If September 18th is correct, then the photo must have been taken on the afternoon of the 18th, because Euling was not there before that date. And then about the identification of Euling: on famous photographs of him from the war he almost always wears a field cap. That was not very common, but it was also not exceptional (see photo 5). There is certainly a similarity in the Hauptsturmführer of photos 1 and 5. That, added to the time and location, makes it almost certain that our man is Euling. A few years earlier and we could have asked him; he passed away in 2014.
– Paul Meiboom With thanks to Karel Margry for the original caption (photo 1) and Bob Gerritsen for the quote from Mrs. Omboo from Lent.
Comments: pemeiboom@gmail.com

TEEROSEN OP DE VELUWE – W.H. TIEMENS
Teerosen op de Veluwe by Willem Tiemens, a book that was published over 30 years ago, is still something special. Not only because it is about the then new Ylevel system of the Luftwaffe, but also because it relates extensively about the daily life of the women and men who where billeted on Terlet and the Zijpenberg (a ridge of hills in the province of Gelderland) during the Second World War. Both positions were codenamed Teerosen T for Terlet.
Before Teerosen on the Veluwe came out Tiemens had already published another book: Facetten van de Slag om Arnhem (1984): it contains a number of subjects that deal with the Battle of Arnhem, such as the alleged betrayal of double spy Christiaan Lindemans, aka King Kong. But it also carried a story about Diogenes and Teerosen, the German Luftwaffe command bunker of the 3. JagdDivision on the Koningsweg in Schaarsbergen and both Teerosen radio traffic interception units, where hardly anyone knew anything about it at that moment.
The most interesting chapter of this book is the translation of a diary of a noncommissioned officer of Teerosen 2, under the title ‘I like it here …’.
This diary was found shortly after the war in one of the vacant barracks at the huge Diogenes command bunker. Tiemens later managed to trace the family of the author in question and was given permission to publish the diary notes from 17 February to 23 July 1943 in translated and anonymized form. This story gives a special insight into the daily life of the men and women on the Zijpenberg and Terlet and has undoubtedly been the reason for Tiemens to find out more about the two Teerosen positions, through the contacts with the Interessengemeinschaft Luftnachrichten Regiment 201. During the annual meetings of this veteran club Tiemens spoke with the elderly men and women, and he got access to unique photo material from private collections.
In the end these stories and photographs formed the basis of what we now know as the Teerosen book, a publication of which, to my knowledge, there is no equivalent worldwide.

Teerosen op de Veluwe Written by: W.H. Tiemens Publisher: Lunet, Naarden 1986 ISBN: 9071743012 Format: 125 pages

Usually this type of publications deal with military actions, the tactics used and the technical background, but they are not the main focus of attention in this book. Teerosen op de Veluwe is mainly about how the boys and girls of the Luftnachrichtendienst in the two new Teerosen positions on the heath near Arnhem tried to get through the war as pleasant as possible. It will came as no surprise that amorous encounters happened between the soldiers, the conscripted men and female volunteers of the Luftnachrichtendienst. It all can be read extensively in this book and in Facetten van de slag om Arnhem. Marriages and possibly also Teerosen children have occurred.
For some of the Teerosen men the war ended less peacefully: about 50 of them were deployed at the battle in Elden and Elst from 20 September 1944, under the leadership of Hauptmann Willi Weber.
In Teerosen op de Veluwe it is stated that Weber was ‘mainly interested in an award’, which he was told by his former colleagues after the war. Interesting in the context of the historiography surrounding the Battle of Arnhem is also the correspondence that Tiemens had with FliegerHauptingenieur Wolfgang Fricke, a civilian DiplomEngineer with the military rank ‘auf Kriegsdauer’,
who together with his chief Oberleutnant dr. J.A. Schaeder was responsible for the technical development and tests under war conditions of, among other things, the new Ysystem. This technical staff was housed in Arnhem in the Christelijk Lyceum on the Utrechtseweg. Fricke describes in his letters exactly what happened on 17 September 1944 in the city and how they had to leave the battle front.

Facetten van de Slag om Arnhem Written by: W.H. Tiemens Publisher: De Gooise Uitgeverij Weesp 1984 ISBN: 9026945701 Format: 192 pages

Visitors at the Airborne Cemetery in Oosterbeek.

That the technical and tactical information written down by Tiemens about the Ylevel system is incomplete and is now somewhat outdated here and there, is easily said with hindsight. Tiemens did not have a medium like the internet at that time, forty years after the end of the war. All information had to be recorded from existing publications, where available, correspondence and conversations with eyewitnesses. That all interviewed exservicemen and women did not exactly know what happened and when, after 40 years had passed, is even less surprising; the Ysystem was top secret after all and information was provided purely on a ‘needtoknow’ basis. Willem Tiemens, who passed away in 2005, cannot be condemned for that. It is his merit that he has taken the trouble to speak and write to the people who where there and who lived through the days, and thus to record an important piece of Arnhem war history. It is only right and proper that the Teerosen book is still wanted today. Years ago I bought my copy at De Slegte for a few Guilders. Mint copies are worth at least ten times that amount in Euros now. – Willem Kleijn More: www.airbornearnhem.nl/WillemTiemens
In this new section Forgotten work we highlight publications that have withstood the test of time well, and which for that reason are still important for a broader understanding of the military operations in the east of the Netherlands during World War Two.

PERSONAL STORIES AT THE OOSTERBEEK CEMETERY
Every year in September, when the streets of Oosterbeek are marked by maroon flags, the fallen airbornes are commemorated. Increasingly this is done by personal messages and stories which are left close to the graves on Oosterbeek cemetery. What do these messages tell us?
In the leafy northern edge of Oosterbeek, the Airborne cemetery is situated, fringed by oak trees which hardly tend to autumn on this beautiful day. In the silence, acorns can be heard plumping down. High in the blue sky the thin cry of a buzzard can occasionally be heard. On the sundrenched cemetery, flowers attract the attention: on the white natural stones with the inscription ‘Stone of Remembrance’ and to the lawn in front of the tombstones. The flowers disturb the tight rhythm of white and green. The asters, golden daisies, sunflowers, white roses and little bouquets in red, white and blue have been laid down here a week ago by local school children; on each of the 1754 graves. A tradition started in 1954.
Messages have been placed on many graves, attached to flowers or wreaths or just on a piece of paper. Quite often it is a personal message directed at the deceased, like ‘My darling Dad, Love and miss you always’. A wooden memorial is inscribed ‘from your grandsons who never knew you, from your son who never forgot you’. Not just family members come to Oosterbeek to commemorate their dead, but other relatives as well. On behalf of the cadets and students of St. Mary’s College Crosby plastic poppy wreaths are placed at two graves of former pupils of this school in the vicinity of Liverpool.
Often the framed and laminated messages are addressed to the visitors. Some concise, others more lengthy. The stories illuminate the military career and explain where and when the one died. Corporal Henry Large’s family narrates that he reenlisted voluntarily after he got wounded in June 1944 at Caen in Normandy. He fought with the 5th Battalion the Duke of Cornwall Light Infantry and ‘was killed in action at Driel, Holland, we think’.

SOME COMMENTS
Other messages go beyond just the personal level.
They comment on historiography such as at Canadian Sapper McKee’s grave. McKee is one of the seven Canadian soldiers who perished during Operation Berlin, the evacuation and crossing of 1st Airborne Division to the southern bank of the river Rhine.
The author notes that most reports about the Battle of Arnhem don’t pay attention to the evacuation and often even ignore the Canadian contribution to the operation. ‘Buck’ McKee was hit by shrapnel, while he was engaged in dragging the canvas boats from the trucks to the bank of the river.
Some texts go one step further yet, by commenting on the identification of a few Polish graves. They show portraits with an explanation attached in English and Polish, and are accompanied by email addresses. On a tombstone of an unknown Polish soldier, with just the rank and the indication ‘September 1944’ on it, a note is placed that reveals the name and unit, but also where, when and how the soldier was killed in action. At the graves of two unknown Polish soldiers, an attached piece of paper explains which person is buried in one of them. This Polish soldier was shot shortly after the landing, after he surrendered to the Germans. Three additions can be found, on one of them at a named tombstone.
Spread around Oosterbeek cemetery one can witness the report of one Pole’s passionate search for the identity of his killed compatriots. A noble aspiration, but you have to be absolutely certain to argue who the unknown dead are at a cemetery, and even more so to report a wrong name on tombstone. Try to imagine what Polish relatives must feel who find such a text on the grave of their loved one.

FAMOUS WAR PICTURES
Except through the written notes, the memory of the dead is kept alive by pictures. Many graves are decorated with individual portraits, often posed, some in uniform, mostly black and white and some coloured. Some pictures, made during the battle, stand out. One shows private William Preen of the Parachute Regiment. A famous war time photo is stuck in the ground in front of his grave. It shows some airbornes defending a trench along the Van Lennepweg in Oosterbeek. Preen turns out to be the most left soldier, equipped with a Stengun. The text refers to a Market Garden website of a Dutch teenager. At sergeant Turl’s grave, a Glider Pilot, lies another well known picture, hidden behind a vase of roses. A picture revealing two glider pilots cautiously entering the burntout school along the Kneppelhoutweg.
John Turl is the man in the back armed with a Lee Enfield rifle, according to the handwritten note. The picture was made on the 21st of September, just four days before Turl was killed. It’s jarring to see these pictures not in a book, but on the grave of the man in the photograph.

COMMEMORATION TOUR
Messages are left on war memorials as well. In fact, I came across the same message in different places.
It creates the impression of family members conducting a commemoration tour. A framed message at the grave of Sergeant George Edward Thomas tells us how he commanded a 17pounder antitank gun positioned in the flood plains nearby the Old Church in Oosterbeek. There he was fatally injured. The message mentions how his wife’s ashes have been scattered over his grave, 62 years after his own death. His family visited the Old Church at Oostbeek as the identical framed text placed at the memorial behind the church tells us.


Even after the war deceased veterans were commemorated in various locations around Arnhem and Oosterbeek. Even veterans who were buried elsewhere, like Ken Fleet, B company 156 Parachute Battalion. His friends commemorate him with flowers at lieutenantcolonel Des Voeux’s, his Commanding Officer, grave. Flowers have been laid for him on locations where this battalion fought. Such as the battlefield markers at the Dreyenseweg and at Hackett’s Hollow close to Valkenburglaan. Fleet died in 2005 at the age of 89. Signaller George Wray, 2nd Parachute Battalion, survived the war. He was able to reach Arnhem bridge, got injured and was taken prisoner. The signaller managed to escape, married after the war and got two children, according to the text which is illustrated with pictures of Wray. Pictures where he is behind the wheel of a jeep, posing in front of a Dakota airplane and drinking beer with his comrades. Messages about George Wray can be found on Oosterbeek cemetery in front of the ‘Cross of Sacrifice’, but at the Airborne Memorial in front of Hartenstein and at the Old Church in Oosterbeek as well.

The Polish researcher who is investigating the missing persons also made a tour along the battlefields. He attached a written note to a tree at the Hemelse Berg. Two additional Polish soldiers are thought to be buried in a field grave close by. They died the day after they successfully crossed the river Rhine and reached Oosterbeek. Two bouquets, a red rose and a small Polish flag turn this tree into a memorial place. Through these messages left behind, some soldiers get a face. We get a glimpse of their fortunes and feel how they are missed. They are just a few of the 1754 buried dead. The ones without a name, a face or a story are not missed less. This realization speaks from the contemplation laid down at some unnamed graves by a visitor. Every name is a face Every face is a human Every human an empty place Every empty place sadness Every face a unique sadness. – Ruurd Kok Thanks to Geert Maassen commenting previous versions of this article.

Albin Krzysik

ALBIN’S ENIGMA
Objects that have a relationship with the Battle of Arnhem can ben found not only at the Airborne Museum in Oosterbeek, but also at various museums in the Netherlands and abroad. The collection of the Overloon War Museum holds a service dress of a Polish parachutist that raises some intriguing questions.
In the nineties, the Airborne Museum was notified by the Polish embassy that a Polish veteran wanted to donate his service dress to the museum. The Polish military attaché at the time felt, however, that the uniform was a better fit for the War and Resistance Museum in Overloon (now: Overloon War Museum). The Airborne Museum already had a number of Polish uniforms and Overloon gladly added the desired item to the collection.

Krzysik carried the following batons:: Top row: Krzyz Walecznych 19391940 (‘Cross for bravery’), Krzyz NA POLU CHWALY 1944 (Cross ‘On the field of honour’), Medal WOJSKA with buckle for the 2nd award (Army Medal) Bottom row: The War Medal; The Africa Star; The France and Germany Star. On the left chest pocket we see the badge of the prewar Polish Highland Rifle Brigade.

PARACHUTE OR GLIDER?
The service dress was worn by 2/Lt. Albin Krzysik.  Albin was, according to tradition, part of

On the uniform we see his parachutist badge with laurel wreath. The wings are numbered 553, the number of the laurel wreath for combat jumps is 26. The current uniform has the rank of a captain. For his dedication, Krzysik received the Cross for courage. The right and left collar bears the emblem of the Polish parachutists. These are embroidered and are probably a private purchase.

the Polish front detachment and landed, so the story continues, north of the Lower Rhine during the Battle of Arnhem. This is not very likely, according to Jan Lorys’ 1st Polish Independent Parachute Brigade Group: Polish Airborne Forces at World War II at ArnhemDriel 1944: list of participants. On page 66 I read that Krzysik belonged to brigade headquarters and landed on an unknown date. And by glider.
But how did Albin get the laurel wreath for his battle jumps? The only jump he could have made during Market Garden was on Driel. Unless he landed with the main force of 1st Airborne on September 17th. I once again picked
up a book. In George Cholewczynski’s The Poles of Driel I read that on that day only one Polish parachutist jumped, namely: Alphons Pronobis, 1st Lieutenant, wing number 1353, Battle Jump No. 14. Alphons was a scout for the brigade. Interestingly, according to the Polish Institute and Sikorski Museum, Alphons did not land on 17 September, but on 18 September 1944. Also by glider. One of these ten Polish gliders transported a detachment of the brigade headquarters.
That Cholewczynski is wrong is not very likely. The name and date are too specific for that.
But how the laurel wreath ended up on Krzysik’s uniform probably only Albin knew. – Wybo Boersma

TAXI’S, TSHIRTS, AND MORE – HOW THE MARKET GARDEN FOUNDATION MAKES ITSELF HEARD
At the start in 1993 the website www.marketgarden.com was one of the first websites on the Dutch internet. The globally operating Market Garden Foundation (MGF) now has quite a track record that goes far beyond running a site. A brief history of the foundation from the 60th commemoration of the battle onwards.

2004: Unveiling of the Digital Monument, officially launched during the 60th anniversary with a live broadcast on television. The Digital Monument contains files with data and photographs of more than 3,363 airborne troops, support units and 640 civilians who died during Operation Market Garden.
Many files contain information about the circumstances in which or where the person has been killed.
The Digital Monument is still being expanded. In 2004, the MGF also launched a tshirt campaign for the school children of Oosterbeek. The shirts, with the famous quote “I am a child of freedom” on them, are now a collector’s item.

2005: Publication of the book All men are brothers, containing the roll of honour of the 1st (Polish) Independent Parachute Brigade

2006: Unveiling of the Aircrew monument, at the back of the Airborne Museum. Since 2006 a commemoration has taken place every year. 2006 was also the year of the rehabilitation of the Poles; MGF is supervisor of the Bronze Lion of the Sosabowski family.

2012: Taxi crossing from England: 86 London cabs carrying 160 WW2 veterans to attend the Dutch May 4th commemorations and the celebration of Liberation Day on the 5th.

2013: Creation of the RECCE monument, behind the ‘needle’ opposite the museum.

2015: 4 and 5 May: the last big ‘taxiaction’ of British WW2 veterans, including a large number of Market Garden and Arnhem veterans.

2016-2018: Organization of a guest of honour event for the 70th Airborne Walking Tour: five Arnhem veterans who also came by taxi.

2018: Unveiling the monument for Dakota 626 at the Bakenbergseweg in Arnhem, in collaboration with The Royal British Legion Holland Branch. For further details see: https://www.fz626.com. More about this monument in the next issue of Airborne Magazine.

REACTIONS: “I PROBABLY LEARNED MORE FROM THE TOUR THAN FROM AN ENTIRE BOOK”

Why, ‘battlefield tours only for middleaged men, clad in polo shirts with regimental badges?’ Teun van Ingen, a teenager with a keen interest in military history, proves otherwise. He wrote to our magazine about the Border Regiment trip he went on in October.

Hello, my name is Teun van Ingen, I am thirteen years old and I live in Rhenen. On 6 October I went on a battlefield tour with my father. It was about the 1st battalion of the Border Regiment. I knew almost nothing about this battalion beforehand, so at first it was a bit difficult to understand which company landed and in what direction they were going.
I take an interest in the Second World War and I already did a presentation at school about the Grebbeberg. I take part in the Airborne walking tour every year and have been to the museum a few times, but I never really thought about the battle of Arnhem. By the way, I am a Vitesse fan and I know that Vitesse plays a game in the Airborne shirt every September. But I did not know that much about Market Garden.
Because I wanted to know more about the battle, I joined a battlefield tour of the VVAM. I really liked it! I was amazed by what had happened everywhere, not just by the movements of the troops, but also by a lot of personal stories of soldiers and civilians. The break was very nice; the reenactors made the whole story very special. They did several mockups of what had happened on the very spot where it all took place in 1944, and they showed how certain actions had developed.
I learned a lot about the landing zones and the various units that landed around Oosterbeek. But I learned a lot from the Allies also, even from the German side and what happened there. I have now been to a number of places where I often pass during the walking tour and where something very important has happened.
For me the best thing of the tour were the guides: Erik and Luuk. They were so attentive. And the further we came the more I felt I had to know more about the battle. If I ever have the chance to go on a tour again, I would definitely do so. I may have learned more from this tour than from an entire book. To sum it up in one word: great!!!
Best wishes, Teun van Ingen

PROPOSED PROGRAM 2019
SPRING
15 February: Theme night ‘Antitank during the Battle of Arnhem’

16 March: General members meeting with a lecture on the Landstorm

13 April: Book fair

27 April: Battlefield tour: 156 Parachute Bn 1216 May: Battlefield tour: Normandy

18 May: Halfday theme ‘The Glider Pilot Regiment’

June: Theme night (to be decided)

FALL
7 September: Battlefield tour: Lombok (Arnhem) September: Battlefield tour: Market Garden (to be decided)

5 October: Battlefield tour: Pegasus 2

16 November: Airborne Day

13 December: Theme night (to be decided)

For further information concerning the various activities, to sign up for events, or to make changes to reservations, please visit www.vriendenairbornemuseum.nl or send an email to: activiteiten@vriendenairbornemuseum.nl

Member displays at Airborne Day 2018.

UPCOMING MAGAZINE ISSUES
NUMBER 14 APRIL 2019
NUMBER 15 AUGUST 2019
NUMBER 16 DECEMBER 2019

CONTRIBUTE TO THE MAGAZINE
The editors are eager to hear your comments and suggestions, and welcome any articles you may want to send in. For an efficient process, please request the submission guidelines via: magazine@vriendenairbornemuseum.nl

THE BACK COVER: On 11 November 2018, Independence Day in Poland, president Andrzej Duda handed out posthumously the Order of the White Eagle to Stanislaw Sosabowski (18921967). This year it is 100 years since Poland regained its independence. The Order of the White Eagle, Order Orła Białego in Polish, is the highest award of Poland awarded to both citizens and soldiers for their great earnings. The order has been posthumously awarded to 24 other famous Poles.

The Airborne Magazine is a publication by the Society Friends of the Airborne Muse-um, Oosterbeek and is released three times a year. The purpose of the magazine is to promote the Airborne Museum, the activities of the Society of Friends, and the general history surrounding the Battle of Arnhem.
Editorial staff:
Alexander Heusschen (magazine@vriendenair-bornemuseum.nl), Jasper Oorthuys, Otto van Wiggen
Contributions by: Wybo Boersma, Alexander Heusschen, Teun van Ingen, Erik Jellema, Willem Kleijn, Ruurd Kok, Paul Meiboom, Leo van Midden, Martijn Reinders, Otto van Wiggen
Archive and magazine back issues:info@vriendenairbornemuseum.nl
Design and layout: Christy Beall
Printing: Grafi Advies, Zwolle
SFAM Email address: info@vriendenairbornemuseum.nl SFAM telephone number: +31 06 510 824 03.
Mailing address: VVAM, Wissenkerkepad 22, 6845 BW, Arnhem.
Website:www.vriendenairbornemuseum.nl

Oil painting of Maj. Gen Stanislaw Sosabowski at the Muzeum Wojska Polskiego, Warsaw Poland. (see also page 35)

NO.12 AIRBORNE MAGAZINE A publication by the Society Friends of The Airborne Museum 30/08/2018

TABLE OF CONTENTS
3. From the board: Society affairs

5. Obituary of honorary chairman chairman Chris van Roekel

7. Archaeology: A recently discovered shell fragment

9.Arnhem Lombok 18 / 19 September 1944

10. Learning about the Battle of Arnhem by listening

12. 1st Battalion the Border Regiment during the Battle of Arnhem

24. Ministory number 128: Determining the location of a famous photo (2)

27. Germans on the west side

28. An exciting discovery by Arnhem bridge

32. Soldiers of the Air Mobile Brigade visit the Airborne cemetary

35. 2018 Program

Cover: The tank track recently found near the bridge most likely comes from the Panzer IV depicted on the cover.

After the conclusion of the general members meetins on March 17th, retired Captain Jack Bakker, curator of the Special Forces Regiment’s historical collection, gave a lecture on the history of the unit.( Photo: Willem Kleijn)

FROM THE BOARD: SOCIETY AFFAIRS
A formal report of the General Members Meeting (GMM) of March 17 this year will appear in due course on the Society’s website, but the board feels it is important to draw your attention to some important matters at this time.
First of all, the relationship between the Society and the Airborne Museum. At the start of January we received written notification from the Airborne Museum that it had decided to cancel the existing cooperation with the SFAM. As far as the Airborne Museum was concerned there was not
enough reciprocity in our collaboration. From the point of view of the Museum, the SFAM remitted too little of its income to the museum and the Museum considered the Society was not sufficiently willing to match its activities with those of the Museum. For this reason, the Museum decided that the entrance to the Museum would no longer be free for members of the SFAM. In February, the chairman of the SFAM attempted to sit down with the chairman of the Airborne Museum Foundation. The Foundation did not respond until well after the GMM. After some postponement, a meeting has been agreed for September. The board hopes to be able to report on this meeting in the next issue.
Despite the difficult relationship with the Museum, the board is happy to see that the new direction for the SFAM is apparently appreciated.
At the time of the General Members Meeting, barely three months into the new year, the SFAM had grown by 35 members. Fifteen among them had cancelled their membership earlier.
Apart from the relationship with the Museum, the board is very concerned with regard to the

English membership. The number of English members has decreased substantially over the last few years. In part this is the result of a lack of communication due to the, necessary, inward focus of the SFAM. Moreover, the long delays between the publication of the Dutch and Eng-lish-language versions of this magazine under-standably caused considerably irritation.
At the General Members Meeting several possi-ble ways of solving this situation were put forward. The board is currently investigating the possibility for a closer cooperation with the Airborne Fellowship, which has many more Eng-lish members, and has decided to carry all 2017 English members over to 2018 for free in the hope of regaining some goodwill and growth.
Moreover, the SFAM will publish all three editions of the Airborne Magazine in English as well, which will be sent to all English-speaking members. This promise was sent in the form of a letter by the chairman with the English edition of Airborne Magazine 11. However, the board is forced to conclude that producing and distrib-uting a separate English version of the Magazine is so expensive that SFAM can only afford to keep doing so if the number of English members increases substantially.
Finally, the board calls on the members of the SFAM again to consider if they are willing and able to help the Society. There is a great need of members to take responsibility in the areas of PR and communication, as well as for members will-ing to help organize the events of the Society and produce the Airborne Magazine.

CALL TO ACTION: EMAIL ADDRESSES AND YOUR PRIVACY

The SFAM tries to keep up with the times by way of, for instance, a new website and developing its Social Media presence. It is also looking to improve direct contact with its membership through, among others, digital newsletter. Therefore we would like to ask you to forward your email address via admin@vriendenairbornemuseum.nl so this information can be added to your existing data. Of course, you are free to submit a family member’s or friend’s email address if you do not have one yourself.
The new General Data Protection Act which went into force last May, affects the SFAM as well.
The board has taken action on this new law and has enacted a new, appropriate privacy statement about its membership data. The full text can be found at vriendenairbornemuseum.nl.
Very succinctly, the privacy statement contains a description of the different elements of member data controlled by the SFAM, how and why those data are collected and saved, and how members may see the data collected about them, how they may submit changes and, if they so desire, how their data may be erased from the SFAM files. For any questions, please contact the membership administrator via admin@vriendenairbornemuseum.nl

OBITUARY OF HONORARY CHAIRMAN CHRIS VAN ROEKEL
Chris van Roekel passed away at the age of 84 on June 1st. Chris was born and raised in the village of Oosterbeek, where he experienced the Battle of Arnhem. The events of the battle left a lasting impression on his life. His interest in World War Two, and in particular the battle in and around Oosterbeek, never wavered; it occupied him constantly. Hence it should hardly have been a surprise that he put all his considerable energy into the Airborne Museum and the Society of the Friends of the Airborne Museum for over forty years. He initiated countless activities for both organisastions, some of which we’ll mention here.

Chris van Roekel, 19342018. (Photo: Berry de Reus)

For the Society, Chris helped organize battlefield tours, among which journeys to the United Kingdom and Normandy. He lectured about the battle of Arnhem and took the initiative to start the Ministories which accompanied the SFAM Newsletter. Together with a number of volunteers he prepared, sorted and mailed the newsletter. With the secretary at the time he ran the Society’s shop and for many years he was chaired the organization as well. It made perfect sense to name him Honorary Chairman when he stepped down.
He visited the Airborne Museum nearly every day, and volunteered at the register and in the museum shop. He developed the ‘School Project’ for the benefit of the Museum, and helped develop the walking, bicycle and car routes for the area in which the battle raged in 1944. In 1993, he organized a lottery to raise money for the redevelopment of the museum. He collaborated in the restauration of the Canadian Sherman tank and the 17pounder guns around the Museum. Chris was one of the driving forces behind the purchase of the small bulldozer of the type that was transported to Arnhem by glider. His technical expertise was very welcome during the restauration of this special vehicle.
Chris was also a very active author of articles and books, among which a volume about the British Chaplains during the Battle and two books about prewar Oosterbeek. Many years he chauffeured the Leader of the Pilgrimage during the September commemorations of the Battle of Arnhem. Via a health care insurance company in Doorwerth, he was able to raise money for travel and hotel costs for disabled veterans. The Arnhem Veterans Club awarded him a silver Pegasus statuette for his efforts.
Chris was an organizer, an active worker and a fount of knowledge. He managed to achieve much, helped by his amiable character and welldeveloped sense of humour. We miss him greatly. – Wybo Boersma

MUSEUM ENTRY AND MEMBERSHIP CARDS
The board of the Society of Friends of the Airborne Museum wants to encourage its members to visit the Airborne Museum in Oosterbeek regularly, despite the fact that the original arrangement with the Museum was invalidated as of January first. The board is trying to come to a new agreement, but has not yet succeeded.
To continue to offer its members free entry to the museum, the board has decided that members will pay for their ticket at the Museum, but that they will be reimbursed by the society treasurer. A short email or letter to the treasurer with a scan, photo or copy of the entry ticket accompanied by the member’s bank data suffices. Please see the colophon for address information.
Moreover, if you own a Dutch Museum card, the board would encourage you to use it at the Airborne Museum. This benefits both the Museum and the Society of Friends of the Airborne Museum.
Taken together this means that the membership card, which has no other function within the SFAM, has been cancelled at least for 2018 to save on cost. That is why none was sent to you this year.

The firing line of the Pack Howitzers deployed around the Oosterbeek Old Church to Arnhem bridge( off-map).

ARCHAEOLOGY: A SHELL FRAGMENT
In 2013 and 2014 a combined archaeological and explosives examination was conducted in the southern floodplain of the Rhine across from the city of Arnhem in preparation for the Ruimte voor de Rivier (“Space for the river”) project. Both traces and finds were recorded which are connected to the building of the road bridge, a German light antiaircraft artillery position (leichte Flak), as well as the postwar Canadianbuilt Bailey bridge. It will hardly be a surprise that during this examination many fragments of ammunition were found. Any live ammunition recovered was handed over and destroyed, once all information useful for answering the research question was taken down.
Some iron shell fragments (37 in totaal), hardly significant at first sight, as well as a single brass remainder of a timed fuse were found near the abovementioned German AA position. These indications of incoming artillery fire were found immediately around the gun positions, which proves that the battery was shelled. Interestingly, Frost’s men, who were dugin north of the bridge between the evening of September 17 and the morning of September 21, received artillery support from guns deployed in Oosterbeek, a distance of some 5 kilometers as the crow flies. This fire was concentrated at targets near the southern onramp of the bridge, where the German positions were located.
This gets all even more interesting if we combine these data with the remains of some of the gun positions recovered around the Old Church in Oosterbeek in 1997 and 1998. The results of these examinations were recorded by a group of dedicated volunteers using a metal detector.
With the explicit permission of local authorities, this wellorganised group searched for missing soldiers in the Arnhem area in the 90s and 00s.
The finds recovered around the Church once belonged to the positions of F Troop, including the Troop Command Post, belonging to number 3 Battery of the 1st Airlanding Light Regiment. They were equipped with M1 75mm Pack Howitzers. From that area, to the south and east of the Oosterbeek Old Church, the group retrieved among other things several 75mm shells with their packaging materials, keys to set and modify the detonation (Setter Fuse M14), a British airbornestyle helmet, as well as a fragment of a maroonred beret with the Royal Artillery insignia still attached.

Finds from around Old Church. (Photo: Hans Timmerman)

It doesn’t often happen that both traces of the artillery positions and the results of their fire can be found and connected with any certainty. The archaeological report states that it is theoretically possible that the shell fragments belong to shells fired from the area around the Old Church in Oosterbeek, though the possibility that they were ‘normal’ 25pounder shells is not excluded. These might have been fired at the bridge area in the period betewen October 1944 and April 1945. Written sources show that the Howitzers around the Church fired in support of the British troops at the Bridge. This is thus hardly new information, but it is a kind of physical remainder of the contact that existed between the British troops within the Perimeter and those isolated around the Bridge. This way, one of the millions of shell fragments from the area can illustrate the historical narrative. – Martijn Reinders

 

FURTHER READING
• Bosman, A.V.A.J./R.C.A. Geerts/D. Sam (red.), 2017. Een brug te ver onderzocht. Archeologisch onderzoek in StadsblokkenMeinerswijk, gemeente Arnhem (ADC Monografie 22). • Buggenum, D. van/D. Timmerman/H. Timmerman, 1999. Weiland Nederlands Hervormde Kerk Oosterbeek. Een historisch onderzoek naar overblijfselen van de gevechten, die zich in september 1944 rondom de kerk hebben afgespeeld. • Truesdale, D./M. Cornelissen/B. Gerritsen, 2015.
Arnhem Bridge. Target MIKE ONE. An illustrated history of the 1st Airlanding Light Regiment RA 19421945. North Africa – Italy – Arnhem – Norway, Renkum.

FINDS FROM THE GROUND

In this new feature of the Airborne Magazine an archaeological find will be discussed, which is related to the Battle of Arnhem in the wider sense of the word. These may be finds from recent archaeological examinations, an accidental find, or something found in the area many decades ago. The objects under discussion here are never anonymous objects obtained at a militaria fair, or museum objects without known provenance. Nor will they only be weaponrelated matters.
Every object, however small or seemingly insignificant, has its own story to tell. They are tactile memories and sometimes personal witnesses of everyone involved in this black period of our collective history.
Martijn Reinders is an archaeologist at Greenhouse Advies, specialised in the history of the Second World War. He writes about a variety of topics related to the war, in which he combines historical and archaeological research.

Some of the audience listening attently, somewhat later in the evening at ‘t Huukske.( Photo: Bernhard Deeterink)

NEW AIRBORNE THEME-EVENING/THE BATTLES ON THE WESTERN EDGE OF ARNHEM 18/19 SEPTEMBER 1944
On the 11th of May the SFAM conducted a successful themedevening for both members and nonmembers. The theme for this evening was the combats in the western edge of Arnhem on Monday the 18th and Tuesday the 19th of September 1944. For this event we found an appropriate location in the neighbourhood café ‘t Huuske. A cosy place adjacent to the backyard of the Zwarteweg 14. In this house MajorGeneral Roy Urquhart was forced to hide himself in the company of two other officers during the crucial phase of the operation for nearly 14 hours.
The theme for this event was chosen due to the fact that the overall picture of this decisive phase of the battle is still obscured. It’s still unclear how a substantial force of four British battalions was concentrated in this area in the evening of Monday 18th of September, just 1500 metres short of the northern side of the road bridge, without any leadership and command of the 1 Parachute Brigade.
Despite this substantial force, it could not link up with 2 Parachute Battalion of John Frost. It turned
out to be the turning point of the battle of Arnhem. By making an inventory of the insights and discussing the views of the various subject matter experts, we succeeded in creating more clarity on the course of the battle. We will present this picture during a walkthrough Battlefield Tour sometime next year combined with corresponding publications in the Airborne Magazine.
On behalf of the SFAM the evening was initiated by Erik Jellema of the Activities Commission, assisted by contributions of Dirk Hoekendijk and Gerrit Pijpers. Dirk Hoekendijk, as the owner of Battlefield tours Arnhem 1944, elaborated on the German response and their operations. Gerrit Pijpers, coauthor of Arnhem Their Final Battle. The 11th Parachute Battalion 19431944 explained 11 Parachute Battalion’s role.
SFAM’s ambition is to organise an additional themeevening on the 26th of October. The theme will then be ‘the Polish Independent Brigade’. – Otto van Wiggen

(Photo: Erik Vos)

LEARNING ABOUT THE BATTLE OF ARNHEM BY LISTENING
“When you walk this street, the Brugstraat, you will reach the railway. During the Second World War a boy called Cornelis lived in that neighbourhood. Cornelis is not afraid of anyone. One day, Cornelis witnesses a German soldier washing himself with a bucket of water. He notices that the soldier puts aside his pistol and is not paying attention to Cornelis. Cornelis grabs the pistol and runs away…..”
WHAT WOULD YOU DO?
This is one of the stories you can be informed about by listening to Airborne Stories. It’s a new listening tour about the Battle of Arnhem. The story about Cornelis continues. ‘Later that day Cornelis steals a small flag from a German military car’. It sounds like an exciting boy’s book. But then the story teller addresses you directly. ‘What is your opinion about Cornelis’s behaviour? Would you dare to do something similar? Don’t answer this question too easy with a yes. Stealing a weapon from a German soldier in these days would have you shot immediately.
Even if you were a kid’.
PROVOCATIVE QUESTIONS
Airborne Stories is based on a walking tour and an app which can be downloaded on your mobile phone. By activating the app, you will be guided along a tour that comprises 25 locations where various stories are told about what happened during the Septemberdays of 1944. The app has been developed by Erik Vos and Marko van der Vegt. They both are from Arnhem. They won a competition organised by the municipality of Arnhem. ‘We wanted to create something to connect the past with the present’ both producers explain. ‘By standing on a spot you will be thrown back in time hearing the story. Not a history lesson read out, but a lively radio play’. Every now and then the story teller will ask you questions in a provocative way. ‘What would you do? Or: how would you react if your house were on fire?’
APPLICABLE FOR EVERYONE
‘At every listening location you may choose the subject and perspective of your choice’ the writer of the stories, Richard Derks, explains. ‘You may choose the military perspective. It’s about the German and British combat operations conducted during the battle. You may also choose the perspective of the civil population of Arnhem, who suddenly found themselves entrapped on the battlefield and were forced to evacuate their home town after the battle.
And there is the opportunity to listen to youth stories. What was it like to experience the battle form a child’s perspective? I imagine walking the tour as a family. Some on is listening to one storyline, the others to a different one. Informing each other on the way what they just heard’.
Listening location nummer 18, Utrechtseweg, the military perspective: ‘Imagine. It’s twilight.
Beyond the street you suddenly observe shades of men moving along the facades of the houses. They carefully avoid making noise but the become more visible. They are British soldiers. They dislike streets like these. Too narrow and to close, without any co
verage. William Loney and Norman Shipley are at the front. Their weapons at ready. Suddenly German machine gun fire opens up on them…’
ROLLING TANKS
‘Producing Airborne Stories was a lengthy process’ Erik Vos explains. ‘Firstly, you have to do a lot of research. Luckily we were supported by historical military advice from Leo van Midden and Dirk Hoekendijk who proved themselves real experts’. Secondly, we had to translate the entire content into the English and German language. After we did so, the voice actors could get to work. Claire King, Erik van Schaaik and many others taped the 75 stories.
Finally, Rien Valk was able to produce the sound editing. The singing of the birds, the sound of footsteps, the buzz of various people speaking to each other….But the sound of gunfire, rolling tanks and aircraft flying overhead as well. After that, developing and making the app needed to be done. All in all the project took us more than a year’.
Listening location 25, Boterdijk, civilian perspective:‘Take a look at your feet. You are literally standing on the remans of the city. After the liberation in May 1945, the inner city of Arnhem was turned into a mess. More than 3000 houses were completely destroyed. After the war, district by district needed to be cleaned and rebuilt.
The centre of Arnhem came last. Usable material was stored here at the northern side of the Rhine river and to be used for the reconstruction. The remaining debris was used to fill up the Old Harbour. That harbour once was here….right were you are standing’
HIKING MAP
The route is easy to be followed using the app, or a small hiking map that is for free. But you can also follow the red sidewalk tiles. The listening locations are indicated by metal ‘pushpins’ in the sidewalk.
The app is accessible in three languages. The hiking map is for free. The project Airborne Stories has been accommodated by the municipality of Arnhem.

 

Antitank gun Gallipoli 2 taking out a Char B at Koude Herberg.( Photo: credit this)

1ST BATTALION THE BORDER REGIMENT DURING THE BATTLE OF ARNHEM
On Saturday the 6th of October the Society of Friends of the Airborne Museum (SFAM) will conduct the Battlefield tour 1st Border Regiment during the Battle of Arnhem. Erik Jellema and Mr. Luuk Buist will act as your guides. This article is to provide background information and is mainly based on the book ‘When Dragons Flew’.
1 Border was part of 1st Airlanding Brigade. After landing on September 17th 1944 in gliders on Landing Zone (LZ) S, its task was to secure LZ X for the first and second lifts. After accomplishing these tasks the battalion was to withdraw to phase 2 positions in the divisional airhead. 1 Border exactly executed its mission according to the plan. In the end the battalion was responsible for the defence of the western perimeter.
In England the battalion was stationed around Woodhall Spa, in Lincolnshire, about 120 kilometres north of London. September 17th. 1 Border flew in 56 Horsa gliders from the airfields Broadwell and Blakehill Farm and in Hamilcar gliders from Tarrant Rushton. September 18th another 6 gliders flew from Down Ampney. 1 Border left England with 788 men; during the battle 121 were killed in action, 235 escaped crossing the Rhine and 432 men became POW, some of them wounded. This operation turned out to be the most difficult for the battalion during WW2.
The Border Regiment had seen heavy battles in the past. The oldest inscription in the Border cap badge is “1811 Arroyo dos Molinos”. The Battle at Arroya was part of Wellington’s campaign against Napoleon in Spain. The regiment was a British Regiment formed in 1881 by amalgamation of the 34th (Cumberland) Regiment of Foot and the 55th (Westmoreland) Regiment of Foot. The district of the regiment consisted of the counties Cumberland and Westmoreland and the depot was, and still is, Carlisle Castle.
During WW1 the regiment fought amongst other places at Gallipoli 191516, Cambrai 1917, Arras 191718 and on the Somme 19161918. 1st Battalion The Border Regiment in 19391940 was part of the British Expeditionary Force (BEF).
After Dunkirk the battalion trained for mountain warfare, but in October 1941 transformed into an air landing battalion of 1st Airborne Division. In July 1943 it saw action on Sicily. During this operation the battalion suffered heavy casualties. Out of 796 officers and men only 200 returned from this campaign. Many were drowned at sea due to gliders prematurely landing on the Mediterranean Sea after being shot down at by allied ships.
FINAL DAYS IN ENGLAND
Due to the losses of the Sicily campaign the battalion was transferred back to England in December 1943. The battalion was stationed in and around Woodhall Spa in Lincolnshire. Nowadays every year in July there is the Woodhall Spa WW2 Festival. During a whole week the town is dressed up as if it was WW2.
After Sicily Major Haddon as 2nd in Command took command of the Battalion. Visits followed by Major General Urquhart, Field Marshall

Border Regiment cap badge.

Montgomery and the King at Woodhall Spa. During that time Canadian officers were welcomed in the battalion under the so called Canloan Scheme. In 1944 the battalion took part in big airborne exercises. After DDay the battalion was alarmed many times for operations that were cancelled at the last moment.

One of the operations, Operation COMET, planned for September 10th, changed into operation MARKET, in which most of the 1st Allied Airborne Army, including two US Airborne Divisions, was involved. At 1700 hours on the 12th of September Major General Urquhart conducted his Orders Group for his brigadiers. This took place at Moor Park, the HQ of 1st (Br) Airborne Corps. Urquhart had his caravan located here. In this caravan Urquhart planned the Concept of Operations of 1st Airborne Division within the given restrictions. As part of this plan 1st Airlanding Brigade was to secure the landings of the 1st and 2nd Lifts. After the 2nd Lift on Monday the 18th 1 Border was to occupy defensive positions in the divisional airhead.

1 BORDER’S MISSION WAS:
Phase 1:

• Establish a strong company group at Renkum 6276;

• Protect DZ X and LZ Z until Divisional Troops are clear.

Phase 2:

• Move on orders the Brigade Headquarters to occupy area Koude Herberg 6873;

• Establish a post in Heveadorp area;

• Block the route between RenkumArnhem

• Dominate area between Koude Herberg and Westerbouwing (with special reference to ferries).

The Operational Orders for Operation Market show how Support Coy placed its MMG, antitank, and mortar platoons under command of the infantry companies. Moreover, it stands out that BCoy had to seize and hold ferries in Phase 1 at Renkum and at Westerbouwing in Phase 2, but the intention of seizing the ferries is not made explicit.
After September 5th the battalion was stationed around Burford near the Broadwell airfield. On september 17th, after a good breakfast, the battalion left for the airfields Broadwell and Blakehill Farm. The trucks delivered the units next to the de gliders directed by the chalk numbers. 44 Horsas flown by pilots of 16 Flight, F Squadron The Glider Pilot Regiment (GPR) augmented by pilots of 2 Wing HQ and a section of 10 Flight, G Squadron, left from RAF Broadwell.
C Coy and jeeps of the mortar platoon left with 12 Horsas from RAF Blakehill Farm flown by pilots of 14 Flight, F Squadron GPR. The two Bren carriers left in a Hamilcar flown by pilots of C Squadron GPR from RAF Tarrant Rushton. Nowadays, the former RAF Broadwell is largely a solar power park. RAF Tarrant Rushton was besides base for the heavy Hamilcars an airfield for SOE (Special Operations Executive).
This airfield was also used for the Coup de Main at Pegasus Bridge on DDay.
The first glider left at 0945 hours. Five gliders crashlanded in England. The 6 pounder
antitank gun with the name ‘Suvla Bay’ had to stay behind. ‘Suvla Bay’ was an invasion beach in the Gallipolicampaign of 1915. The glider with the Commanding Officer, Lieutenant Colonel Haddon, did not leave England either. 13 platoon of B Coy, commanded by Canadian Lieutenant Wellbelove, struck the same fate. 19 platoon of D Coy and the Transport platoon with the reserve ammunition were earmarked to fly with the 2nd Lift in 6 Horsas from Down Ampney, flown by pilots of E Squadron, GPR.
GLIDER LANDINGS AND PHASE 1 POSITIONS
Landing Zone S was marked by 3rd platoon Pathfinders. At 1300 hours the glider landings started. 134 of the planned 153 gliders arrived safely at LZ S (source: Martin Middlebrook). For the glider landings 40 minutes were reserved. After the gliders the paratroopers were to jump. The southwest part of LZ S was earmarked for 1 Border. The battalion rendezvous was the southwestern forest point just north of the railroad. Martin Middlebrook (page 100) is convinced that the glider flown by Lieutenant Colonel John Place, with on board Private Johnny Peters of 14 platoon B Coy 1 Border, was the first glider to land. Near the farm Reijerscamp and hotel Buunderkamp several German soldiers were made prisoner.
Some Germans had fired at the gliders. Private Stripp of 20 platoon of Lieutenant Alan Green was wounded in the arm. The landings were a success, there were only a few casualties. But some gliders crashlanded in England, on the North Sea or over the Netherlands. These losses were felt. Within the arrived platoons the losses were light. 1 Border suffered two killed by German fire. But if a glider did not arrive a complete platoon was missing a simple consequence of using gliders.

Positions 1 Border 17/18 September 1944

Retrieving some antitank guns turned out to be problematic. But in the end, seven out of eight 6pounders were retrieved. The gun ‘named ‘Suvla Bay had remained in England.
Gun ‘Gallipoli II’ was attached to A Coy of Major Montgomery. Guns ‘Ypres’ and ‘Somme’ were attached to B Coy of Major Tom Armstrong. The guns ‘Hellespont’ and ‘Scimitar Hill’ went to C Coy of Major Jock Neill. ‘Cambrai’ and ‘Arras’ were found at D Coy of Major Charles Breese. An air landing battalion, like 1 Border, had its own antitank platoon consisting of eight 6pounder guns. Contrary, a parachute battalion did have an antitank platoon commander, but its guns were attached from 1st Airlanding AntiTank Battery Royal Artillery. This 1st Airlanding AntiTank Battery detached its A, B and C Troop to 1st, 2nd and 3rd Battalion The Parachute Regiment. D Troop with 17pounders was detached to the Division and Z Troop with three 6pounders was tasked to defend the Division Headquarters. P Troop with 1 pounders was attached to the Light Regiment RA.

 

Landing Zone S. 1 BORDER landed in SW corner; RV in SW forest point.

After the drop of 1st Parachute Brigade, 1 Border moved to its Phase 1 positions (see Map 1). The Battalion HQ and Regimental Aid Post (RAP) moved into the farm Jonkershoeve. A Coy dug in at the North west corner of DZ X. B Coy had a long way to go in order to arrive at the ferry at Renkum. This Coy followed the Telefoonweg (road) over Heelsum to Renkum. C Coy crossed the LZ Z and dug in just SW of Wolfheze. In the same area was the Division Headquarters until it came under bombardment from Nebelwerfer (rockets). Then the Division Headquarters moved into 6 Horsas on the landingzone. D Coy secured the crossroad Telefoonweg in Heelsum.
Mortar support for A and C Coy was provided by 23 Mortar Platoon. 24 Mortar Platoon accompanied B Coy to Renkum. Also accompanying B Coy were two Vickers Medium Machine Gun sections and two antitank guns (‘Ypres’ and ‘Somme’). On the road to Renkum B Coy had its first (4) German Prisoners of War (POW) and found two German machine guns MG34. In Renkum B Coy had its first firefight. A German lorry was fired at. After this engagment more POWs were taken. At the Renkumse ferry more Germans were located.
On arrival at Renkum 12 platoon took position between the ferry and the road Wageningen-Arnhem, with its front West and Northwest. 14 platoon dug in North of that road, front West. 11 Platoon moved into a brick factory, front East. 13 Platoon, as mentioned, did not arrive on the first day. At Renkum the problems with signals started for B Coy. At night more and more German soldiers moved into the brick factory. During the night a flare was fired and some Germans were shot.
D Coy in Heelsum had a firefight with Germans arriving in a lorry.
At Battalion HQ it became clear that the Commanding Officer, Lieutenant Colonel Haddon did not arrive. A change in command took place. The deputy commander, Major Cousens, became acting battalion commander.
THE OTHER SIDE OF THE HILL
On the other side of the hill, opposite 1 Border, was Kampfgruppe von Tettau. This ad hoc unit consisted of several German units who happened to be in the area. There was Fliegerhorst Bataillon 2, a Luftwaffe unit from airfield Soesterberg, SSBataillon Schulz, SSStandartenführer (colonel) Lippert’s Unteroffiziersschule (NCO school) Arnheim and Schiffsstamm Abteilung 10 of the German Navy. Later the SS Wachbataillon 3 arrived, Dutch SS under command of Hauptmann (captain) Helle. Further in reserve the 184 Artillerie Regiment acting as infantry. This year, at the end of September 2018, a new book from Bob Gerritsen will be published, describing the actions of SSUnterführerschule Arnheim (see also p.27).
MONDAY SEPTEMBER 18TH
At 0700 hours in the morning B Coy at Renkum discovered a large German group at about 200 metres in front of their position. This Schiffsstamm Abteilung 10 (German Navy) was tasked to ad
vance east. The Germans were not aware of B Coy in the brick factory and were assembling around a motorcycle. 10 Lee Enfields and two Brenguns opened fire. After this initial success the Germans recovered. With new reinforcements arriving, they started to mortar the British position. At 1400 hours B Coy was ordered to withdraw in the direction of Heelsum. This turned out to be impossible. B Coy was almost surrounded. The only way out was following a track along the Rhine dyke in the direction of Doorwerth castle. 11 Platoon acted as rearguard. The Germans attacked at 1500 hours, but B Coy already left its previous defensive positions. The withdrawal was a success, but some vehicles, two antitank guns and the mortars were left behind. The Vickers MMG’s and the ammunition were carried by hand.
D Coy in Heelsum was attacked by SS Bataillon Schulz that advanced to contact. Fliegerhorst Bataillon 2 (Soesterberg) advanced north of Heelsum and got in contact with 20 platoon on DZ X. In this fight Sergeant Sears and Private Walker were killed. 21 Platoon of Lieutenant Holt was fighting off infiltrating Germans. Even in the forest “Laura” just east of D Coy some Germans were seen.
British artillery was tasked on this forest. Antitank gun ‘Cambrai’ accompanying D Coy was hunting a captured French Char B tank of Panzerkompanie 224. This German training unit drove all the way from the Dutch coast!
At 1100 hours 30 ME 109 Messerschmidts (Fighter Aircraft) machine gunned the Drop and Landing Zones. This resulted in 7 killed and 14 wounded in A Coy. The coy initially thought these aircraft to be British Typhoons.
The 2nd Lift was delayed and arrived at 1500 hours. They were 4 hours late. The Germans fired at the landing gliders at LZ X. The Border gliders that crashlanded on September 17th in England arrived with the this Lift, but (again) not the one with Lieutenant Colonel Haddon. His glider was shot over Herentals in Belgium and had to land on the Albert Canal.
They were able to contact troops of 30 Corps.
The missing platoons 13 of B Coy and 19 of D Coy and 17 of C Coy arrived safely and were able to report to their units.
PHASE 2 POSITIONS
At 1900 hours, after the successful execution of the 2nd lift, the sub units of 1 Border moved towards their phase 2 positions. A Coy moved cross country over LZ Z to the forest edge near Wolfheze. On this open terrain A Coy was fired at. This firefight caused an enormous delay. It took 5½ hours for most companies to arrive at their designated positions. A Coy dug in positions between Graftombe and castle ‘De Sonnenberg’, northeast of the crossroad Koude Herberg. Platoons 17 and 18 were near the crossroad, platoons 15 and 16 a bit more east of them along the “Van Lennepweg”. Here the antitank guns ‘Hellespont’ and ‘Scimitar Hill’ took position. Only pictures of ‘Gallipoli II’at the Van Lennepweg are known. That is a bit strange because ‘Gallipoli II’ was attached to A Coy. B Coy arrived at Westerbouwing. Probably via the road RenkumDoorwerthWesterbouwing, but maybe some sections MMG passed through Heelsum and the positions of C Coy and following the “Van Borsselenweg”.
B Coy, now without antitank guns and mortars, was left behind in Renkum. D Coy spent the night near a feature Hoog Oorsprong before it took positions on Van Borsselenweg, halfway between Koude Herberg and the Westerbouwing. 19 Platoon D Coy established a separate position a kilometre west of D Coy HQ. Battalion HQ moved into a house at the Van Lennepweg 3. Just north of this location (in villa Geldershof ) the Regimental Aid Post moved in. Just south of Battalion HQ the mortars of 23 platoon were dug in. Iconic footage and pictures were taken of one of the mortar positions of this platoon. 1 Border, in the end, was defending a frontage of 2500 metres as the crow flies in woodland terrain. The positions could not cover this entire area. This offered the Germans opportunities to infiltrate wherever they wanted. Map 2 with phase 2 positions depicts the platoon positions.

Major Neill, OC C Coy and Lt McCartney in their position at van Lennepweg.

TUESDAY SEPTEMBER 19TH
In the morning reports came in that German troops were attacking along the entire defensive position of 1st Border. C Coy suffered several wounded due to mortaring. At 1500 hours A Coy was machine gunned (again) by 12 ME 109 fighter bombers. This coincided with the arrival of the 3rd Lift at Johannahoeve. One hour later at 1600 hours the first resupply took place. On this day Flight Lieutenant David Lord, VC was shot down. Around 1900 hours firefights started with troops of Kampfgruppe von Tettau that advanced towards Oosterbeek.

Phase 2 positions of 1 Border.

WEDNESDAY SEPTEMBER 20TH
On the same day 82nd Airborne Division supported by tanks of the Grenadier Guards seized the bridge at Nijmegen, there was heavy fighting in Oosterbeek. At 0600 hours all units of 1 Border were shelled and mortared. The crew of the gun ‘Hellespont’ in C Coy position was hit. Attacks from Kampfgruppe von Tettau were supported by tanks of Panzerkompanie 224. A and C Coy were attacked by SS Bataillon Eberwein en Fliegerhorst Bataillon 2 coming from Wolfheze. D, and B Coy were attacked by SSBataillon Schulz, Schiffsstamm Abteilung 10, and Bataillon Wossowski of the Hermann Goering Ersatz und Ausbildungs Regiment. These attacks were supported by Nebelwerfer. At 1000 hours the first serious attack was launched against A Coy. 10 Platoon reacted with a burst from a Brengun that killed the German tank commander. Moments later, C Coy was attacked. That attack was also supported by tanks. From this day it became almost impossible for D Coy to transport the wounded to the RAP. 19 Platoon still in the westerly outpost position North of Heveadorp on the Oosterbeekseweg could fight off an attack by an armoured vehicle using a PIAT. The platoon commander of 19 platoon had no communication with D Coy and decided after he repulsed this attack to fall back to the defensive positions pf D Coy. During this withdrawal the platoon ran into various German patrols which caused the platoon to fall apart. It took the platoon commander two days to reach the positions of D Coy.
Iconic picture of 23 Mortar platoon.

Iconic picture of 23 Mortar platoon.

B Coy also was attacked. The sound of tracked vehicles was heard. Some Germans on their bicycles even rode into the position undetected.
At 1500 hours C Coy was attacked. The attack at Koude Herberg was supported by two flamethrower tanks of Panzerkompanie 224 and a third armoured vehicle. Sergeant Walker of the Army Film Unit filmed how antitank gun ‘Gallipoli II’ (van Lennepweg) disabled a German tank at a distance of 90 yards. Another Char B flamethrower tank was destroyed by one of C Coy antitank guns. At the end of the day a further resupply took place.
THURSDAY SEPTEMBER 21TH
The day started with German shelling and mortaring causing many wounded. Field cables were also destroyed which resulted in chaos.
Von Tettau had reorganised his Kampfgruppe and ordered infantry to secure the tanks of Panzerkompanie 224. On this day the German main effort was directed against B Coy. As of 0900 hours the Bataillon Wossowski, supported by 4 Char B tanks, attacked. B Coy had left its 6pounder antitank guns behind on Monday already. In order to support B Coy, the battalion had sent two new mortars, but could not afford
sending additional antitanks guns. B Coy however succeeded in destroying 3 out of 4 Char B’s with PIATs. Apparently a dead cow was used as cover for the PIAT. The fourth tank disengaged.
The Wossowski battalion (600 men) however outnumbered B Coy and were able pushed the British of the Westerbouwing. The Germans suffered many casualties caused by British artillery fire. During a counter attack of 13 platoon Canadian Lieutenant Wellbelove was killed.
Sergeant Watson, who commanded 14 platoon, also was killed that day.
After the loss of the Westerbouwing Major Tom Armstrong with 50 men conducted a counter attack. This attack failed and Major Armstrong was wounded and became a POW. After this, B Coy was no longer an effective fighting unit.
Lieutenant Royal located his 12 platoon at a gas factory a bit more east. Remnants of 11 platoon of Lieutenant Barnes fell