Airborne Magazine is een uitgave van de Vereniging Vrienden van het Airborne Muse-um Oosterbeek en verschijnt drie keer per jaar.
Het doel van de VVAM is bekendheid geven aan het Airborne Museum, de activiteiten van de Vereniging Vrienden en aan de geschiedenis van de slag om Arnhem.
ISSN: 2666-6871
Voor meer informatie: www.kb.nl/issn
Redactie:
Alexander Heusschen (magazine@vriendenairbornemuseum.nl), Leo van Midden, Rob van Putten
Aan deze editie werkten mee:
Frans Ammerlaan, Alexander Heusschen, Bob Gerritsen, Bob Hilton, Harold de Jong, Marcel Kuster, Leo van Midden, Edwin Popken, Rob van Putten, Natalie Rosenberg
Ontwerp en lay-out
Sandra van der Laan-Elzinga, Studio 223, Elst
Druk:
Grafi Advies, Zwolle
Contactgegevens VVAM: www.vriendenairbornemuseum.nl info@vriendenairbornemseum.nl (06) 510 824 03
Post: Wissenkerkepad 22 6845 BW Arnhem Rekeningnr (IBAN): NL33 INGB0 0051 137 51
Archivering & losse nummers: info@vriendenairbornemuseum.nl

INHOUDSOPGAVE

3 Museumnieuws – Para met de lange oren

4 Interview – De vijf van Geert Maassen

8 Ministory 133 – 1st Parachute Battalions spooroversteek

16 Conflictarcheologie – Hulzen in een moestuin

26 Thema – De slag bij Best

32 Pas uit – Operatie Amherst

34 Persoonlijk – William Hurrell gevonden

35 Programma

BIJDRAGEN
De redactie van Airborne Magazine hoort graag uw reacties en suggesties.
We verwelkomen bijdragen aan het blad.
Vraag voor een soepele verwerking van uw artikel en/of beelden naar de auteurshandleiding via magazine@vriendenairbornemuseum.nl.

Omslag: Hulzen van een 6 pounder-antitankkanon, in 2009 gevonden in een moestuin aan de Benedendorpsweg in Oosterbeek (foto: Hans van der Velden).

ACHTERGROND PARA MET DE LANGE OREN

Alexander Heusschen / Natalie Rosenberg
Richard Adams is de auteur van Watership Down, de bestseller uit 1972 over een konijnenkolonie in de North Downs-heuvels van Engeland. In de Tweede Wereldoorlog diende Adams bij het Royal Army Ser-vice Corps (RASC). Tijdens Market Garden behoorde hij tot de Seaborne Tail van 1st Airborne Division; verder dan Nijmegen kwam hij echter niet.

Adams met zijn dochters Juliet en Rosamond, circa 1962 (bron: collectie Juliet Johnson en Rosamond Mahony).

Adams modelleerde diverse personages uit Watership Down naar een aantal kleurrijke personen uit de 250 (Airborne) Light Composite Company RASC, een logistieke eenheid van de divisie. Eén van hen was Captain Desmond Kavanagh, Paddy voor intimi.
COUNTERPOINT
Adams baseerde het potige en moedige konijn Bigwig in Watership Down op de voormalig Ierse journalist Kavanagh die zich vrijwillig aanmeldde bij 1st Air-borne. Volgens Adams was Paddy een echte sensatie-zoeker, een para-officier in hart en nieren en boven-dien een echte waaghals. Zijn peloton liet hij trainen terwijl met scherp over hen heen werd geschoten. De kogelgaten in zijn eigen smock na afloop waren het bewijs dat Paddy niet echt onder de indruk was van rondvliegend metaal. Spelletjes met scherpe handgra-naten, “de eerste die wegspringt is een ‘sissy’”, verster-ken het imago van durfal.
Op 19 september 1944 was Kavanagh als pelotons-commandant met een aantal jeeps op weg naar afge-
worpen voorraden in de buurt van Lichtenbeek. Zijn eenheid stuitte even ten noorden van de spoorbrug bij station Oosterbeek Hoog op Duitse weerstand. In zijn autobiografie The day gone by schreef Adams over deze actie: “Paddy grabbed a Bren gun and leapt into the ditch beside the verge, whence he returned the German fire. Sergeant McDowell joined him. ‘Take the blokes, sergeant!’, yelled Paddy. ‘Get them out of here – back through the woods. I’ll cover you.’ ‘You sure of that, sir?’, asked McDowell. ‘Yes’, answered Paddy. ‘Get out! That’s an order!’ […] Sergeant Mc-Dowell told me how you could hear the rrrrip, rr-rrip of the German Schmeissers against the slower rat-tat-tat of the Bren – a dreadful counter-point. Suddenly there was an explosion, and then nothing more.” Kavanagh overleefde deze actie niet. Hij was 25 toen hij sneuvelde.

Desmond Kavanagh

Zijn graf is te vinden op de Airborne-begraafplaats.
Richard Adams overleed in 2016 op 96-jarige leeftijd.

In Airborne Museum at Hartenstein is de kindertentoonstelling Waterschapsheuvel te zien. Informatie: www.airbornemuseum.nl.
In de dependance Airborne at the Bridge in Arn-hem (gratis toegang) is de tentoonstelling The Story behind the Story: Richard Adams’s Watership Down te zien, over het leven van Adams.
Informatie: www.airborneatthebridge.nl.
In Airborne Magazine nr. 18 staan we uitvoerig stil bij de heropening van het museum.

 

EEN GESPREK MET GEERT MAASSEN OVER VIJF VOORWERPEN DIE HEM VORMDEN EN DIE HIJ VORMDE

”IK HEB OVERAL COMMENTAAR OP. IN DE EERSTE PLAATS OP MEZELF”

– Tekst en fotografie: Alexander Heusschen
Zijn naam is verbonden aan een kleine berg aan publicaties over de Gelderse geschie-denis, met de slag om Arnhem als oplichtende goudnerf. Als voormalig archivaris bij de gemeente Renkum en het Gelders Archief, en misschien meer nog als analytisch-kritische geest, blijft Geert Maassen (Oosterbeek, 1952) een vraagbaak voor menig geschiedvorser.
Behoedzaam, zorgvuldig en met gevoel voor proportie praat hij zich aan de hand van vijf belangrijke voorwerpen een weg door het verleden. Zíjn verleden voor deze ene keer.

We treffen elkaar voor de ingang van restaurant Klein Hartenstein. Geert zet net zijn fiets op slot. Een onder-zoekende blik en een stevige handdruk. Eenmaal binnen gaat de menukaart snel aan de kant. Geen lunch van-daag; hij heeft nog andere plannen die middag.Terwijl hij in zijn cappuccino roert, vertelt hij over zijn jeugd op Dreijen, de noordwesthoek van Oosterbeek. “Dat was ons deel. Van de andere hoeken van het dorp, het oos-ten en het zuiden, het benedendorp aan de andere kant van de Utrechtseweg, wist ik niets.” De Steijnweg, zijn geboorteplek. De Mariaweg, waar opa en oma woonden. “Mijn opa verloor zijn been tijdens de slag om Arnhem.
Hij werd op 17 september, in het schemerdonker, door een Duitser in zijn been geschoten. Hij was op tijd in het noodhospitaal in de Tafelberg, maar toen de strijd losbarstte had het medisch personeel wat anders aan het hoofd en vergaten ze hem. Met een amputatie tot gevolg.”


BRITSE PATROON
“Toen ik vier was, verhuisden we naar de Jan van Rie-beeckweg, die toen nog grensde aan de rand van het Bil-derbergse bos. Mijn vriendjes en ik waren net een soort Bende van de Zwarte Hand [Pietje Bell, AH]: altijd in het bos op zoek naar souvenirs, kogels en andere oor-logsrelicten. Van de gebeurtenissen in 1944 wisten we toen nog weinig. Dat brengt me meteen bij mijn eerste voorwerp waarnaar je vroeg.” Geert graaft in zijn zak en haalt een scherpe patroon tevoorschijn. Brits, met het be-kende, donkere lichtglanzende patina van oud metaal dat een tijd in de grond heeft gelegen. Het kaliber doet ver-moeden dat we munitie voor een Lee-Enfield-geweer of Bren-machinegeweer van hand tot hand laten gaan. “Dit is één van patronen die we in grote hoeveelheden vonden.
Het fijne weet ik er verder niet van. Nou ja, Duitse patro-nen hadden los kruit, Britse waren gevuld met staafkruit.
Een paar jaar geleden heb ik, gewoon uit interesse, nog een hele bak met van die staafjes aangestoken. De steek-vlam kwam tot boven mijn hoofd! Het klinkt misschien gek, maar ik heb helemaal niets met voorwerpen. Ook niets met musea of de beleving van het verleden trou-wens. Mij gaat het om de geschiedenis zelf. Ik wil het begrijpen, weten hoe het is gegaan.”

OOSTERBEEK VERWOEST
“Ik maak even een sprong in de tijd naar de jaren ‘60-’70. Mijn vader kocht net na de oorlog foto’s op van de bekende Oosterbeekse fotograaf H.J. Willink. Die foto’s werden veelal gemaakt bij terugkomst na de evacuatie uit het gebied, in 1945 en 1946, als bewijs van de geleden schade. Op die manier kon je vaak in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Jaren later vatte mijn vader het plan op een fotoboek te maken van de verwoestingen. Mijn interesse had de slag toen nog niet, maar helpen wilde ik hem wel. En dus trokken we er samen op uit om de gefotografeerde plek-ken te bezoeken, en zijn we gaan praten met de bewo-ners. Zo verzamelden we veel verhalen die later de kern zouden gaan vormden van het boek Oosterbeek verwoest | Oosterbeek destroyed 1944 1945, dat uitkwam in 1980.


Zo ontstond eigenlijk mijn interesse in geschiedenis. Niet per se in lokale geschiedenis overigens. Gewoon, het fijne van dingen willen weten, het tot op de bodem uitzoeken van wat er nou eigenlijk is gebeurd.” Toch duurde het even voordat Geert van deze analyti-sche gaven zijn beroep kon maken. Het glibberige pad voerde aanvankelijk langs de School voor de Grafische Vakken en de Stichting Opleiding Leraren, in Utrecht, via een baan als leraar in Arnhem naar de burelen van de gemeente Renkum. Geert: “Ik had het helemaal niet in me om leraar te worden, dat geef ik eerlijk toe. Mijn tweede jaarcontract kwam ten einde en ik besloot naar de Rijksarchiefschool te gaan. Omdat ik na het behalen van mijn diploma niet meteen werk vond, mocht ik met behoud van mijn uitkering aan de slag bij de gemeente, hier iets verderop in het dorp. Daar kreeg ik tot taak, of beter gezegd, nam ik het op me, om uit te zoeken wat er nog over was van het papieren Renkumse verleden. Wanneer je namelijk de Gids voor de archieven in Gelderland opensloeg, stond er maar één zinnetje bij Renkum: ‘Het archief van de gemeente Renkum is in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan’. We hadden wel een mooie collectie boeken en prentbriefkaarten, maar nagenoeg geen archivalia van vóór 1945.
Zowel de administratie als het archief gingen verloren toen het gemeentehuis in een grote villa in Bato’s Wijk uitbrandde in het laatste oorlogsjaar. Daarmee was in één klap de ruggengraat van de gemeentegeschiedenis weg.
Ik haalde overal plukjes vandaan. Van de politie, van de Sociale Dienst, van de Dienst Gemeentewerken, en noemde dit maar het gemeentearchief. Er bleek in ieder geval nog het nodige aanwezig, zoals alle uitgaven van de Oosterbeekse Courant van 1899 tot 1941. Toen ik in 1983 een aanstelling kreeg waren er inmiddels een aantal bladzijden voor Renkum in de Gids voor de archieven.
Dit was ook de tijd waarin ik met Aad Groeneweg, toen bestuurder bij het Airborne Museum, zocht naar interes-sante informatie om toe te voegen aan onze collecties. Alle archivalia over de slag gingen naar het museum. Daar zat ook de meeste kennis. De rest kreeg ik. Ik weet nog dat we samen naar het huis zijn gegaan van Hendrika van der Vlist; van haar nabestaanden ontvingen we het complete manuscript van Die dag in september.

DE POLEN VAN DRIEL | ROLL OF HONOUR
“Mijn vader kwam uit Driel. Op een gegeven zei hij: ‘We moeten ook een boek maken over de Polen’.” Een twee-de grote klus was geboren. Adressen van Poolse vetera-nen over de hele wereld werden verzameld en Geert en zijn vader schreven alle mannen persoonlijk aan. Geert met een lach: “Waar we even geen rekening mee hadden gehouden was de hoeveelheid reacties. En uiteraard alle-maal in het Pools. Potverdorie! Eén van de reacties was van George [Cholewczynski, AH], een Amerikaan van Poolse afkomst, die bezig was met zijn onderzoek naar de geschiedenis van de brigade. Hij wilde de boel wel voor ons vertalen. Ik zei daarop: ‘Als jij nou eens dat boek gaat schrijven, dan helpen we jou’.” En zo geschiedde: in 1990 verscheen het standaardwerk De Polen van Driel, nog


steeds een veel gezocht werk. Geert: “Eindelijk gerechtigheid, althans zo voelde het voor ons. In Driel hebben de Polen nooit een slechte naam gehad, maar daarbuiten wel. We waren de eersten die dat iets konden doen aan de naamszuivering.” Een ander ‘levenswerk’ waaraan Geert veelvuldig heeft bijgedragen is de door Jan Hey opgezette Roll of Honour, Battle of Arnhem September 1944. Voor het eerst uitgege-ven door de VVAM in 1986 en sinds 2011 verkrijgbaar als geheel herziene vijfde druk. Ook dit boek is verplichte kost voor iedere ‘armchair general’. Geert: “Met de on-derzoeken voor dat boek hebben als team echt onvoor-stelbare dingen boven water weten te halen. Allemaal minder leuke informatie, maar wel essentieel voor het be-grijpen van de slag. Geert: “Met name bij het ruimen van veldgraven net na de oorlog ging het nodige mis. Namen en kaartcoördinaten werden verkeerd overgenomen in de administratie, datums werden verwisseld. Als je de na-men op de metalen kruizen op de Airborne Begraafplaats uit 1946 vergelijkt met de huidige situatie, vind je soms andere namen op het hetzelfde graf. Dat heeft allemaal te maken met die verkeerde administratie.” Dat het verzamelen van de juiste gegevens niet altijd zon-der slag en stoot gaat, weet Geert als geen ander. “Het kost jaren en jaren om documenten, foto’s, getuigenver-klaringen en verhalen van familieleden van gesneuvelden na te trekken. En tegenwoordig duurt dat, zeker met die wat doorgeslagen privacybescherming, steeds langer.
Daarbij komt ook dat ik een perfectionist ben. Ik heb overal commentaar op. In de eerste plaats op mezelf.”

GELDERS ARCHIEF
“En nu ga ik een beetje smokkelen. Mijn vijfde voorwerp is namelijk geen voorwerp, maar het Gelders Archief, een naam die ontstond bij een grote archieffusie tussen Arn-hem, Renkum, Rheden, Rozendaal en het Rijksarchief in Gelderland. In eerste instantie vond ik die samensmelting helemaal niks. De cultuur werd anders. Het werd onper-soonlijker. Gebruikers persoonlijk begeleiden was er niet meer bij. En juist dat vond ik het mooie van mijn werk: mensen helpen, vragen naar tevredenheid beantwoorden.
Achteraf ben ik er toch blij mee. Er kwam veel meer in-formatie digitaal beschikbaar: catalogi, beeldbanken… Ik leerde zelf heel veel bij over de geschiedenis van Arnhem.
En niet onbelangrijk: ik heb in het Gelders Archief mijn huidige vrouw leren kennen: Judith.” Geert leunt achter-over en trekt zijn wenkbrauwen op: “Wat dus als de fusie er nooit was geweest?” In 2018 volgde zijn pensioen. Het verleden is echter nooit ver weg. Geert: “Neem de Roll of Honour. Daar ben ik in feite nog steeds mee bezig: ik verzamel gegevens, nog altijd worden er veldgraven gevonden en ik ontvang maandelijks e-mails van mensen die correcties voorstel-len. En ik heb nu veel meer tijd om Judith te helpen met haar Tekstbureau MorfeeM.” Zijn terloopse opmerkin-
gen over het 4th Battalion van The Dorset Regiment en de Polen bij de Johannahoeve doen vermoeden dat hij nog meer speelkaarten in z’n mouw heeft zitten.
De ober vraagt ons of we misschien tóch nog willen lun-chen. In plaats daarvan dist Geert nog een laatste anekdo-te op. Over een complete Lee-Enfield met bajonet die hij een aantal jaren geleden vond, midden op het pad langs Hackett’s Hollow, nog geen drie centimeter onder de aar-de. Het wapen heeft nog jaren in het Airborne Muse-um gelegen. Hij buigt voorover: “Ik wil nog even gezegd hebben dat ik absoluut geen deskundige van de slag om Arnhem ben. Wat ik wél mee heb is dat ik logisch kan nadenken en redeneren. Ik weet waar ik mijn informatie kan vinden, én ik ben zorgvuldig.” Terwijl we naar het Airborne-monument tegenover Har-tenstein lopen, zegt Geert: “Ik maak zo nog een rondje door mijn oude buurt. Fiets ik even langs de plekken waar ik vroeger heb gewoond.” Of het de leeftijd is die nostalgisch maakt, wil ik weten. “Met leeftijd heeft het volgens mij niet veel te maken”, antwoordt hij. Daarna is het even stil. “Ah, zou best eens kunnen”, zegt hij uit-eindelijk. Als de foto’s bij het Airborne-monument zijn gemaakt stapt Geert op zijn fiets. Een paar tellen later kijk ik over mijn schouder. Hij is al verdwenen.

Opnames in het Gelders Archief voor een WOII-documentaire van Omroep Gelderland – 2017. Tweede van rechts: Geert Maassen (bron: het Gelders Archief op Twitter).

MINISTORY 133 EEN EINDE AAN HET MYSTERIE VAN DE OVERSTEEK BIJ OOSTERBEEK?

– Bob Hilton

De vraag waar 1st Parachute Battalion het spoor bij Oosterbeek overstak in de nacht van 17-18 september 1944 houdt geïnteresseerden in de slag om Arnhem al decennia bezig. In Airborne Magazine nr. 14 van april 2019 werd nog aandacht besteed aan dit kleine myste-rie; de plek werd dit keer gesitueerd op zo’n 1.200 meter ten westen van station Ooster-beek Hoog. Als vriendschappelijke voorzetting van de discussie deel ik graag mijn kijk op de zaak met u. Het beslissende bewijs komt uit onverwachte hoek.

Als iets kenmerkend is voor de geschiedschrijving van Market Garden, dan is het wel de gedetailleerdheid van de beschikbare bronnen. Helaas geldt dit niet voor de bewegingen van 1st Parachute Battalion tijdens de eer-ste donkere uren van de slag. Simpelweg omdat in het war diary van de gevechtseenheid heel weinig is opge-nomen over die cruciale nacht. Voordat ik dieper in ga op het ontkrachten van de constatering dat de over-steek ten westen van Osterbeek plaatsvond (bij coör-dinaten 689796, zoals in ABM 14 uiteengezet), kijken we eerst maar eens naar de landing van 1st Bn.
VERZAMELEN
De air lift van 1st Parachute Battalion vond plaats in twee etappes: één op zondag 17 september, en één op maandag 18 september. Mannen en materieel werden vervoerd met 34 C47-troepentransportvliegtuigen (Dakota’s) van de 61st Troop Carrier Group, 52nd Troop Carrier Wing van de Amerikaanse luchtmacht.
Ze zaten in de laatste serie vliegtuigen (A-26) met chalk numbers 85 t/m 118. De eenheid landde die zondag om 14.03u op Drop Zone (DZ) X op de Ren-kumse Heide. Het bos ten noorden van het Jonkers-hoeve-boerderijcomplex diende als verzamelgebied voor het bataljon. Het materieel van de eenheid was eveneens verdeeld over twee lifts:

Deel 1 op 17 september 1944:

• Vier Horsa-gliders van D Squadron, The Glider Pilot Regiment (GPR), landden op LZ Z. Deze zweefvliegtuigen vervoerden acht jeeps en twaalf man van HQ Company, met aan boord extra munitie en andere voorraden.

• Eén Hamilcar-glider van C Squadron GPR. Dit toestel landde op LZ Z. Aan boord waren vier man van HQ Company en twee Bren Carriers met 3-inch-mortiermunitie.

• Glider met chalk number 462 kwam neer in de Noordzee. Dit toestel was toegewezen aan HQ Coy.
De bemanning, bestaande uit Colour Sergeant Cook en Privates Harper en Rogers, kon worden gered. De twee jeeps gingen verloren.1 Door dit ongeluk beschik-te het bataljon uiteindelijk maar over zes jeeps.

Deel 2 op 18 september 1944:

• Vier Horsa-gliders van G Squadron GPR landden op LZ X. Deze zweefvliegtuigen vervoerden vier jeeps, vijf aanhangwagens en twaalf man van het mortierpeloton van het bataljon, compleet met re-servemunitie en voorraden.

• Tenminste één van deze zweefvliegtuigen kwam te vroeg aan de grond, elders in Nederland. De be-manning sloot zich later aan bij het bataljon: R Company bleef achter bij het hoofdkwartier van de divisie in Oosterbeek.2 Aan het bataljon waren verbonden:

• Vier 6-pounder-antitankkanonnen, getrokken door jeeps van A Troop, 1st Airlanding Anti-Tank Batte-ry RA, minus het kanon (A1) van Sergeant Atkin-son dat terecht kwam bij Nijmegen na een vroegtijdige gliderlanding.3

Kaart 1. Het bataljon kreeg de opdracht te vertrekken om 15.40u. Deze kaart laat zien hoe uitgestrekt een pa-rachutistenbataljon kan zijn bij verplaatsing in een ko-lom: zo’n 1000 meter. R Company vormde de spits, met net daarachter het Tactical HQ van de bataljonscom-mandant, gevolgd door S Company, Battalion Main HQ, HQ Company (met de Support-Weapons Group, minus detachementen), de aan het bataljon toegevoegde eenheden en T Company in de achterhoede.

Dit betekende dat het bataljon kon beschikken over slechts drie 6-pounders met elk een jeep, én een jeep bij Troop HQ. Het tweede voertuig van het hoofdkwartier werd ingedeeld bij de tweede air lift een dag later.4 • T wee 17-pounder-antitankkanonnen, getrokken door Morris quad-tractoren van P Troop, 1st Air-landing Anti-Tank Battery RA.
Vanwege de ernstige crashlandingen van de Hamil-car-zweefvliegtuigen met de 17-pounders, vond een-maal aangekomen bij Wolfheze, een reorganisatie plaats: slechts één van deze stukken ging mee met 1st Parachute Battalion. Met de zware verliezen van D Troop was het al snel essentieel dat de boel werd herverdeeld. Lieutenant Ryall kreeg de opdracht met sergeant Rams en diens 17-pounder mee te gaan en 1st Bn. naar Arnhem te volgen.5 Lt. Driver en zijn Forward Observation Team van E Troop van het 1st Airlanding Light Regiment Royal Artillery (RA), Capt. Caird met zijn team van No.1 Forward Observer Unit RA, een Recce Section van A Troop van het 1st Parachute Squadron Royal En-gineers en Capt. Kaye met zijn No.1 Section van de 16th Parachute Field Ambulance, Royal Army Medi-cal Corps moesten het zonder jeeps stellen.
DE OPMARS
De opdracht van 1st Parachute Battalion was als re-serve te wachten bij de DZ totdat de andere twee parachutistenbataljons waren vertrokken. Om ver-volgens, als alles goed ging, via een noordelijke route naar Arnhem te gaan, waar een defensieve positie zou worden ingenomen aan de noordrand van de stad.
DE DISCUSSIE EN DE FEITEN
In een poging de verschillende mogelijkheden te ver-duidelijken, zal dit artikel de bekende feiten tegen het licht houden om te kijken of het mogelijk is een goed onderbouwde inschatting te maken van wat zich heeft voorgedaan tussen 03.00u en 04.30u in de nacht van 17-18 september.

Kaart 2. De kaart toont de mogelijke oversteek-plaatsen die sinds 1944 zijn genoemd: [A] De spoor-wegovergang in Oosterbeek. [B] Een gebied tussen 300 en 800 meter van station Oosterbeek. [C] Een oversteekplek voor spoorwegwerkers/lorrie-uitzet-plek (zie Ministory 130, Airborne Magazine nr. 14).
Het eerste dat aandacht verdient zijn de tijden. Om 03.00u [2] stuit het bataljon op de vijand in de buurt van coördinaten [grid of Gr] 697797, even ten westen van de Dreijensweg. De volgende notitie is om 04.30u [3], wanneer het bataljon de kruising bereikt bij co-ordinaten 709783, in de buurt van de Schelmseweg.

Het eerste dat aandacht verdient zijn de tijden. Om 03.00u [2] stuit het bataljon op de vijand in de buurt van coördinaten [grid of Gr] 697797, even ten westen van de Dreijensweg. De volgende notitie is om 04.30u [3], wanneer het bataljon de kruising bereikt bij co-ordinaten 709783, in de buurt van de Schelmseweg.

Kaart 3. Passages uit het war diary van 1st Parachute Battalion:[1] 1st Para Bn overnight position. [2] 03.00 hrs. Very bad going through woods with [6 Pdr] guns, [Bren] Carriers, etc. Bumped enemy post X tracks Gr:697797 (approx) – caused enemy casualties – enemy withdrew (Major Bune and Mortar Det mis-sing). [3] 04.30 hrs. Reached road junction Gr:709783. [4] S-Coy ran into enemy fire from astride road at Gr:713782. [5] 3rd Parachute Battalion, overnight position – 17th/18th September 1944.

Kort daarna komt S Company terecht in vijandelijk vuur van weerszijden van de weg. De eenheid bevindt zich nu vlak voor Mariëndaal – grid 713782 [4].
Dit betekent dat ze in anderhalf uur tweeëneenhalf tot drie kilometer aflegden, ‘s nachts en met de vijand in de buurt. Als dit wordt vergeleken met de andere acties en verplaatsingen van het bataljon, dan mag dat een hele prestatie worden genoemd. Hoe hebben ze dit voor elkaar gekregen?
BEOORDELING VAN DE SITUATIE
Laten we even terugkeren naar het punt waar 1st Bn. de spoorlijn overstak, om vervolgens te kijken naar de route die de eenheid vervolgens volgde. In de oogge-tuigenverslagen komt in ieder geval een aantal interes-sante zaken naar voren:
Lt.-Col. Dobie’s zegt in zijn persoonlijke dagboek: “Ik besloot uit te wijken naar het zuiden, tegen deze tijd was het donker. Omdat ik geen verbinding had met ‘Tim’ [Major John Timothy, commandant van R Coy., BH], stuurde ik John B. [Major John Bune, de plaatsvervangend commandant van het bataljon, BH] om R Company aan het gevechtscontact te ont-trekken; Major Bune was al een tijd weg. Uiteindelijk kwam hij terug met Toby M. [Capt. Peter Mansfield, plaatsvervangend commandant van R Company, BH] die me liet weten dat 50% van de eenheid was uitge-vallen en ze probeerden te evacueren. Op dat moment kwam er een aantal Duitsers [red.: Dobie gebruikt het scheldwoord “Boche”] over het pad, waarop Chris’ mannen [Major Chris Perrin-Brown, commandant van T Company, BH] het vuur openden – ze stopten de Duitsers, maar verloren zelf zes man. Ik besloot de positie te verlaten en een paar gidsen achter te laten voor Tims achterblijvers – Sgt. Floyd [van de Intelli-gence Section, BH].” Dobie vervolgt op maandag 18 september: “Nacht-merrieverplaatsing door het donker over paden in dichtbegroeide bossen, verplaatsing van mannen en materieel onder bijzonder zware omstandigheden – geen enkele draadloze verbinding doet ook maar iets – geen contact met Gerald [Brig. Gerald Lath-bury, commandant van 1st Parachute Brigade, BH].
Twee keer stuitten we in het donker op de vijand die overal lijkt te zitten. Rond dat tijdstip lukte het om de hoofdweg (‘Tiger’) [red.: de Utrechtseweg, tevens de route van 3rd Parachute Battalion] te bereiken en draaiden we naar het oosten om via een omweg ons doel te bereiken. Ron [Major Ronald Stark, com-mandant van S Company, BH] was bij het voorste element van de kolonne. We gingen net weg bij R. [Major Stark] toen hij onder zwaar kruisvuur kwam van beide kanten van de weg, een omtrekkende bewe-ging was niet meer mogelijk. Dus vielen we aan over de linkerkant – van achteren begonnen sluipschutters te schieten.” Dan is er dit verslag van Sergeant Robert ‘Bob’ Quayle, 10 Platoon, T Company: “Maandag 18 sep-tember 1944. In de ochtend staken we de spoorlijnen opnieuw over, we waren nog steeds omringd door bo-men.6 S Company was vóór ons uit en mijn peloton was niet op volle sterkte. Sommigen waren ‘s nachts verdwaald. Mijn pelotonscommandant, Lieutenant Eric Davies, was ook verdwaald. We bereikten uiteindelijk de geasfalteerde weg en draaiden opnieuw oostwaarts, in de richting van Arnhem. We waren aan de rand van Oosterbeek.

Foto1. Curtis: “Aan de noordkant, station Oosterbeek naderend, deze brug werd vernietigd in 1940. De Duitsers bouwden een houten brug met planken van 7 bij 2 inch. Aan de rechterkant bij de wegwijzer stond een beschadigd huis, met een Panther-tank verstopt tussen de tabaksplanten in de achtertuin.
De Duitse tank maakte geen enkel geluid – wij ook niet!! 1st Para ontmoette de Nederlandse onder-grondse op de houten brug. Het waren stille mannen – in ‘mufti’ – maar goed bewapend. Ze droegen een armband met het woord ORANJE in zwarte letters van 23/4 inch op een oranje achtergrond. De tijd was 06.00u, maandag 18 september. Afgelegde afstand vanaf D.Z. = vijf mijl.”

 

Foto 2. Curtis: “Na het verlaten van de DREIJENSE-WEG, aan de noordkant van de houten brug, betrad ik Stationsweg nr. 38, OOSTERBEEK, 200 meter van het station – gemarkeerd met een X. Ik ging ook bin-nen bij HUISE SVACO, waar een Nederlands echtpaar, meneer en mevrouw CARTENS, woonde. De heer T.H.
MOOIJ, die in 1944 op de Stationsweg woonde, merk-te dat hij door de loop van een .38-revolver keek toen hij zijn deur opende voor een para-officer. De huizen op de foto hebben de slag in 1944 overleefd en wor-den nog steeds bewoond. Tijd op dit punt, 06.45u, maandag 18 september. Afgelegde afstand vanaf D.Z. = vijf-en-een-kwart mijl.”

L/Cpl. Geoffrey ‘Geoff’ Stanners van No.1 Section, 16th Parachute Field Ambulance RAMC, verbonden aan 1st Bn. zegt in een interview met Niall Cherry voor het boek Red Berets & Red Crosses op pagina 104: “Het gezelschap waarvan Geoff Stanners onderdeel uitmaakte, stak de spoorweg over via de brug bij sta-tion Oosterbeek, liep de Stationsweg af in zuidelijke richting (het was nu de ochtend van de 18e) en sloeg linksaf bij een kruising met een aanwijsbord voor Arnheim (de Duitse spelling). Die dag werd langzaam
vooruitgang geboekt in de richting van Arnhem, waarbij we tussen elementen van het 3rd Battalion terecht kwamen.” Pte. Henry McAnelly, 2inch-mortarman, 5 Platoon, S Company: “Bij de Leeren Doedel stonden vieren Duitse tanks […] Na een uur vechten […] kregen we het bevel onmiddellijk in zuidelijke richting te mar-cheren om het 2nd Battalion bij de Arnhemse brug te ondersteunen […]. We trokken op door de bossen van Johannahoeve, waar we felle tegenstand onder-vonden. Uiteindelijk bereikten we Oosterbeek. Ver-kenners werden vooruit gestuurd, maar die zagen we niet meer terug. De verkenning werd geleid door Sgt.
Kelly. In Wolfheze bood een 16/17-jarige jongen zijn diensten aan (Karl Doorman). Col. Dobie ging in op zijn aanbod. Ze bestudeerden de kaart om de snel-

Kaart 4

Kaart 5. [1] Verplaatsingen van 1st Parachute Battalion. [A] De locatie waar R Company in gevecht raakte met elementen van de 9. SS-Panzer-Division en de plek die de Duitsers markeerden als locatie waar Major Bune waarschijnlijk de dood vond. [B] De positie van 1st Para Bn. gedurende de nacht, en waar in het Duitse document staat: “Ingegraven voor de nacht. R Company teruggeroepen, gaat niet door met nachtelijke verplaatsing”. [C] De brug van treinstation Oosterbeek Hoog. [D] Uit de weergave van de Duitse verdedigingspositie lijkt dat deze ten oosten lag van de kruising van de Dreijenseweg en de spoorbrug. De brug moet dus te passeren zijn geweest. [E] Het hoofdkwartier (waarschijnlijk) van SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler. (bron: Gelders Archief, 2171 Collectie Boeree, 53-003. Bewerking: Leo van Midden).

Station Oosterbeek Hoog in 1930, kijkend in de richting van Arnhem (bron: ansichtkaartverzameling Bob Hilton).

ste route naar onze bestemming te vinden […]. En dus bereikten we de spoorbrug bij station Oosterbeek Hoog, daarna gingen we verder richting Arnhem.”7
CURTIS’ SCHETSEN
Veruit het meest gedetailleerde account komt van de voormalige L/Cpl. ‘Reg’ Curtis van het Mortar Pla-toon. Hij bezocht het slagveld van Arnhem vaak om zijn tocht van destijds over te doen.
Samen met zijn verslag en aantekeningen schetste Curtis een kaart met de bewegingen van 1st Parachu-te Battalion op 17 en 18 september 1944: kaart 4.
De route die het bataljon volgens hem nam, heb ik met blauw gemarkeerd. Een deel hiervan is onnauw-keurig, maar hij is heel duidelijk over het oversteken van de brug en de verdere opmars over de Stations-weg en de Utrechtseweg. Het is zeer waarschijnlijk dat S Company zich niet ten noorden van de spoorlijn verplaatste (zoals aangegeven op de schets), maar de Parallelweg volgde, oprukkend op de linkerflank van het bataljon.
Hieruit blijkt ook dat 3rd Parachute Battalion, ko-mend vanaf de westelijke rand van Oosterbeek, geen observatie- of luisterposten kan hebben gehad op het
kruispunt van de Utrechtseweg / Stationsweg in de nacht van 17-18 september, anders zouden ze zich zeker hebben aangesloten bij 1st Battalion. Het lijkt erop dat B Company van 3rd Bn. zich op dat mo-ment ter hoogte van Hartenstein bevond, met de hoofdmacht van het bataljon ten westen van hen en

De brug bij station Oosterbeek Hoog over de spoor-lijn Arnhem-Utrecht. In september 1945 werd op de plek van de vernietigde brug een Bailey-brug ge-plaatst, gevolgd door de huidige brug in 1949 (foto: H.J. Willink).

A Company achteraan, net ten oosten van kruispunt De Koude Herberg. Het hele bataljon rukte op aan weerszijden van de Utrechtseweg.
CONCLUSIE
Zijn er andere aanwijzingen voor de bewegingen van 1st Battalion? Zeker, maar deze komen uit een nogal onverwachte bron: een kaart van het II. SS-Panzer-Korps, samengesteld door militair historicus luite-nant-kolonel b.d. Theodoor Boeree.
Het lijkt duidelijk dat de hoofdmacht van 1st Para-chute Battalion rond 04.00u de spoorlijn overstak via de brug bij Station Oosterbeek Hoog, waarna S Com-pany waarschijnlijk onmiddellijk linksaf de Parallel-weg nam. De rest van het bataljon vervolgde zijn weg richting Arnhem via de Stationsweg en Utrechtseweg.
Het is waarschijnlijk dat T Company, als achterhoede, de spoorlijn net ten westen van de brug overstak om de ‘flank’ van het bataljon ter verdedigen. S Company lijkt zich weer bij het bataljon te hebben gevoegd op de Utrechtseweg, ter hoogte van de kruising met de Noorderweg, waar ze de spitspositie weer overnamen.
De compagnie werd vervolgens om 04.30u beschoten bij Mariëndaal.
Ik heb geen bewijs kunnen vinden dat elementen van 1st Parachute Battalion het spoor overstaken bij de lorrie-uitzet ten westen van Oosterbeek.

Dirk Hoekendijk laat in een reactie op de bevindingen van Bob Hilton weten: “In mijn artikel in Airborne Magazine nr. 14 ben ik, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, uitgegaan van veronder-stelling dat de Duitsers het station en de spoor-brug bij Oosterbeek minimaal onder waarneming zouden hebben in de nacht van 17-18 september 1944. Dit blijkt niet juist, gelet op de door Hil-ton aangevoerde citaten. Deze situatie verander-de echter op de ochtend van 18 september, toen daar de Alarm Kompanien van SS-Panzergrena-dier-Regiment 19 en 20 van de 9. SS-Panzerdivi-sion werden ingezet. Zie Kampfraum Arnheim; A photo study of the German Soldier fighting in and around Arnhem September 1944 (Alberta, 2013), pp. 200 t/m 213.”

Station Oosterbeek Hoog in de jaren ‘50, kijkend in de richting van Wolfheze (bron: ansichtkaartverza-meling Bob Hilton).

1 Brief van dhr. J.D. Andrews aan het Airborne Forces Museum, Aldershot, 21 juni 1994. 2 Ministory 44 (VVAM, nov. 1994) en brief van Eric Seal, 23 oktober 1996. 3 Brief van ‘Herbie’ Atkinson aan ‘Bob’ Hilton, 20 juli 1995.
4 After action report, 1st Airlanding Anti-Tank Battery RA, war diary, september 1944. 5 Howe, John C., ‘Point Blank, Open Sights’ (1999), p. 61. 6 Noot van de redactie van Airborne Magazine: Saillant is dat Quayle het in zijn dagboek heeft over “re-crossing the railway lines, still surrounded by trees”. Dobie zegt: “Nightmare journey in the dark across tracks in thick woods”. Kan Dobie met het woord ‘tracks’ wellicht de spoorlijn bedoeld hebben? Dit zou betekenen dat (een deel van) zijn eenheid die nacht eerst in zuidelijke richt-ing het spoor overstak (“across tracks”) en later die nacht weer in noordelijke richting (“re-crossing the railway lines”), om vervolgens aan de noordzijde van het spoor op te rukken naar Oosterbeek. Bob Hilton meent dat “re-crossing” refereert aan de uiteindelijke oversteek via de brug bij station Ooster-beek Hoog. De eerste “crossing” verwijst in deze uitleg naar de spooroversteek bij Wolfheze (in noordelijke richting) na de landing op 17 september. 7 Interviewinformatie, via Graham Francis, in een e-mail van 29 april 2019.

Conflictarcheologie Hulzen in een moestuin

(LINK NAAR GEPUBLICEERD ARTIKEL)

ONDERTUSSEN 101ST AIRBORNE DIVISION IN DE SLAG BIJ BEST

Op zaterdag 23 mei organiseert de Vereniging Vrienden van het Airborne museum de battlefield tour Market Garden – Gevechten van de 101st Airborne Division in en rond de Sonse
Bossen. De wandeling van zo’n tien kilometer over het voormalige slagveld staat onder leiding van expert Edwin Popken. Zijn artikel vormt een inleiding voor deze tour.
– Edwin M.A. Popken MA

De Amerikaanse 101st Airborne Division van Major General Maxwell Taylor kreeg een lastige taak tijdens operatie Market Garden. De divisie moest in een ge-bied van 23 strekkende kilometer maar liefs dertien bruggen, plus bijbehorende dorpen en steden, veilig-stellen voor het Britse XXX Corps: vier in Eindhoven, drie bij Son, twee in Sint-Oedenrode en vier bij Ve-ghel. Taylor kon niets anders besluiten dan de divisie als zelfstandige regimenten te laten opereren en de acties op bataljons of lager niveau uit te voeren.
Taylor was bijzonder ongerust over Son. Zouden de Duitsers de bruggen bij Son, met name de hoofd-verkeersbrug, tot ontploffing brengen of in Duitse handen houden, dan zou niet alleen de opmars van XXX Corps in gevaar komen, maar was ook zijn di-visie effectief afgesneden. Er was een alternatief vijf kilometer westelijk. Buiten het divisiegebied en op de hoofdweg van Eindhoven naar ’s-Hertogenbosch lag nog een verkeersbrug, en iets verderop een spoorbrug.
Hoewel zijn divisie al uitgerekt zou zijn en verspreid over drie dagen zou arriveren, was het zekerstellen van een aansluiting met de Britten vitaal genoeg om troepen naar deze bruggen te sturen.1 Maar liefst één peloton!
Lieutenant Colonel Robert G. Cole van het 3rd Bat-talion 502nd Parachute Infantry Regiment (3/502 PIR) vond een peloton te weinig. Hij vroeg om, en kreeg, toestemming een versterkte compagnie te stu-ren, in totaal 200 man. H Company (H/502), onder Captain Robert Jones, aangevuld met een peloton ge-nisten onder Lieutenant Moore plus een sectie lichte
machinegeweren onder Lieutenant Gay, kreeg deze opdracht. Terwijl na de luchtlanding alle Amerikanen in noordelijke en zuidelijke richting zouden trekken, zou H/502 geheel alleen de westelijk gelegen bruggen bij Best moeten innemen.
LUCHTLANDING EN INITIËLE OPMARS
Op 17 september 1944 vanaf 14.00u landen de drie parachutistenregimenten van de 101st Airborne Divi-sion op drie plekken.2 501 PIR komt noord en zuid van de Zuid-Willemsvaart bij Veghel aan de grond om de vier bruggen daar te veroveren. 502 en 506 PIR landen op de Sonse Heide. 506 PIR trekt naar Son om de bruggen in te nemen en door te stoten naar Eindhoven. 1st Battalion 502 PIR (1/502) gaat naar Sint-Oedenrode en het 2nd Battalion (2/502) blijft ter beveiliging op het landingsterrein. Het versterkte H/502 trekt naar de bruggen bij Best, terwijl de rest van 3/502 in divisiereserve zou gaan bij Son.
Drie kwartier na de landing zijn de Amerikanen ver-zameld en begeven ze zich naar hun doelen; zo ook H/502. Initieel verloopt de opmars voorspoedig en zonder weerstand. Halverwege stopt Jones om zich te heroriënteren. Later stelt Jones, in een verslag, dat hij op de kerktoren van Best navigeerde, maar deze door een stuk bos uit het oog was verloren. Hierdoor boog hij te ver richting Best in plaats van naar een punt op de hoofdweg Eindhoven-’s-Hertogenbosch, zo’n 600 meter zuidelijker en dichter bij de bruggen.
Gaandeweg komt de groep steeds meer onder vuur, maar blijft recht op Best af gaan. Hoewel het dorp

op dat moment alleen door een Flak-Abteilung wordt verdedigd, zou Best snel een horzelnest worden. Op het Hauptquartier van XXXVIII Armeekorps in ’s-Hertogenbosch worden de landingen al na enke-le minuten gemeld. Meteen wordt besloten het lan-dingsterrein bij Son te heroveren vanuit de richting Sint-Oedenrode (noorden) en vanuit Best (westen).
Best fungeert als Duitse verzamel- en uitvalsbasis en is daarmee van vitaal belang. Binnen 30 minuten ver-trekt het 1. Bataillon van SS-Polizei Regiment 3 (I./ SS-Pol.3) vanuit Tilburg naar Best. Feld Ersatz Ba-taillon 437 (FEB 437) en het 1. Bataillon van Grena-dier Regiment 723 (I./723) gaan ook naar Best. Tot slot wordt de 59. Infanterie Division (59. ID), dat net over de Schelde was geëvacueerd naar Walcheren, naar Best gecommandeerd. Hun aankomst zou de nodige tijd vergen; op dit moment heeft Capt. Jones echter zijn handen al vol aan de reeds in Best aanwe-zige troepen.
PROBLEMEN BIJ DE OPMARS
Jones’ oorspronkelijke plan was om zijn 1st Platoon Best in te laten innemen en bij het kruispunt een wegblokkade op te zetten. 3rd Platoon en Company Headquarters zouden zuidelijk daarvan positie inne-men, terwijl Lieutenant Wierzbowski’s 2nd Platoon met de genisten en de sectie lichte machinegeweren kregen de twee bruggen toegewezen. Maar zover komt het niet. Bij de kruising van de weg naar Best met de hoofdweg Eindhoven-’s-Hertogenbosch loopt H/502 vast. De Duitsers hebben langs de hoofdweg
en bij het kruispunt hun verdediging ingericht.
Vanaf het begin is de Duitse weerstand vanuit Best intens. Jones moet 3rd Platoon en een sectie van 2nd Platoon inzetten op de rechterflank om te voorkomen dat zijn 1st Platoon geflankeerd wordt. Met moeite houden de Amerikanen hun positie; de verliezen lo-pen snel op. Dan verschijnt vanuit de richting ’s-Her-togenbosch een colonne Duitse vrachtwagens, vooraf-

1 Net als bij de Britten bij Arnhem en de Amerikanen rond Nijmegen, werd ook het operatieplan van de 101st Airborne Division beïnvloed door het tekort aan trans-portvliegtuigen. Taylor’s plan was om op 17 september de drie parachute infanterie regimenten te laten landen, plus het meest noodzakelijke per glider (70 stuks). Op 18 september was het 327st Glider Infantry Regiment aan de beurt. En niet eerder dan 19 september zouden de bulk van de artillerie en de ondersteunende troepen arriveren.

2 Nederlandse tijd. De Amerikanen gebruikten Green-wich Mean Time. Hoewel Groot-Brittannië voor de duur van de oorlog op (dubbele) zomertijd was overge-gaan om de klok met het vasteland gelijk te trekken, waren de Britten de nacht vóór Market Garden weer op ‘wintertijd’ overgegaan, terwijl het in Duitsland en door Duitse bezette Nederland nog zomertijd was.
Effectief was daarom tijdens Market Garden sprake van een normaal tijdsverschil van een uur.

gegaan door een motorrijder. Jones wil de colonne in een hinderlaag laten lopen, maar dat mislukt doordat enkele Amerikanen voortijdig het vuur op de motor-rijder openen en de eigenlijke colonne ruim vóór de hinderlaag stopt. 200 Duitse soldaten van SS-Polizei Bataillon 3 verlaten de kolonne en vallen aan, onder-steund met hun 20mm-kanonnen. Jones’ problemen worden snel groter en wanhopiger.
Wierzbowski’s 2nd Platoon, minus één sectie, is on-dertussen richting de verkeersbrug gegaan, wanneer Wierzbowski een aantal Duitsers in de rug van H/502 ziet. Hij besluit erop af te gaan en splitst zijn groep in tweeën. Eén groep, onder Lieutenant Duffy, moet een omtrekkende beweging maken, terwijl Wierzbowski met de ander groep direct aanvalt. Duffy vertrekt met zijn groep, maar zonder radio, en raakt contact met de compagnie kwijt. Jones houdt radiocontact met het bataljon. Het bataljon, net in haar reserveposi-
tie ten noorden van Son, krijgt rond 17.00u bericht dat H/502 sterke tegenstand te verduren heeft. Om 17.45u volgt een tweede, wanhopiger bericht. Tegen 19.00unbesluit het Regimental Headquarters dat 3/502 te hulp moet schieten. Jones krijgt per radio het bevel onmiddellijk een peloton naar de brug te sturen. Jones kan zijn huidige positie daardoor niet houden en moet terugvallen naar een beter verdedig-bare positie.
Wierzbowski moet zijn actie direct afbreken en naar de brug trekken. Ondanks herhaalde pogingen, vindt Wierzbowski Duffy’s groep niet. Wierzbowski, met slechts één sectie, zijn Platoon Headquarters en een groep genisten, trekt erop uit. Bij het Sonse Bos aan-gekomen, ontdekt hij een goed verdedigbare positie en informeert Jones via de radio. De rest van H/502 trekt vervolgens op deze plek terug, terwijl Wierzbowski’s groep de weg naar de brug vervolgt.

WIERZBOWSKI’S GROEP BIJ DE BRUG
De groep trekt in de avondschemering door het door Duitsers geïnfiltreerde bos en raakt steeds meer men-sen kwijt. Tegen 22.00u uur bereiken zij de brug met nog slechts achttien man van H/502 en 26 genisten.
Tijdens een verkenning komen Wierzbowski en Private First Class Joe Mann vast te zitten achter een Duit-se brugwacht. De overige soldaten worden nerveus, de Duitsers pikken hun geluid op en openen het vuur.
Veel Amerikanen vluchten het bos in. Wierzbowski heeft nu nog slechts achttien man over en weinig wa-pens en munitie, maar graaft zich in. Omdat hij geen radio meer heeft, stuurt hij enkele boodschappers om Jones te informeren. Deze mannen komen ech-ter nooit aan. Jones noch 3/502 hebben contact met Wierzbowski; ze hebben geen idee van wat er met hen is gebeurd of waar zij zijn.
HET GEVECHT ESCALEERT
Lieutenant Cole en 3/502 trekken ondertussen op tot de rand van de Sonse Bossen en graven zich daar onder druk van Duits vuur in. De volgende ochtend vroeg komen zij onder snel toenemende druk te staan van-wege een tegenaanval door I./SS-Pol.3 en het gearri-veerde FEB 436. De linies van 3/502 zijn uitgerekt en heeft gaten tussen de compagnies; de Duitsers maken hiervan gebruik door in kleine verbanden de linies te infiltreren.3 Cole wordt van drie kanten bestookt en de verliezen nemen rap toe. Colonel Michaelis, Com-

3 Het duurt tot de ochtend voordat fysiek contact met H-company tot stand wordt gebracht. Zelfs daarna blijven de gaten bestaan.

manding Officer 502 PIR, besluit 2/502 onder Lieu-tenant Colonel Chappuis ter versterking naar voren te sturen. Chappuis’ bataljon moet het terrein voor Cole vanuit noordelijke richting schoonvegen en Best en de bruggen innemen. Cole’s bataljon fungeert daarbij feitelijk als scharnierpunt.
Als Chappuis’ compagnieën in linie over de open vel-den optrekken, komen zij onder zwaar vuur van de oprukkende Duitsers te liggen. Al snel heeft 2/502 meer dan twintig procent verliezen. Chappuis moet de aanval stilleggen. De aanval doet de druk op Cole’s noordkant afnemen, maar toch blijft deze hoog met Duitse groepjes die de linies infiltreren. Cole reali-seert zich dat er iets moet worden gedaan en probeert hulp in te roepen van overvliegende P-47 Thunder-bolt-jachtvliegtuigen. De eerste aanval van de jagers leidt tot het beschieten van de eigen linies. Eén pi-loot verzoekt daarom om oranje herkenningspanelen.
Cole besluit deze zelf neer te leggen en sneuvelt hier-bij. Twee weken na zijn dood wordt Robert Cole de Medal of Honor toegekend voor de door hem geleide bajonetaanval in Normandië op 11 juni 1944.
De groep van Lieutenant Wierzbowski heeft het ook te verduren bij de brug. Regelmatig komen zij onder vuur te liggen of vallen de Duitsers de kleine, geïso-leerde groep aan. Steeds zonder succes, hoewel het aantal Amerikaanse doden en gewonden snel oploopt en hun munitievoorraad slinkt. Om 13.00u blazen de Duitsers op bevel van XXXVIII. Armee-Korps beide bruggen op. Ondanks dat zijn missie nu zinloos is, blijft Wierzbowski waar hij is, terwijl de rest van 502 PIR onwetend blijft van hun pleit en van het verlies van de bruggen. Later die middag arriveert een Britse patrouillewagen. Deze neemt een positie in ten zuiden van het kanaal, ter ondersteuning van Wierzbowski.
Lieutenant Colonel Chappuis krijgt rond 18.00u be-vel opnieuw aan te vallen om de aanhoudende druk te verminderen op Cole’s bataljon, dat nu is overgeno-men door Major Stopka. De hernieuwde aanval moet vóór het tweede bataljon langs richting de hoofdweg gaan. Voor de hoofdweg moet Chappuis’ bataljon naar het zuiden afbuigen naar de verkeersbrug, on-wetend dat deze is vernietigd. Tegelijkertijd zal 2/502 zich in zuidelijke richting samentrekken voor een meer aaneengesloten verdediging. De aanval verloopt
moeizaam en de troepen van Chappuis komen dan de zuidoostrand van het Sonse Bos, waar zij zich in-graven. Alleen een patrouille van E/502 en een pelo-ton van D/502 onder Lieutenant Mottola komt bij Wierzbowksi’s groep aan. De patrouille vertrekt weer.
Overtuigd dat er meer Amerikaanse troepen komen, besluiten Wierzbowski en Mottola een gezamenlijke verdediging in te richten en deze komst af te wachten.
HERNIEUWDE PLANNEN AAN BEIDE ZIJDEN
Die avond en nacht maken zowel de Amerikanen als de Duitsers nieuwe plannen om de slag definitief te beslissen. Aan Amerikaanse zijde Brigadier General Higgins, de Assistent Divison Commander, de coör-dinatie over. Naast de twee bataljons van 502, zullen de volgende dag ook twee bataljons van 327st Glider Infantry Regiment (327 GIR) worden ingezet om het bos schoon te vegen en de Duitsers uit Best te werpen.
De Duitsers maken plannen voor een definitieve af-rekening. Die nacht zal 59. ID arriveren vanuit Box-tel. Eerder die dag was I./723 al gearriveerd. Het idee was om zowel het Sonse Bos aan te vallen als het lan-dingsterrein ten noorden daarvan. Duitse eenheden ondersteunen de aanval vanuit Schijndel via Sint-Oe-denrode, waar 1/502 zat, met een eigen aanval op het landingsterrein. Beide groepen moesten convergeren op Son, dat ook vanuit het oosten zou worden aan-gevallen door de in Venlo en Roermond gearriveerde Panzer Brigade 107.
DE BESLISSENDE STRIJD
Om 06.00u in de ochtend valt Lieutenant Colobel Chappuis aan richting de brug om deze in handen te krijgen en het gebied voor Duitse infiltratie af te grendelen. De aanval is nog maar net begonnen wan-neer zij onder hevig vuur komen te liggen van Duitse eenheden die voor hun aanval in het gebied samen-trekken. Hierdoor wordt ook de groep van Lieutenant Wierzbowski definitief opgerold, waarbij Private First Class Joe Mann zijn leven opoffert om zijn maten te redden. Voor deze actie krijgt hij postuum de Medal of Honor krijgt.
Zodra Chapppuis van de patrouille, die de vorige avond bij Wierzsbowski was, hoort dat de brug er niet meer is, besluit hij terug te vallen op de bosrand en van daaruit het gebied te domineren. De Duitsers

zijn nu aan zet en vallen Chappuis’ posities twee keer aan, beide keren zonder succes. Ten noorden van het bos hebben de Duitsers initieel meer succes: onderde-len van 59. ID trekken richting het landingsterrein.
Zij worden echter gezien en een bataljon van 327 GIR gaat hen achterna terwijl de Duitsers het bos in vluchten. Een Glider Infantry Battalion gaat daar-op in positie ten noorden van het bos en voorkomt daarmee verdere Duitse infiltratie. Het andere batal-jon van 327 GIR krijgt opdracht het bos schoon te vegen (stoffer) en de Duitsers richting 502 PIR aan de westrand van het bos (het blik) te jagen.
Er is nu nog één ding te doen: de Duitse aanvallen ge-heel smoren en Best innemen. Brigadier General Hig-gins krijgt hiervoor een eskadron tanks van het Brit-se 15th/19th ‘The Kings Hussars’ tankregiment. Elk bataljon van 502 PIR krijgt zes tanks toegewezen om een beslissende tegenaanval in te zetten. Als de tanks eindelijk tegen 15.30u arriveren, gaan deze direct in
de aanval, hun kanonnen en boordmitrailleurs al vu-rend op de Duitse posities. De Amerikaanse infan-terie gaat snel mee in de aanval. Groepjes en daarna grote groepen Duitsers geven zich over; de komst van de tanks heeft de Duitse weerstand gebroken en de Amerikanen rollen de Duitse linies nu op. In een paar uur tijd nemen zij maar liefst 1.100 krijgsgevangen.
De Amerikanen rapporteren ook 600 Duitse doden in de omgeving, hoewel dit aantal overdreven lijkt.
De slag bij Best is voorbij, althans het eerste deel. Het dorp blijft in Duitse handen en zou pas meer dan een maand later na hevige gevechten door de 15th Scot-tish Division worden ingenomen.
Voor informatie over de battlefield tour Sonse Bossen: www.vvam.nl of www.facebook.com/VVAM80/

FRANSE PARACHUTISTEN IN OPERATIE AMHERST, APRIL 1945
BLEU BLANC ROUGE BOVEN DRENTHE

Operatie Amherst is de codenaam van een luchtlandingsoperatie die 702 Franse parachu-tisten begin april 1945 in Drenthe uitvoerden om de opmars van II Canadian Corps te on-dersteunen. 33 parachutisten van de Special Air Service (SAS) kwamen daarbij om. Alleen al om deze reden verdient het beeld dat Canadezen en Polen de provincie bevrijdden enige nuancering.

Het boek Franse para’s in Drenthe, 8-12 april 1945 dat op 28 februari is uitgekomen, laat zien dat Franse militairen een belangrijke rol speelden bij de weinig belichte bevrijding van Noord-Nederland. Het werk is gebaseerd op dat van Kolonel Roger Flamand uit 2002 Operatie Amherst; Franse para’s vochten in Dren-the, april 1945. Naast de persoonlijke verhalen uit dit antiquarische werk is ook een integrale samenvatting van de gevechten samengesteld aan de hand van een groot aantal (nieuwe) bronnen.
VOORBEREIDING VAN AMHERST
Na operatie Market Garden stokte de geallieerden op-mars. Pas in het voorjaar van 1945 kwam de boel weer op gang. Op 28 maart 1945 besprak de Head of Ope-rations van de 21st Army Group met de commandant van de SAS, General James Calvert, de mogelijkhe-den van een luchtlandingsactie in Nederland, in sa-menwerking met het II Canadian Army. Het was de bedoeling van de Canadezen kleine groepjes van zo’n vijftien man (één stick of vliegtuiglading) te versprei-den over een groot gebied voor een zo groot mogelijk ontregelend effect. De planners gingen eerst uit van een inzet van zo’n negenhonderd man, met achttien jeeps en ondersteunding door acht radiozendposten.
De zevenenveertig sticks bestonden elk uit elf korpo-raals en soldaten, twee officieren en twee onderoffi-cieren. De eenheden waren samengesteld uit beide Franse ‘regimenten’ (bataljons) van de SAS, onder lei-ding van twee ervaren officieren: Lieutenant-Colonel Jacques Pâris de Bollardière van het 3e Régiment de Chasseurs Parachutistes (3 RCP / 3e Regiment SAS) en Major Pierre Puech-Samson voerde het bevel over 2 RCP / 4e Regiment SAS. Voor de bescherming van de linkerflank van de 21st Army Group werd het Bel-gische regiment 5th SAS ingezet (operation Larks-wood).

Franse para’s in Drenthe, 8-12 april 1945.

DOEL
Het voornaamste doel van het II Canadian Army was het zuiveren van het noordoostelijke deel van Nederland, om daarna door te stoten naar Emden en Wilhelmshaven in Duitsland. De Fransen zouden worden afgeworpen in de driehoek Groningen – Coevorden – Zwolle, ongeveer achtenveertig uur vóór de Canadese aanvallen uit. Hun voornaamste doel was het voorkomen van het opblazen van een aantal brug-gen, het scheppen van verwarring bij de vijand en het voorkomen van een vijandelijke hergroepering.
De vernietiging van de vliegvelden Havelte, Eelde en Leeuwarden was één van de andere taken.

Dedicated radioteams zorgden voor de communicatie tussen de eenheden (bron: ECAP en archief J. Bruggink)

WOLKEN
Zevenenveertig vliegtuigen, elk beladen met een stick van vijftien parachutisten, vertrokken op vrijdag 7 april vanaf 20.30u van drie vliegvelden in Zuid-En-geland: Dunmow, Shepgrove en Rivenhall. De eerste stick kwam om 23.45u aan in het gebied tussen Assen en Meppel/Coevorden. De laatste parachutist sprong
rond 01.00u. Eén vliegtuig kon niet vetrekken. De para’s uit dit toestel zouden vierentwintig uur later alsnog boven Drenthe worden gedropt.
Boven het operatiegebied was sprake van laaghangen-de bewolking waardoor de para’s gedwongen waren vanaf zeshonderd meter hoogte dóór het dichte wol-kendek heen te springen, in plaats vanaf 250 meter met vrij zicht. Dit leidde tot een verspreiding over groot gebied. Bovendien kwamen de sticks bij een windsnelheid van 25km/u hard op de grond terecht.
Van de zevenenveertig sticks kwamen er slechts zeven-tien binnen de geplande dropzones terecht. Eén stick kwam zelfs in bevrijd gebied terecht, veertig kilometer zuidelijker.

33 parachutisten lieten het leven in Drenthe. Van twee van hen zijn helaas geen foto’s beschikbaar (bron: FFLSAS en archief J. Bruggink).

ZES DAGEN STRIJD
Na contact met de bevolking begonnen de eenheden aan hun opdracht. Bij het zoeken naar de bruggen, andere objecten en de juiste locaties raakten de para-chutisten op tien verschillende locaties in gevecht met Duitsers of Landwachters.
De SAS voerde met wisselend succes een groot aan-tal kleinere gevechtsacties uit in moeilijk terrein. Het operatiegebied bood dekking noch bescherming en werd bovendien beheerst door Duitse troepen. Was het aanvankelijk de bedoeling de Franse para’s maxi-maal 48 uur in te zetten, in praktijk vochten sommige sticks vijf tot zes dagen, met name in het noordelijke deel van het operatiegebied.
In totaal kwamen bij de diverse gevechtsacties drieën-dertig parachutisten om het leven. Koningin Juliana kende na de oorlog de Bronzen Leeuw toe aan de twee regimenten.
Het boek Franse Para’s in Drenthe, 8-12 april 1945 (ISBN 978 90 232 5727
1, € 22,95) is verkrijgbaar via de reguliere boekhan-del. Op verzoek verzorgt Kolonel Harold de Jong graag een presentatie over Amherst (06-270 800 50 | harolddejong@me.com).

PERSOONLIJK DE VONDST VAN FLIGHT SERGEANT WILLIAM HURRELL

Sinds de publicatie van Teruggeslagen grond, mijn artikel in Airborne Magazine 14 over de mogelijke vliegtuigberging van Hawker Typhoon MN582, is het nodige gebeurd. Flight Sergeant William Hurrell is gevonden.
– Frans Ammerlaan

Hurrell, die is opgenomen in het Roll of Honour-boek van de slag om Arnhem, kwam op 26 september 1944 om toen zijn jachtvliegtuig crashte bij het Gelderse Eef-de. Na een eerste diepscan van de plek en aanvullend onderzoek werd de crashlocatie enkele maanden gele-den als kansrijke bergingsplek aangewezen. Kort gele-den voerden kapitein Geert Jonker en zijn team van de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht de berging uit. William Hurrell bleek inderdaad met de Typhoon in de aarde te zijn verdwenen. Aan boord bevonden zich de nodige munitie, granaten en acht rakketten. Zijn stoffelijk overschot werd geborgen en naar Soesterberg gebracht voor verdere identificatie.

De Typhoon (achtergrond) waarin Hurrell het leven liet.

Hurrells familie in Australië, waarmee al contact bestond via de oudheidkundige vereniging De Elf Marken, was vóór de berging al op de hoogte gebracht van de aanstaande gebeurtenis.
Oom Greame en achternicht Brydie vlogen daarop naar Nederland en waren getuige van de opgraving. Er vond een drukbezochte her-denkingsdienst plaats en de familie kreeg een stuk van het vliegtuig als aandenken.

Van links naar rechts: Brydie, Greame en Frans Ammerlaan met de Roll of Honour.

Leden van De Elf Marken hadden mij verzocht de na-bestaanden een rondleiding te geven rond Arnhem en iets te vertellen over de krijgsverrichtingen in 1944 en de gevolgen van de slag. Op 24 november 2019 bezochten we eerst de Ginkel, de Westerbouwing, de Oude Kerk in Oosterbeek en de Airborne-begraafplaats. Bij het Aircrew-monument kregen Greame en Brydie een uit-leg over deze gedenkplek en kon ik namens de Market Garden Foundation de Roll of Honour overhandigen.
Brydie was zeer aangedaan toen zij een broche met het letterlogo van de RAF in ontvangst mocht nemen. De dag werd afgesloten met een Hollandse pannenkoek.
Er bestaat goede hoop dat William Hurrell binnen twee jaar zal worden begraven met militaire eer. Naar alle waarschijnlijkheid zal deze teraardebestelling niet in Oosterbeek plaatsvinden, maar zoals gebruikelijk bij de Britten in de buurt van de plek waar Hurrell is omgekomen.

PROGRAMMA 2020

GEPLAND
Vrijdag 10 april: Lezing Luchtoorlog Market Garden, in Airborne Museum at Hartenstein GEANNULEERD Zaterdag 18 april: Boekenbeurs Zaterdag 23 mei: Battlefield tour Sonse Bossen, wandeling o.l.v Edwin Popken, bij Eindhoven Vrijdag 28 augustus: Lezing SS-Wachbataillon 3 (‘Nordwest’), door Herman Rolleman, in ‘t Huukske, Arnhem Zaterdag 3 oktober: Battlefield tour C Company, B Company 2nd Battalion en Light Regiment, wandeling, in Oosterbeek GEANNULEERD Zaterdag 21 november: Airborne Day Vrijdag 11 december: Thema-avond Kreta 1941, door Erik Jellema, in ‘t Huukske, Arnhem
IN VOORBEREIDING VOOR 2021
Battlefield tour 1st Airborne Reconnaissance Squadron Battlefield tour King’s Own Scottish Borderers, fietstocht
VERSCHIJNING AIRBORNE MAGAZINE
NUMMER 18 – JULI 2020
NUMMER 19 – NOVEMBER 2020
NUMMER 20 – MAART 2021

VVAM-CONTRIBUTIE 2020
Zoals aangegeven in Airborne Magazine nr. 16 loopt het VVAM-verenigingsjaar van februari tot februari.
Mocht u uw contributie voor 2020 nog niet hebben overgemaakt, doet u dit dan in ieder geval vóór 31 mei. Dan blijft u het blad ontvangen en maakt u gebruik van de voordelen van uw lidmaatschap.
U kunt het bedrag (individuele leden: € 25 gezinslidmaatschap: € 35) voldoen op: NL 80 INGB 0004 4036 41, o.v.v. Contributie 2020 Hiervoor ontvangt u: • Gratis toegang tot het Airborne Museum (de VVAM vergoedt uw toegang na ontvangst van een kopie van het entreebewijs) • Drie maal per jaar Airborne Magazine. • Gratis toegang tot bijeenkomsten over de slag om Arnhem. • Korting op excursies en een aantal battlefield tours.
Indien u internetbankiert, kunt u eenvoudig een jaarlijkse betaling aanmaken. Een formulier invullen, kan ook. Dit is te vinden op: www.vriendenairbornemuseum.nl Administratieve zaken: admin@vriendenairbornemuseum.nl Financiële zaken: penningmeester@vriendenairbornemuseum.nl
DE ACHTERZIJDE

Lieutenant Colonel David Theodore Dobie, DSO, OC 1st Parachute Battalion (1912-1971). Dobie was als comman-dant van 1st Para betrokken bij de nachtelijke oversteek van de eenheid over het spoor bij Oosterbeek in de nacht van 17-18 september 1944. Zijn ooggetuigenverslag van deze verplaatsingen is opgenomen in Ministory 133 op bladzij-den 8-15 (bron: Imperial War Museum, H40928. Foto uit december 1944).