MINISTORY XVIII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.29
TRAGEDIE BIJ DE RIJNBRUG
Samenstelling: Chr.van Roekel

“Het enige schot dat mij trof versplinterde de verrekijker die ik om mijn hals had hangen. De jongens verzamelden zich snel om mij heen en binnen enkele seconden waren hij en zijn mannen er geweest. De wagen reed tegen de noordelijke vleugel van de school te pletter”
Dit fragment komt uit het boek “Whoa Mahomet”, waarin Majoor E.Mackay zijn ervaringen beschrijft tijdens de strijd om de Rijnbrug. Hij was onbekend met het feit dat op enkele tientallen meters afstand van dit inferno een oude dame lag te sterven. Deze dame was freule Cornelia Van Limburg Stirum. De Duitsers wilden haar met haar huis verbranden, maar trouwe en dappere vrienden waagden hun leven om haar een rustig sterfbed te geven.

In Ministory XIV, die het wel en wee van pension Veenhuijsen beschreef, signaleerde ik reeds de verwarring en foute interpretaties van gebeurtenissen rondom de Rijnbrug. De ervaringen van bur¬gers worden met elkaar verward en huizen, straatnamen en gebeurtenissen worden met elkaar verwis¬seld. Ook deze geschiedenis, die oppervlakkig bezien veel lijkt op hetgeen zich op het Eusebius- plein afspeelde, kenmerkt zich door verwarrende publicaties en foutieve interpretaties van foto’s
De zondag was zo vredig begonnen. Duizenden hadden zich opgemaakt om naar de kerk te gaan. Vol aandacht luisterde men naar “Het Woord”. De tijden waren ernstig, maar er was reden tot optimisme. In het zuiden vorderden de bevrijdingslegers met onstuit¬baar geweld.
Een van de trouwste kerkbezoekers, freule Van Limburg Stirum, was die morgen niet in de kerk. Al een paar maanden was haar plaats leeg gebleven. De freule was ziek. In haar villa de “Nijenburg” aan de Eusebiusbuitensingel werd zij verzorgd door haar kamenierster juffrouw Bos en het echtpaar Jansen. Een attaque had een einde gemaakt aan haar vele maatschappelijke activiteiten, maar haar geest was nog helder.

Aan de betrekkelijke rust die in de villa heerste kwam op die bewuste zondag plot¬seling een einde. Britse parachutisten verschansten zich rond de noordelijke oprit van de Rijnbrug. Majoor Mackay bezette met achttien mannen de “Rode School”, die naast haar villa stond. Die avond braken overal vuurgevechten los.
De volgende morgen werden de gevechten steeds heviger. Mitrailleurkogels vlogen door de slaapkamer van de doodzieke vrouw. Wolken van puin en kruitdamp maakten dat men elkaar in de kamer niet meer kon zien. De huisknecht en de kamenierster besloten de freule in de gang te leggen. Daar lag zij op een veldbed, terwijl de Britten de beide naast gelegen gebouwen, de “Rode School” en de “Van Limburg Stirum Middelbare Meisjes School”, bezet hielden en een verwoede strijd voerden tegen de Duitsers, die in haar huis en aan de overkant van de Eusebiusbuitensingel zaten.

De ruïnes van de “Rode School” en, op de achtergrond, de “Nijenburg” in 1945 (foto: Gemeente Archief Arnhem). Het kaartje toont de drie in het verhaal genoemde gebouwen aan de oostkant van de oprit naar de Rijnbrug.

Maandagmiddag half zes besloot de heer Jansen hulp te gaan halen. Samen met zijn vrouw trok hij dwars door de vuurlinie. De freule bleef achter met de trouwe juffrouw Bos en haar hondje Fivo. Om zich enigszins te beschermen tegen neervallend gesteente hadden de beide vrouwen een pan op hun hoofd. Juffrouw Bos zag in dat de bovengang niet meer veilig was en sleepte daarom de freule met bovenmenselijke krachtsinspanning naar beneden.
Woensdagmorgen wilden de Duitsers met blikken benzine het huis in brand steken. Juffrouw Bos bezwoer de mannen om dit niet te doen omdat de freule dan levend zou verbranden. De soldaten lachten om die sentimentaliteit. Wat betekende nu een leven van een doodzieke oude vrouw als het er om ging de Rijnbrug te behouden!
Toen presteerde juffrouw Bos het de freule de tuin in te dragen. Ze zwoegde net zo lang tot de zieke op een betrekkelijk veilig plekje naast de muur lag, die de tuin scheidde van het terrein van de “Rode School”. Ze bezat niet meer de macht om haar op het veldbed te leggen, maar pakte haar stevig in met dekens. Weer legde ze een keukenpan op het hoofd van de freule, en zo lag de zo gewaardeerde adelijke dame temidden van een van de verschrikkelijkste gevechten, die ooit werden geleverd.
Met Fivo aan de lijn holde juffrouw Bos tussen de schietende Britten en Duitsers door om hulp te halen en zij bereikte wonder boven wonder ongedeerd de Parkstraat, waar het blokhoofd van de Luchtbescherming, de heer de Greef, toestemde met zijn zoon en een vriend een reddingspoging te ondernemen. De gevechten bleken op dat moment echter zo hevig dat de Duitsers geen toestemming gaven om de oude vrouw te redden.
Intussen was Majoor Mackay onder druk van Duitse tanks genoodzaakt zijn mannen uit de Van Limburg Stirum School terug te trekken naar de inmiddels in puin geschoten “Rode School”. Ook gaf hij opdracht nog verder noordwaarts te gaan, dus in de richting van de tuin van de “Nijenburg”, waarin de freule lag. Toen luitenant “Stiffy” Dennis Simpson over de muur die hem van de tuin scheidde trachtte te klimmen , werd hij ge¬wond en met hem zeven anderen….
Op slechts decimeters van de freule sloegen de kogels in de muur, maar de doodzieke vrouw bleef wonder boven wonder ongedeerd.
Woensdagavond voerden de Duitsers hun voornemen uit: zij staken de prachtige villa, waarin zich kunstvoorwerpen uit de hele wereld bevonden, in brand. De hitte moet on¬draaglijk zijn geweest en de freule werd overdekt met vuil en as. Zo lag zij daar de hele nacht. Voor haar vrienden was het een ondraaglijke gedachte dat zij daar zo hul¬peloos lag.
Donderdag waagde de heer de Greef nog een poging om haar te redden. De Britse para’s hadden hun verzet moeten opgeven en van de Duitsers kreeg hij toestemming om haar te gaan zoeken. Niemand geloofde echter dat in die chaos nog iemand in leven kon zijn. “Ik ben de tuin in gegaan, maar zag niets”, vertelde de heer de Greef. “Het was er gloeiend heet en de villa was volledig uitgebrand. Ik vond niets, maar toen ik na een poosje de tuin wilde verlaten hoorde ik opeens een zwak geluid. Onder een dichte struik, vlak bij de muur, vond ik de freule. Ze kon slechts zwakke geluiden uitstoten en haar ogen en mond zaten vol roet en as. Ik heb haar gezicht een beetje schoon ge¬maakt en ben toen hulp gaan halen.” Samen met de dames Riek Vos, Ans van Wijngaarden en Ans Meurs is de heer de Greef met zijn zoon Karei toen de freule met een brancard gaan ophalen. Daarna volgde nog de lange en gevaarlijke tocht naar het Diaconessen Ziekenhuis, die veel van het uithoudingsvermogen van de hulpverleners vergde.
In het ziekenhuis werd zij door dokter Emous en zijn staf liefdevol verzorgd, maar hoop op herstel was er niet meer en op zaterdagmorgen 23 september 1944 stierf zij. Nog diezelfde dag werd zij in een soldatenkist begraven onder een grote boom op het terrein van het ziekenhuis. Op 22 september 1945 werd zij herbegraven op de Arnhemse begraafplaats “Moscowa”.
Enige gegevens over de in dit verhaal genoemde huizen. De voorgevels van de huizen stonden aan de Eusebiusbuitensingel. De achterzijden waren naar de oprit van de brug gekeerd en stonden aan het zgn. “paadje van Bleckmann”. In 1897 kocht Cornelia van Limburg Stirum het middelste huis (no.68). Van 1897 tot 1938 was er een U.L.0.-school in gevestigd. Vanwege de rode kleur die het gebouw had werd het de “Rode School” genoemd. In de bezettingstijd was in dit huis het Bureau van de Provinciale Voedselcommissaris ondergebracht. In 1911 kocht de freule het zuidelijke pand en in 1913 werd hierin de Van Limburg Stirumschool gevestigd. Het derde, meest noordelijke huis (no.69) werd de “Nijenburg” genoemd en was van 1867 tot 1944 het woonhuis van de familie Van Limburg Stirum. (zie kaartje).
Gegevens voor deze Ministory werden ontleend aan een artikel in het dagblad “Trouw” van 19 sep-tember 1964 en aan het door E.Mackay geschreven boekje “Whoa Mahomet” (uitg.De Graafschap, Aalten, 1947). Nadere gegevens werden verstrekt door het Gemeente Archief Arnhem. ..

Download ministory

MINISTORY XIX Bijlage bij Nieuwsbrief No.30
IN HET SPOOR VAN LORD STRATHCONA’S HORSE.
Samenstelling: Chr.van Roekel

Veel bezoekers van ons Airborne Museum zullen zich afgevraagd hebben wat de SHERMAN- tank naast Hartenstein te maken heeft met een museum dat de luchtlandingsoperatie bij Arnhem als onderwerp heeft. Hoogstens zou als reden voor de aanwezigheid aange-voerd kunnen worden dat in het raam van operatie “Market-Garden” de rol van het Britse Tweede Leger door deze stalen kolos wordt gesymboliseerd. Niettemin bereikten ons in de afgelopen jaren vele vragen over de tank. Vragen die niet konden worden beantwoord omdat het voertuig pas in 1945 op de oprijlaan van Hartenstein werd aangetroffen en tot nog toe niemand iets kon meedelen over de her¬komst, laat staan over de bijdrage van de tank aan de bevrijding van ons land. Zoals het vaak gaat bij dergelijke raadsels kan een toevallige gebeurtenis leiden tot het vinden van het belangrijke ontbrekende stukje van de puzzel.
Een van onze Britse vrienden deed mij namelijk een boek cadeau getiteld “British Tankmarkings and Names”. Hieruit leerde ik dat de namen op tanks volgens een be¬paald systeem worden gegeven. Zo kreeg een tank behorend tot een A-squadron een naam die begint met de letter “A”. Bovendien moest iedere naam een bepaalde betekenis hebben. Gekozen werd bijvoorbeeld een naam van een streek in Canada of van een dier uit Afrika.
Nu was het bekend dat onze tank eens de naam “Argyle” droeg. Uit bovengenoemd boek bleek dat deze tank deel had uitgemaakt van het 2e regiment van de 5e pantserbrigade in de 5e Canadese Pantserdivisie. De naam van dit regiment luidt: “Lord Strathcona’s Horse – Royal Canadians”. De tank “Argyle” stond te boek als tank no.4 van de 4e Troop van het A-squadron.
Toen deze gegevens boven water waren moest worden nagegaan of dit regiment in Neder¬land en met name bij Arnhem operationeel was geweest. Daarover kwamen de volgende feiten aan het licht. De 5e Canadese Pantserdivisie werd in 1944 ingezet in Italië. Daar nam de divisie onder bevel van Generaal-majoor B.M.Hoffmeister deel aan de ver¬bitterde gevechten om de zogenaamde “Gotische Linie”. In maart 1945 werd zij over¬gebracht nabij de Belgische plaats Izegem. Hier werd, in afwachting van de beslis¬sende aanval op Duitsland, de divisie weer op volle sterkte gebracht. Nieuwe SHERMAN- tanks werden aangevoerd voor de Lord Strathcona’s Horse en de beide zusterregimenten de “Royal Canadian 8th Princess Louise Hussars” en het regiment “Royal Canadian British Columbia Dragoons”. Samen vormden deze regimenten met het gemotoriseerde Westminster infanterieregiment de 5e Canadese pantserbrigade. “Argyle”kwam in Izegem als tank no.4 bij de 4e Troop van het A-squadron van de L.S.H.

Links: Het wapen van de Lord Strathcona’s Horse. Rechts: “Argyle” op de westelijke oprijlaan van Hartenstein in het voorjaar van 1945. Later werd de tank verplaatst naar Kasteel Doorwerth. In 1978 keerde de tank weer terug naar Hartenstein.

Nadat op 12 april geallieerde eenheden de rivier de IJssel waren overgestoken en op 13 april na hevige gevechten Arnhem was veroverd, namen de regimenten de noordelijke wijken van die stad als uitgangsstelling. Op 14 april om 6.30 uur overschreden zij de startlijn voor operatie “Dutch Cleanser”, die ten doel had de Veluwe te veroveren. De L.S.H. vormde de achterhoede, terwijl de 8th Hussars en de B.C.D. uitbraken in noordelijke richting naar het zwaar verdedigde vliegveld Deelen. Na felle gevechten tegen in hinderlagen opgesteld Duits anti-tankgeschut, bereikten zij de noordkant van het Nationale Park “De Hoge Veluwe”. Na hier de nacht van 14 op 15 april te hebben doorgebracht, opende de L.S.H. de aanval op Otterlo. Het A-squadron leed hier haar eerste verlies. De tank “Algiers III” werd hier uitgeschakeld en twee bemannings¬leden vonden daarbij de dood.
Van Otterlo ging het via Wekerom in de richting Barneveld. Het traject was verrader¬lijk. Wegversperringen dwongen de tanks de weg te verlaten en maar liefst zeven van de 30 ton zware tanks van de L.S.H. liepen vast in modder en sloten. Barneveld werd fanatiek verdedigd en dit kwam het A-squadron te staan op het verlies van “Alligator III”, “Antilope” en “Alder II”. Hierna volgde de moeizame opmars richting Voorthuizen, Nijkerk en Harderwijk, dat op 18 april werd bereikt. Eind april vertrok de divisie naar Groningen om een eventuele uitbraak van Duitse eenheden over de Afsluitdijk te helpen verijdelen.
Enkele weken na de Duitse capitulatie, op 23 mei, nam de “Lord Strathcona’s Horse” deel aan de afscheidsparade op het vliegveld Eelde. Daarna volgde nog “Operatie Finito”. Daarbij werd vrijwel al het materiaal voor ca. twee miljoen dollar door de Nederlandse regering overgenomen en bijeengebracht op het vliegveld Deelen in een reusachtige dump.

Opmarsroute 5e Canadese Pantserbrigade over de Veluwe van Arnhem (A) tot Harderwijk (H), 15-18 april 1945.(deel van kaartje uit de “Bevrijdingskroniek West-Veluwe” ,1981)

Enige aanvullende gegevens. Volledige naamlijst van de tanks van het A-squadron.
Commandogroep
Akbar II Abdul II*) Attila II
Ajax II
Troop 1
Alligator III*) Antilope*) Armadillo II (naamloos)
Troop 2
Aspen Alder II*) Almond II
Apricot

Troop 3
Algiers III*)
Athens III
Alaska III
(naamloos)
Troop 4
Algonquin III
Alberta II
Aldershot III
Argyle

*) Deze tanks werden tijdens de opmars over de Iedere Troop beschikte over vier tanks, vervulde en soms naamloos was. Het Romeinse Veluwe buiten gevecht gesteld,waarbij de vierde tank een vervangende rol cijfer geeft het aantal malen aan dat

de tank moest worden vervangen. Hieruit blijkt dus duidelijk dat het A-squadron hevige gevechten achter de rug had voordat het in onze streken werd ingezet.
Bevelvoerende officieren.
Regimentscommandant L.S.H. : Luitenant-kolonel Mc Avity
Commandant A-squadron : Majoor Graham ( Gewond bij Nijkerk )
Commandant Troop no.4 : Luitenant Black
De tank “Argyle” stond onder bevel van Korporaal Richmond.

14 april 1944. De 5e Canadese Pantser Divisie overschrijdt op de Hommelseweg in het verlaten Arnhem de startlijn voor operatie “Dutch Cleanser”

Verliezen van het Regiment bij operatie “ Dutch Cleanser” in april 1945.
Gesneuveld: 14 man. Gewond: 29 man. Vermist: 1 man. In totaal verloren in deze laatste oorlogsmaand 276 geallieerde militairen op de Veluwe het leven.
Verliezen aan tanks van het Regiment.
Vernield: 8. Zwaar beschadigd: 1. Mechanische problemen: 11. Weggezakt in het terrein: 7. Afgevoerd: 1.
Het wapen van de “Lord Strathcona Horse, Royal Canadians” .
Het wapen van de L.S.H. is te zien op bladzijde 1 van deze Ministory. Het kwam bij het regiment in gebruik in 1920. Het was in 1945 gekroond door de koningskroon van het Britse koninkrijk en draagt het motto: “Volharding”. Dit was het devies van de stichter Lord Strathcona and Mount Royal. In het midden staat zijn familiewapen, dat bestaat uit een halve Schotse leeuw ( duidend op zijn geboorteland ), een spoor- nagel en hamer ( deze symboliseren de spoorwegverbinding tussen Oost en West Canada, die in 1885 tot stand kwam en waarbij Lord Strathcona de laatste nagel insloeg ) en een kano met een vlag en vier personen ( dit symboliseert de bemoeienis van Lord Strathcona met de ontsluiting van Noordwest Canada ).
Boven het wapenschild zit een bever die een esdoornboom aanknaagt. Beide symbolisch voor Canada. Het geheel wordt omgeven door een krans van 14 esdoornbladeren, 6 kla¬verbladeren ( symbool van Ierland ), 4 distels en 3 Tudor rozen ( symboliseren de band met Groot-Brittannië ).
In het blazoen treffen we de volgende namen aan. South Africa 1900-1901; First
World War: Festubert 1915, Somme 1916,1918, Cambrai 1917,1918, St.Quentin, Amiens, Hindenburg Line, St.Quentin Canal, Beaurevoir, Pursuit to Mons, France and Flanders 1915-1918. Second World War: Liri Valley, Melfa Crossing, Torrice Crossroads, Gothic Line, Pozzo Alto Ridge, Coriano, Lamone Crossing, Italy 1944-1945; IJsselmeer, North West Europe 1945. Korea 1951-1953.
Enige gegevens over de SHERMAN^tjank en_de betekenis van hi£r£p_a£n£e^rachtj; symbolen^
De SHERMAN VC Firefly was een Amerikaanse tank, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ook in Canada werd gemaakt. De bemanning bestond uit 4 man (Commandant, schutter, lader en chauffer). Het gewicht bedroeg ruim 34 ton. De snelheid op de weg was 35 km/u en in het terrein 16 km/u. Lengte 7.50 m. ; breedte 2.90 m.; hoogte 2.90 m.

De tank was uitgevoerd met een Chrysler 30 cylinder motor. De bewapening van de SHERMAN Firefly bestond uit een 17-ponder kanon met een kaliber van 76.2 mm en twee Browning machinegeweren. De bepantsering varieerde van 76 mm (voorzijde toren) tot 19 mm (bovenpantser).
De gewone SHERMAN verschilde met de Firefly vanwege zijn 75 mm kanon.
Op de tank kunnen de volgende symbolen worden aangetroffen. Een driehoek op de toren met een ”4” erin wil zeggen dat het een tank is van de 4e Troop van het A-squadron. Is de kleur van de driehoek geel dan betekent dit dat de tank behoort tot het 2e reg ment. Een maroonkleurige rechthoek is het teken van de 5e Canadese Pantser Divisie. Een “maple leaf” duidt tevens op een Canadese herkomst. Verder kan onder meer aan de voorzijde een gele cirkel met een zwart cijfer worden aangetroffen; dit is bij een SHERMAN een*30”. Dit geeft het gewicht van het voertuig aan, hetgeen belangrijk is voor de belading en bij het oversteken van bruggen. Een wit nummer voorafgegaan door de letter “T” is in het algemeen het registratienummer.
Tot slot enige conclusies. Eerlijkheid gebiedt mij enige onzekerheden, die gedurende mijn onderzoek aan het licht kwamen, niet aan U te onthouden. De tank die in Izegem aan het A-squadron werd toegevoegd was een “Firefly” en. had dus een 17-ponder kanon. Iedere Troop werd voor de gevechten in West-Europa uitgerust met twee 75 mm kanonnen en twee 17-ponders. De tank bij het Airborne Museum heeft een 75 mm kanon. Het ge¬schut van dit type tanks is echter vrij eenvoudig te verwisselen. Het is mogelijk dat er een geschutswisseling heeft plaatsgevonden.
Ook is het mogelijk dat er binnen het squadron eenvoudig een naamswisseling heeft plaatsgevonden. Dit is best aannemelijk omdat het niet waarschijnlijk is dat een gloednieuwe “Firefly” met het beste anti-tankgeschut dat de geallieerden hadden, als vervangingstank gebruikt zou worden, terwijl de “oudjes” in aktie zouden komen. Navraag in Canada leverde hierover geen uitsluitsel op. Alleen dat er maar één tank was die de naam “Argyle” droeg.
Ook was geen opheldering te verkrijgen over het feit dat de tank in 1945 op de op¬rit naar Huize Hartenstein werd aangetroffen, terwijl zij eigenlijk op de dump op Deelen terecht had moeten komen. Hopelijk komen hierover nog een nieuwe gegevens te voorschijn.

Afscheidsparade op het vliegveld Eelde. Op de voorgrond het B-squadron. Duidelijk is te zien dat de ene helft van de SHERMANS is uitgerust met 75 mm kanonnen en de andere helft met 17-ponder kanonnen met hun langere loop.

Voor het samenstellen van dit artikel waren Captain J.R.Grodzinski, Museum Officer van het Lord Strathcona’s Regimental Museum in Calgary en ons lid de heer E.van de Weerd uit Ede een belangrijke steun. Wie meer wil weten over operatie “Dutch Cleanser” raadplege de boeken “Bevrijdingskroniek West-Veluwe” door E.v.d.Weerd en G. Crebolder en “Bevrijdingsatlas van de Veluwe” door E.v.d.Weerd, P.A.Veldheer en G.Crebolder.

Download ministory

MINISTORY XX Bijlage bij Nieuwsbrief No.31
De motorfiets “Flying Flea” bij de Slag om Arnhem.
door: M. Veldhuizen

De Eerste Britse Airborne Divisie was ten tijde van de Slag om Arnhem uitgerust met verschillende typen motorfietsen. Een daarvan was de lichte motorfiets, die bekend stond als de “Flying Flea”, de “vliegende vlo”. De officiële benaming luidde “ROYAL ENFIELD 125cc LWT”. Deze ROYAL ENFIELD motorfiets dankte zijn bijnaam aan het feit dat de machine bij gebruik door parachutisten in een soort ijzeren kooi per parachute werd gedropt.
Al voor de oorlog was de motorfiets door de firma ENFIELD ontworpen als een goed¬koop en zuinig vervoermiddel. De Duitse firma DKW bracht een praktisch identieke machine op de markt, doch of deze firma het ontwerp van ENFIELD kopieerde, is onbekend.
In Engeland werd deze lichte ENFIELD motorfiets bij praktisch elk legeronderdeel en ook bij de luchtmacht gebruikt. Door het geringe gewicht was de machine behoor¬lijk terreinwaardig en zeer geschikt voor gebruik door luchtlandingstroepen.
De ijzeren kooi waarin de motorfietsen konden worden gedropt, bestond uit een stelsel van buizen en werd tevens door de ROYAL ENFIELD fabriek gemaakt. Dit zo¬genaamde “crashproof”-frame bleek in de praktijk echter niet altijd “crashproof”… De “Flying Flea” kon ook naar het landingsgebied worden vervoerd in een glider. Ze kwamen dan meestal onbeschadigd aan en waren zo het snelst in aktie.
Hoeveel ROYAL ENFIELD motorfietsen er in september 1944 naar Arnhem werden over¬gevlogen is niet precies bekend. Gemiddeld had een luchtlandingsbataljon in 1944 de beschikking over 43 lichte motorfietsen; een parachutistenbataljon had er ver-

De “Flying Flea” motorfiets in een buizenframe, klaar om gedropt te worden. Bovenop het frame het parachutepak. Links, boven het achterwiel, een vierkanten houten plankje met twee batterijen en op iedere hoek een lampje. Bij nachtelijke droppingen zorgden deze lampjes ervoor dat de motorfiets in de duisternis gemakkelijker teruggevonden kon worden. (Foto: Imperial War Museum, Londen)

moedelijk wat minder. We kunnen aannemen dat er bij Arnhem een paar honderd ROYAL ENFIELDS hebben dienst gedaan. De meeste werden gebruikt door de “despatchriders” voor het overbrengen van berichten. In beschrijvingen van de Slag om Arnhem wordt slechts een enkele maal het gebruik van deze motorfietsen genoemd. Wel zijn er enkele foto’s van de Slag om Arnhem, waarop dit type motorfiets (gedeeltelijk) staat afgebeeld. Op een foto waarop Duitse krijgsgevangenen op 17 september 1944 worden afgevoerd langs de Parallelweg in Wolfheze, is links, achter de loop van een 6-ponder kanon nog net een klein deel van een ”Flying Flea” zichtbaar.
Een Duitse foto van 19 september toont Britse krijgsgevangenen op de Utrechtseweg bij het Gemeentemuseum in Arnhem. Zij worden begeleid door een Duitser die een “Flying Flea” met de hand voortduwt.

Een aantal buizenframes waarmee in september 1944 Royal Enfield “Flying Flea” motorfietsen werden gedropt. Bij’het opruimen van de landingsterreinen bij Wolfheze, na de bevrijding in 1945, werden deze buizenframes samen met allerlei onderdelen van gliders, containers en ander achtergelaten materiaal opgeslagen langs de Wolfhezerweg. Achter de buizenframes is het lage dijkje van de spoorlijn naar het vliegveld Deelen zichtbaar. De fotograaf, die dit beeld vastlegde, had kennelijk weinig verstand van dit soort materiaal. Hij noteerde bij deze foto: “achtergelaten stoelen van zweefvliegtuigen” (!). (Foto: via R.Voskuil)

Veel oudere bewoners van Oosterbeek en omgeving herinneren zich dat er “Flying Flea” motorfietsen dicht bij de landingszones waren achtergelaten. Ze waren niet beschadigd maar liepen desondanks niet. Wat was er gebeurd ? Voor de vlucht met de gliders werd het ontluchtingsgaatje in de benzinedop afgeplakt om te voorkomen dat er tijdens de vlucht benzine gemorst zou worden, want dan was er brandgevaar. Als de motorfietsen na de landing haastig waren uitgeladen, reden de berijders vaak weg zonder de afplak- tape van de benzinedop te verwijderen. Daardoor kreeg de carburateur al snel geen benzine meer. Dichter bij Arnhem werden ROYAL ENFIELDS gevonden die moeilijkheden hadden met de ontsteking. Een veel voorkomend euvel, dat wel lastig was, maar wel kon worden verholpen.
Ondanks het feit dat deze lichte motorfietsen vóór, tijdens en na de oorlog verkocht en bijna onveranderd gebruikt zijn, is het toch opmerkelijk dat er nog zo weinig zijn In het Airborne Forces Museum in Aldershot is een complete ROYAL ENFIELD in een buizenframe met parachute tentoongesteld. Het Airborne Museum in Oosterbeek heeft er nog geen, maar hoopt eens ook in het bezit te komen van een exemplaar van de “Flying Flea”

Download ministory

MINISTORY XXI
Bijlage bij Nieuwsbrief No.32
Ds.Ph.W.Bergkotte en zijn rol bij de jaarlijkse “Airborne Memorial Service”.
Door: Mr.J.ter Horst

Op 10 mei van dit jaar overleed op 73-jarige leeftijd dominee Ph.W.Bergkotte uit Oosterbeek. Generaal Urquhart, aan wie ik zijn overlijden meldde, stelde voor dat ik een Ministory aan hem zou wijden. Dit ligt inderdaad voor de hand, gezien het grote aandeel dat overledene had in de conceptie en de voortzetting van de Airborne Memorial Service.
Zoals vermeld in Ministory XVI ging Philip Bergkotte in september 1945 direkt in op het denkbeeld voor een dergelijke herdenking van de gesneuvelden op het toen nog in aanleg zijnde Airborne Kerkhof, zoals dit door de Airborne-commandant en de waarnemend burgemeester van de Gemeente Renkum naar voren werd gebracht.
Philip Bergkotte koos de te zingen liederen, zowel in Engelse als in Nederlandse kerken bekend. Van hem komt het denkbeeld van het Onze Vader in twee talen en van de gecombineerde toespraken van de Britse legerpredikanten en de Oosterbeekse dorpsdominees, in later jaren versterkt door de pastoor.
Een Engels denkbeeld was de lezing uit de Bijbel door de hoogst aanwezige officier. Het idee om schoolkinderen bloemen te laten leggen op de graven is afkomstig van Pater Dijker, toentertijd werkzaam in Oosterbeek in afwachting van zijn uitzending als missionris.
In deze vorm ging van de eerste dienst een grote werking uit als herdenking van de gesneuvelden en als opdracht aan de levenden.

25 september 1945. Generaal Urquhart leest de bijbeltekst tijdens de eerste Airborne Memorial Service. Op de voorgrond Ds.Philip Bergkotte en Hoofd- Aalmoezenier Harlow met hun teksten. Daarnaast de geestelijken Buchanan en de Kivied. (Foto: Willink, Oosterbeek)

Voortzetting in alle jaren na 1945 lag voor de hand en 35 jaar lang lag de ver-antwoordelijkheid voor het welslagen van deze herdenkingsdienst voor een belangrijk deel bij Philip Bergkotte.
Vraag niet hoeveel geestkracht, maar ook praktische voorbereiding hierbij nodig was. Welke geestelijken komen ditmaal uit Engeland ? Welke plaatselijke collega’s geven hun medewerking ? Welke bijbellezing kiest de betrokken leider van de Pilgrimage ? Wie leidt de duizend schoolkinderen te rechter tijd binnen ? En wie dirigeert de Koninklijke Harmonie ?
Dit alles vraagt veel zorg en beleid om de herdenkingsdienst te laten verlopen zoals wij dit gewend zijn geworden.

Vanzelfsprekend leidden al deze bemoeiingen tot vriendschappelijke betrekkingen met tal van Engelse geestelijken, bij wie Philip Bergkotte herhaaldelijk met zijn vrouw te gast is geweest, gelijk hun huis steeds voor deze collega’s openstond. Naast zijn sterke banden met de Hervormde Gemeente te Oosterbeek en met het Christelijk Lyceum te Arnhem waren het stellig ook de nauwe “Airborne”-banden, die Philip Bergkotte, ondanks eervolle beroepen van elders, tot zijn emeritaat in Oosterbeek hebben vastgehouden. Met al zijn eigen herinneringen aan september 1944 als uitgangspunt voelde hij zich nauw verbonden met de gesneuvelden en niet minder met alle gezonde of invalide oud-strijders, tot hij zelf ten grave werd gedragen.

25 september 1945. Leden van de Eerste Britse Airborne Divisie op weg naar de herdenkingsplechtigheid op het Airborne Kerkhof in Oosterbeek. (Foto: B.H.Langevoort, Oosterbeek)

In de “Order of Service” van de eerste herdenking op 25 september 1945 vinden we de eerste woorden van deze geliefde predikant:

“Wij zijn hier tesamen gekomen om voor God te gedenken degenen die vorig jaar in Oosterbeek en Arnhem vielen. In deze strijd doorstonden Britsche soldaten en Hollandsche burgers dezelfde gevaren. Dit kerkhof zal een onvergankelijke band leggen tusschen de inwoners van Oosterbeek en de Eerste Airborne Divisie.
Het zal de vriendschap tusschen het Hollandsche en het Engelsche volk bezegelen en zoo, indien God het behaagt, bijdragen tot de verbroedering der volken.
Wij zijn samengekomen om God, ons aller Vader te eeren en onze ootmoed te getuigen voor onze Heer Jezus Christus.
De Dienst zal in het Engelsch gehouden worden, maar wij hopen dat U de gezangen zult meezingen, en de gebeden zult kunnen volgen. Wanneer wij het Onze Vader bidden wilt U het dan in het Hollandsch doen, terwijl wij het in het Engelsch zeggen.”

Mede door het initiatief van Ds.Philip Bergkotte zal op 20 september 1989 voor de 45e keer het gebed voor de Airborne Forces worden uitgesproken op het Airborne Kerkhof:

“May the defence of the Most High be above and beneath, around and within us, in our coming in our rising up and in our going down all our days and all our nights, until the dawn when the Sun of Righteousness shall arise with healing in His wings for the peoples of the world, through Jezus Christ our Lord. Amen.”

Download ministory

MINISTORY XXII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.33
Dappere Nederlanders om nooit te vergeten.
door: Soldaat Robert Peatling, HQ Company, 2nd Battalion The Parachute Regiment.

Het liep tegen de avond toen wij het noordelijk eind van de brug in Arnhem bereikten op die zondagavond 17 september 1944. Wij hadden verwacht dat het er rustig zou zijn, maar dat viel tegen. De vijand hield het andere einde van de brug bezet.
“Het zal niet lang duren voor we ze de brug afgooien”, dacht ik, “het bataljon is moreel nog nooit zo sterk geweest”.
Een compagnie had zich nog niet gemeld en mijn pelotonscommandant, Luitenant J.T. Ainslie, werd er op uit gezonden om ze te zoeken. Ik ging met ze mee. Vervolgens ging Majoor D.Wallis, de plaatsvervangend bataljonscommandant en een voorbeeld voor zijn mannen, op verkenning uit en twee van ons werden met hem mee gestuurd.
Later sloot ik mij aan bij een sectie van de brigade die Duitse krijgsgevangenen opbracht naar de cellen in het politiebureau. Toen ik probeerde terug te keren naar het bataljon, kreeg ik opdracht van een officier van de Militaire Politie om bij de sectie te blijven. Zelf ging hij die nacht wel terug.
Toen de vijand terugkwam probeerden we het gebouw te verdedigen, maar de overmacht was te groot en de sergeant gaf zijn acht mannen opdracht zich over te geven. Dat was een zeer pijnlijk moment’ Op dat moment besloot ik me niet over te geven. Ik wist dat het Tweede Leger ons elk ogenblik kon bereiken en ik was vastbesloten hun komst af te wachten, als het moest in mijn eentje. Ik vloog naar het dak, maar be¬dacht me en verborg me op de vliering. De vliering stond vol met in beslag genomen radiotoestellen. De Duitsers doorzochten het gebouw, waarbij ze in elke kamer schoten, maar gelukkig klommen ze niet de steile trap op naar de vliering. Na ongeveer een kwartier verlieten ze het gebouw met de Engelse krijgsgevangenen en met de Duitse krijgsgevangenen die nu weer vrij waren. De eerste ronde had ik gewonnen!
De daarop volgende dagen zag ik hoe de inwoners van Arnhem de stad verlieten. Ze droegen witte vlaggen en duwden kinderwagens en karren waar ze hun bezittingen op hadden geladen. Het was een droeve aanblik.
De waterleiding werkte niet meer en ik deed alles om aan water te komen. Ik probeerde een brandblusser te openen, maar dat was geen succes. Ik haalde water uit de stortbak van een toilet, maar deed dat niet voorzichtig genoeg zodat het water in de closetpot terecht kwam. Ik haalde het water toen maar uit de closetpot. Toen het begon te re¬genen zette ik potjes en pannetjes onder de kapotte dakpannen. Gelukkig vond ik wat waterzuiveringstabletten.
Mijn grootste probleem was hoe aan eten te komen. Ik had mijn noodrantsoen chocolade nog en gelukkig vond ik er nog een, die was achtergelaten door een van mijn kamera¬den toen hij gevangen werd genomen. Ik doorzocht de bureau’s van de politiemannen en vond wat etenswaren, sigaren en pijptabak. Ik was geen roker, maar probeerde het nu toch maar en ontdekte dat roken hielp tegen de honger.
Ik besloot te blijven waar ik was en te wachten tot Monty ons zou komen ontzetten, want ik twijfelde er geen moment aan dat dit spoedig zou gebeuren.

Links: Het Hoofdbureau van Politie in de Boven—Beekstraat in Arnhem, waarin Bob Peatling zich enige weken verborg. Rechts: De kamer van de NSB commissaris in het politiebureau met aan de wand foto’s van Hitler en Mussert.

Ik vond een blocnote en begon een brief naar huis te schrijven, maar ik bedacht me en maakte er een dagboek van. In een kantoor beneden vond ik een o en ie nam i mee naar boven.
Er kwamen veel Duitse soldaten in het gebouw die op roof uit waren. IK zag hoe ze winkels en een BATA-schoenenpakhuis leeghaalden.
De maand october was nat, koud en miserabel, maar het deed mij goed om e zien oe de RAF de overspanning van de brug te pakken nam. En passant schoten ze nog wat meer pannen van mijn dak.
Gewoonlijk ging ik vóór vier uur ‘s ochtends de stad in om eten te zoeken, want dan was het rustig. Op een ochtend, aan het eind van mijn route, vond ik in het Victoria Hotel een fles in de keuken waarop stond LIMONADE. Mijn ogen begonnen te glinsteren. Dat was net wat ik zocht. Ik zette de fles aan mijn mond om een slok te nemen toen mijn neus mij waarschuwde: het was ammonia! Toch had ik al wat in mijn mond gekregen en dat spuwde ik onmiddellijk weer uit. Het leek wel of mijn mond in brand stond. Gelukkig was er een kleine watergeyser boven het aanrecht en ik gebruikte al het water om mijn mond te spoelen, maar de huid van mijn tong was in flarden. Dit was een zeer onaangename ervaring en ik ging erg terneergeslagen weer terug naar mijn schuilplaats. Hoewel het verbazingwekkend was hoe snel mijn mond weer heelde, was de tussentijd erg naar. Ik kon niets eten en niet roken; ik kon alleen met veel pijn water drinken.
Op 30 october, toen ik nog altijd wachtte op het tijdstip dat de strijd mijn kant uit zou komen, klommen er drie mannen naar mijn vliering. Ze gingen naar het dak¬raampje om naar buiten te kijken. Ze zagen mijn wasblik en de andere spullen die ik nodig had voor mijn “huishouding” en liepen mijn kant uit. Ik was niet bang want ik lag in een donkere hoek onder een donkergroene deken. Toen ze weer weg gingen hoopte ik dat ze me niet gezien hadden, maar kort daarop kwamen ze weer terug. Toen ze op mij af kwamen stond ik op en riep ze aan. Ze waren verrast, maar ze waren vriendelijk. Ik liet ze een kaart zien waar in het Hollands zinnetjes op stonden zoals ”Ik heb honger, ik heb dorst, kunt U mij helpen, etc”. Ook gaf ik ze wat van ons Hollandse invasiegeld.
De oudste man, Luitenant Van Hove, zei dat hij mij niet kon helpen maar dat hij de ander, Luitenant Hans Van Maris, niet zou beletten dat wel te doen. Ze vertelden dat de Airborne Divisie niet meer bestond, dat er 3500 doden waren en 6500 krijgs¬gevangenen en dat het Tweede Leger nog steeds in Nijmegen was. Hans van Maris zei dat hij alleen terug zou komen en dat deed hij ook. Hij stelde voor dat ik in burgerkleding, samen met een man van de Ondergrondse, het gebouw zou verlaten. Een uur later kwam Johannes Penseel. Hij legitimeerde zich door het kloppen van het ”V”-teken op de deur. Hij bracht kledig voor mij mee en wachtte totdat ik mij geschoren had. Samen gingen we naar zijn huis, een elektriciteitswinkel op het Velperplein no.7. Hans van Maris liep voor ons uit met zijn fiets aan de hand en verkende de weg.
Mijn nieuwe schuilplaats was een ruimte tussen twee kamers en boven twee kasten. Je kwam er via een luik in de vloer van een van de slaapkamers. Mijnheer Penseel zei dat hij terug zou komen met voedsel en dat klonk veelbelovend! Hij kwam terug samen met zijn twee zoons, Jan van 24 en Marinus van 21. Ze brachten een pan met dampende groente, koffie, appels en een pudding. Ik at terwijl we praatten. Ze gingen weg en ik at maar door tot al het eten op was en ik lag te krimpen van de piju. Ik verwenste mijzelf dat ik zo stom was geweest om zoveel te eten. Maar kun je dat iemand kwalijk nemen die in zes weken geen behoorlijk maal heeft gezien en die 13 kilo is afgevallen?
Een paar dagen later kwamen er nog twee bewoners bij, beiden leden van de Onder¬grondse. Het waren Klaas Schuttinga en Nico van den Oever, beiden 23 jaar oud We hadden een voorraadje groente en kregen een klein wekelijks rantsoen van andere etenswaren. Ik was de kok. De anderen gingen er dagelijks op uit om bepaalde op¬drachten te vervullen. Omdat ze gekleed waren in gestolen politie uniformen kon- den ze zich tamelijk vrij bewegen. ’
Ik beleefde een opwindende tijd. Klaas en Nico vertelden mij wat ze deden en wat de Duitsers in de stad deden. Bovendien had ik een goed uitzicht op de belangrijkste doorgaande weg in de srad. We wisten dat ook de SD in de stad was. De jongens hadden elk een ouderwets pistool en ik leerde ze hoe de wapens schoon te maken en te onder¬houden. We praatten over het gebruik van explosieven, maar toen ze op het fornuis wilden experimenteren “voor de grap”, zeiden ze» maakte ik bezwaar! Ik gaf ze Engelse les en dat waardeerde ze zeer. Herman Bresser kwam en nam een foto van me voor een Ausweis. Zijn broer Paul was de redacteur van een ondergronds blad, “World’s Press News” en kwam vaak op be- zoek. Al deze jongens waren naar Duitsland ge- stuurd om daar te werken, maar ze waren ontsnapt en nu ondergedoken. De Duitsers stichtten opzettelijk branden in de stad en een brand vlak bij het Velperplein liep uit de hand zodat we moesten evacueren. Toen ik een handkar tegen een heuvel liep op te duwen, kwam er een Duitse soldaat die mij hielp en die een praatje tegen mij begon. Gelukkig ruilde Johan Penseel bliksemsnel van plaats met mij. Ik vierde Kerstmis 1944 met de familie Penseel in de kluizen van de Amsterdamse bank op het Velperplein. Ze hadden een zevenjarig Joods meisje geadopteerd, waarvan de ouders waren weggevoerd. We werden grote vrienden met elkaar
en gaven elkaar kerstcadeautjes. Op 31 december 1944 was mijn Ausweis verlopen en de burgemeester besloot het niet te vernieuwen. Er werd besloten dat het beter zou zijn dat ik de stad zou verlaten.

Jan Penseel

Die oudejaars dag was het koud en vriezend weer in nam afscheid van de familie Penseel en vertrok, zittend op de bagagedrager van Nico’s fiets. Klaas fietste er naast. Zo arriveerden we bij de controlepost op de Apeldoornseweg. Volgens mijn Ausweis was ik electricien en doofstom. Nico en Klaas deden het woord. We droegen ieder een wapen op zak en waren vastbesloten het ook te gebruiken als de nood aan de man kwam.
Bij de Woeste Hoeve werd ik overgedragen aan Jan Himmerling; Nico en Klaas gingen terug naar Arnhem. De volgende dag gingen we verschillende adressen langs in Hoen- derloo, Otterlo en Barneveld. Tenslotte kreeg ik onderdak bij Herman van Esveld in Kootwijkerbroek. Tot mijn grote verbazing ontmoette ik daar John Haller, een glider- piloot en Harold Riley, een verbindingsman van de brigade. We sliepen in een hooi¬berg, samen met een Hollandse onderduiker, die Paul heette en radiotelegrafist was. In de hooiberg waren Engelse uniformen verborgen en ik pikte er meteen een goede broek uit.
In verband met de veiligheid waren we daar eigenlijk met teveel mensen, dus moest ik weer vertrekken. Gerrit Munkhof fietste twee dagen met me rond om een ander adres te vinden en ik belandde bij Johan van Dijk in Achterveld. Hij zei dat hij me wel een paardagen onderdak kon geven tot ik de oversteek over de Rijn kon maken. Tegen zijn kindren zei hij dat ik “Ome Kees uit Limburg” was. Op die manier zou het niet zo opvallen dat mijn manier van spreken verschilde van hun dialect.
Op 10 januari was ik aan de beurt voor de oversteek over de Rijn, maar ik moest mijn plaats afstaan aan iemand die een hogere rang had dan ik. Een hogere rang ? Nou eerlijk gezegd een veel hogere rang!
Ik had enige onverwachte ontmoetingen met Duitse soldaten. Op een keer opende ik de deur toen er geklopt werd en stond tegenover een paar Duitsers die vroegen om een paar eieren. Een andere keer kwamen ze mannen halen die in het dorp voor ze moesten werken. Johan van Dijk, die in 1940 als soldaat had gevochten, wist wel hoe hij met ze om moest gaan.
Uit Amersfoort kwam Luitenant Van Goor op bezoek. Hij was bij de politie en had over mij gehoord en hij wilde mij meenemen en inzetten in zijn verzetsgroep.
We namen contact op met Gerrit Munkhoff en die zei dat ik deel uitmaakte van de groep in Barneveld en niet verplaatst kon worden.

Op 16 april kwam het gerucht dat de strijd onze kant opkwam. Ik zei tegen Johan dat ik maar beter kon vertrekken want ik wilde niet de kans lopen in zijn huis gepakt te worden wanneer de gevechten om Achterveld zouden beginnen. (Later hoorde ik dat Achterveld tot drie weken na mijn vertrek tot ”niemandsland” was verklaard. In de dorpsschool werd in de weken onderhandeld over de overgave.) Zodra het licht werd vertrok ik in burgerkleren. In mijn zak had ik een boterham van Mevrouw van Dijk en een 9mm BROWNING pistool van de politiecommissaris.
Ik was voorzichtig en maakte gebruik van elke dekking die zich voordeed. Na ver-scheidene uren te hebben gelopen zag ik iets bewegen op de weg. Ik hield mij schuil tot het voertuig voorbij was. Het stopte een eindje verder en ik ging er op af met uitgestrekte handen om te laten zien dat ik niets kwaads in de zin had. Ik riep “Ik ben Engelsman!” en realiseerde me toen dat ik van nu af aan weer Engels kon spreken. Het waren leden van het Canadese 49ste Lower Edmonton Regiment, die op verkenningspatrouille waren.
Ik werd gebracht naar het hoofdkwartier van de Canadese divisie in de buurt van Arnhem. Daar vroeg Generaal McCreery mij waar ik het laatst de vijand had gezien. Ik vertelde het hem en zijn verbindingsofficier nam contact op met de RAF. Binnen een paar minuten was er een vliegtuig op weg naar Achterveld. Wat jammer dat wij in september 1944 niet hadden kunnen profiteren van dit soort luchtsteun!
Nadat ik de generaal mijn verhaal had verteld zei hij “Dat heb je goed gedaan mijn jongen”. Van hem was dat een reuze pluim.
Daarna ging ik naar Zutfen waar ik een nieuw uniform kreeg en een fles whiskey. Een medisch onderzoek wees uit dat ik ondervoed was.
Twee dagen later vloog ik in een Dakota over de krijtrotsen van Dover en dat was een ogenblik vol emotie. Ik landde op Croydon waar een douane ambtenaar me vroeg of ik iets aan had te geven. Ik werd kwaad en zei: “Waar voor de denk je dat ik de afgelopen zeven maanden ben geweest?”. Hij deed een stap achteruit, ik was weer thuis!
Inmiddels waren in Arnhem op 2 januari de meeste leden van de groep waar ik mee opgetrokken had door de SD opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd. Ze werden ondervraagd over wat ze wisten van een Engelsman die Bob heette, waarbij ze werden gefolterd.
Toon van Daalen, Johannes Penseel en Nico van den Oever overleefden de kampen.
Ze waren er lichamelijk echter slecht aan toe en moesten in Nederland in zieken¬huizen worden opgenomen.
Jan Penseel en zijn broer Marinus stierven in Maart 1945 in het concentratiekamp Ludwigslust. In februari 1945 leed Klaas Schuttinga aan ernstige dysenterie. Hij werd gescheiden van zijn vriend Nico. Niemand heeft ooit meer iets van Klaas gehoord. De overige leden van de groep slaagden er in zich schuil te houden en werden niet gepakt.
Ik zal ze nooit vergeten.


1945. Bob Peatling met het echtpaar Penseel.

Download ministory

MINISTORY XXIII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.34
DE PAPIEREN GULDEN
door: H. van den Breemen

De aanleiding tot het schrijven van deze ministory was een papieren bevrijdingsgulden.
Na de Pegasus wandeltocht 1986 raakte ik met mijn vader in gesprek over de Slag om Arnhem. Tijdens dat gesprek haalde hij een papieren gulden uit zijn portefeuille, waarop stond geschreven: “With Thanks for Services Rendered, from a British Officer in Need, J.Lawson, Capt. RAMC Oct/1944”
Mijn vader vertelde daar het volgende verhaal bij: “Het was oktober 1944. Je was nog maar net een jaar en we woonden nog in Wiesel (een buurtschap ten noorden van Apel¬doorn). Op een dag kwam jouw grootvader bij mij. Hij had twee mannen gezien die zich schuil hielden in een paar bosjes. Of ik daar even kon gaan kijken. Bij de plek aan¬gekomen bleken daar twee Britse parachutisten te zitten, die om hulp vroegen. Een goed schuiladres was echter niet één, twee, drie te vinden. Ik heb ze toen een paar keer eten, drinken, wat fruit en een paar cigaretten gebracht. Intussen had ik kontakt opgenomen met Niemeyer, die Buitenhuis van de Rostocklaan inschakelde. Deze heeft ze daar toen weggehaald en bij zich laten onderduiken. Bij Buitenhuis heb ik ze nog een paar keer bezocht. Van één van de twee heb ik toen deze gulden gekregen. Ze vertelden dat ze arts en tandarts waren. Ze waren als krijgsgevangenen vanuit Arnhem naar de Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht. Na een poosje waren ze op transport gesteld naar Duitsland. Ze waren van de trein gesprongen en hadden zich schuil gehouden. Vanuit Apeldoorn zouden ze naar Ede gebracht worden en van daaruit zouden ze proberen naar het zuiden te ontsnappen.”
Tot zover het verhaal van mijn vader. Ik had het verhaal nog nooit gehoord, hoewel ik als jongen de gulden wel eens gezien had. Eén keer had mijn vader geprobeerd te achter¬halen hoe het deze twee officieren verder vergaan was. Dat was hem echter niet gelukt. Hij vond het dan ook prima toen ik voorstelde nog eens een poging te wagen.
Maar hoe moet je zoiets aanpakken? Waar moet je beginnen? Een bezoek aan de plaatse¬lijke bibliotheek leverde in eerste instantie niets op. Tot ik het boek van de Britse divisie-arts Graeme Warrack,”Tocht door het Duister” las. Daarin komt een passage voor waarin een zekere Derek Ridler de naam Lawson noemde. Was dit de Lawson die ik zocht en was Ridler zijn ontsnappingsgenoot?
In het Airborne Museum in Oosterbeek raadpleegde ik een aantal rapporten over het Royal Army Medical Corps tijdens de Slag om Arnhem. Uit deze rapporten bleek dat de twee para’s die mijn vader een handje geholpen had inderdaad Captain John Lawson, 133 Para Field Ambulance (RAMC) en Captain Derek Ridler, 16 Para Field Ambulance (ADC) waren. Van de heer Smits van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum kreeg ik het adres van Captain Ridler. Een aan hem geschreven brief werd helaas niet beantwoord. Zijn belevenissen staan uitvoerig beschreven in Warrack’s boek “Tocht door het Duister’en in het boek “Een chirurg valt uit de lucht” door Daniël Paul.

 

 

Captain John Lawson en de papieren gulden.

Aan de hand van gelezen boeken en rapporten bleek het mogelijk een rekonstruktie te maken van de ervaringen van Captain Lawson vanaf het moment van zijn dropping tot zijn verblijf bij Buitenhuis.
“Maandag 18 september 1944 werd Captain Lawson met zijn sectie gedropt boven de Ginkelse Heide. In de namiddag kreeg hij van zijn commandant, Lt.Col.Alford, op¬dracht mee te gaan met het 11e Para Bataljon, dat moest oprukken naar de brug om daar het 2e Para Bataljon te gaan versterken. Dinsdag 19 september zette hij in alle vroegte een gewonden-verzorgingsplaats op aan de KIingelbeekseweg, op ongeveer 3/4 mijl van het St.Elisabeths Gasthuis. Tijdens de hevige gevechten van die morgen begaf hij zich om ongeveer half elf in de richting van dit ziekenhuis. Daar aange¬komen kreeg hij de taak om voor de eerste opvang van de binnengebrachte gewonden te zorgen. Eind september werd hij als krijgsgevangene naar de Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht. Begin oktober werd hij, samen met een aantal andere artsen, als begeleider van ca. 250 lichtgewonden op transport gesteld naar Duitsland. Samen met Captain Ridler en Captain Keesey (die neergeschoten werd) sprong hij uit de trein.”
Maar hoe was het verder met hem gegaan na zijn verblijf bij Buitenhuis? Hoe was hij de oorlog doorgekomen? Leefde hij nog en zo ja waar woonde hij? Diverse instanties aangeschreven. Ambassades gebeld. Met als enig resultaat: “Waarschijnlijk na de oorlog naar Canada geëmigreerd.” Dus hij had in ieder geval de oorlog overleefd. Weer brieven geschreven, nu naar Canada. Adres gekregen. Brief geschreven. Antwoord: “Niet bekend op dit adres.”
Een oproep in PEGASUS JOURNAL van augustus 1987 bracht mij in kontakt met Mr.George McConville, ex Private van het 133e Para Field Ambulance. In een brief die hij half september naar mij schreef stond: “Heb in de sectie van Captain Lawson gediend. Ben tijdens de landing in de arm geschoten. Captain Lawson heeft de kogel verwijderd. Kwam in Hotel Vreewijk terecht en ben van daaruit als krijgsgevangene naar Stalag XIB getransporteerd. Zal je helpen John op te sporen.”
Eind oktober telefoontje uit Engeland: “John Lawson leeft en ik heb zijn adres.” Direkt schreef ik uit naam van mijn vader een brief. Weer wachten. Zal hij reageren? Eind januari 1988 kwam de brief waar zolang naar uitgekeken was. Captain John Lawson schreef o.a. het volgende:
“Ik heb inderdaad in het St.Elisabeths Gasthuis gewerkt, maar omdat ik voornamelijk in het souterrain werkte heb ik weinig kontakt gehad met de andere doktoren. Van mijn onderduikadres in Apeldoorn ben ik ondergebracht in Barneveld bij mevr.H. en haar dochter. Diens verloofde was daar ook ondergedoken. Ook waren er twee gewonde Airbornes, waar ik voor zorgde. Toen die weer opgeknapt waren ben ik naar Utrecht gefietst, begeleid door een jonge vrouw. Daar was ik bij een echtpaar dat ook een Joodse jongen in huis had. Daarna ging ik, weer per fiets en begeleid door een meisje, naar Rotterdam. Daar ontmoette ik een jonge verzetsstrijder die naar de Geallieerde linies wilde ontsnappen. Ik geloof dat hij Henk heette. We gingen naar het zuiden, naar een rivier. We hielden ons schuil in een kerktoren, geholpen door Dr.”Beierman”(?). Uiteindelijk werden we in januari 1945 met een boot door de Biesbosch naar bevrijd gebied geroeid.”
Tot zover gedeeltes uit John Lawson’s brief. De rest van de oorlog diende hij in het Midden-Oosten. Na de oorlog vestigde hij zich als arts in Yorkshire. In 1957 emigreerde hij naar Canada, waar hij inmiddels zijn dokterspraktijk heeft neer¬gelegd. Hij eindigt zijn brief met de woorden: “Ik ben een gelukkig mens’.”.’
Zo kwam mijn vader na ruim 43 jaar toch nog te weten hoe het gegaan was met de Britse officier waaraan hij zo’n speciale herinnering bewaarde.
Met dank aan: Mr.George McConville, ex Private 133 Para Field Ambulance. Major G.Norton, PEGASUS JOURNAL, Aldershot, Engeland. De heren Chr.van Roekel en J.Smits, Vereniging Vrienden van het Airborne Museum, en de heer P.Vroemen.
Mochten er lezers zijn die mij meer informatie kunnen geven over de verschillende onderduikplaatsen van Captain Lawson, dan verzoek ik ze vriendelijk met mij kontakt op te nemen. Adres: H.van den Breemen, Lupinenstraat 16, 6942 VB Didam, tel.08362- 23613. Tevens zoek ik kontakt met mensen, die net als ik, speciaal geïnteresseerd zijn in het Royal Army Medical Corps (RAMC).

Download ministory

MINISTORY XXIV Bijlage bij Nieuwsbrief No. 35
HET AIRBORNE-MONUMENT TE OOSTERBEEK
door Geert Maassen

Mede naar aanleiding van een suggestie die geruime tijd geleden door generaal Urquhart gedaan werd, is onderstaand gepoogd de ontstaansgeschiedenis van het Airborne-monument te Oosterbeek te beschrijven.
Al korte tijd nadat de eerste inwoners van Oosterbeek na de bevrijding van hun evacuatie-adres waren teruggekeerd naar hun woonplaats, kwam het op initiatief van fysiothe¬rapeut S.L. Maas tot de oprichting van het Airborne-Comité dat zich ten doel stelde een monument op te richten ter herinnering aan de wederzijdse hulp en de onderlinge sa¬menwerking tussen de soldaten van de le Britse Airborne-divisie en de Oosterbeekse bur¬gers tijdens de gevechten in september 1944. De heer Maas kwam met zijn plan bij het college van burgemeester en wethouders en men stemde er mee in. De waarnemend burge¬meester, mr. J. ter Horst, werd ere-voorzitter van het comité. De grote troef was een geldinzameling die vlak voor de geldzuivering van minister Lieftinck van Financiën moest plaatsvinden. Aannemers e.d. die voor de Duitsers hadden gewerkt, zouden dan rui¬me bijdragen beschikbaar stellen en zo is het uiteindelijk ook gebeurd.
In overleg met de verantwoordelijke mensen voor het wederopbouwplan voor de gemeente Renkum werd als locatie een open plek tegenover hotel Hartenstein gekozen en door het gemeentebestuur ter beschikking gesteld. Deze plaats werd met name uitgezocht omdat in het genoemde pand het hoofdkwartier van generaal Urquhart gevestigd was geweest. Omdat ook in Arnhem plannen voor een monument ontwikkeld werden, was overleg met de burge¬meester van die stad gewenst. De Oosterbekers zat het toch al niet lekker dat iedereen maar sprak en schreef over de Slag om Arnhem terwijl het merendeel van de zware ge¬vechtshandelingen zich in Oosterbeek had afgespeeld, en het Airborne-Comité stond erop dat in het dorp een monument zou worden opgericht.
Terwijl op alle mogelijke wijzen geld werd ingezameld, werd de eerste officiële hande¬ling voorbereid. Nog voor het eind van de maand augustus werd generaal Urquhart bereid gevonden te zijner tijd de le steen te leggen. De burgerij bracht geld bijeen door on¬der andere een verloting, het spelen van voetbalwedstrijden tegen de ’Airbornes’ die ter gelegenheid van de verfilming van ’Theirs is the Glory’ in Oosterbeek waren, het houden van lezingen over de slag, etc.. De auteurs van ‘Niet Tevergeefs’ zagen af van hun honorarium en ook de uitgever wenste geen winst te maken zodat voor twee drukken van het in 1946 verschenen boekje 2 x F 2000,= afgestaan werd voor het monument.
De datum voor de le steenlegging werd vastgesteld op 25 september en generaal Urquhart zou met 120 officieren en manschappen aanwezig zijn. Ook werden uitnodigingen verstuurd naar Prins Bernhard en Prinses Juliana, maar zij waren verhinderd te komen. Vanwege de beperkingen ten aanzien van het gedistilleerd schreef het gemeentebestuur een verzoek aan het ‘Rantsoeneringsbureau in gedistilleerd’ zodat voor de ontvangst van de ver¬wachte hoge gasten voldoende sterkedrank beschikbaar zou zijn.
Op 22 september 1945 kon De Renkumse Koerier melden dat de eerste fundamenten (van het muurtje voor de le steen) gemetseld waren. Gehoopt werd dat de jeugd ‘zich niet onledig houdt met het gooien van eikels e.d.. Oosterbeek zal een goed figuur moeten slaan!’ bij de a.s. plechtigheid. Het is schrijver dezes niet bekend of de jongelieden zich netjes gedragen hebben, de koerier maakt er in ieder geval geen melding van.
Drie dagen later was het zover. Nadat eerst ‘s ochtends het geallieerde kerkhof inge¬wijd was, verzamelde zich een grote menigte op de plek waar het Airborne-monument zou verrijzen. De waarnemend burgemeester hield onder andere een toespraak en zijn woorden zijn hieronder in de oorspronkelijke, Engelse versie weergegeven.
” In my capacity of acting Burgomaster of Renkum, Wolfheze and Oosterbeek I welcome all the guests of this imposing meeting.
Firstly I welcome you Commander, Officers and Soldiers of the First British Airborne Division and the Polish Paratroops, you Colonel Doorman, Representative of H.R.H. Prince Bernhard, who cannot be present here staying abroad, you General Dijxhoorn, Chief of the General Staff of the Dutch Army, you Royal Governor of Guelderland, you Military Commander of the Dutch troops being on duty here, you Burgomaster of Arnhem, the town which has given her name to the famous battle of September 1944, northern of the Lower Rhine.

This morning we rendered the last honour to the heroes who have been killed in the battle of the Lower Rhine. Now in the afternoon we cheer all them, who have survived the bitter fighting in these villages and came home after their escape from this heil upon earth.
We all together, the British and the Dutch people we hate war. But it can be our duty to wage a war, as it has been in the last five years to beat Nazi-Germany for the liberty of Europe.
We inhabitants of the Municipality, we are grateful to have gone through the war in its full bitterness. We were happy that Sunday-afternoon to fetch in your troops as our unexpected liberators. But no less we were proud to render assistance to you in the days of the approaching defeat and later on to keep many of you safely hidden in our woods and farms.
Most of all we are grateful to have seen, thanks to your presence, to which great deeds, to which noble-mindedness war can lead.
We thankfully remember your kind care for our wives and children just as for your own wounded soldiers. We admire your gallantry in view of death. We never shall forget the great mutual cordiality of your officers and soldiers in the constant danger of lif e.
In view of death all soldiers and civilians, who were living in this narrow bridge- head, revealed their most noble qualities. At first sight, life in the trenches and cellars was very near to an animal existence. In point of fact however, God was close by and opened the hearts of men. On this high level the most cordial friendship sprang up between the first British Airborne Division and ourselves.
In memory of this friendship between airbornes and civilians a simple monument will arise here on this very spot, in front of the Division-headquarters in Hartenstein. We are very thankful that you, General Urquhart were prepared to come back to this well- known spot to lay the foundation-stone of this monument.
Commander, officers and soldiers of the First British Airborne Division and the Polish Paratroops, please be convinced that your gallantry remains stamped in our memory for ever.”

Oosterbeek, 25 september 1945: ‘s middags vindt de le steenlegging van het Airborne-monument plaats. Van links naar rechts: mr. J. te Horst, S.L. Maas, generaal R.E. Urquhart en J.H. Karei.
(foto: B.H. Langevoort)

In De Renkumse Koerier van 27 september 1945 werd Urquhart’s antwoord (in het Nederlands) afgedrukt:

Mijnheer de Burgemeester, Dames en Heren! Uit naam van de Britse en Poolse Airborne dank ik den Burgemeester van Oosterbeek en de Commissaris van de prov. Gelderland voor hun woorden. Ik geloof, dat wij het allen erg gewaardeerd hebben, wat de inwoners van Oosterbeek en Arnhem in de afgelopen 24 uur voor ons hebben gedaan. Wij zijn allen met vele herinneringen hierheen gekomen en zullen zeer zeker met meer nieuwe terugkeren.
Wij zijn zeer erkentelijk voor de aangrijpende ceremonie op de Begraafplaats deze morgen en velen zullen een diepe ontroering hebben gevoeld. Het was een van de meest aangrijpende ogenblikken, welke ik ooit beleefd heb. Het is een prachtige rustplaats en wij zijn de Ned. autoriteiten zeer dankbaar, dat zij ons deze gelegenheid hebben geschapen. Vooral het bloemen leggen der kinderen was zeer aandoénlijk.
Tesamen met de Burgemeester van Oosterbeek heb ik besloten, dat er ieder jaar op de 17e September een dienst zal worden gehouden op het Kerkhof, gevolgd door een korte ceremonie bij het Monument en tevens een bij de brug in Arnhem.
In de loop der jaren zult U een voortdurende stroom van bezoekers in Uw omgeving zien en het zal een Mekka worden voor al de familieleden, die hier hun dierbaren hebben verloren. Plannen worden reeds gemaakt om deze familieleden in de volgende jaren over te laten komen.
De le Airborne Divisie is van plan om Oosterbeek en Arnhem vlaggen aan te bieden, wat zal geschieden op de ceremonie van het volgend jaar.
Het was voor ons een droevige dag in Oosterbeek, toen we gedwongen waren ons terug te trekken, temeer omdat we wisten, wat Uw gedachten waren t.a.v. deze terugtocht en weer bezet te worden door de Duitsers. Maar U hebt nooit de hoop opgegeven, dat we terug zouden keren.
We zijn allen, die onze jongens op eigen risico verzorgden, dankbaar. Vele aanwezi¬gen hebben een gegronde reden dankbaar te zijn voor Uw hulp in het verbergen van hen in Uw boerderijen en huizen, en hulp bij het oversteken van de linies.
Ik heb vandaag de eer de eerste steen te leggen voor dit Monument om zodoende de hechte band tussen U en ons voor altijd te bezegelen.”

Na de steenlegging (met behulp van een hijsinstallatie, zoals de foto laat zien) volgde voor de genodigden een afscheidsdronk in Hartenstein. Geborreld werd in de kelders die nog in de staat verkeerden waarin de Engelsen ze in 1944 hadden achtergelaten. Het was een idee van wethouder B.J. Mom om het daar te doen en dat werd met name door de bui¬tenlandse gasten zeer op prijs gesteld. De Oosterbekers konden ’s avonds genieten van muziek, zang en een groots vuurwerk.
De eerste steen mocht dan wel gelegd zijn, het monument stond er nog lang niet. Hoewel het geld in verheugende mate binnenstroomde, doemden problemen op in de vorm van de landelijke Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenktekenen in Nederland. Deze moest elk ontwerp in het land aan een oordeel onderwerpen en slechts na een positief advies gaf de desbetreffende minister de vereiste goedkeuring. Het was uiteindelijk beeldhouwer Jacob Maris uit Heumen die van het Airborne-Comité de opdracht kreeg om naar een ontwerp van architect H.W. Wesselink uit Oosterbeek (een zuil met vier ’ar¬men’) een maquette te maken. Laatstgenoemde kreeg de verantwoording voor de technische verzorging en de leiding bij de uitvoering. Op 14 december werd de maquette aan het comité getoond en kreeg algemene bijval. De Centrale Commissie vond het ontwerp te eenvoudig, maar een luxere versie zou het Airborne-Comité de financiële pet te boven gaan. Het meningsverschil sleepte zich voort, maar ondertussen werden wel de nodige voorbereidingen getroffen. Begin maart 1946 zou de beeldhouwer met zijn werk kunnen beginnen; er was echter nog steeds geen overeenstemming bereikt met de Centrale Com¬missie. Toen mevrouw Churchill en de Engelse ambassadeur op 16 mei een bezoek aan Oosterbeek brachten, konden zij een krans leggen bij de le steen en de plek bekijken waar het fundament van het monument zou komen, maar ook niet meer dan dat. Ook op 13 juli kon De Renkumse Koerier nog niets anders constateren dan dat sprake was van ‘de lijdensweg van het Airborne-monument’ en dat ‘de plaats nog even leeg als voorheen’ was, ‘uitgezonderd de le steen’.
Medio augustus ondernam burgemeester J.J. Talsma stappen. Samen met zijn voormalige, tijdelijke plaatsvervanger, mr. J. ter Horst, toog hij naar Den Haag om met de commis¬sie te praten. Het was immers de bedoeling dat Koningin Wilhelmina in september het mo¬nument zou onthullen, dus enige voortvarendheid was nu wel op zijn plaats. Het lukte de  commissie te overtuigen, al zou het nog tot 2 juli 1947 duren voordat de formele mi-nisteriële goedkeuring afkwam.

De eerste werkzaamheden konden nu ter hand genomen worden. Het gemeentebestuur betaal¬de het grondwerk (F 3975,=) waarmee de aannemers op 19 augustus begonnen. Aan het eind van die maand kon, gedeeltelijk reeds behouwen, natuursteen op het voetstuk geplaatst worden en ging Maris ter plekke verder met zijn werk. Hij en de andere steenhouwers werkten tot laat in de avond door en ook ‘s nachts, als de werkplek verlicht werd, was Maris nog bezig. Op 4 september meldde De Renkumse Koerier dat de voorlopig grootste hoogte van 14 meter bereikt was. De bekroning van het monument zou een tijdelijk ka¬rakter krijgen omdat deze nog punt van bespreking was met de Centrale Commissie. De vier vleugels waren nog niet aangebracht.
Toen op 17 september 1946 Koningin Wilhelmina met haar gevolg kort na 12.00 u. bij het monument arriveerde, omzoomden duizenden het plantsoen. Er waren alleen al 1100 geno¬digden! Voorzitter Maas van het Airborne-Comité droeg het gedenkteken op aan de le Britse Airborne-divisie en maakte (beleefdheidshalve?) melding van het feit dat materi¬aalgebrek er de oorzaak van was dat het monument nog niet voltooid was. Hij verzocht burgemeester Talsma om de gemeente het onderhoud op zich te laten nemen. Deze ging daarmee namens het gemeentebestuur graag accoord. Als laatste sprak generaal Urquhart een dankwoord. Via de krant liet beeldhouwer Maris nog weten dat het uniek was in Ne¬derland dat hoewel materiaal en gereedschap bij nacht en ontij open en bloot voor een ieder te grijp lagen, niets werd vermist.

Het nog niet voltooide Airborne-monument na de kransleggingen op 17 september 1946. De vlaggen zijn reeds van de stokken gehaald, (foto: B.H. Langevoort)

De eerste kranslegging bij het voltooide monument vond plaats op 16 september 1947. De totale kosten hadden (uitgezonderd het grondwerk) F 32.000,= bedragen, waarvan door de burgerij F 28.000,= bijeengebracht was. Dit was een uitzonderlijk hoog bedrag voor de slechts ruim 10.000 zielen die bovendien van have en goed beroofd waren. Voor de reste¬rende F 4000,= werd in eerste instantie een lening bij de gemeente adgesloten. Na een subsidie van een landelijke organisatie kon de lening in 1950 terugbetaald worden. In het monument werden onder andere 70.000 stuks baksteen verwerkt en de naald alleen weegt 100.000 kg..
Op de in 1983 door de gemeente geplaatste zuil (kosten F 9000,=) aan het begin van het pad vanaf de Utrechtseweg naar het monument staat in vier talen de oorspronkelijke tekst vermeld die de Slag om Arnhem en de betekenis van het monument voor een ieder duidelijk maakt.
Bronnen: aantekeningen en mededelingen van mr. J. ter Horst; De Renkumse Koerier en archief gemeentesecretarie Renkum 1945-1955 (Gemeentearchief Renkum).

Download ministory

MINISTORY XXV
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 37
OORLOG IN DE WEVERSTRAAT
door C.Meijer

Na de zomervakantie van 1944 bleven voor ons, Oosterbeekse kinderen, de scholen gesloten omdat die waren gevorderd door de Duitsers. Overal in het dorp zag je groepen militairen met hun voertuigen. Regelmatig reden er Duitse wagens langs ons huis in de Weverstraat naar het Benedendorp.
Op die stralende zondagochtend 17 september speelden we met de step – nog op lucht¬banden – in de Weverstraat. Plotseling verschenen er enkele vliegtuigen en naarmate de tijd vorderde nam hun aantal toe. We zagen aan de zwarte rookwolkjes dat ze onder vuur werden genomen door het afweergeschut. Aan de lange tijd dat dit aanhield merk¬ten we dat het niet zomaar een actie was. Het schieten hield niet op en de heer Grobben, de vader van mijn buurjongen Jan, haalde ons naar binnen. We mochten niet meer naar buiten en moesten onderaan de keldertrap blijven.
Mijn ouders en mijn zusje waren die morgen naar mijn grootouders, die op de Molen¬weg woonden, op koffievisite gegaan. Tegen twaalf uur kwamen ze in grote haast thuis. Het leek wel of er in de buurt bommen werden afgeworpen, te horen aan de zware ontploffingen en het trillen van de grond. Het gerucht ging dat de water¬toevoer wel eens gestaakt zou kunnen worden en uit voorzorg ging iedereen teilen en emmers met water vullen. Daardoor werden de leidingen zwaar overbelast en kwam er veel roest met het water mee.
Nadat het wat rustiger was geworden aten we wat beneden in de keuken. Op een zeker moment hoorden we uit het zuidwesten een grote vloot vliegtuigen naderen. We gingen naar zolder en vandaar konden we goed zien wat er gebeurde. Zweefvliegtuigen, die achter de grote toestellen waren meegevoerd, koppelden los en kwamen langzaam in glijvlucht naar beneden in de buurt van Wolfheze. Door de bomen langs de Utrechtse- weg en op de Dennenkamp konden we ze niet aan de grond zien komen. Kort daarop zagen we toestellen waaruit parachutes kwamen.
Inmiddels kwamen Duitse soldaten op voertuigen de Weverstraat oprijden. Doordat ze naar ons zwaaiden kregen we de indruk dat ze dachten dat voor hen de oorlog was afgelopen en dat ze snel naar huis konden gaan. Bovenaan de Weverstraat sloegen ze rechtsaf in de richting Arnhem. Veel later zagen we nog enkele Duitsers in draf de Weverstraat op komen. Een was half gekleed en was kennelijk door zijn eenheid, die eerder die middag op de vlucht was geslagen, vergeten.
Tijdens de landingen en ook de rest van de middag was het vrij rustig en werd er nauwelijks geschoten. Dit versterkte bij de burgers het idee dat alles goed verliep. In de late namiddag kwam onze overbuurman, de heer Schollen, terug uit Wolfheze, waar hij had geholpen na het bombardement dat daar die ochtend had plaats gevonden. Er waren veel slachtoffers gevallen en hij was erg onder de indruk.

In het Benedendorp trokken intussen de Engelsen binnen en we zagen veel burgers uit het Bovendorp daar naar toe gaan om te kijken. Een buurman, die nog een fles oranjebitter had bewaard, nodigde de naaste buren, waaronder mijn vader, uit om een glas te drinken op de bevrijding.
Tegen de avond zagen we de eerste Engelse soldaten. Het waren er twee en ze liepen met volle uitrusting de Weverstraat af. We stonden op het trottoir en toen ze pas¬seerden gaven ze ons een hand. Daarbij zeiden ze: “No cigarettes, no chocolate” en vervolgden hun weg.
Het werd donker en het bleef onheilspellend stil. Voor die nacht leek het ons veiliger om wat bedden in de kelder te brengen en niet boven te gaan slapen. De kelders van de huizen aan de oostkant van de Weverstraat lopen onder het hele huis door. Aan de voorkant, aan de straat, is het plafond gelijk met het niveau van de straat; aan de achterzijde ligt de vloer van de kelder echter maar een meter beneden de begane grond. Dit komt omdat achter de huizen het Zweiersdal loopt.
Op maandagmorgen 18 september zagen we Engelse soldaten op de hoek van de Wever¬straat en de Annastraat bij de drogisterij van Van Rijn. Ze liepen bepakt en be¬zakt achter elkaar in de richting van de Dam. Burgers gaven ze fruit en andere levensmiddelen.
Toen we bovenaan de Weverstraat gingen kijken zagen we een Engelse soldaat, die zijn onderdeel en zijn uitrusting was kwijtgeraakt, omstuwd door burgers in de richting Arnhem lopen. Later reden er voortdurend Jeeps met soldaten in dezelfde richting.
Toen er in de buurt van de Utrechtseweg granaten vielen en er ook werd geschoten, gingen we snel naar huis en bleven we verder in of vlak in de buurt van onze kelder. Die middag zagen we in dezelfde richting als de voorgaande dag vliegtuigen para¬chutes afwerpen. Vanaf de straat, maar vooral vanaf het dak konden we ze goed waarnemen.
De volgende dag, dinsdag 19 september, werd het schieten steeds heviger, vooral vanuit de richting Arnhem. Overburen, die een kelder hadden met alleen een houten plafond, kwamen uit voorzorg maar bij ons in de kelder. De vorige dag was er ook al een nicht van mijn grootmoeder bij ons gekomen en daardoor zaten we nu met elf volwassenen en kinderen in een kleine kelder van drie en een half bij drie en een halve meter. Bij de buren zaten twaalf mensen in de kelder omdat familieleden, die naar het Benedendorp waren geweest, niet meer naar hun huis op het Zaaierplein terug durfden en bij hen in huis waren gekomen.
In onze kleine kelder was niet voor iedereen een bed en daarom werd er om beurten wat geslapen. Er werd gekookt op een petroleumstel omdat we de kachel niet aan durfden te steken in verband met brandgevaar bij een eventuele granaatinslag. De kelder werd verlicht door een petroleumlampje, want de elektriciteit was al eerder uitgevallen. Zoals bijna iedereen hadden ook wij voor een wintervoorraad voedsel gezorgd. Flessen met geweckt fruit en vlees stonden in de kelder, waardoor we in de dagen die volgden in ieder geval iets te eten en te drinken hadden.
Op het keldergat dat in de stoep van de Weverstraat uitkwam waren zandzakken gelegd. Om bij een treffer het rondvliegen van glasscherven tegen te gaan, waren al eerder de grote spiegelruiten van de etalages met plakband beplakt. Al spoedig gingen deze ruiten aan scherven.
De beschietingen werden steeds heviger en we hoorden dat enkele burgers in het Jagerspad dodelijk getroffen waren toen ze even buiten hun schuilplaats stonden. Die dag zagen we ook dat een NSBer, die in onze straat woonde, door twee Engelse soldaten van huis werd gehaald en via het Postpad werd afgevoerd.
In de nacht van dinsdag op woensdag kwam er niet veel van slapen. De gevechten met het daarmee gepaard gaande geschiet kwamen steeds dichterbij. Woensdagmiddag waren er hevige luchtgevechten boven het dorp en door een spleet tussen de zand¬zakken op het keldergat was te zien dat er vliegtuigen met Duitse tekens vlogen. De nacht van woensdag 20 op donderdag 21 september was tumulteuzer dan de vorige en we hoorden boven ons hoofd lawaai en gestommel. In de vroege ochtend van die donderdag kwam er een Duitse soldaat naar beneden. Hij keek in onze kelder en vroeg of er alleen burgers waren. Op onze vraag of we hier wel veilig zaten ant¬woordde hij dat het, behalve voor bommen, een goede schuilplaats leek. Toen we wat later naar boven gingen om in onze winkel te kijken bleek dat de Duitsers in onze etalages mitrailleurs hadden opgesteld, waarmee ze de overkant onder schot hielden. De gordijnen lagen op de grond; ze hadden als dekens gediend waar ze waarschijnlijk wat onder hadden geslapen. Kort daarop ontplofte een granaat tegen het huisje op Weltevreden 3, vlak achter ons huis. De ruiten die hier en daar nog in de achterzijde van ons huis zaten, vlogen er met geweld uit en in de keuken zaten de scherven van deze inslag in de muur. De Duitse soldaat stelde ons “gerust” en zei dat het hun artillerie was, die aan het inschieten was.
Die middag brak er een oorverdovend geschiet los op overvliegende vliegtuigen en wat later hoorden we het knarsende geluid van rupsbanden van gepantserde voer¬tuigen, die om de twintig meter stopten en dan een salvo granaten afvuurden.
Dat gebeurdeook vlak voor onze kelder op nog geen twee meter afstand. De petro¬leumlamp flikkerde en ging uit door de luchtdruk. Alles dreunde en op dat moment was ik voor het eerst bang dat er iets ergs zou kunnen gebeuren.
In de vroege ochtend van vrijdag 22 september leek het alsof er een pauze was in de gevechten. Heel voorzichtig gingen we in de tuin kijken en zagen dat alle tomaten van de planten die daar stonden op de grond lagen. Er tussen lagen glas¬en granaatscherven. Opzij van het huis lag het bezaaid met dakpannen. Aan het dak van de buren en ook in het Zweiersdal hingen of lagen parachutes met manden en grote cilindervormige bussen. Een buurjongen die er naar toe liep werd weggejaagd door Duitse soldaten die juist het pad van Weltevreden afkwamen. We zagen dat de Duitsers uit onze winkel witte lakens hadden gehaald en die hadden uitgespreid op de Weverstraat, kennelijk om de bevoorradingsvliegtuigen te misleiden zodat ze hier hun voorraden afwierpen. Toen we zo rondkeken zagen we drie gewapende Duitsers de Weverstraat af komen lopen. Een met een pet en twee met een helm op het hoofd. Toen ze ons zagen schreeuwden ze dat we onmiddellijk moesten maken dat we weg kwamen.
De weer oplaaiende gevechten wongen ons weer de kelder in te vluchten. Daar wachten we uren tot het oorlogsgeweld weer wat zou luwen. Soms hoorden we langskomende bur-
gers roepen om een plaats in een kelder. Onze kelder zat echter zo vol dat niemand
er meer bij kon. Bovendien durfden we tijdens de hevige gevechten de kelder niet
verlaten. Zelfs in de keuken achter de kelder was het niet veilig. Naar de WC
konden we alleen wanneer het oorlogsgewoel even wat minder was. Onze buurman maakte
van de gevechtèpauzes gebruik om even naar de overkant van de straat te gaan om zijn
kleinvee van voer te voorzien.

Links: de schrijver van deze Ministory, Cees Meijer, met zijn step achter zijn huis aan de Weverstraat no.20, een jaar voor de Slag om Arnhem. Rechts: Een deel van een plattegrond van Oosterbeek, waarop met een pijl het huis van de familie Meijer aan de Weverstraat staat aangegeven.

Bij al dit geweld dachten de volwassenen alleen maar hoe te overleven, maar wij, als kinderen van rond de tien jaar, vonden deze ongewone omstandigheden tot op zekere hoogte wel spannend. Toch verliezen kinderen zelfs onder dergelijke omstandigheden het gewone leven niet uit het oog, getuige de opmerking die mijn buurjongen maakte toen niemand hem op woensdag 20 september met zijn verjaardag feliciteerde: “Nu krijg ik zeker ook geen cadeau !”
‘s Nachts zagen we dat evenals in de vorige nachten overal in Oosterbeek branden uitbraken. De gloed tegen de donkere hemel en de vonkenregen waaraan niemand door blussen een einde kon maken, gaf vooral de ouderen een angstig gevoel.
Bij de beschietingen hoorde je vaak het afvuren, daarna een fluittoon en dan de inslagen. Je vroeg je voortdurend af of de volgende inslagen dichterbij dan wel verder af zouden zijn.
Zeer beangstigend was op een zeker moment het roepen van een Duitse soldaat, die ge¬wond op de weg lag. Hij riep steeds “Willy, Willy”, maar dat werd langzaam zwakker tot het pas na een half uur ophield.
Zaterdag 23 september bleef het vuren vanuit het zuiden, dat donderdag was begonnen, onverminderd doorgaan. ‘s Avonds kwam een buurvrouw, die enkele huizen van ons van¬daan woonde, zeggen dat zij en haar familie het niet meer uithielden en van plan waren om te vertrekken. In eerste instantie besloten wij te blijven omdat onder deze omstandigheden de kelder de veiligste plaats leek. Toen er echter bij het donker worden steeds meer branden ontstonden, o.a. achter ons op de Fangmanweg, besloten we samen met de buren in oostelijke richting te vluchten. Via Weltevreden liepen we met wat handbagage de Vredeberg op. We zagen dat het huis van de familie die eerder op de avond hun vertrek hadden aangekondigd, in brand stond. Aan het dak hing een parachute met voorraden, die, als het munitie was, ieder moment kon ont ploffen. In grote haast liepen we via de Jacobaweg en de Heuveloordweg naar mijn grootouders op de Molenweg. Hoewel er voortdurend werd geschoten op onze vlucht je zag in het donker de lichtsporen van de kogels – kwamen we toch veilig aan. We hadden de indruk dat de felste gevechten zich ten westen van de Weverstraat afspeelden. In de kelder op de Molenweg waren behalve mijn grootouders nog drie personen van een familie. Hun huis was eerder die week getroffen en tot de grond toe afgebrand.
De volgende dag, zondag 24 september, merkten we dat de strijd zich concentreerde in het Benedendorp, maar met granaten werd er ook op de watertoren geschoten, die op ca. 30 meter van het huis stond. Bij iedere treffer vielen er stukken steen door het dak van de bijkeuken.
Maandag 25 september bleef het vuren aanhouden. Gelegenheid om je te wassen en voor de mannen om zich te scheren was er al lang niet meer en we droegen nog steeds dezelfde kleren als op 17 september.
In de nacht van maandag 25 op dinsdag 26 september brak er een oorverdovend gra- naatvuur uit het zuiden los. Zoiets hadden we de afgelopen dagen nog niet eerder beleefd. Niemand kon een oog dicht doen en iedereen dacht dat het grote leger nu vanuit het zuiden over de Rijn zou komen om de Duitsers te verslaan.
Rond een uur of zes in de ochtend hield het vuren op en werd het doodstil. Voor¬zichtig gingen we naar boven om te zien wat er buiten aan de hand was. Tot onze schrik zagen we Duitse soldaten rondlopen. Blijkbaar hadden ze dorst want ze gingen naar een teil die onder de regenpijp stond om water te drinken. Het werd duidelijk dat het leger uit het zuiden niet was gekomen. Wat later op de morgen hoorde ik zingen op de Emmastraat, onderaan de Molenweg. Het bleek een groep Engelse krijgs¬gevangenen te zijn, die door Duitse militairen op de fiets werd begeleid. Sommigen hadden een arm of het hoofd in verband, maar ondanks dat zongen ze, terwijl ze in de richting Arnhem liepen. Het was triest om te zien dat ze na al die dagen van hevige gevechten het onderspit hadden moeten delven.
Iedereen uit de omgeving vond het verstandiger om Oosterbeek maar te gaan verlaten. Er was geen enkele voorziening meer en het normale leven leek – ook al omdat veel was vernield en verbrand – zich op korte termijn niet meer te kunnen herstellen. Bovendien vreesde men dat ieder ogenblik een aanval uit het zuiden zou kunnen komen. Na wat iedereen had meegemaakt, wilde men daar niet op wachten.
We kregen de gelegenheid om mee te gaan met een platte wagen, die werd getrokken door een paard. Samen met een paar andere families reden en liepen we via de Jacoba¬weg en de Toulon van der Koogweg naar de Weverstraat om nog een broer van de eige¬naar van paard en wagen op te halen. De straat lag vol puin, glas en uitrustings¬stukken. Er liep een geit los op de weg, die aan een container liep te snuffelen. Enkele Duitsers, gewapend met vlammenwerpers op hun rug, keken of ze niets verdachts zagen. Konijnen, die nog in hun hok zaten, werden door burgers losgelaten.
In een van de huizen in de Weverstraat bleek een vrouw te liggen met een pas ge¬boren baby. Omdat zij en haar familie geen vervoer hadden namen wij ze mee op de wagen. Vader keek nog of onze fietsen, die we buiten hadden gezet om in huis meer plaats te hebben, nog bruikbaar waren. Dit bleek alleen nog het geval te zijn met de fiets van mijn vader; de andere waren door granaatscherven onbruikbaar geworden. Het zal rond de middag zijn geweest dat we van ons huis vertrokken. We reden de Weverstraat op en staken de Utrechtseweg over. De Utrechtseweg was onbegaanbaar o.a. omdat de masten met de bovenleiding van de tram over de weg lagen. Via de Lebretweg en de Parallelweg reden we naar station Oosterbeek-Hoog. Op de brug over het dal van de spoorbaan zagen we talloze parachutes in verschillende kleuren vele hangend aan de elektrische bovenleiding van de spoorlijn. Op dat punt groeide de stoet Oosterbekers, die een goed heenkomen zochten, aan tot één lange kolonne. Met kruiwagens, fietsen, kinderwagens en alles wat maar rijden kon trok deze zwijgende optocht de Dreijenseweg op. Het was doodstil toen we bovenaan deze weg tussen de bomen aan de linkerkant vele gesneuvelde Engelse soldaten zagen, sommigen nog in gevechtshouding achter hun wapens in schuttersputten. Vanaf de Leeren Doedel nam ieder de Amsterdamseweg richting Ede. Het was tegen de heuvel op gezien een ononderbroken stroom mensen, die hun dorp waren ontvlucht. Vanuit Ede kwam ons een kolonne Duitse tanks tegemoet, die in de richting Arnhem reden. Hoewel het bewolkt was vreesden we dat als er Engelse jachtvliegtuigen zouden komen, deze de kolonne zouden beschieten. Gelukkig gebeurde dit niet en bereikten we veilig ons evacuatie adres in Otterlo.

Download ministory

MINISTORY XXVI
Bijlage bij Nieuwsbrief No.38
Tussen bommen en gliders.
door: R.P.G.A.Voskuil

Ongeveer een kilometer westelijk van het station Wolfheze staat eenzaam langs de spoorlijn Arnhem-Utrecht een klein huis. Het staat precies aan het noordelijke uiteinde van de Telefoonweg, naast de overweg naar de Buunderkamp.
In september 1944 woonde hier het gezin Kelderman, dat bestond uit vader, moeder, dochter en de 8-jarige zoon Cees. Vader Kelderman werkte aan het onderhoud van de spoorbaan.
De gehele oorlog was het betrekkelijk rustig geweest rond het huis. Wel bezochten regelmatig leden van het Verzet de familie Kelderman om voedsel te halen voor de vele onderduikers in de omgeving.
Op zondagochtend 17 september 1944 liepen vader en zoon Kelderman in de buurt van het huis, toen er vanuit Wolfheze een Duitse officier aan kwam fietsen. Hij stapte af en vroeg of hij het kleine hazewindhondje van de familie kon kopen. Nieuwsgierig volgde Cees het gesprek. Terwijl ze stonden te praten naderden uit oostelijke rich¬ting zes grote vliegtuigen. Ze vlogen evenwijdig aan de spoorbaan. “Toen ze onge¬veer recht boven ons waren”, herinnert Cees Kelderman zich, ”werd het plotseling volledig duister om ons heen. Mijn vader sleurde mij mee naar het lage taludje langs de weg voor ons huis en daar tegenaan zochten we dekking”. De duisternis werd veroorzaakt door tientallen bommen, die rond om hen heen vielen en die vader en zoon Kelderman onder het zand bedolven. Het merkwaardige was dat Cees de bommen niet hoorde fluiten of inslaan. ”Het enige dat we hoorden was het rinkelen van de ruiten van het huis. We waren niet verdoofd of buiten bewustzijn”.
Toen ze onder het zand vandaan krabbelden werd het duidelijk dat ze op het nippertje aan de dood ontsnapt waren. Nadat de rook en het stof waren opgetrokken zagen ze overal rond het huis enorme bomtrechters; het huis zelf was gelukkig niet getroffen.


Een deel van de landingszones “S” en “Z” aan weerszijden van de spoorlijn Arnhem-Utrecht, vol met gliders die daar op 17 en 18 september waren geland. Deze, helaas niet geheel scherpe, foto werd genomen door een verkennings¬vliegtuig van de US 7th Group iu het begin van de middag van 18 september. De pijl wijst naar het huis van de familie Kelderman. De witte plekken op de foto zijn bominslagen in de zandige grond.

Tussen twee bomkraters, die ongeveer twaalf meter van elkaar lagen, konden ze de plaats zien waar ze gelegen hadden. De bommen hadden de zandige ondergrond omge woeld en alles met een laag zand bedekt, behalve de plaats waar ze gelegen hadden, want daar was het groene gras nog zichtbaar.
De Duitser was spoorloos verdwenen, alleen zijn fiets lag er nog. Middenin de groentetuin, waar bieten en andijvie werden verbouwd, was een bom gevallen. Overal lagen de bieten en de kroppen andijvie verspreid, zelfs aan de overkant van de spoordijk. Op de spoorlijn zelf, die vermoedelijk het doel van het bombardement was geweest, was geen enkele bom terecht gekomen.
Tegen de helling van de spoordijk graasde altijd een geit. Als door een wonder was het beest niet geraakt door scherven. Vlakbij de geit was een bom gevallen en een scherf had de ketting waaraan zij liep dwars door midden gesneden. De geit liep nu vrij rond met een deel van de ketting aan haar halsband.
Van het houten schuurtje naast het huis, waar in de zomer altijd het eten werd gekookt, waren alle ruiten kapot. Er vlak naast was een bom neergekomen en al het eten op het fornuis, aardappelen met stoofperen, was bedekt met een laag zand. Dit deerde vader Kelderman kennelijk weinig want toen het etenstijd was schepte hij het zand eenvoudig van het eten en liet zich het middagmaal goed smaken. De andere gezinsleden waren echter nog teveel overstuur van dit plotselinge oor¬logsgeweld om een hap door hun keel te kunnen krijgen.
Tegen één uur, toen ze juist bezig waren de rommel een beetje op te ruimen, hoorden ze opnieuw het geluid van vliegtuigmotoren. Ze holden naar buiten en vanaf de oprit van de overweg naar de Buunderkamp zagen ze vanuit zuidwestelijke richting grote aantallen vliegtuigen naderen, die zweefvliegtuigen trokken. Plotseling zagen ze dat de zweefvliegtuigen loskoppelden en gingen landen op de bouwlanden aan weers¬zijden van de spoordijk. Vader Kelderman schreeuwde “Dit is de invasie, dat zijn de Engelsen!” Af en toe kwam er vlak bij het huis met een fluitend geluid een trekkabel naar beneden, die door een sleepvliegtuig was losgegooid. Bij de landing raakten enkele gliders elkaar, waardoor volgens Cees “met veel gekraak de splin- – ters ervan af vlogen”. Enkele hadden zo’n hoge landingssnelheid dat ze doorschoten en op de Parallelweg of tegen het spoorwegtalud tot stilstand kwamen.
Direkt na de landing werden de voertuigen uit de gliders gereden en vertrokken vervolgens in oostelijke en zuidelijke richting.
Kort na de landing van de gliders verschenen weer grote groepen vliegtuigen, nu echter zonder gliders. Daaruit sprongen parachutisten. De lucht was binnen enkele minuten gevuld met duizenden parachutes, die bijna allemaal schenen neer te komen op de bouwlanden langs de Telefoonweg. Ademloos zag de familie Kelderman hoe voor hun ogen de bevrijders letterlijk uit de lucht kwamen vallen. Overal zagen ze de parachutisten in groepjes van het land afkomen en zich verzamelen op de weg. Verschillende parachutisten droegen oranje “Afrikaantjes” in hun knoopsgat. Voor het eerst in hun leven zag de familie Kelderman jeeps, kleine motorfietsjes, opvouwbare fietsen en allerlei ander materiaal waarmee de Britten waren uitgerust. In een van de jeeps die bij het huis stopte zat een militair die vloeiend Neder¬lands bleek te spreken. Hij vroeg informatie over een tweetal Nederlandse burgers die hij op de landingsterreinen had opgepikt. De heer Kelderman kon hem echter niet helpen want hij kende die burgers niet.
Intussen waren de meeste Britten vertrokken. Een klein aantal bleef achter bij het huis, dat ze als een kleine commandopost gingen inrichten. Het waren manschappen van het eerste bataljon van het Border Regiment, die de opdracht hadden de landings¬terreinen te bewaken voor de landingen, die de volgende dag, maandag 18 september, zouden plaats vinden. De Britten maakten het zich gemakkelijk in en rond het huis’ Sommigen groeven schuttersputten; anderen sliepen tussen de tabaksplanten Ze hadden enorme voorraden eten bij zich en dat maakte grote indruk op de’familie Kelderman, die dat na vier jaar oorlog niet meer gewend was. Chocolade thee snoepjes, oranjemarmelade, maar ook zeep en cigaretten werden met containers’vol naar het huis gedragen. De kleine Cees Kelderman liep overal tussendoor en werd door de soldaten volgestopt met snoep. Mevrouw Kelderman deed niets anders dan liters thee maken voor haar vele dorstige gasten. Tot laat in de avond bleef iedereen op. Toen Cees om één uur ‘s nachts eindelijk naar bed ging hoorde hii overal nog praten en lachen. ’

 

Het gezin Kelderman, gefotografeerd enige tijd na de oorlog. V.l.n.r. vader, Cees, moeder met een logeetje en dochter Kelderman. Op de achtergrond de spoordijk.

De volgende ochtend waren de Britten al vroeg op. Een van hen wilde zich scheren en vroeg om warm water. Cees begreep niet wat hij wilde, maar liep met hem het huis binnen. Daar maakte de Engelsman duidelijk dat hij water wilde hebben. Nadat de kleine Cees dat voor hem had ingeschonken, gaf de man hem als dank een drie penny muntstuk uit 1941.
Buiten wachtten de Britten geduldig tot de tweede “lift” zou arriveren. In de middag kwam eindelijk die landing. Toen in de verte het geluid van vliegtuigen hoorbaar werd, bonden de soldaten gele driehoekige herkenningsdoeken op hun rug en liepen naar de rand van de landerijen. Deze landerijen, recht tegenover het huis van de familie Kelderman, die de dag ervoor dienst hadden gedaan als droppings- zone voor de parachutisten, werden nu gebruikt als landingsterrein voor de tweede glider lift. Opnieuw zag de familie Kelderman de reusachtige houten zweefvlieg¬tuigen neerkomen. Nadat ze waren uitgeladen vertrokken de bewakingstroepen van het Border Regiment en lieten de familie Kelderman weer alleen in hun huis. Na het opwindende etmaal dat ze achter de rug hadden, vormde deze rust een anti-climax en er heerste een wat bedrukte sfeer in huize Kelderman. De volgende uren kwam er alleen af en toe nog een jeep met Britten voorbij, maar verder bleef het rustig.
De volgende ochtend, dinsdag 19 september, kwam er uit de richting van de Buunderkamp een jeep met soldaten. Ze stopten op de overweg naast het huis en tuurden door hun kijkers in de richting Ede. Daar waren in de verte mensen zichtbaar, maar het was niet duidelijk of het Britten of Duitsers waren. Even later reden ze weer weg. Het waren de laatste Britten die de familie Kelderman zou zien. Intussen waren vader en zoon Kelderman begonnen allerlei op de landingsterreinen achtergelaten materiaal te verzamelen en naar huis te slepen. Ze sloopten bruik¬bare zaken uit de gliders en ook de parachutes, waarvan er honderden op de bouw¬landen lagen, kwamen goed van pas. Die konden prachtig worden gebruikt om kleren van de te maken.
Om ca. één uur ‘s middags zagen ze plotseling uit de richting Ede zwaar gecamou¬fleerde Duitse soldaten uit de bossen komen. Ze liepen in linie, ongeveer ander¬halve meter uit elkaar, “met het geweer vooruit, alsof ze aan het jagen waren”, herinnert Cees zich.

De familie Kelderman schrok geweldig en ze realiseerden zich dat de bevrijding nog niet was aangebroken nu de Duitsers weer waren teruggekomen. De soldaten vroegen of er “tommies” in het huis waren. Meneer Kelderman antwoordde ontkennend,waarop hij te horen kreeg dat “als ze er toch waren de hele familie zou worden doodgeschoten”. Ze liepen naar binnen en begonnen het huis te doorzoeken. Plotseling zagen ze in huis een stapel gekleurde parachutes liggen, waarop ze begonnen te schreeuwen en te dreigen. De heer Kelderman probeerde de situatie uit te leggen en gelukkig liepen ze weer in de richting van de gliders die in de buurt van het huis stonden en begonnen die te doorzoeken.
In de loop van de middag werden de eerste gliders door Duitse jachtvliegtuigen in brand geschoten en gedurende de volgende dagen lieten de Duitsers alle resterende gliders in vlammen opgaan.

De familie Kelderman vluchtte naar de grote schuilkelder van het huis van de familie Braat, enige honderden meters ten noorden van Hotel de Buunderkamp. Het landhuis zelf was op 19 september verbrand en er restte slechts een ruïne, maar de schuil¬kelder was nog intact. Daar bleef het gezin Kelderman met nog vele anderen onge¬veer veertien dagen, tot ze van de Duitsers het bevel kregen weg te gaan. Pas na acht maanden gedwongen evacuatie konden ze naar hun huis langs de spoorbaan terug¬ keren.
Bij hun terugkeer na de bevrijding in mei 1945 trof de familie Kelderman in en rond het huis een reusachtige ravage aan. Het huis en de tuin lagen vol munitie. Op een kruiwagen werd die naar de weg gereden en daar opgestapeld. Van het huis was geen ruit meer heel. Met behulp van glas uit de broeikassen van het huis van Braat repareerde de heer Kelderman echter spoedig alle ramen.
Overal in de landerijen hadden de Duitsers loopgrafen gemaakt, die waren gestut met planken en palen. Bij de loopgrafen bevonden zich onder de grond complete onderkomens. Daaruit haalde de heer Kelderman meubels en een kachel om daarmee zijn huis weer enigszins bewoonbaar te maken.
In de tuin werden alle bomkraters dichtgegooid om weer groenten te kunnen gaan verbouwen. Dat wilde echter de eerste tijd niet erg lukken.
Op de bouwlanden bij het huis, die het jaar tevoren dienst hadden gedaan als landingsterrein, lag het bezaaid met uitgebrande resten van zweefvliegtuigen. Slechts hier en daar was een staartstuk of een ander deel van de romp gespaard gebleven. Alleen van de gliders die in de bosranden terecht waren gekomen, waren grote delen niet verbrand. Van een stuk romp dat op de heide was blijven liggen bouwde Cees een hut om in te spelen. Van de enkele WACO gliders, die in september 1944 waren geland, was de linnen bekleding verdwenen en reste alleen nog het buizenframe.
Van de duizenden gekleurde parachutes, waaraan het jaar tevoren mannen en voor¬raden naar beneden waren gekomen, lagen er nog maar weinig op de bouwlanden. Maar in de bossen lagen en hingen er nog vele, vaak nog met containers of manden. De manden namen ze mee naar huis om er allerlei zaken in op te bergen.
In de bossen lagen ook veel wrakstukken van neergeschoten vliegtuigen en weste¬lijk van Hotel de Buunderkamp stond zelfs een vrijwel complete DAKOTA op een open plek in het bos. Deze had daar een noodlanding moeten maken.
Voor het onderzoek van de vliegtuigwrakken en voor het opruimen ervan kwam een speciaal team van de RAF naar de Buunderkamp. Ze waren uitgerust met grote, hoge vrachtwagens. De wrakstukken werden op verschillende plaatsen, waaronder langs de weg naar de Buunderkamp,opgestapeld, om vandaar te worden opgehaald. Ijzer en koper, dat overal verspreid lag, werd door de boeren verzameld om te kunnen verkopen.
Hoewel er door hulppolitie werd gepatrouilleerd, scharrelde Cees regelmatig rond om patronen en andere interessante zaken te verzamelen. Met het opruimen van munitie hield vooral de heer Oortgijs uit Wolfheze zich bezig, die daarvoor een aantal krijgsgevangen Duitse militairen in dienst had. Cees Kelderman ging regelmatig kijken wanneer er weer een voorraad munitie werd opgeblazen.
In de loop van de zomer van 1945 werden zo veel mogelijk restanten van de oorlog opgeruimd. De boeren begonnen hun landerijen weer te bewerken. De spoorlijn werd gerepareerd om weer treinverkeer tussen Arnhem en Utrecht mogelijk te maken. De scholen, die meer dan een jaar gesloten waren geweest, openden weer hun deuren en ook Cees Kelderman keerde in september 1945 terug naar de schoolbanken.

Download ministory

MINISTORY XXVII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.39
De Fairbairn-Sykes dolk.
samenstelling: C.van Roekel

Velen onder U kennen dit wapen onder de naam “parachutistendolk”. Na de september¬dagen van 1944 kon je deze dolk soms aantreffen op de voormalige slagvelden in Arnhem em Oosterbeek, maar het was een tamelijk zeldzame vondst. Niet omdat er zo weinig gebruikt waren, maar omdat het voor de Duitsers een gewilde oorlogsbuit was. Ook vele Nederlanders namen er een mee direkt na de slag. Na de oorlog kon je de meeste dolken vinden bij de Rijn, op de plaats waar het restant van de Britse Airborne Divisie zich over de rivier had terug getrokken.
De le Britse Airborne Divisie was in ruime mate uitgerust met deze dolken. Het Eerste Parabataljon had veel exemplaren van de oudere uitvoeringen in gebruik. Dit bataljon was namelijk gevormd uit 2nd Commando-llth Special Air Service (S.A.S.), dat reeds kort na Duinkerken met dit wapen werd uitgerust.
Van oorsprong is het een commandodolk, die later ook in gebruik kwam bij de para’s, de S.A.S., de Long Range Desert Group en bij de Amerikaanse Rangers.
De dolk heeft een interessante historie, die ver voor de Tweede Wereldoorlog begint. Omstreeks 1920 waren de Britten W.E.Fairbairn en E.A.Sykes belast met de training
van het politiekorps van Shanghai. In het kader van de bestrijding van de zware misdaad werd zeer veel aandacht besteed aan “man to man fighting”. Hierbij nam het mesvechten een belangrijke plaats in. In deze periode heeft, aan de hand van opgedane ervaringen, het prototype van het mes vorm gekregen. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerden de twee politiemannen terug naar Engeland. Lang hebben zij echter niet van hun pensioen kunnen genieten want beiden kregen de rang van kapitein en werden als instrukteurs in “man to man fighting” gestuurd naar de “School for Irregular Warfare” (het latere opleidingscentrum voor Commando’s) in Lochailort, Schotland. Reeds in het voorjaar van 1940 schreef Churchill aan generaal Ismay over de wenselijkheid om speciale troepen te vormen naar het voorbeeld van de geduchte Boerencommando’s uit de Zuidafrikaanse oorlog. Hij omschreef de aard volgt: “These officers^and men should be armed with the latest knives, Thompson Guns ) and grenades. De ervaringen opgedaan in Shanghai bleken nu zeer waardevol en doeltreffend gevechtsmes kwam tot stand. Aan het mes werden de steld: een verzwaard heft om een vast greep te hebben, een gunstig balanceegpunt, een lemmet van bijna 18 cm. en aan beide zijden zo scherp als een scheermes ).
Bij het mes loopt het staal van het lemet door het heft en eindigt in een knop. In het najaar van 1940 zochten Fairbairn en Sykes kontakt met de beroemde fabriek van Wilkinson Sword. Samen met John Wilkinson Latham kwamen lijke vormgeving van het commandomes. De eerste 500 exemplaren werden met de hand vervaardigd van staal. Deze eerste exemplaren zijn kenbaar aan een gegolfde kant staan “The F-S fighting knife” met de woorden “Wilkinson Sword Cy, met een messing greep en een gepolijst van deze groep als equipment, fighting het ontwerp van een volgende eisen gezij tot de uiteinde het allerbeste zwaard- pareerstang van 3 inch lemmet, op het zogenaamde ricasso, aan de ene en aan de andere zijde het logo van Wilkinson London”. De dolken werden toen nog uitgevoerd lemmet.

 

     

Links: De namen “F-S fighting knife” en “Wilkinson Sword”, zoals zij op het vlak uitgovoerde ricasso van de eerste versies van de dolken te vinden zijn. Rechts: Het wapen van het Nederlandse Korps Commandotroepen, met een tweetal gekruiste dolken.  

Begin 1941 werd een begin gemaakt met de serieproduktie en werd de vlakke pareer- stang ingevoerd vanwege technische voordelen. Vanaf 1943 werd het lemmet zwart gemaakt en kwam er in plaats van het messing heft een geringde greep van een metaallegering.
Gedurende de oorlog zijn er ongeveer 250.000 exemplaren gemaakt. De meeste door Wilkinson, maar er zijn er ook van andere makelij. Bijvoorbeeld die welke in de Verenigde Staten werden vervaardigd en de Britse exemplaren die kenbaar zijn aan een pijl en de code B2 op de pareerstang. Ook zijn er dolken die de naam “Marshall- Glasgow” of “Rodgers-Sheffield” dragen. Bovendien zijn er naast de legeruitvoering talloze paticuliere dolken in omloop.
Het embleem van het Nederlandse Korps Commandotroepen toont twee gekruiste F-S dolken en het is nog steeds gewoonte dat officieren van het Korps Commandotroepen een F-S dolk met inscriptie krijgen aangeboden wanneer zij het korps verlaten.

Diverse uitvoeringen van de F-S dolk. No.1 is een dolk van de tweede serie. De golfvormige pareerstang is niet zo breed als die van de eerste generatie (2 inch, respektievelijk 3 inch). No.2 is van de derde generatie en duidelijk kwalitatief minder. Bovendien is de golf van de pareerstang tegengesteld ge¬richt. No.3 en 4 zijn dolken van de serieproduktie; de pareerstangen zijn vlak en van het vlakke ricasso is practisch niets over. No.3 is de goed¬kopere versie vanaf 1943 met een matzwart lemmet en een geringd heft van een metaallegering. De initialen op het ricasso ontbreken.
) Tijdens de Slag om Arnhem werd de Thompson Submachine Gun, uitvoering model 1928 nog gebruikt. Voornamelijk in het le Para Bataljon waren het de veteranen van 2nd Commando die dit wapen, samen met de dolk met het messing
2 heft, nog gebruikten.
) Wet Wapens en Munitie. Wapens waartoe de commandodolk wordt gerekend, worden genoemd in Categorie I, Art.2, onder vermelding “andere blanke wapens voor zover het lemmet meer dan één snijkant heeft”. Het dragen en zonder verpakking vervoeren is verboden. In de Regeling Wapens en Munitie staat bij paragraaf 2, Art.5, lid d, dat blanke wapens bestemd voor, dan wel deel uitmakend van, een verzameling of een wandversiering, onder de noemer “Vrijstelling” vallen. Ik ben geneigd de dolk, mits deel uitmakend van een verzameling of wandver¬siering, een vrijstelling toe te kennen, maar de jurisprudentie is nog zo pril dat voorzichtigheid niet overbodig is.
Bron: F.J.Stephens, “Fighting Knives”, Arms and Armour Press, London 1985.

 

Download ministory