MINISTORY VIII
DE GESCHIEDENIS VAN DE 17-PONDER KANONNEN IN HET PARK HARTENSTEIN. I.
Ze staan er bijna net zo lang als ons Museum in Huize “Hartenstein” is gehuisvest. Sinds 1945 zijn ze verschillende keren verplaatst: van hun laatste stelling naar de plaats waar nu het Oosterbeekse Airborne Monument is, toen naar Kasteel Doorwerth en sinds enige jaren bij ons Airborne Museum.
Als “grote” kleine man van 12 jaar “speelde” ik en met mij mijn generatie-genoten “kanonnetje”en ik vraag mij af hoeveel kinderhanden vergeefs getracht hebben beweging te krijgen in de zware, verroeste onderdelen van deze stoere 17-ponders. Hoeveel over-moedige jongetjes zullen, net als ik destijds, met een lange buis en een zware hamer getracht hebben de grote kardoeshuls uit de loop van één van deze kanonnen te slaan ? En hoeveel van deze jongetjes, nu volwassenen, hebben tijdens dit (vergeefse) werk gedacht: “Ik zou wel eens willen weten wat er met je gebeurd is ‘groot kanon’. Je hebt het, gezien je lidtekens, niet altijd even gemakkelijk gehad”.
Kanonnen kunnen maar in beperkte mate verslag geven over de gebeurtenissen en het aantal mensen dat dit wèl kan wordt steeds kleiner. Voor mij is het steeds een uit-daging geweest de geschiedenis te achterhalen van deze zwijgende getuigen van een verwoede strijd tegen een overmachtige vijand.

Enige algemene gegevens.
Het 17-ponder anti-tankkanon was het beste anti-tank wapen dat de le Airborne Divisie had. Helaas waren het gewicht en de omvang van dit geschut zo groot dat ze slechts in de Hamilcar glider konden worden vervoerd. Bovendien was er een speciale vrachtauto, de Morris 3OCWT, nodig voor de tractie en het vervoer van bemanning en munitie.
De bemanning bestond uit een sergeant(wachtmeester)-stukscommandant, een korporaal, 5 kanonniers en een chauffeur/kanonnier, In totaal zijn er voor de le Britse Airborne Divisie 16 vanuit Engeland overgevlogen. Hiervan zijn er 11 in actie geweest tijdens de gevechten. Twee zijn bij de le lift onherstelbaar beschadigd op het landingsterrein; één is in de Noordzee verdwenen en twee zijn bij crashlandingen in West Nederland in Duitse handen gevallen.
De beschikbare hoeveelheid munitie per vuurmond bedroeg slechts een honderdtal pant- serdoorborende granaten, waarbij inbegrepen de 24- (!) granaten die bij de supply- droppings in Britse handen vielen.
De lengte van de granaat is ongeveer 25 cm; de lengte van de kardoeshuls bedraagt 60 cm. Het kaliber is 3 inch of 76 mm. Men schoot onder een kleine elevatie, d.w.z. een lage baan van het projectiel, waarvan de aanvangssnelheid ongeveer 1000 meter per seconde bedroeg. (Verdere technische gegevens volgen in de volgende ministory over 17-ponders).

Het 17-ponder anti-tankkanon bij de Oude Kerk in Oosterbeek, voorjaar 1945 • Sergeant-gliderpilot Hubert Harry Rathband.(foto van zijn krijgsgevangenen- kaart).

Het 17-ponder kanon links (westelijk) van de museumingang
Dit stuk werd in 1945 aangetroffen naast de Oude Kerk aan de Benedendorpsweg in Ooster¬beek, en wel aan de straatkant, De Morris-truck stond voor het huis van de familie Ter Horst naast de kerk en was zwaar beschadigd door mortiervuur. Slechts twee namen van militairen die bij deze 17-ponder zijn geweest hebben we kunnen achterhalen: de bat¬te rij commandant, luitenant Casey en de gliderpilot Sergeant H.H.Rathband uit Oxford, onze belangrijkste inlichtingenbron. Dus niemand van de organieke stuksbemanning is bekend. Sergeant Rathband was de piloot die op zondag 17 september de enorme Hamilcar glider behouden aan de grond zette westelijk van de psychiatrische inrichting in Wolfheze. Hij en zijn tweede piloot bleven, zoals vaker gebeurde, bij het kanon en namen als extra bemanning deel aan de acties. Zijn verslaggeving is bijzonder gedetailleerd. “De eerste opdracht van luitenant Casey welke ons in Wolfheze werd verstrekt luidde dat we op moesten rukken naar Arnhem en de strijd moesten aanbinden met een vaartuig dat voorzien was van luchtdoelgeschut”.( Dit is waarschijnlijk de Duitse luchtdoel- artillerie welke bij de steenfabriek tegenover Onderlangs stond opgesteld, v.R. ).
“In het voetspoor van Frost passeerden we met de 17-ponder Oosterbeek Laag en bereikten in de avond van 17 september de Utrechtseweg in de buurt van het Rijnhotel. Op maandag 18 september moesten we weer terug richting Oosterbeek en werd stelling gekozen op het kruispunt Benedendorpsweg-Veerweg. Van hieruit bestreken we de Westerbouwing en de Oude Oosterbeekse Weg. Vervolgens trokken we met het kanon weer in oostelijke richting en namen we stelling bij de gasfabriek. Dit bleek een ongunstige positie en daarom verplaatsten we ons opnieuw, ditmaal naar onze laatste stelling in de boomgaard ten zuiden van de Oude Kerk.Vanuit deze positie vochten we duels uit met Duitse pantser¬voertuigen en namen we de vijand die zich trachtte te verschansen in de trein, die zich op de noordelijke oprit van de spoorbrug bevond, onder vuur. Bij de eerste vijan¬delijke treffer verloren we ongeveer de helft Van de bemanning en toen de truck met reserve-munitie door mortiervuur werd getroffen, werd onze positie in de ogen van Luitenant Casey hopeloos en gaf hij bevel het kanon onklaar te maken en te verlaten. Dit alles vond plaats tijdens de dropping van de Poolse Brigade, dus op 21 september. Met hulp van een Sergeant-Majoor, waarschijnlijk van de South Staffords, werd het stuk weer klaar gemaakt voor actie, waarbij het tussen twee bomen werd vastgebonden. We namen het op tegen een Duits pantservoertuig dat om de hoek (bij Garage Klaassen, v.R.) zichtbaar werd en juist toen wij met een treffer deze aanval tot staan brachten, weiden wij zelf voor de tweede keer geraakt”.
Bij deze treffer moet het terugloopmechanisme van het kanon zijn vastgelopen, zodat het niet meer “in batterij kon lopen”, Daardoor bleef de huls muurvast in de kamer achter, en daar zit hij nog tot op de dag van vandaag. (Tip voor eventuele hulzen- verzamelaar: de niet meer aanwezige druk in de terugloopcylinder, waarmee de huls eruit geworpen had moeten worden, bedroeg ca. 42 atmosfeer !).
Sergeant Rathband, zijn 2e piloot en een lid van de stuksbemanning sloten zich aan bij de Lonsdalegroep en hielpen bij de verdediging van de Perimeter tot het eind van de slag. Op 26 september werden ze in een van de huizen oostelijk van de kerk krijgs-gevangen gemaakt. c.van Roekel
(Met dank aan oud-adjudant J.Ritmeester voor zijn technische adviezen.)

Achtereenvolgende posities van het 17-ponder kanon in Oosterbeek

Download ministory

MINISTORY IX
Verslag van de lotgevallen van het 6e peloton S Compagnie van het le Parabataljon.
Door: kapitein Richard Bingley
Ik had het voorrecht het bevel te voeren over het 6e peloton van de S Compagnie, le Bataljon van het Parachute Regiment. Degenen van ons die het jaar daarvoor gewond waren geraakt tijdens de luchtlandingsoperatie op Sicilië, waren weer terug en het peloton was weer op volle sterkte. We waren goed getrained en het moreel was hoog. Helaas zouden 12 man bij Arnhem sneuvelen en zouden er 18 gewond raken in wat een nogal ongelijke slag zou blijken tegen Duitsers die alle troeven in handen, hadden.
In de vroege ochtend van zondag 17 september 1944 ging het peloton aan boord van twee C 47 Dakota’s op het vliegveld van Folkenham in Lincolnshire. We hadden een weinig schokkende vlucht naar Nederland, waarbij we beschermd werden door een enorm aantal Engelse en Amerikaanse jagers.
Om één uur in de middag sprong het rode licht boven de deur op groen en landde het peloton behouden bij Wolfheze. Eenmaal ontdaan van het parachute-harnas verzamelden wij ons bij de groene rookpotten van het le Bataljon en vormden we een verdedigings¬linie rond de bossen van Wolfheze. Binnen een half uur zagen we het 2e Bataljon op¬trekken langs de zuidelijke route naar Arnhem en het 3e Bataljon langs de middelste, maar ons bataljon bleef in afwachting van orders ter plaatse. Tweeënhalf uur later kwam het bevel en trokken we in noordelijke richting over de spoorlijn bij Wolfheze met de R Compagnie aan de spits. Bij het oversteken van de spoorbaan werden we door zware machinegeweren en mortieren van de Duitsers onder vuur genomen. Daarna trok het bataljon ongeveer 3 km. in de richting van de weg Ede-Arnhem, waar we Duitse tanks tegenkwamen. Het bataljon was genoodzaakt in zuidelijke richting het bos in te gaan, wat met onze zware uitrusting maar moeilijk ging. Toen het donker werd stopten we. Om elf uur werd een zware Duitse aanval op R Compagnie ingezet, waar¬door deze ernstige verliezen leed. Het hoofdkwartier stuurde de plaatsvervangend bataljonscommandant op onderzoek uit, maar deze sneuvelde, toen zijn voertuig opge¬blazen werd. Een tweede officier volgde, maar hem trof hetzelfde lot.

Het 6e peloton, S Compagnie, le Parabataljon, september 1944

Kapitein Richard Bingley

Bij het aanbreken van de dag vormde de S Compagnie de voorhoede en mijn peloton liep als compagniesreserve achteraan. Om twintig over vijf kwamen we in volstrekte duisternis uit het bos tevoorschijn en liepen we via een kruispunt in de richting van Oosterbeek. Aan beide kanten van de weg lag bouwland, aan de linkerzijde op-lopend, met bovenop een huis. Het land aan de rechterkant was plat. Plotseling werd de compagnie beschoten door zware mitrailleurs, mortieren en een tank. Mijn compagniescommandant beval mij langs de linkerflank met de vijand af te rekenen. Dat deed ik en twintig minuten later trokken de Duitsers zich terug, na de bemanning van twee machinegeweren te hebben verloren. In mijn peloton sneuvelden vier man en raakten er drie gewond, terwijl de verliezen van de compagnie ongeveer veertig bedroegen. Een triest begin, daar wij nog vele kilometers van ons doel, de brug in Arnhem, verwijderd waren.
De commandant van het 7e peloton was gewond en velen van zijn peloton waren buiten gevecht gesteld, dus ging zijn 7e peloton in mijn 6e op.
Die hele dag probeerden wij langs allerlei omwegen ons een weg te banen tussen de Duitse tankopstellingen en eindelijk arriveerden we bij de gevangenis in Arnhem, waar de sporen van hevige gevechten door het 3e Bataljon duidelijk zichtbaar waren. Per ongeluk kwam het bataljon op het terrein van het St.Elisabeths Ziekenhuis, waar een vertoornde commandant van de medische troepen ons wegstuurde. Er lagen een paar honderd gewonden in het ziekenhuis en onze aanwezigheid had een Duitse beschieting kunnen veroorzaken. Met veel excuses beloofden we weg te gaan maar dat was gemak¬kelijker gezegd dan gedaan, omdat de Duitsers een vuurlinie van artillerie en ma¬chinegeweren langs de weg hadden gelegd. Onder dekking van rook liet ik mijn pelotonssergeant met enkele jongens twee straten oversteken om 100 meter van het Rijn¬hotel een verdedigingslinie te vormen. Het bleek een moeilijke operatie en we raakten tussen andere compagnieën. Het kostte twee uur om mijn combinatie van het 6e en 7e peloton weer bij elkaar te krijgen.

Om ongeveer acht uur ‘s avonds kreeg ik bezoek van de kolonel en mijn compagnies-commandant. De kolonel zei: “Luitenant Bingley, ga zo snel als U kunt met Uw peloton en zoveel mogelijk munitie in drie Brengun-carriers naar de jongens bij de brug !” Daar kwam de eerste Brengun-carrier aan, maar toen we er naartoe liepen om de munitie in te laden vloog het rotding door een voltreffer van een 88 mm. kanon de lucht in en hetzelfde gebeurde met de tweede carrier. En de kolonel zei: “Ik waag mijn derde en laatste carrier er niet aan, dan zullen we maar lopen”. De adjudant zei toen: “Bingley, neem een paar man mee en zoek in de tuinen in de buurt naar manschappen die zoek zijn !” In het daarop volgende uur kwam ik met zo’n twaalf man van het le Bataljon terug, Bij de tweede reis verzamelde ik er veertien en de adjudant zei: “Er is nog net tijd om er nog een paar binnen te halen voordat we vertrekken.” Toen zij dat hoorden vroegen mijn twee begeleidende manschappen of zij konden blij¬ven om hun geweer schoon te maken, wat ik toestond. Toen ik vlak bij het Rijnhotel was besefte ik hoe stom ik was geweest om er alleen op uit te gaan. Tegelijk rook ik gevaar en opende het vuur met mijn Sten op het moment waarop een Duitse soldaat uit het portiek van het vierde huis vanaf het Rijnhotel sprong en met de kolf van zijn geweer de Sten uit mijn hand sloeg met een klap die zowel de Sten als mijn hand raakte. Nu was dit de hand waarvan een jaar geleden een Italiaanse kogel vier midden- handsbeentjes had doorboord, wat het niet gemakkelijker maakte. Gelukkig had het salvo uit mijn Sten hem ernstig gewond, maar er verliepen nog wel wat onaangename momenten voordat ik hem met mijn seinpistool kon doodschieten. Onmiddellijk daarna ging ik terug en meldde mij bij de adjudant. Vervolgens begaf ik mij naar mijn com¬pagnie en mijn peloton.
In de vroege ochtend van de volgende dag (19 september) ging het restant van het bataljon met mijn compagnie voorop langs de weg die evenwijdig aan de rivier loopt, waarbij wij onderweg Duitse scherpschutters en machinegeweren opruimden. Na ongeveer 500 meter werd mijn voortreffelijke pelotonssergeant die naast mij liep door een scherpschutter gedood. Ik wilde hulp bieden maar werd toen in mijn enkel geraakt. Toen besloot de kolonel van deze weg naar boven te gaan om via de middelste weg op te marcheren. T Compagnie veegde dan ook het gebied voor zich schoon en verdreef Duitse SS-ers uit een groot wit huis van drie verdiepingen. Daarna voegde S Compagnie zich bij hen.

Luchtfoto van de omgeving van het Rijnhotel in Arnhem, 19 september 1944.
1) De Rijn. 2) Het St.Elisabeths Gasthuis. 3) Het Rijnhotel. 4) Bovenover, 5) Onderlangs. Brandende huizen tegenover het Gemeente Museum verspreiden rookwolken, die delen van Bovenover en Onderlangs versluieren.

Het was ónmogelijk om over straat te gaan en daarom moesten we om van het.ene huis in het andere te komen telkens een gat in de muur maken. Dit werd.zo’n twintig keer gedaan tot we bij het laatste huis van de rij kwamen, waar het krioelde van de Duitse tanks en kanonnen, die regelrecht op onze huizen schoten.
Na enige tijd werden wij overweldigd, terwijl wij ons doel in zicht hadden, maar er nog een kilometer vandaan waren. Drie dagen om twaalf kilometer af te leggen met vrijwel honderd percent verliezen ! Het was een bittere pil.
Toen ik acht maanden later uit het krijgsgevangenkamp in Engeland terug kwam, had ik de droeve plicht om de naaste familie van mijn twaalf manschappen die gesneuveld waren te bezoeken en ik vond dit een zware opgave.
Voordat ik gedemobiliseerd werd ging ik een paar maanden het ziekenhuis in.
Ik had steeds gehoopt dat de vijf man van mijn peloton, wier moedig gedrag ik onder de aandacht van de autoriteiten had gebracht, enigerlei onderscheiding zouden ont-vangen, maar dit mocht niet zo zijn.
Enige namen. De kolonel: Colonel Dobie, de adjudant: Gapt.Grove, de compagnies-commandant: Major Stark, de commandant van het 7e peloton: Lt.Felton.

NASCHRIFT
Voor veel Oosterbekers is Richard (Dick) Bingley geen onbekende en een graag geziene figuur, die zelden ontbreekt bij de herdenkingen tijdens de septemberdagen. Een officier die zeer gewaardeerd wordt door zijn “jongens”. Wij vinden het een bijzon-dere eer dat deze veteraan zijn belevenissen uit de Slag om Arnhem op zijn bescheiden manier aan ons beschikbaar stelde, temeer daar er zo weinig bekend is over de chao¬tische toestand waarin het le, 3e en He Parabataljon en het 2e Bataljon South Staf¬fords verzeild raakten bij hun wanhopige poging zich bij de groep op de Rijnbrug te voegen.
Wie is Dick Bingley ? Onderstaande, in telegramstijl weergegeven lijst, geeft een indruk van zijn respectabele militaire loopbaan.
1938: Dienst genomen in het territoriale leger, Mitrailleurbataljon Middlesex Regt. Januari 194-0: sergeant bij het Britse expeditieleger in Frankrijk.
27 mei 194-0: gewond door een mortiergranaat en via België geëvacueerd.
Oktober 1940: na ontslag uit het hospitaal dienst genomen bij de nieuw opgerichte 2e Commando Eenheid. Voltooide zijn parachutisten-opleiding. Ging over naar 11 SAS (Special Air Service). Hieruit werd later het le Parabataljon geformeerd.
Sergeant bij de T Compagnie. Oktober 1942: officiersopleiding in Aldershot.
1 april 1943: als 2e luitenant in de S Compagnie gesprongen boven Sicilië.
14 juli 1943: tweede verwonding aan zijn hand bij de verovering van twee bunkers op de Primosole brug op Sicilië.
1 oktober 1943: bevorderd tot le luitenant – tijdelijk kapitein.
Tweede operatie aan de rechterhand; tijdens revalidatie commandant opleidings- compagnie bij de Parachute Training School op Ringway bij Manchester.
I april 1944: weer in aktieve dienst als luitenant bij de S Compagnie.
17 september 1944: geland bij Wolfheze. Op 19 september gewond aan linker enkel en rechterhand. Krijgsgevangen gemaakt.
II april 1945: bevrijd en enige maanden opgenomen in een Engels ziekenhuis.
12 augustus 1946: gedemobiliseerd.
In 1949 weer in het leger; opleiding tot inlichtingenofficier.
November 1951: aangesteld als plaatsvervangend compagniescommandant in de B Compagnie, Welsh Regiment bij de Britse Gemenebestdivisie in Korea, met de rang van kapitein.
23 juni 1952: bij een aanval op een door Chinezen bezette heuvel door diverse kogels getroffen en zijn linker oog verloren. Slaagde er niettemin in de heuvel vier uur vast te houden en het beoogde doel, het maken van een gevangene, te verwezenlijken. Rest ons nog te vermelden dat Dick Bingley het eerste “lid voor het leven” van onze Vereniging is en bovendien een stuwende kracht achter B.L.E.S.M.A., waarvoor Uw aandacht wordt gevraagd elders in deze Nieuwsbrief en in het voorwoord van onze voor- zitter (C.v.R.).

Download ministory

MINISTORY X
De GESCHIEDENIS VAN DE 17-PONDER KANONNEN IN HET PARK HARTENSTEIN. II.
In deze Mini-Story komt de 17-ponder aan de beurt die rechts van de ingang van het Museum bij de SHERMAN-tank staat.
Deze 17-ponder werd in 1945 teruggevonden in de laan van de Sonnenberg, dus op enige honderden meters afstand van de huidige opstelling. Het stuk wees naar het westen en stond in 1945 nog op precies dezelfde plaats waar het in 1944 zijn laatste duel met een Duitse tank had uitgevochten. Deze “tegenstander”, een door de Duitsers gebruikte Franse RENAULT-tank, stond ongeveer 150 meter verderop in de laan. Ik herinner mij de situatie nog heel goed, aangezien ik kort na de oorlog een regelmatige bezoeker van Huize de Sonnenberg was. Niet vanwege het statige herenhuis of het grasveld eromheen, dat door het mijnengevaar en het feit dat er een afschuwelijke stank hing van een kennelijk niet begraven dode, niet toeganke-lijk was, maar omdat er in september 1944 tussen het huis en het koetshuis een container met staven trotyl was neergekomen. Deze container, of beter gezegd de inhoud ervan, was het doel van onze tochten. Onze tochten, want deze macabere omgeving werkte zo beklemmend op onze jongens-branie dat we er niet alleen heen durfden.
Waarom dan deze escapades? De reden was eenvoudig. Ik was in die tijd de trotse bezitter van een stoommachine die ik gevonden had op een van de eindeloze vuilnis-belten die toen het Oosterbeekse straatbeeld sierden. Deze vuilnisbelten smeulden dag in dag uit, vooral de halfvergane kapokmatrassen. Wij, kleine jongetjes, wakker¬den die fikkies van tijd tot tijd nog eens aan door er handjesvol kruit uit mortier- bommen in te gooien! De gevonden stoommachine liep echter niet op kruit maar op trotyl. De stoomfluit gilde de hele buurt bij elkaar en de zuigerstang ging als een razende rond. Een lastige bijkomstigheid was echter dat deze uitgelezen vorm van brandstof de levensduur van “het machien” aanmerkelijk verkortte en het wonder der techniek kon slechts worden gadegeslagen door af en toe om de hoek van het huis te kijken! Het einde van het apparaat zal U duidelijk zijn. We waren van de knal niet erg onder de indruk – één knal meer of minder, daar lette onze Oosterbeekse gemeenschap in die tijd niet op.

Links: De door de Duitsers gebruikte RENAULT-tank op de Sonnenberglaan. De tank was van het type “Char B”. Deze buitgemaakte tanks waren door de Duitsers ontdaan van het oorspronkelijke 75 mm kanon. Daarvoor kwam een vlammenwerper in de plaats. Het 47 mm kanon in de koepel bleef gehandhaafd. Rechts: George Anthony Hurdman op de plaats waar destijds het 17-ponder kanon stond opgesteld. De Duitse tank stond net achter de schaduwstreep verderop in de laan.

Voorzien van een van de talloze kleine jute zakjes, die in de containers dienst hadden gedaan als stootkussen, bezochten we onze container met “brandstof” en meestal vereerden we “en passant” de RENAULT-tank en zijn voormalige opponentonze 17-ponder, ook met een bezoek. Ik herinner mij daarbij nog drie dingen: de eerder genoemde afschuwelijke stank uit dat gevaarlijke grasveld, een prachtige koperen plaat aan de zijkant van de tank en het feit dat mijn vriend mij net op tijd waarschuwde voor een HAWKINS-mijn. Deze mijn lag geniepig onder het rechter-been van het affuit van het kanon, waarvan ik net af wilde springen. Dus eigenlijk hebt U dit stukje aan mijn vriend te danken!
Tot zover mijn ervaringen in deze griezelige contreien. Samen met de Westerbouwing vond ik de Sonnenberg wel het meest angstaanjagend, mede omdat daar bij een be-paalde windrichting een zogenaamde “Aeolusharp” verderop in de bossen een klaaglijk geluid produceerde, hetgeen mij koude rillingen bezorgde.
Wat er zich in de Sonnenberglaan had afgespeeld in september 1944 was tot voor kort een raadsel. Een van onze Britse leden, de heer George Anthony Hurdman, reageerde echter op ons verzoek om informatie te geven over bij Arnhem gebruikte 17-ponder kanonnen en van zijn hand is het volgende verslag:
“Het bewuste kanon, waarbij ik als Gunner hoorde, was kanon no.1 van de X-Troop, 2e (Oban) Airlanding Anti-Tank Battery R.A. (2e Luchtlandings Anti-Tank Afdeling). Nadat we op maandag 18 september met de 2e lift op LZ”X” geland waren, namen we verschillende stellingen in ten noorden van de spoorlijn Arnhem-Ede. Toen we vanuit de lucht door machinegeweren onder vuur waren genomen, trokken we met onze 17-ponder terug langs de spoorlijn via een tunnel, onder bevel van kapitein P.Barron, terwijl de anderen over de spoorlijn gingen, waar zij onder zwaar vuur kwamen.
We trokken door Wolfheze naar de perimeter in Oosterbeek en onze laatste stelling was in een laan met bomen (de Sonnenberglaan, v.R.). Aan het eind van de laan lag een Duitse tank op de loer en ik werd in mijn rechterhand gewond door granaat¬scherven. De tank reed het bos uit de laan op en onze bemanning plaatste een vol¬treffer waardoor hij tot stilstand kwam. Onze sergeant Gee beval ons voor alle zekerheid hem er nog een voor zijn raap te geven.
Voordat we ons aan het eind van de slag over de Rijn terugtrokken werd ik in de verbandpost behandeld. Toen begroeven we de munitie en het sluitstuk en lieten de olie uit de terugloopcylinder lopen.
In september 1945 kwam ik terug om mee te doen aan de film “Theirs is the Glory” en bij die gelegenheid vond ik het kanon op dezelfde plaats waar het voor het laatst geschoten had, maar de wielen waren er afgehaald. De Duitse tank stond ook nog op dezelfde plaats waar hij in september 1944 was uitgeschakeld en binnen¬in zagen we niets dan as”.
Tot zover het verslag van de heer Hurdman. Verder onderzoek leverde nog de onder-staande gegevens op.
Oban is een plaats aan de westkust van Schotland. Hier werd de 2e Airlanding Anti- Tank Battery geformeerd. Een Engelse “Battery” staat gelijk aan een Nederlandse “Afdeling” en het Engelse woord “Troop” staat voor “Batterij” in het Nederlands. Een Troop had de beschikking over vier kanonnen. De X-Troop stond onder bevel van luitenant A.Paulland.
Voor het vertrek uit Engeland wisselde Gunner Hurdman zijn plaats bij de 17-ponder in de HAMILCAR-glider met de plaats van luitenant Paulland in een HORSA. Op die manier kon de batterij-commandant direkt na de landing zijn kanon no.1 in stelling brengen. Later voegde Gunner Hurdman zich op het verzamelpunt bij het landings-terrein weer bij de bemanning van het stuk.
Met de “tunnel” wordt de duiker onder de spoorlijn tussen Oosterbeek en Wolfheze bedoeld.
De namen van de stuksbemanning waren: Sgt.Nobby Gee, Bdr.John Mills, Gnr. Bob Williams, Gnr.George Hurdman, Gnr.Bill Bambridge, Gnr.Tom Kemp, Gnr.Smudger Smith, en Gnr./driver Tom Henny. Behalve Smith, die gewond krijgsgevangen werd gemaakt, gelukte het de gehele bemanning na de slag over de Rijn te ontkomen.
Kapitein Barron was opvolgend afdelings-commandant. Deze officier heeft zich bijzonder verdienstelijk gemaakt tijdens de gevechten en wordt verschillende malen door Brigadier Hackett genoemd in het verslag over de 4e Para Brigade. Tijdens de gevechten bij de Sonnenberg raakte kapitein Barron vermist en nadien heeft niemand meer iets over deze dappere officier gehoord. Zijn naam staat vermeld op het Groesbeek Memorial met als datum van vermissing 26 september 1944.
C.van Roekel

Download ministory

MINISTORY XI
DE GESCHIEDENIS VAN DE POOLSE GLIDERLIFT TIJDENS OPERATIE MARKET-GARDEN.
door: John R.Grodzinski

Veel verslagen van Operatie Market-Garden beschrijven de verbazingwekkende en held-haftige glider-lifts die een groot deel van de Engelse en Poolse troepen naar Arnhem vervoerden. Behalve van het aantal gliders dat hiermee gemoeid was, wordt over deze vluchten echter maar weinig geschreven; over de Poolse glider-lifts van 18 en 19 september 1944 variëren de verhalen van de simpele constatering dat de Polen waren aangekomen 1) tot wat meer gedetailleerde berichten waarin het aan juistheid schort 2) . De film “A Bridge Too Far” vermeldt zelfs geheel foutief dat de Poolse gliders hele-maal niet waren aangekomen.
Het doel van dit artikel is om de gebeurtenissen van de Poolse glider-lifts te behan-delen, met inbegrip van de achtergronden, de ladingen die vervoerd werden, de vlucht en de landingen. Het daaropvolgend verhaal van de eenheden op de grond komt alleen ter sprake in samenhang met de landingen. Enkele details ontbreken doordat er lacunes of onjuistheden in de documentatie voorkomen.
In Market-Garden zou de Poolse Para Brigade langs drie wegen naar Nederland worden vervoerd: 114 Dakota’s op D+3 (woensdag 20/9) met de parachutisten, een gliderlift op D+2 en op D+3, en de rest van de Brigade over zee. De toewijzing van de gliders werd voor het eerst vernomen tijdens een bespreking in Moor Park op 12 september, toen 45 gliders voor de Polen werden gereserveerd 3). Er werd dientengevolge besloten dat “de lichte artillerie van de Brigade ( 75 mm ge¬schut ) niet zou worden ingezet. De Anti-Tank Battery kon slechts de kanonnen met jeeps en twee man per kanon meenemen. Het transport en de zware uitrusting van de overige eenheden moest tot een minimum beperkt worden” 4).

Algemeen Bevel No.1 vermeldde het volgende over de gliders:
10. Glider Groep:
Het eerste glider detachement bestaande uit: 7 gliders – een anti-tank battery (troop), 2 gliders – Para-genie, 1 glider – Voorlopig hoofdkwartier dient:
(A) zich te voegen bij Ist Airborne Division – volgens bevel Ist Airborne Div.
(B) te wachten op 756779 ( Velperplein, Arnhem ) op de Brigade.
(C) contact op te nemen met de Brigade en het tweede glider detachement direct na hun landing.

Het tweede glider detachement ( 3e lift ) bestaande uit: Anti-Tank Battery – min een Troop – en andere onderdelen van de Brigade dient: zich zo spoedig mogelijk bij de Brigade te voegen.

5)Er vonden derhalve twee lifts plaats; de eerste van tien gliders en de tweede van vijfendertig. No.38 en 46 Group RAF zorgden voor de sleeptoestellen (‘tugs’).
De eerste lift vloog vanaf Manston en de tien gliders werden gesleept door Albemarle vliegtuigen van 296 en 297 Squadrons naar L(anding) Z(one) “X” ( aan weerszijden van de Telefoonweg ). Vertrektijd was 11.45 uur op 18 september en afgezien van wat be-wolking en licht luchtdoelgeschut gebeurde er tijdens de vlucht vrijwel niets ver- meldenswaardigs 5). Alle Poolse gliders voerden een geslaagde landing uit en zij werden onmiddellijk uitgeladen. Rond de landingzone vielen enkele schoten maar de Polen leden geen verliezen en er ging geen materiaal verloren 7). Na het uitladen voerden de eenheden hun opdracht uit.

Op de volgende dag, 19 september, was de situatie aanzienlijk gewijzigd. In Engeland was besloten om de volgende lift langs de zuidelijke route te vliegen teneinde te voorkomen dat op drie opeenvolgende dagen dezelfde route werd gebruikt ®). In Nederland dwong de toenemende Duitse druk Generaal Urquhart die middag zijn strategie te wijzigen. De 4e Para Brigade moest zich ten zuiden van haar huidige stellingen terugtrekken ( waar zij onder andere de Poolse LZ beschermde ).
Hoewel onderdelen van 7 KOSB achtergelaten werden om de LZ te dekken 9), resulteerde de terugtocht in combinatie met het oprukken van de Duitsers in een gevecht op de LZ waar de Polen zouden aankomen^). Het weer werd ook slechter. Het vertrek, oorspron-kelijk vastgesteld op 07.45 uur, werd tot 12.00 uur uitgesteld. Vijftien gliders, ge¬trokken door Stirling-toestellen van 196 Sqn ( 8 ) en 299 Sqn ( 7 ) , stegen op van Down Ampney. Twintig gliders vertrokken van Tarrant Rushton. Zij werden getrokken door Halifax V-toestellen van 298 Sqn ( 10 ) en 644 Sqn ( 10 ). Het laatstgenoemde Squadron voerde ook één vlucht uit met een Hamilcar-glider, maar boven Gent brak de sleepkabel. De Squadron rapporten vermelden dat het weer het slepen ernstig bemoei¬lijkte en dat er boven het vasteland veel meer hinder van luchtdoelgeschut werd ondervonden dan op de voorafgaande twee dagen*-*-).
Tijdens de vlucht van 298 Sqn brak één sleepkabel en de glider landde 4| km ten zuid¬oosten van Ostende19) . 644 Sq .leed ook een aantal verliezen. Behalve de Hamilcar die die boven Gent verloren ging, werd vlakbij de LZ een kabel door luchtdoelgeschut middendoor geschoten ( locatie: 51°17’N, 05“03’E ) en net ten noorden daarvan werd het staartstuk van een andere glider afgeschoten waardoor deze omlaag dook. De piloot van het sleeptoestel, officier-vlieger McConville, begon met zijn Halifax te duiken met de glider ( Horsa 126, met een kanon als lading ) erachter, in een poging de neus omhoog te houden. De kabel brak echter en de glider dook steil de grond in.13) De andere twee waren ook gliders van de Anti-Tank Battery: 298 Sqn verloor glider 130 en 644 Sqn glider 133. Vier van de gliders die van Down Ampney vertrokken, gingen verloren doordat de sleepkabel brak: gliders 144, 149 en 152 getrokken door 196 Sqn en glider 154 door 299 Sqn. Zo bereikten slechts 28 van de 35 gliders het landingsterrein.

Intussen ( om ongeveer 16.30 uur ) was de terugtrekkende 4e Para Brigade in gevechten gewikkeld met de Duitse troepen en verscheen de Luftwaffe. Temidden van deze omstandigheden arriveerden de Poolse gliders. Marek Swiecicki schreef over de ontvangst: “Messerschmitts! Hun machinegeweren keften en blaften… Enkele gliders vlogen in brand… toen zij weg waren barstte het bos los….De Duitse infanterie vuurde op de gliders…de kogels vlogen door de houten wanden van de gliders, over de jeeps en de kanonnen die eruitgehaald waren, en over de mannen…”14).
Luitenant Halpert, een artillerie-officier die het overleefde, herinnert zich:
“De meeste gliders werden in de lucht door het geschut geraakt… degene die landden zaten midden in een kruisvuur. De Duitsers schoten op ons en de parachutisten aan de overkant schoten op de Duitsers. Het kostte ons een paar minuten om vast te stellen wie wie was en welke kant op te schieten”15).
Enkele manschappen van B Company 7 KOSB kwamen de Polen helpen om hun materiaal te bergen en binnen de eigen linie te komen.
Vijftien gliders van de Anti-Tank Battery met negen stukken aan boord kwamen op de LZ terecht en daarvan werden er slechts drie uitgeladen, tesamen met twee jeeps en aanhangwagens1®). Er waren ook verliezen aan mensen. De details over de rest van het verloop zijn slechts oppervlakkig, maar het volgende is bekend: van het le bataljon werd één soldaat gedood en één gewond; het 3e bataljon kon slechts één glider uit-laden; geen van de gliders van de Field Ambulance kon worden gelost?).
Het precieze aantal verliezen zal wel nooit bekend worden. Door het afweergeschut, de gebroken sleepkabels, de luchtaanval en de daarop volgende strijd op de grond gingen talloze gliders met lading en al verloren, kwamen mensen om ( sommige neer-geschoten door eigen troepen ) en werden andere gevangen genomen. Juiste aantallen zijn moeilijk vast te stellen. Ryan zegt dat het nog veel erger had kunnen zijnl8). Er was overigens schade genoeg geleden. Het verlies van de uiterst noodzakelijke anti-tankkanonnen, munitie en ander materiaal zou gevolgen hebben.
De toegetakelde Polen kwamen weer snel tot hun positieven en trokken de perimeter van Ist Airborne Division binnen om daar deel te nemen aan de gevechten tot de evacuatie op 25/26 september.
Later op de dag kwamen er op Sosabowski’s hoofdkwartier onbevestigde berichten binnen dat de gliderlift vernietigd was19). In feite was dat ook zo. Het was voor de Polen de eerste van een reeks ongelukkige gebeurtenissen tijdens hun deelname aan Operatie Market-Garden.

Het neerkomen van de Poolse gliders op LZ “L” werd gefotografeerd door Kapitein Jasper Booty van het Hoofdkwartier 4e Para Brigade.
Noten
1. Janusz Piekalkiewicz, Arnhem 1944, p.58.
2. Zie: Cornelius Ryan, Een Brug Te Ver, pp 332-333 en Boeree/Bauer, De Slag bij Arnhem, pp 216-220.
3. War Diary 1 Polish Parachute Brigade Group 12 September 1944.
4. Ibid.
5. 1 Polish Parachute Brigade Group HQ Translation-Extract General Order No.1 for “D plus 2”, p.2.
6. Operation Record Book for 296 and 297 Squadrons 18 September 1944.
7. Brief aan de auteur van Mr.W.Mleczko, 8 februari 1985.
8. RAF Narrative of Operations “Liberation of NW Europe”, Vol.4, p.161.
9. Boeree/Bauer, De Slag bij Arnhem, p.216.
10. Generaal-Majoor R.E.Urquhart, Arnhem, p.104.
11. Operations Record Book No.644 Squadron 19 september 1944.
12. Operations Record Book No.298 Squadron, Detail of Work Carried Out,
19 September 1944.
13. Operations Record Book No.644 Squadron, Detail of Work Carried Out,
19 September 1944.
14. Boeree/Bauer, De Slag bij Arnhem, p.216
15. Beschreven in brief aan de auteur van Mr.W.Mleczko, 8 februari 1985.
16. Report on Action of the Anti-Tank Battery in Op “Market”.
17. Brief aan de auteur van Mr.J.J.Lorys, 30 augustus 1983.
18. Cornelius Ryan, Een Brug Te Ver, p.333.
19. “The Action of the Ist Polish Parachute Brigade Group in Arnhem-Driel,

Op pagina 8 is een tabel afgedrukt waarin een overzicht wordt gegeven van de lading die op 18 en 19 september 1944 door de 45 gliders van de Eerste Poolse Para Brigade naar Arnhem moest worden overgevlogen. °

Download ministory

MINISTORY XII
OVER “VLIEGENDE PAARDJES” EN “RODE DUIVELS”
door: C.van Roekel
In het voorjaar van 1945, toen wij na een lange evacuatie-periode weer mochten terug-keren naar onze huizen, of beter gezegd naar hetgeen er nog van over was, was er een schrijnend tekort aan kleding. Overhemden, broeken, sokken, jurken en schoenen waren waardevolle artikelen. In die tijd was het heel gewoon dat vader, als hij naar een belangrijke bijeenkomst moest, eerst het kostuum van de buurman leende ! De dames hadden het gemakkelijker omdat de parachutes, die in grote aantallen voorhanden waren, voldoende textiel voor jurken en blouses leverden. Wij, opgeschoten jongens, stroopten de omgeving af en dosten ons op “z’n Airborns” uit. Overhemden, sokken broeken, battledresses en smocks waren niet zo moeilijk te vinden en wat te groot voor ons was werd meegenomen als werkkleding voor de groten.
Een van de belangrijkste leveranciers van bovengenoemde manufacturen was het park Hartenstein. Op de sintelbaan en de tennisvelden en verder op de gazons viel heel wat te beleven en op te rapen. We hadden onze vaste “stekkies” voor bepaalde benodigdheden. Zo ook voor de “vliegende paardjes”, zoals wij de Pegasus-emblemen gewoonlijk noemden. Ongeveer 25 meter ten zuiden van de huidige ingang van ons museum lag een mand met duizenden distinctieven. Het waren bijna allemaal Pegasus-emblemen, hele “broden”.
Een hedendaagse verzamelaar zou zich de vingers aflikken, maar wij, op jacht naar kle¬ding, dekens en voedsel namen slechts zo af en toe eens een “broodje Pegasus” mee en deelden dit in stapeltjes van “pak weg” 25 emblemen uit aan wie er om vroeg.
De symboliek van het “vliegende paardje” drong niet tot ons door en de waarde die er nu aan wordt toegekend zou toen waarschijnlijk aanleiding tot vrolijkheid hebben gege¬ven. We droegen in die tijd complete battle-dresses voorzien van mouw-emblemen, rang- onderscheidingstekens, batons, enz. Extra emblemen vonden we helemaal niet nodig, te¬meer daar we ze er dan ook nog zouden moeten opnaaien.
Toch hebben we het vliegende paardje tot symbool gemaakt van onze wandelclub. In 1947 werd de eerste Airborne Wandelmars georganiseerd en onze jongensclub deed mee onder de naam “De Rijnkanters”. Als clubembleem droegen we, hoe kan het ook anders, een Pegasus!

Wandelclub “De Rijnkanters” met het Pegasus-embleem op de shirts tijdens de 3e Airborne Wandeltocht in 1949.

Gedurende de afgelopen veertig jaar zijn Pegasus en Bellerophon eigenlijk het “tweede wapen” van de Gemeente Renkum geworden, maar ik vraag mij af of de geschiedenis en de betekenis ervan wel in ruime kringen bekend is. Vanwege het feit dat gedurende veertig jaar onze Politie Sport Vereniging de Airborne Wandeltocht organiseert en daarmee het Airborne-embleem internationale bekendheid heeft gegeven, lijkt het een goede gelegen¬heid de herkomst van het mouw-embleem en die van de bekende rode baret met gesp eens uit de doeken te doen.
Na de oprichting van Airborne Forces ontstond de behoefte aan een bijbehorend distinc-tief. Generaal Gale schrijft in zijn autobiografie “Call to Arms” dat Generaal Browning, Brigadier Hopkinson en hijzelf het initiatief hebben genomen, waarna Majoor Edward Seago, Camouflage Officer of Southern Command, de opdracht tot een ontwerp kreeg. Het resultaat was het bekende embleem dat in mei 1942 werd ingevoerd.
Majoor Seago heeft zich laten inspireren door verhalen uit de Griekse mythologie waarin de ruiter Bellerophon en het paard Pegasus een rol spelen. Het ros verrees uit het bloed van het veelkoppig wezen Medusa, toen dit door Perseus werd verdelgd. Bellerophon wist, met behulp van een Griekse godin, Pegasus te temmen om zijn opdracht, het doden van een vliegend en vuurspuwend monster, de Chimaera, te kunnen uitvoeren. Overmoedig geworden door zijn overwinning trachtte hij daarna de hemel, het woongebied van de góden, te bereiken. Dit ging de góden te ver en zij deden hem ter aarde storten. Volgens deze versie van de overlevering zou Bellerophon kennelijk zelf geen vleugels hebben gehad. Het paard Pegasus veranderde daarop in een sterrebeeld.
Het is duidelijk dat Majoor Seago bij zijn ontwerp de symboliek heeft willen beperken tot die van de gevleugelde bestrijding van het kwade en dat hem het latere droeve lot van de Ist Airborne Division niet voor ogen heeft gestaan.
De eerste parachutisteneenheden waren samengesteld uit militairen afkomstig van vele regimenten die elk hun eigen pet, kepi of baret kenden. Teneinde uniformiteit in hoofd¬deksel te verkrijgen werd een baret ingevoerd van een kleur die de luchtlandingstroepen duidelijk zou onderscheiden van andere legeronderdelen. Prototypes van verschillende soorten groen, blauw en rood werden geproduceerd en op vrij willekeurige gronden werd tenslotte door de Chef Staf van de Engelse strijdkrachten, Sir Alan Brooke, in eigen persoon gekozen voor de wijnrode uitvoering. Te zelfder tijd werd het baretembleem, een parachute met kroon en vleugels, ingevoerd. Aldus getooid werd het regiment voor het eerst in november 1942 in Noord-Afrika ingezet. Het verhaal gaat dat de Duitse tegenstanders onder de indruk raakten van het optreden van de Engelse troepen, die hun baret prefereerden boven een helm en hen daarom de bijnaam Rode Duivels verleenden.
Aanvulling op Ministory No.XI.
Bij Ministory No.XI, “De geschiedenis van de Poolse Gliderlift tijdens Operatie Market- Garden” door John R.Grodzinski, was een tabel opgenomen met een beschrijving van de lading van ieder glider. In deze lijst staan drie gliders genoemd van de geneeskundige dienst, waarvan de Inhoud niet bekend was. Onlangs heeft onze voorzitter, de heer J.Smits, dankzij de hulp van de heren J.J.Lorijs en Dr.S.J.Sosabowski, gegevens over de lading van deze drie gliders verkregen uit het Sikorski Instituut in Londen.
In de eerste glider bevonden zich een lege jeep en een jeep geladen met o.a. brancards, voedsel, steriel verbandgaas en een uitkookpan. In de tweede glider zaten eveneens twee jeeps: één onbeladen, de ander geladen met o.a. transfusie-materiaal, steriel verband¬gaas, brancards, brancard-schragen en dekens. De inhoud van de derde glider bestond uit een jeep geladen met transfusie-materiaal, steriel verbandgaas, een set voor water- onderzoek en water-sterilisatie en dekens. Tevens bevonden zich in dit zweefvliegtuig twee trailers met o.a. tenten, lampen, primussen, brancards + schragen, dekens, suiker, verbandmiddelen, rekverbandpleister, medicamenten, transfusie benodigdheden, plasma alsmede gedroogd plasma en water.
Uit de aantekeningen van Dr.Mozdierz, commandant van de geneeskundige compagnie, ge-maakt bij de verlieslijst in het najaar van 1944, kan worden opgemaakt dat de Polen uit laatstgenoemde glider, sldt.I.Chrusciel en sldt.Abramczyk, erin slaagden een jeep uit te laden en weg te komen van de landingszone. Uit dezelfde lijst moet de conclusie worden getrokken dat de Polen uit de tweede glider, Sgt.Szpetnar en sldt.Marszalek, het erbij de landing eveneens levend afbrachten, doch daarna vermist werden.

Download ministory

MINISTORY XIII
DAGRAPPORTEN VAN DE GEMEENTEPOLITIE OOSTERBEEK, 17 t/m 20 SEPTEMBER 1944.
Van aantekeningen voorzien door G.H.Maassen.
Toen op zondag 17 september 1944 hoofdwachtmeester G.Huijgen om 7 uur ’s morgens op het politiebureau in Oosterbeek (Utrechtseweg 107, de huidige Muziekschool) de wacht over¬nam van zijn collega, hoofdwachtmeester W.Maassen, maakte hij zoals gebruikelijk zijn eerste aantekening in het dagrapportenboek. Zoals het woord al aangeeft werd dat boek gebruikt voor het vastleggen van meldingen die op het bureau binnenkwamen. De dagrap¬porten werden bijgehouden tot en met 20 september. Van de laatste melding werd het tijdstip al niet meer genoteerd en we moeten aannemen dat de dienstdoende agent (Huijgen) nadat hij zijn paraaf gezet had, zich bij zijn gezin in de kelder van zijn huis aan de Ploegseweg voegde. Het mag toch wel verbazingwekkend worden genoemd dat de betrokken Oosterbeekse politieagenten (behalve Huijgen en Maassen, ook nog hoofd-wachtmeester W.G.Koster) ondanks de gevechten tot en met woensdag trouw hun plicht bleven vervullen.
Het is opvallend dat nergens melding wordt gemaakt van de luchtlandingen zelf en dat Oosterbeekse burgers tot op het laatst keurig doorgaven dat huizen in brand stonden, dat er munitie in een tuin lag, etc.
Voor het overige spreken de aantekeningen, die voor het grootste deel letterlijk zijn weergegeven, voor zich. Er is een selectie gemaakt die, waar nodig, vergezeld wordt door verklarende noten. Deze zijn in een kleiner lettertype gedrukt.
Het betreffende dagrapportenboek wordt, tesamen met de overige exemplaren die de oorlog hebben overleefd, bewaard in de gemeentelijke archiefbewaarplaats. Omdat het in prin¬cipe nog niet openbaar is, heeft de hoofdinspecteur van politie voor het gebruik van de gegevens voor deze ministory toestemming gegeven, waarvoor onze dank.

Zondag 17 september

11.30 J.J.v.Duuren, Acacialaan 28 bericht bominslag Stenenkruis, 2 doden, gewonden en brand.
11.32 G.J.Wiggers, v.Spaenweg, meldt bominslag Stenenkruis, doden en gewonden.
12.20 De Ruiter, waarnemend stationschef Wolfheze, meldt bominslag station Wolfheze (voltreffer), vier woningen door voltreffers getroffen, alles puin en stof, personen bevinden zich nog in schuilkelders.
Heer Groenendijk, Heuveloordweg, stelt zich vrijwillig met auto in dienst. Luchtbeschermingsdienst, Geneeskundige dienst, Brandweer gewaarschuwd.
12.35 Striker, waterfitter, meldt brand steenoven Sanders. Eveneens brand richting Bilderberg.
13.20 Dr.Coebergh (veearts) meldt dat op de weide nabij het station Oosterbeek-Laag 20 dode koeien liggen die waarschijnlijk door bomscherven getroffen zijn.
13.35 Bericht komt dat de woning van hoofdwachtmeester Maassen aan de Benedendorpsweg getroffen is. Geen persoonlijk ongelukken.
Bommenwerpers van de Amerikaanse Luchtmacht probeerden rond 11.30 uur Duitse lucht- afweerstellingen ten westen en ten oosten van de spoordijk in de Rosandepolder uit te schakelen. Enkele bommen kwamen echter in de omgeving van het Stenenkruis terecht. Daarbij kwamen Albertus Willemsen (36 jr.) en Willem van Brummelen (21 jr.) om het leven. Zij waren de eerste burgerslachtoffers in Oosterbeek.
Ongeveer tezelfder tijd werd ook het terrein van het Psychiatrisch Ziekenhuis in Wolfheze gebombardeerd. Doelwit vormden in dit geval daar gelegerde Duitse troepen. Sinds 10 september waren deze ingekwartierd in de kliniek Neder-Veluwe en ook elders in het dorp (Hotel De Buunderkamp, Tehuis voor Blinden, de Christelijk School aan de Parallelweg en bij burgers). De volgende dagen arriveerden ook stukken geschut ( 39 stuks, later verminderd tot ca. 27), terwij1’tussen de paviljoens in het bos munitie opgestapeld werd.Het bombardement kostte uiteindelijk aan 80 personen, patiënten, verplegend personeel en burgers, het leven. Het Tehuis voor Blinden brandde uit en ook woonhuizen werden zwaar getroffen.
De melding van de heer Striker over de steenoven van Sanders heeft betrekking op het bedrijf in de Rosandepolder, ten westen van de spoordijk, aan de Polderweg. Het terrein is nu in gebruik bij de Stichting Oosterbeekse Rijnoever als camping en jachthaven. De resten van de ringoven zijn nog aanwezig.
Met de brand ”richting Bilderberg” wordt ongetwijfeld Wolfheze bedoeld.

23.40 Hoofdwachtmeester Nauta geeft kennis dat bij hem te Renkum, namelijk bij hem aan het bureau bij Hardeman, Keijenbergscheweg, en in het gebouw het “Witte Kruis”, een krankzinnige zit. In de verwarring na het bombardement op Wolfheze is een aantal patiënten van het eQ iQ Psychiatrisch Ziekenhuis op eigen gelegenheid op stap gegaan. In bovenstaande en in latere meldingen komen we sommigen van hen op verschillende plaatsen in de gemeente tegen. De meesten zijn uiteindelijk teruggekeerd. Enkelen werden later troffen.

Maandag 18 september

07.00 De luchtbescherming brengt een Engels geweer en helm aan het bureau.
08.00 Wachtmeester Pahlplatz van de marechaussee brengt een in de tuin bij huize Eikenhorst gelegen handgranaat.
Eikenhorst was de middelste van drie villa’s die stonden op de plaats waar Utrechtseweg/Lebretweg het bejaardencentrum Overdal is.
10.00 Inspecteur Jansen meldt dat een vrouw genaamd Hofman, wonende hoek Schoolstraat/ Taludweg, door een schot gedood is.
10.35 De Swart (RAFA), Benedendorp, geeft kennis dat twee onbeheerde rijwielen zijn geborgen in de fabriek. P.C.de Swart woonde aan de Benedendorpsweg tegenover zijn timmerfabriek RAFA (Radio Apparaten Fabriek Arnhem). De bewuste panden werden na de bevrijding verwoest aange¬troffen en zijn nu vervangen door de huizen met de respectievelijk de nummers 114 en 99. Wellicht waren de eigenaren van de fietsen gevlucht voor het oorlogsgeweld.
11.15 Jacobus Bles, evacué, wonende Parallelweg ten huize van P.W.Hoftijzer, komt met de mededeling dat gisterenavond te omstreeks 21 uur genoemde Hefijzer op onver-klaarbare wijze is verdwenen, terwijl hij buiten gereed stond om naar de brand op de Graaf van Rechterenweg te gaan.
Meldde tevens drie koeien dood in de weide Johannahoeve, vermoedelijk van Aalbers.
Hoftijzer komt in de overige meldingen niet meer voor. Hij is in ieder geval weer boven water gekomen, want hij heeft na de oorlog nog in Oosterbeek gewoond. Wat met “de brand” wordt bedoeld is nog onbekend.
11.30 Huismeester Van Aken, Stichting Wolfheze, Meldt dat zijn vrouw gisteren tijdens het bombardement op Wolfheze dodelijk is getroffen. Caspers kennis gegeven, daar de zoon van Van Aken tijdelijk bij hem vertoeft.
11.35 Van Neck, Beukenlaan, meldt dat de watertoren door een granaat is getroffen.
Niet uitgesloten dat hangende stukken gevaar opleveren voor passage watertoren-pad. Bobeldijk gewaarschuwd.
De watertoren stond aan de Molenweg (oostzijde) tegenover de huidige Ireneweg. Het verbindingspad Molenweg-watertoren-Beukenlaan werd “Watertorenpad” genoemd.
M.Bobeldijk, opzichter Bouw -en Woningtoezicht, was tevens opperbrandmeester.
11.40 Geurtsen, Steynweg, meldt een onontplofte granaat Steynweg, hoek Paul Krügerstraat.
11.45 Wolzak meldt dat indien nodig bedden verkrijgbaar zijn bij de Wilhelminaschool en de RK-Jongensschool.
De Wilhelminaschool werd verwoest. Nu staan daar de panden Wilhelminastraat 26-30
Het gebouw van de RK-Jongensschool staat nog aan de Sint Bernulphusstraat 7-9
12.00 Bax, Utrechtsestraatweg, meldt dat bij hen is aangekomen een zenuwpatiënte, niet in het bezit van papieren. Draagt een herenjas.
Mevrouw Van Mastbergen te Wolfheze meldt dat gisteren direct na het bombardement een auto voor het huis van loodgieter Klaver stopte. De inzittende personen liepen de woning binnen, terwijl niemand thuis was. Uit een in die woning staande koffer is ontvreemd een portefeuille met inhoud geld. Deze vermissing is ontdekt direct na het bezoek van die personen.
12.45 Van Bode meldt benzinetank in de tuin van Reijenbeek, Beukenlaan 16a Ook bij het Badhuis, Lebretweg, ligt een gevulde benzinetank
Het “Zalencentrum Lebret” – tot voor kort het Parochiehuis – herbergde destijds ook het gemeentelijk badhuis.

15.30 Berendsen, Strodorpsweg, meldt dat in de Beukenlaan gwonde Engelse soldaten liggen. Een Rode Kruis-zuster die hen wilde helpen, kreeg een schot door haar arm. De tafelberg gewaarschuwd.
15.10 De rechercheur Wetsteijn meldt dat bij J. Wetsteijn een granaat in de woning is geslagen. Geen persoonlijke ongelukken.
15.45 Uitslaande brand gemeld op Marienbergweg, woning T.H. Smit. Bobeldijk kennis gegeven.
16.30 Bericht kind van Meeuwsen en kind van Snijder, Parallelweg, gewond. Rijks met twee EHBO’ers erheen gegaan.
Beide kinderen, Cornelis Gerrit Meeuwsen (11 jr.) en Sibilla Hendrika Snijder (2 mnd.) zijn dezelfde dag aan hun verwondingen overleden. De heer Rijks was leider van de E.H.B.O.
16.30 Huisdeur woning Utrechtseweg 95 door militairen binnengedrongen.
18.30 V.d.Sluijs, Dreyeroord”, geeft kennis dat huize Waldfrieden in brand staat. Directeur Brandweer V.Buuren kennisgegeven.
18.40 Hoogendam, Johannahoeve, geeft kennis dat er gewonde soldaten bij huize Wald-frieden liggen.
Huize Waldfrieden behoorde tot het landgoed Johannahoeve; nu staat daar het hoofd¬gebouw van de missionarissen van Mill Hill, missiehuis Vrijland.
18.35 Wordt aan het bureau gebracht door zuster Egbertse, een van naam onbekende vrouw, verpleegde van de Stichting Wolfheze, die bij Bax was aangekomen. Deze is door tussenkomst van de inspecteur overgebracht naar het sanatorium “Hemeldal”.
Rust- en herstel1ingoord ‘t Hemeldal van E.H.J.Zwarts aan de Graaf van Rechterenweg, ten westen van de huidige opvang- en begeleidingsinrichting “Paula”, werd later in brand geschoten en brandde volledig uit. Vijf mensen kwamen daarbij om het leven.
19.30 Post watertoren te Doorwerth meldt dat de boerderij van Jurrius, staande op de Doorwerthse heide, in brand staat.
19.45 Gerritsen, wonende Schelmseweg 2, geeft kennis dat voor het woonhuis van mw. Tromp Meesters, Schelmseweg 31, een fosforbom op het trottoir ligt.
Bret, wonende Van Wassenaerweg 10, geeft kennis dat bij hem twee gewonde Duitse militairen liggen. De Tafelberg in kennis gesteld.
21.00 Brig.Nauta te Renkum bericht dat de boerderij van Dorrestijn (Klein Amerika) is afgebrand.

Dinsdag 19 september

8.45 Terwindt, Rosandeweg, bericht dat er munitie, bestaande uit granaten, groot en klein, plus handgranaten in zijn tuin liggen, die hij gaarne verwijderd wil hebben.
10.30 Brand boerderij Bongers, Borgerhoeve. Opperbrandmeester Bobeldijk gewaarschuwd.
12.15 Voltreffer geplaatst in woningen Heuveloordweg 1-5-7-12-14 en 17, Watertorenweg 8, Molenweg 11-13-14 en 39 en Emmaweg 22.
Watertorenweg = de huidige Ireneweg; Emmaweg = Emmastraat.
12.45 Op ca. 15 m. afstand van de woning van G.v.d.Kamp, Cornelis Koningstraat 11, een granaat ontploft. Daarbij is Willem Rieksen, geboren 7-4-1933, Cornelis Koningstraat 18, aan de rug gewond en Hendrik van Vooren, geboren 17-3-1926, Kapelstraat 30 Arnhem, in zijn gelaat is gewond. De woning heeft glasschade en ruitenschade bekomen. Op het pand nr.56, le etage NO-zijde, is een granaat ont-ploft. Niemand gewond of gedood. Aan de panden 56 en 54 dak-hout-glasschade, tevens vitrage.
Voor het pand Utrechtseweg 110a, café-restaurant Concordia, bewoond door J.M. van der Velden, een voltreffer in het trottoir. Alleen 3 ruiten stuk op het terras.

13.15 J.Nijhuis, Vogelweg 16, geeft kennis dat er een voltreffer is ingeslagen in de schuilkelder bij Modder, Vogelweg 21. Dode en gewonden.
13 00 Van Brakel, Paasberg 13, geeft kennis dat er een dode op de Van Toulon van der Koogweg bij woonhuis Evers ligt en dicht daarbij een gewonde. Luchtwacht kennis gegeven.

13.45 Mevrouw Van ’t Ende, Prins Bernhardweg 8, geeft kennis dat het woonhuis van de aldaar wonende Kraaijenhagen (nr.6) blijkbaar begint te branden. Later wordt kennis gegeven dat het huis is afgebrand.
Op 1 april 1942 had burgemeester J.J.Talsma ter openbare kennis gebracht dat op last van de Duitsers de naam van Prins Bernhardweg gewijzigd was in Spoorstraat. Niet iedereen hield zich blijkbaar aan dat voorschrift !
14.10 Van Manen, brandstoffenhandelaar, Weverstraat 152, geeft kennis dat een zekere Soetjes, Fangmanweg 20, gevangenen, die afkomstig zijn uit de strafgevangenis, in school I heeft geborgen.
Bedoeld wordt Ir.F.de Soet, Weverstraat 146, die in het boek “Niet Tevergeefs – Oosterbeek’s burgers temidden van de strijd der Airbornes September 1944” (1946) vanaf blz. 34 verhaalt van genoemd voorval. School I was de zgn. “Klompenschool”, de Openbare Lagere School onderaan de Weverstraat; School II was de eerder genoemde Wilhelminaschool.
14.30 Van Harskamp, Jan van Embdenweg 33, geeft kennis dat in pand nr.31 een voltreffe is terechtgekomen.
Bominslag Vogelweg. Gedood Johannes Gerardus Piek, 40 jaar. Zwaar gewond zijn: Hendrik Piek (14 jr.), mej.D.Karei (17 jr.), mej.J.Piek (11 jr.), Van Harskamp, Vogelweg 13. Gewonden overgebracht naar De Tafelberg.
In het boek “Zes Dorpen in Oorlog en Verzet” (1984) vertelt de voormalig politie¬beambte H.Elijzen op blz.132 over deze gebeurtenis.
15.30 Vreede, Wolfhezerweg 37, geeft kennis dat achter zijn woning munitie ligt.
George Willem Vreede, oud ritmeester van het Regiment Huzaren, 71 jaar, zou op 20 september in zijn oude rijbroek tegen de Duitsers ten strijde trekken. Hij stond zwaaiend met een pistool in zijn tuin toen hij werd doodgeschoten.
17.30 J.J.van Woerkom, Backerstraat 53, geeft kennis dat bij H.0.P.v.d.Berg en J.Th. Piek, beiden Taludweg, een brand is ontstaan.
17.45 Opperwachtmeester De Haen meldt dat twee manden, waarin vermoedelijk ieder een benzinetank, neergelaten zijn achter het Zusterhuis, gelegen aan het Sint Ber- nulphuspad.
18.00 J.van Woerkom, Backerstraat, geeft kennis dat achter pand nr22 twee parachutes zijn gedaald, waarin vermoedelijk benzinebussen.
19.20 Keijs, Sint Bernulphuspad 4, geeft kennis dat hij in het bezit is van verschil-lende adressen waar parachutes zijn gedaald. Een busje olie is door hem gede-poneerd op het bureau.
21.15 Wordt door Engelse militairen aan het bureau gebracht Lotte Hermine Anne Wagner, geb.29-12-1922 in Düsseldorf (D), wonende Overtoom 430 III en Alphonse Geldrüde, geb.22-3-1922 te Cathologue, wonende te Amsterdam. Voor onderzoek ingesloten.
7.30 Rombout meldt dat D.Rijks gewond ligt bij Snoeck Henkemans, Unksepad 1.
Volgens de overlijdensakte werd Derk Rijks, 79 jaar, op 1 october 1944 dood aan¬getroffen “in de gemeente Renkum”. Het opgravingsrapport vermeldt dat hij was be¬graven in de tuin van Van der Sande, Jhr.Nedermijer van Rosenthalweg 79, hoek Bato’sweg. Dat is niet zo ver van het Unksepad.

Woensdag 20 september.

07.30 In bewaring twee arrestanten H.Wagner en A.Geldrüde. Brood en drinken verstrekt.
09.00 Kortman bericht een dode Frater bij het Parochiehuis. De Tafelberg heeft be¬richt ontvangen.
10.30 Striker geeft kennis dat 3 panden staande aan de Molenweg afgebrand zijn. Wolzak geeft kennis dat de echtgenote van De Haan, Emmastraat 50a, thans ge‘vacueerd is naar Doorwerth, Kerkstraat 32.
Bovenstaande melding is de laatste in het dagrapportenboek, dat begint op 25 augustus 1944. De rest van het kloeke boek is leeg; slechts 57 bladzijden zijn beschreven. Wat er van de twee Duitse meisjes is geworden is onbekend. Tips daarover zijn van harte welkom en dat geldt ook voor andere correcties en aanvullingen.

Download ministory

MINISTORY XIV
DE GESCHIEDENIS VAN DRIE OUDE DAMES IN DE STRIJD OM DE RIJNBRUG
Samenstelling: C.van Roekel, met medewerking van de heer H.P.Veenhuijsen.
Enige malen werd mij verzocht eens een ministory te wijden aan de gebeurtenissen nabij de Arnhemse Rijnbrug in september 1944. Steeds heb ik geantwoord dat de verslagen over de gevechten aldaar van een zo uitstekend gehalte zijn dat ik niet zou weten wat aan de boeken van Frost, Fairley, Boeree, Urquhart en Mackay toe te voegen. Ook aan Duitse zijde is er weinig meer dat niet bekend is. De inbreng van Kampfgruppe Brinkmann (Panzeraufklarungsabteilung van de Frundsbergdivisie), het tragische lot van Grabner met een deel van de Panzeraufklarungsabteilung van de Hohenstaufendivisie, de inzet van de tien verouderde opleidingstanks onder bevel van kapitein Knaust en het feit dat de gevechtsgroep Hummel met slechts twee opleidingstanks van het type Tiger I de brug bereikte, mag aan de geregelde bezoeker van ons Museum bekend worden geacht. Mijn voornemen om voorlopig geen “oude brugkoeien” uit de sloot te halen werd echter doorkruist op het moment dat ik op de Duitse televisie nog eens de film “Een Brug Te Ver” zag. Daarin komt een scene voor waarin een oud dametje wordt neergeschoten, als zij zich, al roepend om een taxi, buitenshuis waagt. Ik herinnerde mij toen ineens een verhaal van wijlen It.kol.Boeree, waarin hij de belevenissen van een aantal Arn¬hemse burgers beschrijft, die in de heksenketel van de verwoede gevechten rondom de brug het slachtoffer werden van het nietsontziende oorlogsgeweld. Boeree schrijft daarbij ook over die oude dame, maar de plaats van het drama en de namen van de be¬trokkenen worden niet genoemd.
Enig speurwerk bracht mij op het spoor van de heer H.P.Veenhuijsen, de zoon van de man in wiens huis de dramatische gebeurtenissen plaatsvonden, en die zo vriendelijk was dit manuscript kritisch door te lezen en aldus te toetsen aan de werkelijke gebeurtenissen waarvan hij destijds ooggetuige was.
Het bewuste verhaal blijkt zich afgespeeld te hebben in het pension van de familie Veenhuijsen, Eusebiusplein 22, en de betreffende oude dame heette mevrouw Van Ommeren. Mevrouw Van Ommeren was echter niet zo oud als de verhalen suggereren. Zij was onge¬veer zestig jaar toen de slag om de Rijnbrug in Arnhem plaatsvond.
Terwijl ik mij in deze tragische geschiedenis verdiepte, werd de verwarring steeds groter want behalve mevrouw Van Ommeren bleken in die tijd ook nog de dames Van Wulfte Palthe bij de familie Veenhuijsen en pension te zijn. Ook zij kwamen om toen zij op woensdag 20 september door een granaat werden getroffen.
Juist omdat het verhaal ergens als een soort mysterie in de literatuur over de Slag om Arnhem rondzweeft leek het mij goed die geschiedenis eens precies uit te zoeken en op schrift te stellen. Daarbij bleek weer eens hoe onzorgvuldig bepaalde gebeur-tenissen in het verleden beschreven zijn en zelfs in een film werden weergegeven.
Op het Eusebiusplein no.22 in Arnhem was in 1944 het pension Veenhuijsen. Het gezin bestond uit vader, moeder, zoon en dochter. Het pension diende als rusthuis voor oude dames. Bij de strijd om de Rijnbrug zou het in de vuurlinie komen te liggen.
In september 1944 waren er drie dames en pension: mevrouw Van Ommeren en de twee zusters Van Wulfte Palthe. De twee zusters waren al in de tachtig en zij leefden slechts in het verleden.
Onder het huis was een souterrain en de eerste verdieping had aan de achterzijde een serre, die steunde op betonnen paaltjes, en van waaruit je met een trapje in de achtertuin kon komen. Het huis stond met de achtergevel naar het zuiden en een muur vormde de afscheiding met de tuinen van de huizen aan de Rijnkade.
De bewoners hadden tot dat moment slechts de bezwaren van de voedselschaarste onder-vonden, maar in de avond van 17 september 1944 knalden de eerste schoten om het huis. De bewoners waren genoodzaakt de kelder in te vluchten.
Om drie uur ‘s nachts braken de Engelsen de voordeur open en betraden het huis, dat zij echter na een tijdje weer verlieten. Om ongeveer zes uur in de ochtend stopte er een Jeep voor het huls en plotseling brak er een gevecht uit tussen een vijftiental parachutisten, onder bevel van een luitenant en de Duitsers. De parachutisten renden naar binnen en zeiden dat ze het huis moesten verdedigen. Ze barricadeerden de gang en zetten mitrailleurs voor de open vensters. Dichter bij de brug stond een Engels antitank-kanon, dat het gehele plein bestreek en tot het middaguur van 18 september bleef schieten. Alle ruiten in het huis braken aan scherven.

De achtertuin van pension Veenhuijsen in 1942. Duidelijk is de schuilplaats onder de serre te zien. De fotograaf stond tegen de tuinmuur, die de afschei-ding vormde met de tuinen van de huizen aan de Rijnkade. Let op de knoestige kastanjeboom links, (foto: H.P.Veenhuijsen)

Die middag vertelde de luitenant dat de toestand slecht was en dat de versterkingen hen niet konden bereiken. Rechts en links van het huis stonden huizen die in gebruik waren bij de politie. De Britten in het pension klommen over de tuinmuren en haalden daar meel, kool, aardappelen en een stuk vlees. Het westelijk deel van het huizen¬blok was toen alweer in Duitse handen, evenals de huizen aan de overkant. Duitse sluipschutters hadden zich overal verschanst.
Vlak voor het huis was een brengun in stelling gebracht, die in de richting van de Markt vuurde. Om vijf uur ’s middags openden de Duitsers het granaatvuur. Een pro-jectiel ontplofte op de zolder. Dakpannen en een deel van de dakgoot stortten omlaag. Een van de huizen in de buurt, die door de Dienst Gemeentewerken werd gebruikt voor opslag van teer en andere brandbare stoffen, raakte in brand, maar het vuur kon in eerste instantie door de Engelsen die het huis bezet hielden, worden geblust.
Voor het huis stond een vernielde tramwagen en in de nacht van maandag 18 op dins-dag 19 september vochten Engelsen en Duitsers om het bezit van dit voertuig. Dinsdagmorgen werden de bewoners gewekt door een vuurgevecht in het naastgelegen huis. De zoon ging kijken. In de gang lag een zwaar gewonde man. De brengun voor het huis was weg. Op de rand van het trottoir zat een soldaat tegen een boom. Hij bleek al enige tijd dood te zijn.
In de middag leefde het mortiervuur weer op. In de bovenverdieping en in de tuin ontploften een paar projectielen. In de keuken stond een parachutist intussen rustig het eten voor zijn kameraden klaar te maken. Hij zei geruststellend dat er niets aan de hand was.
Blijkbaar kon mevrouw Van Ommeren al dit rumoer niet langer verdragen. Voordat iemand het kon verhinderen sloop zij de achterdeur uit en bereikte via het gangetje naast het huis de straat. Van links naderde vurend een Duitse tank en van rechts zag men de rode lichtspoormunitie van een mitrailleur.Voordat ze de straat kon oversteken werd ze door het vuur van de tank gedood. Zij viel neer aan de voeten van de dode Britse soldaat bij de boom. Zijn dode ogen staarden haar aan. Het was alsof zijn hersens zich pijnigden met de gedachte: “Wat heeft dit te betekenen ?” De familie Veenhuijsen en de overgebleven twee pensiongasten aten mee van het maal dat de parachutistenkok had bereid. Om negen uur in de avond verlieten de Britten het huis. Zij trokken zich terug naar de onmiddellijke omgeving van de brug.
Die avond verkenden vader en zoon het huis. De hele omgeving stond in brand en daar het in de kelder gevaarlijk zou kunnen worden, schuilden ze onder de serre. Plotseling brak er brand uit op de zolder; daarna volgde de bovenverdieping. Kachel en bad kwamen door de brandende vloer omlaag. Onder de vloer van de serre werd het steeds warmer. Een van de dames Van Wulfte Palthe, die zonder enige belangstelling alles had gevolgd, zei plotseling: “Kunt U niet een einde maken aan dit lawaai?” Toen mevrouw Veenhuijsen haar de toestand probeerde uit te leggen werd zij boos en zei: “Bestel een taxi voor mij!” Men probeerde haar gerust te stellen. De heer Veen¬huijsen had een paar emmers water klaar gezet en daarmee verkoelde men haar gloeiende hoofd en handen.
Toen het onder de serre te heet werd probeerden de familie en de twee dames zich terug te trekken naar de tuinmuur aan het einde van de tuin, maar toen zij zich be-wogen schoten de Duitsers op hen vanuit één van de huizen aan de Rijnkade. De para-chutisten in een nabijgelegen huis brachten met een brengun dit vuur tot zwijgen en de familie en de twee dames snelden naar de beschuttende stenen muur. Het was de hoogste tijd want het hele huis stond nu in brand en die nacht stortte het in een vuurzee ineen. Gelukkig bleek de tuin net lang genoeg om niet onder het puin terecht te komen. Dit gebeurde in de nacht van dinsdag 19 op woensdag 20 september.
Allen waren koud en hongerig. Ze leefden van appels die door de hitte van het vuur gebraden onder de boom lagen. Duitse sluipschutters klommen in de bomen voor het huis en schoten op alles wat bewoog.
In de middag van 20 september ontplofte een granaat in de tuin. Beide zusters Van Wulfte Palthe werden daarbij gedood. De familie Veenhuijsen kon niets anders doen dan afwachten tot de ruïne van hun huis afgekoeld was om dan weer terug te kruipen, teneinde meer beschutting te hebben tegen het granaatvuur.

1945 – Gezicht vanaf de Rijnbrug op het Eusebiusplein en omgeving. Het enige dat nog aan het Eusebiusplein herinnert is de knoestige kastanje aan de linkerkant, (foto: Gemeentearchief Arnhem)

XIV – 4

Die nacht werden de Britten bij de brug onder de voet gelopen en donderdagmorgen 21 september om drie uur stonden de Duitsers op de puinhopen en schreeuwden: “Heraus, Hande hoch!” Het gezin Veenhuijsen wenste niets liever. Zij werden naar het stadhuis gebracht. Na daar nog een nacht te hebben doorgebracht, mochten zij vrij heengaan. Zij waren verbaasd dat zij het leven er afgebracht hadden, maar de drie oude dames waren dood en hun eigendommen waren in vlammen opgegegaan.

Naschrift.
Uit militair oogpunt voegt bovenstaand verhaal weinig toe aan de geschiedenis van de Slag om Arnhem. Maar als we een militaire operatie bestuderen dan wordt meestal de nadruk gelegd op de partijen die elkaar bestreden en het risico is groot dat we zoals Boeree opmerkte:”De ongelukkige burgers vergeten, die met hun hoofd tussen hamer en aambeeld zaten en die de slagen van beide zijden moesten opvangen”.
Deze slag werd niet uitgevochten in de woestijn van Noord-Afrika, maar in een dicht¬bevolkte stad met bijna honderdduizend inwoners.

Kaart van de omgeving van de noordelijke oprit van de Rijnbrug in Arnhem in september 1944. De Britten hadden zich verschanst in de huizen aan weerszijden van de oprit. Van hun posities zijn op de kaart alleen het Brigade Hoofdkwartier (1 BDE HQ) en het hoofdkwartier van het 2e Para Bataljon (2 BN HQ) aangegeven. Bij “A” pension Veenhuijsen.
(Deze kaart werd overgenomen uit het boek “Remember Arnhem” door John Fairley, die de perceelsgrenzen overnam uit het boek “Arnhems Stadsplan” uit 1953).

Download ministory

MINI STORY XV
DURF EN INITIATIEF
door: Mr.J.Ter Horst

Voor zover mij bekend is de bedoeling van de ministories om typische situaties naar voren te halen, die in de literatuur over de Slag om Arnhem niet of slechts kort ter sprake zijn gekomen.
Het is bekend dat ons huis naast de Oude Kerk in het Benedendorp in Oosterbeek destijds was ingericht als Regimental Aidpost voor het Ist Airlanding Light Regiment Royal Artillery, onder leiding van dokter Randall Martin en chief-orderly “Scan” Boldon.
Bij de grote reunie in 1984 werden mijn vrouw en ik in onze tuin vrolijk begroet door een onbekende zestiger met de woorden: “I was your first patiënt”. Dit bleek te zijn Kapitein Harrison, die op maandag 18 september 1944 als eerste, gelukkig lichtgewonde in ons huis was binnengebracht.
Hij vertelde ons het ongelooflijke verhaal dat hij in de nacht van zondag 17 op maandag 18 september 1944 bij het eerste aanbreken van het licht met zijn Afdelings- commandant Majoor Mumford per jeep van de brug in Arnhem naar hun artillerie- opstelling bij de Oude Kerk in Oosterbeek was gereden ). Het ging er om een paar sterke radiotoestellen op te halen, daar het bij de brug aanwezige materiaal niet sterk genoeg bleek voor regelmatige vuurleiding van de brug naar het geschut bij de Oude Kerk in Oosterbeek.
Kapitein Harrison moest lichtgewond in ons huis achterblijven, maar Majoor Mumford en zijn chauffeur zijn er voor dag en dauw in geslaagd naar Arnhem terug te rijden. De Duitsers hebben blijkbaar pas later de weg Onderlangs volkomen afgegrendeld, want tussen de rit naar Oosterbeek en terug naar Arnhem moet welhaast een uur verstreken zijn “).
Dankzij de durf en het initiatief van deze beide officieren, die deze gevaarlijke tocht niet aan ondergeschikten hebben opgedragen, was radiocontact van de brug naar het geschut in Oosterbeek en ook naar het hoofdkwartier Hartenstein mogelijk. Na de grote herdenking in 1984 las ik een korte vermelding in het boek “Echoes from Arnhem” van Lewis Golden, destijds luitenant bij het Royal Corps of Signals op het hoofdkwartier:(vertaling):

Links: “Scan” Boldon, chief-medical orderly in de Regimental Aidpost van het Ist Airlanding Light Regiment R.A. Rechts: Het huis van de familie Ter Horst, gefotografeerd in augustus 1944, enkele weken voor het begin van de Slag om Arnhem.

 

“Toen het in de avond van 17 september onmogelijk bleek radiocontact tot stand te brengen tussen de de brug en de 3rd Battery Light Artillery, besloot Mumford samen met Harrison te proberen voor het aanbreken van de ochtend de posities van het lst Airlanding Light Regiment te bereiken. Deze poging lukte. De kanonnen van de 3rd Battery werden opgesteld bij de Oude Kerk in Oosterbeek en Mumford slaagde erin naar de brug terug te keren met twee mannen van de Verbindingsdienst, een 22-set en een 68P-set”.

In het voorafgaande noemde ik al even “Scan” Boldon, chief-medical orderly in de Regimental Aidpost in ons huis, waar tenslotte enkele honderden gewonden lagen. Hij verrichtte op de laatste dag van de strijd een soortgelijke daad van durf en initiatief als de beide officieren, toen een bij de Oude Kerk doorgebroken Duitse tank een schot loste dwars door het huis vol gewonden. Na kort beraad rende Boldon met een witte doek naar buiten en beduidde de tankcommandant driftig dat aan het huis een kleine rode-kruisvlag was bevestigd, waarop de tankcommandant – ook dat zij vastgelegd – het huis verder ongemoeid heeft gelaten. Honderden mensenlevens heeft Scan Boldon op deze manier weten te redden.
Hibbert schrijft hierover in zijn boek “ARNHEM 17-26 september 1944”:

“Toen diezelfde dag een tank van dichtbij het vuur opende op het huis van de familie Ter Horst in Oosterbeek Laag, trokken korporaal E.C.Boldon, de moedige verpleger, en de veldprediker S.Thorne er met een rodekruisvlag op af. Woest zwaaiend met de vlag en ‘het meest uitgebreide repertoire van Oost-Londense scheldwoorden’ ten gehore brengend dat Padre Watkins (Methodist Chaplain van het lst Para BattaTion) ooit had gehoord, eiste Boldon dat de tankcommandant zich onmiddellijk zou terugtrekken, daar het huis werd gebruikt als regiments- hulppost. De Duitse commandant reed met zijn tank weg”.

September 1985: In de tuin van Huize Ter Horst zien Dr.Randall Martin (rechts^en Scan Boldon elkaar zoor het eerst terug sinds september 1944. ) (Foto: R.Voskuil)

1) Majoor D.S.Mumford was commandant van de “3rd Battery (= 3e Afdeling) Light Regiment Royal Artillery”. Dit Artillerie Regiment, ‘onder bevel van Luitenant- Kolonel “Sheriff” Thompson, was uitgerust met 75mm Pack Houwitsers. Deze werden in de loop van de Slag om Arnhem geconcentreerd op verschillende plaatsen rond de Oude Kerk in het Benedendorp in Oosterbeek.
2) Na terugkeer van Mumford naar de brug heeft Kapitein Harrison als commandant van “E-Troop” van het Regiment nog een belangrijke rol gespeeld in de strijd. Zo wist hij o.a. op 21 september, tijdens een door hem geleidde tegenaanval, de Duitsers te verdrijven uit het gebied van de Gasfabriek, waardoor de ZW- sektor van de Perimeter behouden bleef.
3) Scan Boldon overleed in maart 1986.

Download ministory

MINISTORY XVI
ENKELE AANTEKENINGEN OVER HET ONTSTAAN VAN DE AIRBORNE PELGRIMSTOCHTEN NAAR NEDERLAND
door: Generaal-Majoor R.E.Urquhart,C.B.,D.S.O.

Tijdens de 35e pelgrimstocht in 1979 kwam het besef boven dat nog maar weinig Engelsen en Nederlanders de omstandigheden kennen waaronder de herdenkingen begonnen. De heer Ter Horst, bij wie ik logeerde, was in 1945 de waarnemend burgemeester van de Gemeente Renkum. Hij en ik besloten om iets op papier te zetten, zodat er een ver¬slag zou zijn. Ik heb zijn verhaal opgenomen in deze samenvatting van de gebeurte¬nissen.
Nadat de lst Airborne Division zich in september 1944 uit Oosterbeek over de Rijn had teruggetrokken, bevalen de Duitsers de inwoners van de dorpen Oosterbeek, Wolf- heze en Renkum hun huizen te verlaten. Om veiligheidsredenen beval het Nederlandse Rode Kruis later dat ook Arnhem volledig geëvacueerd moest worden. 1 ). Pas na april 1945 werd de terugkeer toegestaan.
Kort na het eind van de oorlog in Europa ging de British War Graves Commission op zoek naar een plaats voor een kerkhof in de buurt van Arnhem. De waarnemend burge¬meester van de Gemeente Renkum, waaronder ook Oosterbeek valt, bood het terrein aan dat gereserveerd was voor de toekomstige uitbreiding van de bestaande burgerbegraaf- plaats. Dit aanbod werd aanvaard en de voorbereidingen begonnen in juli 1945.
In de zomer van 1945 bevond de gereorganiseerde lst Airborne Division zich in Noor¬wegen. Zij was daar om orde en rust na de overgave van de Duitsers te handhaven. De Arthur Rank Film Corporation had toestemming gekregen om ter plaatse een film over de Slag om Arnhem te maken onder regie van Brian Desmond Hurst: “Theirs is the Glory”.Tweehonderd leden van de divisie onder bevel van Majoor F.Gough werden vanuit Noorwegen naar Nederland gevlogen om te helpen bij het maken van de film. Er waren geen beroepsacteurs bij de film betrokken en bijna iedereen had aan de slag deelgenomen.

25 september 1945: Oosterbeekse kinderen leggen bloemen op de graven op het Airborne Kerkhof. Rechts: Generaal-majoor R.E.Urquhart en waarnemend burgemeester Mr.J.Ter Horst. (Foto’s: B.H.Langevoort)

In samenwerking met het gezelschap dat de film maakte organiseerde ik in september een tocht over het slagveld. Ongeveer 80 officieren gingen met mij naar Nederland. Toen ik in Oosterbeek was hoorde ik over de aanleg van het Airborne Kerkhof en ik ging er met mijn gezelschap kijken. Toen wij op de terugweg naar Oosterbeek op de Baileybrug, die over de spoorlijn lag, gingen werd mijn jeep aangehouden door een figuur op een fiets. Het bleek de waarnemend burgemeester van de Gemeente Renkum te zijn, die had gehoord dat ik een bezoek bracht aan het Airborne Kerkhof.
Hij wenste mij graag te ontmoeten om op het kerkhof een herdenkingsdienst te organi¬seren voor zowel Engelsen als Nederlanders. Hij wilde gebruik maken van de aanwezig¬heid van zoveel Airborne militairen.
Wij vergaderden in Hotel De Bilderberg dat toen dienst deed als gemeentehuis. Er zou¬den meer bijeenkomsten volgen en wij, Engelsen, gingen bij die gelegenheid beseffen hoe groot de sympathie van de plaatselijke bevolking al voor ons geworden was.
Tot onze verrassing werden we overal welkom geheten; wij hadden precies het tegen-overgestelde verwacht, gezien de recente ontberingen en ellende.
Er werd een herdenkingsdienst georganiseerd die in het Nederlands door dominee Bergkotte uit Oosterbeek en in het Engels door onze hoofdveldprediker A.H.W.Harlow en een aalmoezenier zou worden geleid. De orde van dienst werd in twee talen gedrukt. De dienst werd op 25 september 1945 op het kerkhof gehouden en werd bijgewoond door de Britse troepen die de film aan het maken waren, degenen die deelnamen aan de ex¬cursie, de burgerlijke authoriteiten uit Arnhem en de Gemeente Renkum, de Chef Staf van de Nederlandse Strijdkrachten, de Commissaris van de Koningin in Gelderland, een vertegenwoordiger van Prins Bernard en enkele honderden inwoners.
De wens werd uitgesproken dat dit een jaarlijks terugkerende gebeurtenis zou worden. De Gemeente Renkum wilde ook een monument voor de divisie oprichten en op verzoek van de burgemeester legde ik diezelfde middag de eerste steen tegenover Hotel Harten- stein dat hoofdkwartier van de divisie was geweest.
Kort tevoren was er in de kerk van St.Martin-in-the-Fields in Londen een herdenkings-dienst gehouden voor de luchtlandingstroepen. Ook dit zou een jaarlijks gebeuren wor¬den, maar dat was pas later.
Die avond werd het inauguratie diner gehouden van de Pegasus Club in het Savoy Hotel, waar Luchtmaarschalk Sir Lionel Hollinghurst een toast uitbracht op de luchtlandings-troepen. Later moest deze club zijn naam veranderen in “Airborne Club”.
De eerste georganiseerde pelgrimstocht vond plaats in 1946. Er waren meer dan 600 aanmeldingen, maar het aantal moest beperkt blijven. Het gezelschap, dat grotendeels per boot reisde, bestond uit 100 ex-leden van de divisie, ongeveer 200 nabestaanden van gesneuvelde militairen, 50 militairen die nog in aktieve dienst waren en ver-tegenwoordigers van de Poolse Parachute Brigade. De voorbereidingen waren getroffen door het Airborne Forces Security Fund en de Nederlandse regering.
De pelgrims werden op 16 september officieel tijdens een lunch in Rotterdam door de Nederlandse regering ontvangen. Op 17 september werd op het kerkhof in Oosterbeek een dienst gehouden waarbij Koningin Wilhelmina en een groot aantal burgers uit de gemeenten Renkum en Arnhem aanwezig waren. Elk graf was door een schoolkind geadop¬teerd en evenals in 1945 legden de leerlingen weer bloemen.2) Later op de dag onthulde de Koningin het gedenkteken voor de divisie tegenover Hartenstein dat sinds het bezoek in 1945 was gebouwd en waarvan de kosten door de burgers van de Gemeente Renkum bijeengebracht waren, ‘s Middags legde de Koningin een krans bij het pas opgerichtte monument bij de brug in Arnhem.
Zoals ook in de jaren daarna werden alle pelgrims na hun aankomst in Nederland op kosten van de Nederlanders vervoerd, beziggehouden en gehuisvest.
Het programma van de daarop volgende herdenkingen is vrijwel ongewijzigd gebleven en de orde van dienst die in 1945 in haast was opgesteld, is sindsdien passend gebleken.
1) Het officielële bevel tot de evacuatie van Arnhem werd door de Duitsers gegeven, (redaktie)
2) De graven op het Airborne Kerkhof werden door kinderen èn door volwassenen geadopteerd, (redaktie)

Download ministory

MINISTORY XVII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.28
EEN NEDERLANDSE BURGER NAM DEEL AAN “OPERATION BERLIN”
Samenstelling: Chr.van Roekel

Bij mijn weten heeft er slechts één Nederlander deelgenomen aan de terugtocht van de lst Airborne Division over de Rijn in de nacht van 25/26 september 1944.
Deze dramatische terugtocht, die de codenaam “Operation Berlin” droeg, eiste veel slachtoffers. In de ”Roll of Honour” kunt U hiervan een indruk krijgen. Op de begraaf-plaatsen van Renkum, Wageningen, Rhenen, Remmerden, en zelfs van Wijk bij Duurstede, liggen militairen begraven, die tijdens de terugtocht over de Rijn zijn gesneuveld of verdronken.
Weinig weten we van de persoonlijke belevenissen van de mensen die er bij waren en het geheel komt bij ons over als een nachtmerrie van gelaten wachten, hoop op redding en tragiek. Soms echter sluiten verschillende persoonlijke belevenissen op elkaar aan en vormen dan de aanleiding tot een Ministory.

In ”Hoog en Laag” van 26 de heer A.D.Polderman: juli 1984 stond de volgende ingezonden brief van ons lid,

Airborne-familie op zoek naar ,.jonge” Nederlander In 1978 maakte de heer A. D. Pol¬derman uit Zwijndrecht kennis met mr. en mrs. Douglas Ford uit Leicester bij het Drielse veer in Oosterbeek. Daaruit ontstonden blij¬vende contacten. Deze oud-Airborne landde maandag 18 septem¬ber op de Ginkelse heide met de 4th Parachute Brigade. Hij was in-gedeeld bij het 11e Battaiion van het Parachute Regiment. In de laatste dagen van de strijd in Oosterbeek maakte hij deel uit van de „Lonsdale Group”, die vocht
in het benedendorp. Bij de verdedi-ging van enige geruïneerde huizen trof hij in één daarvan een familie aan, die daar nog was gebleven en die de Airbornes van water voor¬zag. Bij de terugtocht over de Rijn stond Douglas Ford zijn plaats in één der boten af aan een vriend, die niet kon zwemmen. Zelf zwom hij zonder kleren de rivier over, in Nijmegen wat op verhaal komen¬de, zag hij een jongeman in Brits uniform die met de Airbornes over de Rijn was gegaan. Douglas Ford had die jongen eerder gezien. Het was één van degenen, die hij in de door hen verdedigde huizen in Oosterbeek-laag had gezien. Het laatste wat hij in Nijmegen op¬
merkte was dat de betreffende jon-geman door de militaire politie werd meegenomen ter ondervra¬ging. Graag wil de familie Douglas Ford nu weten wat er verder met hem gebeurde en of hij na de bevrijding in Oosterbeek terugkeer¬de. Wie kan opheldering geven? Mr. Ford en zijn echtgenote zullen tijdens de 40ste Airborne herden¬king te gast zijn bij de familie Pol¬derman en zullen graag met de be-treffende , Jonge” Nederlander in contact komen. Inlichtingen gaar¬ne aan de heer A. D. Polderman, Joh. Postslraat 145, 3333 BJ Zwijndrecht, tel. 078-128155.
Ik las het bericht van de heer Polderman en was waarschijnlijk de enige die in staat was met zekerheid te reageren omdat het voor mij direkt duidelijk was dat het hier ging om het huis van de familie Breman aan de Benedendorpsweg in Oosterbeek.
Op mijn verzoek heeft Douglas Ford zijn belevenissen op schrift gesteld en hieronder volgen enige fragmenten:
“Toen het even wat rustiger was kreeg ik van Luitenant Vickers (pelotonscommandant) de opdracht alle veldflessen te verzamelen die ik te pakken kon krijgen om te pro¬beren wat water te halen in de huizen achter ons. Ik liep de helling in de tuin af langs een paar traptreden en vond een pomp. Ik stond op het punt naar mijn stelling terug te keren, toen ik een man en een vrouw en ook een klein kind en een jonge man over de vensterbank zag kijken. Later moest ik nog een paar keer water halen en dat gezin was er nog steeds. Ik denk dat ze in de kelder schuilden en als het wat rus¬tiger was naar boven kwamen.
(De schrijver vertelt hoe hij met een groepje anderen ter versterking van het Border Regiment naar de westkant van de perimeter wordt gestuurd.)
Na een paar dagen gingen wij terug naar onze oorspronkelijke stellingen bij de kerk.
Ik ging ook weer terug naar de pomp om water en zag dat gezin weer.
Er werd ons gezegd dat we die avond geëvacueerd zouden worden, maar wij moesten als achterhoede tot het laatst blijven. Toen we uiteindelijk vertrokken werd het al licht. We kwamen bij de waterkant en kregen van een officier, die ik nog nooit gezien had, te horen: “De boten komen niet meer terug, er valt weinig meer te doen dus het is aan jullie om óf het bos in te gaan óf de rivier over te zwemmen”.
We konden een aantal mannen in het water zien zwoegen met hun kleren aan. We waren in totaal met z’n vijven, allemaal van het 11e bataljon. Eèn heette Edwards, een ander Griffin, maar ik kan me de namen van de andere twee niet herinneren.
We besloten te gaan zwemmen, maar Griffin zei dat hij het erop ging wagen zie ln het bos schuil te houden. (Later hoorde ik dat hij was omgekomen en in Rhenen ligt begraven). , , ,
De overigen deden hun kleren uit en gingen de rivier in. Er wer op ons gesc o en en één man werd getroffen. Een ander zwom terug maar kwam uiteindelijk toch de rivier over want ik zag hem in Nijmegen weer. .
Edwards en ik bereikten de oever en we kropen door een sloot, waarna we een oer enj binnengingen. Ik vond een jurk en een paar voetbalschoenen die ik aantro en wards
sloeg een deken om. Zo gingen we op weg totdat we een tank hoorden aankomen. nee,
niet nog eens” dachten we en doken een sloot in. We zagen dat het er een van de Guards Armoured Division was en begonnen te roepen. Ze adviseerden ons terug te lopen naar een ambulancepost. Langs de weg lagen troepen ingegraven die begonnen te fluiten toen ze ons zagen en je kunt je voorstellen wat ze allemaal zeiden !! We liepen goed voor schut maar voelden ons wel opgelucht.
Uiteindelijk kwamen we met nog anderen in Nijmegen. Ik kreeg een uniform dat me niet paste en goed te eten. Toen kregen we een slaapplaats aangewezen. Iemand anders in uniform kreeg het bed naast me. Ik dacht dat ik hem al eerder gezien had, maar ik kon hem eerst niet plaatsen. Ik sprak hem aan en besefte toen dat het de jonge man was die ik telkens gezien had als ik water ging halen. Ik ging iemand van de Militaire Politie halen. De jonge man werd meegenomen en ik zag hem niet meer terug. Vaak heb ik mij afgevraagd wat er van hem geworden was.
Ik was heel blij toen het raadsel opgelost werd toen ik hem bij toeval tegenkwam bij hetzelfde huis in Oosterbeek waar ik in september 1944 water haalde. Dat was bij de 40e herdenking van de Slag om Arnhem en ik was nooit eerder bij het huis terug ge¬weest ! ”
We laten nu Izak de Vries, die in 1944 bij de familie Breman was ondergedoken, aan het woord:
“In de kelder.
De nacht van 25 op 26 september 1944 sliep ik in de kelder van de familie Breman.
Ik weet niet meer wie mij wakker maakte. De vorige avond hadden we een karig maal ge¬had. Eten en water waren schaars. We hadden wat wijn bij het eten gedronken. Ik was ingedommeld en had redelijk goed geslapen. De zware hoofdpijn van de vorige avond was verdwenen en na een korte nachtrust voelde ik me best opgeknapt. Iemand vertelde me dat het grootste deel van de Airborne troepen weg was uit Oosterbeek en dat een paar achtergebleven soldaten de weg naar het veer gewezen wilden worden. Ik had geen idee dat het Drielse Veer, waar ik een paar dagen geleden nog geweest was, in Duitse han¬den was. Uit hun woorden maakte ik op dat de terugtocht naar de rivier ten westen van Oosterbeek plaats vond. Dit nieuws was natuurlijk zeer verontrustend, maar ik aarzelde niet. Vanaf het begin van de luchtlandingen had ik mijn vertrouwen en mijn lot in handen van de Airbornes gelegd, die letterlijk en figuurlijk door de hemel gezonden schepsels waren om de mensheid van de boosaardige vijand te verlossen.
Ik wilde maar al te graag de resterende tijd met hen delen en dus voldeed ik aan hun verzoek om als gids op te treden.
Naar de rivier.
We vertrokken met een klein groepje, waaronder een Schot die tussen twee andere soldaten hinkte, en korporaal Gerald Valvona, die met een revolver voorop ging, (zie het boekje “De Tommies komen”, Chr.v.R.)
Het was stikdonker en het regende hard, wat in zeker opzicht een geluk was We kwamen langs de Oude Kerk waar we, volgens Valvona, tussen de Duitse troepen moeten zijn doorgelopen. Vervolgens gingen we een pad op in de richting van de rivier Over de sloot lag een smalle voetbrug waarin een projectiel een gat geslagen had. Omdat ik niet zo gewend was aan de duisternis als de Airbornes, kwam ik met mijn been in het gat met de scherpe rand vast te zitten en kon er slechts met moeite uit loskomen We vervolgden onze weg naar de rivier. Ik was niet langer de gids- anderen die kennelijk wisten waar ze heen moesten, wezen nu mij de weg. Een stuk verderop raapte ik een geweer op en hing het aan mijn schouder. Ik wist niet veel af van die nieuwe wapens, maar in 1934 was ik in militaire dienst geweest, evenals in 1939/1940 Ik betwijfelde of ik er iets mee kon, maar het was een plezierig gevoel. Het had toch geen

Links: Izak (Piet) de Vries in een achtergebleven brencarrier vlakbij de plaats van de smalle voetbrug over de sloot langs de uiterwaarden, (voorjaar 1946).
Rechts: Douglas Ford, “I was a member of no 1 Section, no 1 Platoon, A Coy, llth Para Battalion”. (november 1944).

verschil gemaakt want als de Duitsers ons zouden hebben gesnapt, zou ik ter plekke als franc-tireur zijn gefusileerd.
Even later kwamen we bij de rivier waar een groot aantal soldaten wachtten om over¬gezet te worden. Ik kan mij niet herinneren de koorden en banden die de route aan¬gaven, waarover ik later las in verhalen over de terugtocht, te hebben gezien. Geduldig wachtten we op onze beurt in een vrij lange rij. Wij kwamen echter niet aan de beurt. Een van de militairen werd door een scherf aan zijn been gewond. Misschien was dat wel zijn geluk, want hij werd uit de rij gehaald en kreeg voor¬rang in een van de boten.
Omdat het zo donker was kan ik over het wachten en overzetten niet veel meer zeggen. De omgeving werd zo nu en dan door lichtkogels verlicht. Discipline en moreel waren voorbeeldig, evenals de dagen ervoor.
De overtocht.
De dageraad brak aan en in de richting van Arnhem werd het licht. Ik wilde mijn kleren en schoenen uittrekken maar Valvona raadde me dat af, en dat was maar goed ook want het was behoorlijk koud. Langzaam werd alles om ons heen zichtbaar.
Ik weet niet waarvandaan, maar plotseling verscheen er een wrakke boot die half vol water stond en waarvan de riemen ontbraken. Valvona en enkele anderen klommen erin en de mannen probeerden met hun helmen de boot naar de andere kant te brengen. Valvona nodigde mij uit ook in te stappen maar ik gaf er de voorkeur aan in het water te blijven hoewel ik al mijn kleren aan had. Zelfs gekleed kwam ik sneller vooruit dan de boot die maar heel langzaam ging. Om niet te veel in westelijke richting af te drijven moesten we tegen de sterke stroom op gaan. Ik weet nog dat ik even verderop twee militairen zag die elkaar bijstonden en om hulp riepen. Ik pro¬beerde hun kant op te zwemmen maar dat ging zo langzaam dat zij mij terug gebaarden. Ik zwom terug naar de boot en ging aan de kant zwemmen die enige dekking bood tegen

het vuur dat de Duitsers van de Westerbouwing op ons afgaven. Later ging ik naar de boeg en op mijn rug zwemmend hielp ik de boot naar de overkant te brengen. Kogels ketsten rondom ons op het water. Toen wij, Valvona en ik (de anderen kan ik me niet herinneren), de overkant bereikten was het volop licht. Het moeilijkste moest nog komen. Ik moest een eind rennen, tegen de dijk opklimmen en door een afzetting van prikkeldraad heen, die ervoor diende om de koeien op afstand van het water te houden. Het viel mij zo moeilijk omdat mijn kleren doorweekt waren en ik niet hard kon lopen. Het vuur van Duitse zijde nam steeds toe en deze laatste langzame sprint had iets van een nachtmerrie.
Toen ik op de dijk was aangeland, was ik zo uitgeput dat ik op de grond viel en me aan de andere kant naar beneden liet rollen. Behalve een paar schrammen op mijn hoofd en een pijnlijk been door het gat in het bruggetje, was ik ongedeerd.
Rillend van uitputting en kou bleef ik een paar minuten onderaan de dijk liggen, maar Valvona dwóng me op te staan en verder te gaan. Er verschenen Canadese mili¬tairen, die ons begroetten en thee gaven. Waarschijnlijk maakten zij deel uit van een tijdelijk bruggehoofd dat op de zuidelijke oever gevestigd was om ons op te vangen. Het was geweldig om die goed uitgeruste troepen te zien die zo goed voor ons zorgden. Ze brachten ons naar een boerderij waar we dekens kregen en zo raakte ik mijn burgerkleren kwijt.
Daarna werden we naar een kazerne in Nijmegen gebracht, waar andere Airbornes al waren gelegerd. Ik kreeg een militair uniform en dat, zo hoorde ik later, wekte de achterdocht van een van de militairen die mij op de noordoever van de Rijn in burger gezien had. Ik werd voor verhoor meegenomen, waarnaa ik weer terugging naar de ka¬zerne. Maar mijn goede vriend Valvona, met wie ik zoveel doorgemaakt had, was ver¬dwenen. Maar een aantal anderen die mij kenden -1) verwelkomden mij en verzorgden me uitstekend. Ze namen me in een vrachtwagen mee naar Brussel, maar terwijl ik in de open laadbak van het snelrijdende voertuig stond kreeg ik een boomtak in mijn ge¬zicht, boven mijn rechteroog. Het was zeer pijnlijk en mijn bril ging aan gruzele¬menten. Ik had een buil op mijn voorhoofd en kon een paar weken met mijn rechteroog niets zien. Later werd ik door een dokter behandeld.
In Brussel vroeg ik een doorlaatbewijs om zover mogelijk naar het noorden te mogen en ZD kwam ik terug in Nijmegen waar ik tot eind 1944 bleef.
1) O.a. Frankie (een Ier) en Charlie Gibson. Zie Ministory V en het boekje
“De Tommies komen”. (Chr.v.R.)
Het laatste deel van deze merkwaardige geschiedenis spreekt voor zichzelf:

EMBASSY OF ISRAËL

De heer Evert J.Breman en mevrouw Bertha Breman-Peters ontvangen beiden de Yad Vashem onderscheiding.
“Het echtpaar Breman bood in hun bescheiden woning in Oosterbeek, waar zij met hun twee dochters woonden, onderdak aan Izak de Vries. De heer Breman was smid en ondanks de zeer moeilijke omstandigheden heeft de familie Breman voor slechts geringe ver¬goeding Izak liefdevol gehuisvest in hun zolderkamer. Tevens boden zij geruime tijd onderdak aan enige Britse militairen. De joodse onderduiker verbleef in hun woning tot eind 1944 toen hij besloot het huis te verlaten”.
Het laatste woord is aan Gerald Valvona:
“Ik had het genoegen De Vries voor te dragen voor een Britse onderscheiding die in 1948 aan hem in mijn bijzijn werd verleend. De “Kings Medal for Courage in the Cause of Freedom” werd verleend voor hetgeen hij deed voor de Airbornes te Oosterbeek”.

Download ministory