MINISTORY No. 96
Een getekend beeldverhaal over de Slag om Arnhem
Robert Voskuil
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 109 van de Vereniging
Vrienden van het Airbome Museum Oosterbeek, februari 2008

 

Inleiding
Het aantal boeken en artikelen, dat sinds september 1944 over de Slag om Arnhem is geschreven, kan slechts bij benadering worden aangegeven. Sommige publicaties over dit onderwerp werden in verschillende talen uitgegeven en kregen veel publiciteit; andere kwamen uit bij kleine uitgevers en werden nauwelijks bekend. Dit verhaal gaat over zo’n onbekende uitgave.
In 1975 stelde de heer P.G. Aalbers van de toenmalige Bibliotheek Arnhem een overzicht samen van de tot dat moment verschenen publicaties over de luchtlandingsoperatie bij Arnhem, onder de titel ‘Slag om Arnhem, bibliografie van gedrukte werken’. Op pagina 62 noemt hij de titel ‘De Slag om Arnhem, Beeldfilm in 300 flitsen’. Gegevens over schrijver/tekenaar, plaats van uitgave en jaartal ontbreken.
Wie zo gelukkig is een exemplaar van dit beeldverhaal te bemachtigen, zal het onmiddellijk opvallen dat de stijl van het verhaal en de tekeningen nogal kinderlijk aandoen. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want het werd enkele jaren na de oorlog gemaakt door een 16-jarige jongen. Zijn naam was Peter Veldheer
Van IJmuiden naar Hoenderloo
Peter Age Veldheer werd op 22 januari 1931 geboren in Maassluis. In het begin van de oorlog woonde hij met zijn moeder in Rotterdam, maar vanwege het toenemende luchtgevaar (er vielen regelmatig Britse bommen in hun wijk), gingen ze begin 1941 bij familie in IJmuiden wonen.

Omslag van de door Peter Veldheer getekende ‘beeldroman’over de Slag om Arnhem uit 1948.
De in deze Ministory opgenomen tekeningen uit het boekje zijn iets verkleind t.o.v. het originele formaat,(foto: collectieRobert Voskuil)

Peters vader was bij de Duitse inval in mei 1940 met zijn vrachtschip, waarop hij kapitein was, uitgeweken naar Engeland. Daardoor hadden mevrouw Veldheer en haar zoon geen inkomsten meer en waren ze afhankelijk van hulp van anderen.
Medio 1942 moesten ze IJmuiden verlaten. De Duitse bezetter begon in het gebied langs de Noordzeekust met de bouw van de ‘Atlantikwal’, een verdedigingslinie tegen mogelijke geallieerde aanvallen vanuit zee.
Peter en zijn moeder evacueerden naar het kleine dorp Hoenderloo, circa 15 kilometer noordelijk van Arnhem, midden op de Veluwe. Ze kregen een kleine kamer in een pension, tegenover het daar bekende restaurant ‘Rust een Weinig’.
Hoenderloo was eigenlijk vooral bekend door de Helderings Stichting, waar kinderen verbleven met opvoedingsproblemen. Verschillende gebouwen van deze stichting werden in de loop van de oorlog gevorderd voor de legering van Duitse eenheden. De meeste militaire activiteiten speelden zich af op het drukke vliegveld Deelen, op enkele kilometers afstand. Verder merkte de bevolking de eerste jaren van de oorlog niet zo veel van de Duitse bezetting. Zoals in alle andere plaatsen moesten ook hier de kinderen uit het dorp gewoon naar school en dat gold ook voor Peter Veldheer2.
De Slag om Arnhem
Toen brak zondag 17 september 1944 aan. Er waren die dag veel vliegtuigen in de lucht en de toen 13-jarige Peter besloot op een kleine onbegroeide heuvel in de buurt te gaan staan, om een beter overzicht te krijgen. Van daaruit kon hij met behulp van een oude zeekijker, die hij van zijn vader had gekregen, de eerste luchtlandingen, westelijk van Arnhem waarnemen.
’s Middags zag hij een Duitse verkenningseenheid met pantserwagens vanaf het terrein van de Helderings Stichting vertrekken in de richting Arnhem. Jaren later zou hij horen dat dit de verkenningseenheid van Hauptsturmführer Grabner was geweest, die een verkenning in de Betuwe ging uitvoeren. Toen de eenheid daarvan terugkeerde in de ochtend van 18 september, werd deze op de Rijnbrug in Arnhem door de Britten vernietigd. Daarbij sneuvelde Grabner.
De volgende dag, maandag 18 september, stond Peter weer buiten om te kijken wat er gaande was. ’s Middags vonden er opnieuw luchtlandingen plaats en met behulp van zijn zeekijker kon hij de vliegtuigen goed waarnemen. Plotseling draaide een Duitse stafauto de parkeerplaats van restaurant ‘Rust een Weinig’ op.

Peter Veldheer op 16-jarige leeftijd.
(foto: collectie Robert Voskuil)

NA EEN GROTE OMWEG BEREIKEN ZE. ZONDER VERDERE HINDERPALEN WEER HET
Twee pagina’s uit het boekje. Toen Peter tijdens zijn bezoek aan Oosterbeek een schets maakte van Hotel Hartenstein was de kapotte serre aan de oostzijde reeds vervangen door de nu nog bestaande nieuwbouw. (foto: collectie Robert Voskuil)

Een hoge Duitse officier en enkele adjudanten stapten uit om ook naar de landingen te kijken. Zij hadden allen een veldkijker, behalve de officier. Na enige minuten kwam deze op Peter toe en beduidde hem dat hij de ‘Tommies’ ook wel eens van dichtbij wilde zien. Peter gaf hem de kijker met het angstige gevoel dat hij die wel niet meer terug zou zien. Maar tot zijn verbazing kreeg hij hem korte tijd later terug, vergezeld van een paar vriendelijke woorden. Vervolgens stapte het gezelschap weer in de auto en vertrok.
Enkele dagen later arriveerde bij ‘Rust een Weinig’ een kleine groep militairen van de Waffen-SS. Ze waren in volledig gevechtstenue en droegen wijde camouflagejassen met patroongordels eroverheen. Een van hen droeg een vreemde canvasachtige (‘webbing’) koppelriem met een soort ‘cowboy’-pistoolholster eraan.Toen hij zag dat Peter er naar keek, zei hij lachend in het Nederlands: ‘Ja, die komt van de Tommies. Er zat een stelletje onderweg in de bomen, maar wij waren net een beetje sneller!’. Aarzelend vroeg Peter of er die dag nog meer parachutisten waren geland, want er waren weer veel vliegtuigen in de lucht. De soldaat antwoordde: ’Nee, vandaag waren het allemaal voorraden. We hebben er de hele dag pal onder gelegen’.
Later kwam de vluchtelingenstroom uit Arnhem op gang. Een triest gevoel maakte zich van Peter meester, toen hij besefte dat de strijd niet verliep zoals iedereen had gehoopt. Maar tegelijkertijd was hij razend jaloers op enkele Arnhemse jongens, die bij hun vlucht een rode parachutistenbaret met embleem hadden meegesmokkeld!

Na de bevrijding van Nederland in mei 1945 verlieten mevrouw Veldheer en haar zoon het dorp Hoenderloo en vestigden zich in Velzen bij IJmuiden.
In 1946 kwam Peters vader ernstig invalide terug uit Engeland. Door zijn invaliditeit kon hij niet meer werken. Het gezin moest leven van een minimale uitkering en leed armoede.
Toen kreeg Peter het idee dat er misschien wat geld was te verdienen met het tekenen van ‘beeldromans’, die in de jaren na de oorlog erg populair waren. Dit waren kleine stripboekjes, waarin met behulp van tekeningen en korte teksten een verhaal werd verteld. De bekendste in Nederland waren die over de avonturen van de Haagse detective Dick Bos.
Peter had in de oorlogsjaren veel getekend als tijdverdrijf. Ook toen er na september 1944 geen elektriciteit meer was en de avonden daardoor ook binnenshuis erg donker waren, was hij daar mee door gegaan. Hij tekende toen bij het licht van een klein olielampje, waardoor zijn toch al zwakke ogen nog verder achteruit waren gegaan.
Nu toog hij opnieuw aan het werk en vervaardigde een serie tekeningen, die hij opstuurde aan een uitgever in Rotterdam. Dit was ‘Hoenderop’s Algemene Tijdschriften Exploitatie’ (H.A.T.E.), die was gevestigd aan de Zaagmolenstraast 60 in die stad. Na enige tijd kreeg hij bericht dat ze daar wel wat zagen in zijn tekeningen. Peter werd uitgenodigd om langs te komen voor een gesprek. De mensen van de uitgeverij keken wel enigszins verbaasd, toen ze op de afgesproken dag een jongen van nauwelijks 16 jaar oud, nog in korte broek, binnen zagen komen. Maar het gesprek verliep vlot en hij werd geaccepteerd. Hij kreeg het verzoek van de uitgever om een serie ‘Tarzan’ boekjes te maken. Iedere maand moest hij er een afleveren.
Hij begon vol goede moed, hoewel zijn schoolwerk er wel onder bleek te lijden.
Wanneer de tekeningen en de teksten voor een deeltje klaar waren, kwam de uitgever ze zelf afhalen om ze naar de drukkerij te brengen.
Maar hoewel Peter blij was dat hij deze opdracht had gekregen, wilde hij eigenlijk veel liever beeldverhalen maken over de oorlog. Vooral de Slag om Amhem interesseerde hem hevig, omdat hij die een paar j aar daarvoor ‘in de verte’ had meegemaakt. Tussen het maken van deTarzan-boekjes door, begon hij met de opzet van een ‘documentaire in stripformaat’. Hij beschreef dat veertig j aar later als een ‘historische verantwoord verhaal in plaatjes met teksten, uitgesproken door fictieve figuren, die het relaas de nodige vaart moesten geven’.
Omdat er in huis geen andere mogelijkheid was, tekende hij aan de huiskamertafel, die met een pluche kleed was gedekt. Zijn enige hulpmiddelen waren een gewone kroontjespen en een potje Oost-Indische inkt, dat in een asbak stond, omdat het al een paar keer was omgevallen. Zelfs een liniaal ontbrak en rechte lijnen trok hij uit de vrije hand of langs de harde kaft van een boek. De tekeningetjes moesten op dezelfde grootte worden gemaakt als waarop ze zouden worden afgedrukt. Dat was een verre van ideale methode, gezien het kleine formaat.
Een apart probleem was het tekenen van scènes die zich ’s avonds of ’s nachts afspeelden. Dat bracht hem uiteindelijk op het idee om duisternis af te beelden door middel van fijne streepjes, die dicht naast elkaar werden getekend.

MAAR HET BRANDENDE GEBOUW TE VERLATEN BETEKENT EEN
ZEKERDER DOOD DAN ER TE BLYVEN WANT BUITEN LOEREN DE SLUIPSCHUTTERS.

Pagina met bovenaan een tekening waarop een militair met een ‘gewone’ Britse helm is a/gebeeld. Peter dacht ten onrechte dat deze helmen werden gedragen door de luchtlandingstroepen die per zweefvliegtuig waren aangevoerd. (foto: collectie Robert Voskuil)

 

Er waren slechts een paar publicaties waarop hij zich kon oriënteren, voor wat betreft het verloop van de strijd bij Amhem in september 1944. Van het geld dat hij verdiende met de stripverhalen overTarzan, besteedde hij een paar gulden aan de aankoop van Louis Hagen’s boekje ‘Ik vocht om Amhem’, dat kort na de oorlog was verschenen. De
hoofdlijnen hiervan verwerkte hij in zijn eigen verhaal. Ook kocht hij een paar geïllustreerde tijdschriften. Zo gebruikte hij foto’s uit het herdenkingsnummer van het blad ‘Ons Vrije Nederland’ als voorbeeld voor zijn tekeningen. Een nummer van de Britse regeringsuitgave ‘Big Ben’ bevatte een reportage over de Slag om Arnhem. Daaruit gebruikte hij de foto’s van een PIAT schutter en die van een parachutist met zijn karabijn achter de balustrade van het balkon van Hartenstein. Duitse tanks en Jeeps tekende hij uit het hoofd.
Ook maakte hij een dagtocht naar Arnhem en omgeving. Hij kocht daar prentbriefkaarten en wanneer het uitkwam ‘interviewde’ hij wat mensen in winkels. In Oosterbeek maakte hij schetsen van Hotel Hartenstein, van stukken geschut die daar nog stonden en van de resten van de spoorbrug over de Rijn.
Toen hij ongeveer halverwege was, kwam de film ‘Theirs is the Glory’ uit, waaruit hij een aantal scènes overnam, zoals de start van de Stirlings met de gliders, het onscha-
delijk maken van een Duitse sluipschutter, die zich achter een schoorsteen had verborgen en de poging van de Britten om onder Duits vuur een bevoorradingscontainer te bergen. Bij het uitwerken van de tekeningen kon hij zich soms bepaalde details uit zo’n filmscène niet meer precies herinneren, maar zoals hij later vertelde: ‘In die tijd een film tweemaal te gaan zien, was door geldgebrek ondenkbaar!’ Wel kreeg hij een paar foto’s met scènes uit de film van de directeur van een van de bioscopen in Haarlem.
Door zijn beperkte kennis van de Slag maakte hij natuurlijk de nodige fouten in zijn tekeningen. Zo beeldde hij sommige luchtlandingstroepen af met ‘platte’ helmen, in plaats van met de parachutistenhelmen. De oorzaak hiervan was dat er in artikelen over de Slag om Arnhem in die tijd vaak foto’s werden gebruikt van de gevechten die in april 1945 werden gevoerd om Amhem te bevrijden. Daarop staan troepen van de Britse ‘Polar Bear’ divisie, en die droegen de ‘normale’ Britse helmen. Peter Veldheer dacht echter dat dit troepen waren die per zweefvliegtuig waren aangevoerd!
Ook was het hem niet bekend dat de meeste boten, die voor de terugtocht over de Rijn werden gebruikt, voorzien

ZONDER MOEILIJKHEDEN BEREIKT HIJ EEN DER PARACHUTES EN BEGINT DE IJZEREN KOKER, WELKE HET VOEDSEL BEVAT, VAN DE PARACHUTE LOS TE

Een soldaat probeert onder vijandelijk vuur een container te bergen. Dit is een van de tekeningen waarbij Peter een foto uit de film ‘Theirs is the Glory’ als voorbeeld gebruikte,
(foto: collectie Robert Voskuil)

DE OVERIGE. MANNEN SLAAN 2’N VERRICHTINGEN AANDACHTIG

 

waren van motoren, dus liet hij op zijn tekeningen de soldaten roeien.
In het boekje verwerkte hij ook zijn eigen privé ideetjes. Zo liet hij een Duitse tank begraven onder een instortende voorgevel van een gebouw. Later zei hij hierover: ‘Zo dachten jongens toen over de oorlog, weinig scrupuleus of fijngevoelig. Daarbij ging het niet in de eerste plaats om de exacte feiten, maar om de heroïek: de Slag om Arnhem werd gevoerd om die gehate Duitsers te verslaan!’
Toen hij alle tekeningen en teksten klaar had, liet hij het resultaat aan zijn uitgever zien. Deze was direct enthousiast en wilde het wel uitgeven.Terugkijkend, verklaarde Peter veertig jaar later: ‘Men was toentertijd nog weinig gewend. Mijn simpele, ongeroutineerde tekeningetjes, nog zonder enige vaste stijl, werden volledig geaccepteerd. De tijd van de technisch volmaakte strips, lag nog ver in het verschiet. Niemand stoorde zich aan de naïeve teksten en de foutjes daarin. Niemand wist in detail hoe de strijd zich had voltrokken, ook ik niet. Maar ik had wel het een en ander gezien en gehoord. En ik bezat een be-paalde avontuurlijke, jongensachtige voorstelling van de gang van zaken, die ik in tekeningetjes had omgezet.’
Het boekje verscheen in de nazomer van 1948 onder de titel ‘De Slag om Arnhem, Beeldfilm in 300 flitsen’. In werkelijkheid bevat het boekje overigens geen 300 maar 302 tekeningen. Het werd uitgeven met een formaat van 9 bij 12 cm.
Er werden er 20.000 (!) van gedrukt. Ze werden verkocht voor 50 cent per stuk en Peter Veldheer verdiende er 500 gulden mee. Dit geld, tezamen met de opbrengst van de Tarzan boekjes, heeft uiteindelijk geholpen het gezin Veldheer door een moeilijke tijd te helpen. Gelukkig verbeterde later de situatie.

Naschrift
In de vijftiger jaren schakelde Peter over op het schrijven van avonturen- en detective romans (zonder plaatjes) onder verschillende pseudoniemen, zoals Rex Randall en Peter Brando. Omdat hij daar niet van kon leven, had hij tevens een baan bij de Openbare Bibliotheek in Velzen. Tijdens de jaren 1965-1975 deed hij af en toe freelance reportagewerk en bereisde hij het Midden-Oosten en de Oostbloklanden. Onderzoek op het gebied van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog bleef echter zijn favoriete bezigheid. In 1963 was hij was een van de oprich-ters van de Documentatie Groep ’40-’45, de Nederlandse vereniging, waarvan de leden zich bezig houden met de bestudering van de TXveede Wereldoorlog.
Tegen het eind van de zeventigerjaren begon hij met het schrijven van artikelen en boeken over de bevrijding van Nederland. Hij publiceerde met medewerking van Evert van deWeerd’De Slag om deVeluwe 1945’ (Arnhem, 1981), ‘Daar komen de Canadezen’ (Arnhem, 1982) en in samenwerking met Evert van de Weerd en Gerjan Crebolder, de ‘Bevrijdingsatlas Veluwe’ (Barneveld, 1985).
Zoals zoveel stripboekjes werd ook Veldheer’s beeldroman over de Slag om Arnhem door veel kinderen letterlijk ‘kapot gelezen’ en de meeste exemplaren eindigden dan ook uiteindelijk in de prullenmand. Daarom werden ze in de loop der jaren steeds zeldzamer.
We weten dat het stripboekje in ieder geval één keer is herdrukt, en wel in oplage van vermoedelijk enkele tientallen stuks. Dit gebeurde, waarschijnlijk in 1991, door de eigenaar van het antiquariaat Reinaert en Co. in Appingedam. Originele, gave exemplaren uit 1948 zijn buitengewoon moeilijk te vinden. Ze worden niet alleen gezocht door verzamelaars van boeken over de Slag om Arnhem, maar ook door liefhebbers van oude stripboeken Daarom worden er nu hoge prijzen voor betaald .
Peter Veldheer heeft deze ontwikkeling niet meer meegemaakt, want hij overleed onverwachts op 27 februari 1989. Hij was toen 58 jaar.
In een brief aan de auteur schreef hij in december 1988: ‘Ik denk niet dat ik echt, van nature, heb kunnen tekenen. Toen ik er eindelijk goed slag van begon te krijgen, was de glorietijd van de beeldromans net voorbij. Maar zelfs zonder wezenlijk talent kan een mens veel tot stand brengen, als men zich er maar met hart en ziel op toelegt en gedreven is!’

Noten
1 Dit verhaal is voor het grootste deel gebaseerd op een in-terview, dat de auteur op 17 december 1988 had met Peter Veldheer in diens huis in IJmuiden. Aanvullende informatie werd gegeven door Wybo Boersma en Okko Luursema.
2 Bijna veertig jaar later maakte Peter Veldheer een gede-tailleerde studie van de oorlogsgeschiedenis van het dorp Hoenderloo. Het resultaat van dit onderzoek verscheen in het midden van de tachtiger jaren als een privé uitgave onder de titel Ttissen Truppenplatz” en ‘Fliegerhorst”, de veelbewogen geschiedenis van het dorp Hoenderloo tijdens deTweede Wereldoorlog .Veel van dit materiaal werd ook opgenomen in de genoemde boeken over de bevrijding van de Veluwe.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.