MINISTORY No. 87
Chris van Roekel
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 99 van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek
september 2005

Behalve dat in Ministeries de militaire kant van de Slag om Arnhem aan bod komt, is het interessant om van tijd tot tijd ook de belevenissen van de gewone burger onder de loep te nemen. Met stijgende verbazing las ik enige tijd geleden een rapport, dat mij destijds door wijlen ons lid Hans Verdoom ter hand was gesteld, waarin de ongelooflijke avonturen van een oud-gezag- voerder van de K.N.S.M.1), kapitein O.H. Blaauw, op verzoek van de Politieke Opsporingsdienst te Arnhem, door hemzelf worden beschreven.
Oud-gezagvoerder Blaauw2), die een broer was van wijlen Professor dr. A.H. Blaauw, waarvan de weduwe op de Zonneheuvelweg 12 woonde, evacueerde eind 1942 vanuit Den Haag naar Oosterbeek. Het viel niet mee om daar een paar kamers te vinden, maar hij slaagde er toch in onderdak te krijgen op de Pietersbergseweg 28 in het pension van een zekere familie Aufenacker. Maar niet alleen was de naam van deze familie Duits, ook hun gezindte was pro-Duits. De heer des huizes, die meestal in Amsterdam vertoefde, was werkzaam bij het bankiershuis Lippmann, Rosenthal en Co., waar, onder Duitse supervisie, het kapitaal van Joodse families geliquideerd werd. De heer Aufenacker bracht als koerier Belgische Joodse fondsen – ‘Zu gunsten des Deutschen Reiches eingezogen’- van Amsterdam naar de Continental Bank te Brussel.
Eind augustus 1944 keerden de oorlogskansen echter snel. De geallieerden naderden Brussel. De heer Aufenacker werd naar de Belgische hoofdstad gestuurd om daar nog niet verkochte fondsen op te halen en naar Amsterdam te brengen. Met grote moeite gelukte het hem met een verzegelde kist en een verzegelde ijzeren koffer uit Brussel weg te komen. Maar omdat de verbindingen met Nederland niet goed meer werkten, moest hij met een Duitse militaire trein naar Duitsland vluchten. Van daaruit slaagde hij erin via Emmerich Oosterbeek te bereiken. Omdat op 5 september de spoorwegstaking was uitgeroepen, kon hij niet doorreizen naar Amsterdam om daar de waardepapieren af te leveren. Gezien de chaotische situatie besloot hij daarom de koffer en kist met hun waardevolle inhoud in de kelder van zijn huis Pietersbergseweg 28 te verbergen. De heer Blaauw hoorde dit van mevrouw Aufenacker en knoopte dit in zijn oren. Wij volgen nu letterlijk een deel van het bovengenoemd rapport:
‘Maar daar kwam de groote dag van 17 September. Op dien mooien Zondag braken om 11 uur des voormiddags alle ruiten van mijn kamers door enige bommen op Duitsch afweer-geschut.

Kapitein Otto Hugo Blaauw), ca. 1947.

Mijn hart juichte: de bevrijding komt! Even later vernam ik van het dienstmeisje, dat Johnny Aufenacker, de zoon, in N.S.K.K.-uniform3) met een motorfiets van de Wehrmacht uit Arnhem was aangekomen. Te 4.30 uur des namiddags begaf ik mij te voet naar mijn schoonzuster op den Zonneheuvelweg. Duitsche militairen waren overal in afwachting. De luchtvloot was op de heide achter Wolfheze geland. Er was groote spanning. Bij Tol Wolfheze zag ik de Engelschen op komen zetten. Ik bevond mij op den Utrechtscheweg juist tussen hen en de Duitschers en maakte mij uit de voeten. Een felle strijd was gaande; wij vluchtten te 8 uur des namiddags naar een schuilkelder bij de buren, waar wij met 27 men- schen van 17 September tot 22 October bleven en veel beleefden. Na 3 dagen feilen strijd waren wij helaas weder onder Duitschen macht. Ongeveer 23 September kon ik voor het eerst weer naar mijn kamers gaan kijken. In huis was alles vernield. Ik trof er aan de dames Lindo, beiden in de tachtig jaar. Zij hadden alles doorstaan, zaten daar verlaten en hadden vooral dorst. Ik riep de hulp in van het Roode Kruis, dat

FOTO: COLLECTIE C. VAN ROEKEL De Pietersbergseureg in Oosterbeek, gefotografeerd voor de Tweede Wereldoorlog. Rechts op de voorgrond het huis dat toen het nummer 28 droeg, maar oud-gezagvoerder Blaautu kamers huurde en van waaruit hij eind september 1944 de Joodse waardepapieren wist te redden.

de dames vervoerde. De volgende dag maakte ik nog een tocht. Ik trof daar de Heer Vervooren, oud referendaris van Financiën en mede-pensiongast. Hij toonde mij de kelder om te laten zien waar ze dagenlang gehuisd hadden. Hij zei:’ Kijk, daar staan nog steeds een koffer en een kist met de fondsen van de Heer Aufenacker’.
Later begon ik te overwegen deze waarden te ontvoeren, maar de mogelijkheid mijn slag te slaan werd steeds kleiner, omdat het voor burgers verboden was in het dorp te komen. Mijn laatste kans ziende, besloot ik alsnog te handelen en een poging alleen te wagen.
Laat in de middag ging ik met een kruiwagen van de Zonneheuvelweg bij Tol Wolfheze, naar de Pietersbergsche- weg 28, bij Hotel ‘De Tafelberg’.
Vanaf de Betuwe werd telkens geschoten en granaten sloegen hier en daar in. Duitsche patrouilles gingen overal rond, burgers zag ik een heel enkele. Den kruiwagen stelde ik achter het huis verdekt op. Ik liep de donkere kamers binnen en stootte met mijn voet tegen de laarzen van een gesneuvelde Duitscher – de koppel nog vol handgranaten – en daalde in de kelder af. Met een lucifer zag ik de kist op den ijzeren koffer staan. Ik was blij dat het nog niet te laat was. Ik trok de kist van de koffer, die met een zwaren slag neerviel. Ik was beducht dat het lawaai gehoord zou worden. Met moeite bracht ik de kist tot voor de keldertrap. Daarna trachtte ik de kist de trap op te kantelen. Het was uiterst moeilijk. Met de grootste inspanning tot halverhoogte gekomen, slipte de kist; ik sloeg achterover en schoot met mijn been tusschen de traptreden. Gelukkig kreeg ik met mijn rug steun tegen de muur. De zware kist viel op mijn beenen, die bedenkelijk doorbogen. Zoo hing ik een ogenblik bijna horizontaal, maar was gerustgesteld dat mijn beenen het hielden, al bleven mijn knieën nog anderhalve maand gezwollen. De kist kantelde ik en ik
bevrijdde mijzelf. Ik was diep teleurgesteld dat ik mijn plan niet zou kunnen uitvoeren. Bovendien was er voortdurend gevaar dat de Duitschers mij zouden betrappen. Wat te doen? In het schuurtje vond ik een tuinschaar. Hiermee brak ik de kist open. De pakken effecten bracht ik op den kruiwagen Daarna volgde de verzegelde ijzeren koffer. Over alles deed ik een kleed, sjorde alles goed vast en bovenop legde ik eenige lichte dingen van mijn kamer als camouflage. De leege kist gooide ik achter het huis over den tuinmuur. Deze viel op gegolfde ijzeren platen. Dit helsche kabaal verontrustte mij.
Ik was klaar voor de thuisreis. Bij het optillen van den krui-wagen bleek deze echter zoo zwaar dat ik vreesde nooit het doel van mijn tocht te zullen bereiken, namelijk een kreupel- bosch op den Bilderberg. Met groote moeite kwam ik om het huis op straat, waar ook tevens het gevaar voor ontdekking grooter werd. Met inspanning van al mijn krachten kon ik slechts een tiental passen loopen en moest dan rusten Zoo bereikte ik den Utrechtscheweg bij Hotel ‘Schoonoord’. Daar lag echter de stijgende weg voor mij. Toch wilde ik mijn doel bereiken. Over dat stijgende deel heb ik zeker een uur gedaan. Telkens moest ik gaan zitten. Halfweg de helling kwam een Roode Kruiszuster naar mij toe, beloofde mij te helpen, maar even later zag ik haar verdwijnen. Ik zette mijn tocht voort en bereikte de top. Daarna begon de weg lang-zaam te dalen naar Tol Wolfheze. Het ging wel iets beter, maar het werd mij toch te zwaar. Daar kwam mij achterop een mannetje met een leegen kruiwagen. Ik maakte een praatje met hem en ging met hem accoord, dat wij om beurt van kruiwagen zouden wisselen en ik hem 5 guldens bij de Tol zou betalen. Dat probeerde hij graag. Hij bleek 72 jaar te zijn, ik was 69.
Telkens kwamen er patrouilles langs. Juist dan ging ik er onverschillig bij zitten, dat mijn zware last geen aandacht zou trekken. Zoo bereikten wij veilig de voet van de Zonneheuvelweg en ik nam afscheid van mijn vriend. Hij zei nog: ‘Maar U krijgt dien kruiwagen nooit dien berg op’. Ik naderde echter het einddoel en mijn krachten verzamelend gelukte het mij het huis van mijn schoonzuster te bereiken.
Nu nog de fondsen in het donker begraven was mij onmoge-lijk. Ofschoon het hoogst gevaarlijk voor haar was, mocht ik mijn buit dien nacht bij haar onderbrengen. Ik dank haar voor deze hulp, die zo riskant was omdat steeds Duitsche soldaten in ons huis kwamen.
Dien volgende dag, onder stortregen groef ik een diep gat in het kreupelhout bij den Wolfhezerweg en bracht er de fond-sen in. Die in de kist waren geweest wikkelde ik in getaand doek. Na het gat opgevuld te hebben, dekte ik alles goed af met blad en takjes. Alle brieven met ‘Heil Hitler’ had ik in mijn zak gestoken. Het overbrengen van de colli, thans drie in getal, vanaf het huis van mijn schoonzuster naar het kreu- pelbosch achter haar tuin was zeer riskant. Gevaar voor ont-dekking loerde overal. Niet alleen van de lotgenooten in den schudkelder zoo dichtbij en van de andere omwonenden, voor wie ik het geheim wilde houden, maar telkens kwamen er Duitsche militairen in den buurt, ook in den achtertuin en in

Kaartje van Oosterbeek, met daarop aangegeven de route die Kapitein Blaauw volgde met de zware, met waardepapieren gevulde kruiwagen.

het huis. Mijn schoonzuster hielp mij de zware colli over het achterhek van den tuin te krijgen en ging daarna op uitkijk staan om mij bij naderend gevaar een sein te geven en door een gesprek de menschen af te leiden. Intusschen deed ik daar mijn werk, terwijl de regen gutste en het lawaai dat ik wel moest maken, mij veel zorgen gaf.
Den volgenden dag ging ik weer naar den Pietersbergsche- weg en haalde de leege kist op om geen spoor achter te laten. Die kist sloopte ik uit elkaar en deed ik verdwijnen. Voor ik de kist ophaalde ging ik nog even naar mijn kamer en achter het huis bond ik nog enkele dingen op mijn fiets. Op dat moment hoorde ik door het keldervenster dat daar menschen waren. Ik hoorde duidelijk het openbreken van kisten en koffers in den kelder. Mij even bedenkend riep ik: ‘ Wie is daar?’ In het Duitsch werd mij toegeschreeuwd te blijven waar ik stond. Een Feldwebel en een soldaat stormden de trap op, de keuken door en kwamen met op mij gerichte revolvers op mij af. De Feldwebel bulderde mij toe wat ik daar te maken had.
Ik legde uit dat ik nog wat goed van mijn kamer had gehaald. Hij zei dat ik volstrekt niet in het dorp mocht komen en dreigde mij dit niet meer te herhalen. Daarna gingen ze het huis weer in. Heel stil sloop ik door een steegje en straatje naar de kist, die ik geruisloos op mijn fiets bond en er veilig mee weg kwam.
Op den 22 October moesten wij op Duitsch bevel vertrekken naar andere oorden en kwamen tenslotte te Westereng, bij

Deze foto werd genomen in 1945, kort nadat de bewoners van hun evacuatie-adres waren teruggekeerd naar de Zonneheuvelweg 16. Links staat kapitein Blaauw, ernaast Truus Korporaal. In het midden Chris Korporaal, gymnastiekleraar in Oosterbeek. Bij de provisorisch geïnstalleerde kachel waarop werd gekookt, staat Miep Mekkink- Verdoorn. Het jongetje op de voorgrond is jopie Verdoorn, de jongere broer van wijlen Hans Verdoorn, die mij destijds vertelde over kapitein Blaauw. Op de voorgrond liggen kussens te drogen in de zon.

 

COLLECTIE ROBERT VOSKUIL Kop van een artikel in het Arnhems Dagblad (de Gelderlander) van 17 september 1960, waarin het verhaal van Blaauw voor het eerst werd gepubliceerd.

Harskamp, waar wij met 9 menschen 8 maanden in een kippenhok verbleven. Al die tijd lagen mijn fondsen veilig in het bosch, zoals later bleek.’
Na de bevrijding kon de heer Blaauw op 2 juni 1945 terugkeren naar Oosterbeek. De heer en mevrouw Mekkink, waarmee hij op hetzelfde evacuatieadres had gezeten, boden hem onderdak aan in hun huis Zonneheuvelweg 16. Hij had zijn geheim intussen slechts gedeeld met enkele mensen die hij vertrouwde en hij had met hen overlegd hoe de fondsen uiteindelijk weer aan de rechtmatige eigenaars konden worden teruggegeven.
Juist toen hij op het punt stond om op 21 juni 1945 in de namiddag de waardepapieren op te graven, verscheen er een auto met de heer Aufenacker en twee andere personen. De heer Aufenacker wilde weten of de heer Blaauw iets afwist van de verdwenen waardepapieren. Kapitein Blaauw, die de zaak niet vertrouwde, wist hem echter om de tuin te leiden. Direct nadat de auto weer was verdwenen, begon de heer Blaauw met het opgraven van de verpakte papieren, die nog in perfecte staat bleken te zijn. De volgende dagen besteedde hij aan het drogen van de kwart kubieke meter fondsen van Belgische origine. Na drie weken werden de waardepapieren voorlopig opgeslagen in de kluizen van de Nederlandse Handelmaatschappij in Arnhem. Later werden ze ter beschikking gesteld van de Minister van Financiën, Professor Mr. P. Lieftinck. Via de Politieke Opsporings Dienst, de Procureur-Generaal Mr. de Zaaier, de Minister-President Professor Ir. Schermer- hom en de na-oorlogse beheerders van het bankiershuis Lippmann, Rosenthal en Co, kwam de oorlogsbuit uiteindelijk waar die zijn moest.
Kapitein Blaauw kreeg veel lof van de hoogste instanties, die kennis kregen van zijn prestatie, waarbij meer dan een miljoen gulden werd gered, onder omstandigheden waaronder menigeen het eerst aan zichzelf zou hebben gedacht. In augustus 1945 ontving de heer Blaauw de volgende brief:
Departement van Financiën:
‘s Gravenhage, 18 Augustus 1945.
Kabinet van den Minister.
Zeer geachte Heer,
Van het Hoofd van de P.O.D. te Arnhem ontving ik Uw rapport inzake de pakken Belgische effecten, welke door Uw groote voortvarendheid thans in handen gesteld zijn van de Nederlandsche Regering.
Ik betuig U gaarne hulde voor de doortastende wijze, waarop U, onder zoo gevaarlijke omstandigheden zulk voortreffelijk werk heeft verricht.
Voor de verdere afhandeling van deze aangelegenheid worden de noodige stappen door mij ondernomen.
Met beleefde groeten en met de meeste hoogachting DE MINISTER VAN FINANCIËN, w.g. Lieftinck.
Volgens de heer Blaauw bevatte de brief ook nog 5 guldens vanwege de gemaakte onkosten!!

Bronnen
‘Rapport in opdracht van den Politieken Dienst te Arnhem’, door O.H. Blaauw, Oosterbeek, 12 Juli 1945.
Arnhems Dagblad (de Gelderlander), 17-9-1960.
Noten
1. K.N.S.M.: Koninklijke Nederlandsche Stoomvaart Maat-schappij.
2. Otto Hugo Blaauw was vanaf het eind van de 19= eeuw in dienst van de K.N.S.M. Hij doorliep een aantal rangen en was gezagvoerder van verschillende schepen. Op 48-jarige leeftijd nam hij ontslag en vestigde zich in Den Haag. Op 67-jarige leeftijd moest hij zijn Haagse woning verlaten omdat deze in de Duitse verdedigingszone kwam te liggen. Hij vestigde zich in Oosterbeek, waar hij op 69-jarige leeftijd de Slag om Arnhem meemaakte.
3. De N.S.K.K. Nederland maakte deel uit van het Duitse Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps’, te vergelijken met een soort aan -en afvoertroepen.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.