MINISTORY No. 94
Enkele herinneringen aan het St. Elisabeths Gasthuis
AJ. Gieling
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 107 van de Vereniging
Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek, augustus 2007

Zondag 17 september 1944. Het was een prachtige, heldere dag. Ik was vrij van mijn werk als oppasser in Burger’s Dierenpark en wandelde door de wijk Alteveer in Amhem. Plotseling begonnen Engelse vliegtuigen Arnhem te bombarderen en enige tijd daama zag ik in westelijke richting grote aantallen vliegtuigen, waaruit parachutisten sprongen, die haarscherp afstaken tegen de hemel.
Ik begreep dat er belangrijke dingen gaande waren en besloot snel terug te lopen naar mijn kosthuis bij mevrouw Stolk in de Kastanjelaan 12 in het Spijkerkwartier. Dat was een heel eind lopen. Ik was bijna thuis, toen ik zag dat er een bom was ingeslagen in de Bloemstraat, een zijstraat van de Steenstraat. Verschillende huizen waren zwaar beschadigd. Duitse militairen lagen gewond op straat. Ook zag ik een half verbrand konijn, afkomstig uit een van de getroffen woningen, de straat oversteken.
Onderaan de Bloemstraat zat een jongen met zijn benen

De voorzijde van het St. Elisabeths Gasthuis, gefotografeerd tijdens of vlak na de Slag om Arnhem. Onder de hoofdingang bevindt zich de benedeningang.
(Foto collectie Robert Voskuil)

vast onder de ingestorte trap van een woning. Met enkele mensen begonnen we aan hem te sjorren om hem los te krijgen. Tot overmaat van ramp begon het huis te branden. Eindelijk gelukte het om hem met veel kracht eronder uit te trekken.
Na even thuis te zijn geweest, meldde ik mij bij een post van de Luchtbeschermingsdienst. Ik werd naar de Johannastraat gestuurd, waar ook bommen waren gevallen. Er lag een zwaar gewonde man, die ik met behulp van omstanders op een rijdende brancard legde. Vervolgens liep ik zo snel mogelijk met de brancard via de Klarendalseweg naar het Willemsplein. Daar zag ik dat de Willemskazerne, die ook was gebombardeerd, brandde als een hel. In looppas vervolgde ik mijn tocht langs het station en de Utrechtseweg en bereikte veilig het St. Elisabeths Gasthuis. Helaas bleek dat het slachtoffer was overleden. Hij werd in het lijkenhuisje gelegd.
In het St. Elisabeths Gasthuis, waar de verpleging in handen was van Duitse nonnen en Nederlandse verpleegsters, was na de luchtlandingen de sfeer erg gespannen. Iedereen wachtte op de bevrijders. Veel verpleegsters stonden bij de ingang van het ziekenhuis en keken voorzichtig over de straat in de richting van Oosterbeek.
Aan het eind van de middag zag ik de eerste Britse parachutisten aankomen. Het leken wel heiligen uit een andere wereld! De voorste sloop langs de afrastering van de tuin en stopte bij de ingang van het ziekenhuis. In zijn hand had hij een Walkie Talkie, waarin hij voortdurend sprak. Ik kon het niet verstaan, omdat ik geen woord Engels kende. Vol bewondering keek ik naar hem. Toen volgden er meer. Iedereen was opgetogen. Eindelijk waren we vrij! De Britten werden omhelsd door de Nederlandse verpleegsters. Ze deelden sigaretten en chocolade uit, maar ze hadden geen tijd voor een praatje, want ze moesten verder. Ik hoorde van een van de verpleegsters dat de soldaat met de Walkie Talkie had gevraagd of het hek naar de tuin van het ziekenhuis open kon, zodat ze onder dekking van het gebouw in de richting van het centrum van Arnhem konden trekken en niet over de weg hoefden. Helaas kon de Duitse non, die als zuster-portier- ster optrad, de sleutel niet vinden. Ik vond dat vreemd en vertrouwde het niet. Had deze Duitse non misschien weinig sympathie voor de Engelsen en wilde ze daarom niet helpen? De soldaat nam afscheid van de lachende verpleegsters, waarna hij behoedzaam de oprit afliep in de richting van de Utrechtseweg. Plotseling werd hij dodelijk getroffen, vermoedelijk door vuur van Duitsers die achter de bomen stonden langs de Utrechtseweg. De soldaat die achter hem liep pakte direct de Walkie Talkie, stapte over het lichaam heen en liep verder richting centrum. Even later sneuvelde ook deze soldaat. Kort daarop wisten de oprukkende Engelsen de Duitsers achter de bomen te verdrijven.

Intussen werden er steeds meer Britse gewonden met Jeeps aangevoerd en het St. Elisabeths Gasthuis binnen gebracht. Op een zeker moment zag ik verschillende Engelse officieren de grote hal van het ziekenhuis binnenkomen. Later hoorde ik dat dit o.a. de militaire artsen Townsend, Longland, Allenby en Lipmann Kessel waren. Verschillende Nederlandse doktoren, sommigen in witte jassen, verwelkomden hen. Er werden flessen wijn opengemaakt en iedereen was in een goede stemming. Ik hoorde een van de officieren iets vragen, toen plotseling en spontaan door de aanwezigen het Engelse volkslied werd gezongen. Niet om aan te horen zo vals, maar wel zeer indrukwekkend. Toen daarna ook het Wilhelmus werd gezongen, stond ik als versteend en kon geen woord uitbrengen. Het gaf een onbeschrijflijk gevoel om dit te horen zingen na vier j aar bezetting. Een van de Engelse officieren kon het Nederlandse volkslied meezingen. Ik hoorde dat hij afkomstig was uit Zuid Afrika en dat hij Lipmann Kessel heette.
Terwijl we daar stonden, zag ik een Britse soldaat met een geweer in aanslag met een Duitse officier binnen komen. De officier, een korte, dikke man, sprong onmiddellijk in de houding toen hij ons volkslied hoorde. De soldaat die hem begeleidde meldde zich bij een van de Britse officieren. De gevangen Duitser bleek chirurg te zijn. Er werden geen handen geschud, maar de Britse artsen accepteerden hem als collega en de volgende dagen werkte hij gebroederlijk samen met de Britten op de operatiekamer.
Tot laat in de avond sjouwden we met de gewonden die werden binnen gebracht. Zij aan zij werden ze in de lange gangen van het ziekenhuis gelegd.
Toen het donker was kreeg ik de opdracht om samen met een Britse soldaat een oude vrouw naar haar huis in de buurt van de Alexanderstraat te brengen, hetgeen we deden. Vervolgens gingen we naar het Rijnhotel, waar zich ook talrijke gewonden moesten bevinden. Onderweg werden we tegengehouden door enkele Britse soldaten en twee man van de Binnenlandse Strijdkrachten, die gekleed waren in een blauw uniform met een oranje band om hun arm. Handen werden geschud, waarna we weer snel verder liepen. Bij het Rijnhotel troffen we geen gewonden meer aan, alleen gesneuvelde Britten. Ze waren neergeschoten zoals ze aan waren komen lopen, in tirailleurslinie. Een naargeestig gezicht.
Toen we terug liepen naar het ziekenhuis hoorden we vanuit de richting centrum auto’s naderen. We verscholen ons achter de bomen tegenover het ziekenhuis en wachtten af. De voertuigen stopten voor de benedenin- gang aan de voorzijde van het gebouw. Wij hoorden dat er in het Duits commando’s werden gegeven. Nagenoeg op hetzelfde moment volgden een aantal explosies en schoten. Vermoedelijk waren er handgranaten in hun midden gegooid met alle gevolgen van dien.

Ton Gieling op een pasfoto in zijn persoonsbewijs uit 1941. Hij was toen 19 jaar. (Foto via Ton Gieling)

De Duitsers, die het er levend van af hadden gebracht, vluchtten de benedeningang van ziekenhuis binnen. Toen ik ook naar binnen ging, hoorde ik co-assistent Jaap Stuyt, de zoon van dokter Stuyt, die gekleed was in een witte doktersjas, heel hard schreeuwen dat er binnen in het ziekenhuis niet gevochten mocht worden. Hij beriep zich daarbij op de Conventie van Genève. De Duitsers gehoorzaamden en leverden hun wapens in bij de Britten, waama ze naar een kamer op de benedenverdieping werden gebracht. Daar werden ze bewaakt door een Britse soldaat.
De gewonde en dode Duitsers werden door ons naar binnen gebracht en verzorgd. Gesproken werd er niet. Ik zag dat een van de gesneuvelde Duitsers was getroffen door een kogel die via zijn gouden zakhorloge zijn hart had getroffen. Het was een wat oudere man. Het deed me iets, maar ik weet niet waarom.
De volgende dagen bleef ik helpen in het ziekenhuis. Ik was gekleed in een witte jas met op mijn rug een kleine Rode Kruisvlag. Dit was vooral noodzakelijk wanneer we naar buiten moesten. Er waren verschillende jonge mannen, die hun diensten aanboden, zoals Frans Wiessing, Hessel Prinsen en Henk van Kuipers. We kregen een kamer toegewezen, waar we af en toe konden uitrusten.
Mij werd gevraagd om te helpen bij de eerste opvang van de gewonden. Tientallen lagen er op brancards op de vloer. Ik moest voor iedere patiënt een kaartje invullen, indien nodig de omgeving van de wond scheren en met desinfecterende vloeistof schoonmaken.
Naast Britse werden er ook Duitse gewonden binnengebracht. Een van hen was een SS-soldaat, die ernstig gewond was aan zijn hand. Toen de Nederlandse dokter hem ging behandelen, begon hij in het Nederlands te vloeken, waardoor het duidelijk was dat hij een Nederlandse SS-er was. De dokter had zichtbaar moeite met de situatie.
Als er een gewonde was met een buikschot, moest ik dat melden en dan kreeg hij voorrang. Zo hielp ik een man die was gekleed in een Duits SS-uniform en die een schot in zijn buik had gekregen. Tijdens een kort gesprek dat met hem had, bleek dat hij afkomstig was uit Deventer. Hij vertelde dat hij samen met een aantal makkers in de omgeving van Hotel Schoonoord in Oosterbeek in een loopgraaf had gezeten. Toen hij water wilde gaan halen en daarvoor uit de loopgraaf kwam, werd hij door een Britse sluipschutter neergeschoten. Ik vroeg hem of ik zijn ouders over het een ander moest inlichten. Hij antwoordde dat dit niet nodig was. Hij vond dat hij voor een goede zaak had gestreden. Een dag na zijn operatie, waarbij ik aanwezig was, zag ik hem in bed liggen in een afdeling van het ziekenhuis, die net door een granaat was getroffen. Het plafond hing half naar beneden. Ik zag dat hij nog leefde en zijn ogen opende, maar kort daarop stierf hij.
Het ziekenhuis werd regelmatig getroffen door granaten. Op een bepaald moment vloog er een granaat door de voorzijde van het gebouw naar binnen en trof het hoofd van een oude man, die juist eten kreeg van een Duitse non. Ik kwam net binnen en zag de hevig ontdane non nog met het bord in de hand naast het bed van de gedode patiënt staan.
Intussen had ik een motorfiets opgescharreld en werd ik al snel door de Britten ingeschakeld om berichten over te brengen. Zo bracht ik regelmatig berichten naar de familie Boissevain in Velp. Ook ben ik met een vrachtwagen van het Rode Kruis mee geweest naar Hotel Schoonoord in Oosterbeek. Ook daar werd toen nog hevig gevochten. Op een van die tochten met de motorfiets naar het centrum van de stad zat een van mijn vrienden, Henk van Kuipers, bij mij achterop. Ter hoogte van het Gemeentemuseum barste ineens een hevig artillerievuur los. Henk van Kuipers sprong van de duo-zit af en zocht dekking. Ik werd in mijn bil geraakt door een granaatscherf. De motor raakte onklaar en ik sloeg om. Ik bloedde hevig en raakte in paniek. Ik probeerde weg te komen, maar de Duitsers die in een huis er tegenover zaten, riepen dat ik moest blijven liggen en schoten over mij heen. Later, toen het wat rustiger was geworden, werd ik door Henk en Hessel Prinsen, op een brancard naar het St. Elisabeths Gasthuis gedragen. Daar werd ik in een van de gangen op de vloer gelegd. Naast mij lag een vrouw, die voortdurend vroeg hoe laat het was en of het licht of donker was. Zij vertelde dat ze niet meer kon zien omdat ze was getroffen door granaatsplinters.
De granaatscherf, die mij had geraakt werd vakkundig door dokter Van Hengel verwijderd.
Op een avond kreeg ik het verzoek van dokter Stuyt Sr. om met hem mee te gaan naar zijn huis aan de Utrechtseweg om wat spullen op te halen. Ik kende dokter Stuyt niet persoonlijk. Wel wist ik dat hij chirurg was en soms te paard naar het ziekenhuis ging. In die tijd kon je je geen grotere afstand voorstellen dan tussen een chirurg en een nagenoeg ongeschoolde arbeidersjongen, zoals ik. Ik keek erg tegen hem op en ik kreeg de indruk dat hij dat wel prettig vond. Hij was nogal zelfbewust en hooghartig. Toen we bij zijn villa waren aangekomen, moest ik mee naar de kelder. Wat ik daar zag sloeg alles. De schappen in de kelder lagen vol met flessen wijn.


Een uitsnede uit een foto, die op 19 september 1944 werd gemaakt voor het Elisabeths Gasthuis. Medewerkers van het Rode Kruis geven instructies aan een chauffeur van een ambulance. De rechtse man draagt een witte jas met een Rode Kruisvlag op zijn rug. Ton Gieling was in die dagen op dezelfde manier gekleed.
(Foto. Bundesarchiv, Koblenz)

Het was niet te geloven. En dat in een oorlog waarin we zoveel gebrek hadden! Ik was stomverbaasd, maar deed wat hij mij vroeg. Ik moest zoveel mogelijk flessen meenemen naar het ziekenhuis.
Dokter Van Hengel was uit ander hout gesneden. Ik had kennis met hem gemaakt, toen hij mijn moeder had geopereerd in 1943. Ook hij vroeg mij om hem te vergezellen naar zijn huis. Dat was een grote villa aan de Velperweg, die vol hing met kunst. Het huis was nog ongeschonden. Ik kan mij niet meer precies herinneren wat hij thuis moest doen, maar ik weet nog wel dat ik een kist sigaren moest meenemen naar het St. Elisabeths Gasthuis.
Op een dag moest er in het St. Elisabeths Gasthuis een varken worden geslacht en mijn vrienden wisten dat ik door mijn werk als dierenverzorger in het Burgers Dierenpark in Arnhem (ik werd door mijn vrienden de ‘leeuwentemmer’ genoemd) wel het een en ander gewend was. Ik werd dus aangewezen om het varkentje te slachten, omdat de nonnen in de keuken dat niet konden. Ik maakte het arme dier af en leverde het schoon aan de haak af in de keuken. Daardoor was er weer vlees beschikbaar voor de patiënten.
Ik weet niet precies meer op welke dag het was, toen ik voor de hoofdingang van het ziekenhuis stond en zag dat er vanuit het centrum een grote Duitse tank aan kwam rijden. Hij stopte en draaide het kanon dreigend in de richting van het ziekenhuis. Op hetzelfde moment ging de koepel van de tank open. Er kwam een Duitser in een zwart uniform uit, die schreeuwend in onze richting liep. Hij moest direct de directeur spreken want er zou vanuit het ziekenhuis op Duitsers zijn geschoten. Mensen, die bij de ingang aan het helpen waren, renden naar binnen om de directeur te waarschuwen, Op dat moment kwam er uit de richting Oosterbeek met grote snelheid een Jeep aanrijden, die met gillende remmen tot stilstand kwam. De Britse chauffeur maakte aanstalten om zichzelf te verdedigen, maar daarvoor kreeg hij geen kans. Achter de bomen stonden Duitse soldaten klaar om te vuren. De chauffeur werd hardhandig door de Duitse tankcom- mandant weggetrokken. De Duitser schreeuwde dat als de directeur niet direct de daders zou uitleveren die vanuit het ziekenhuis zouden hebben geschoten, hij het hele ziekenhuis in de lucht zou laten vliegen. Verstijfd van schrik stonden wij daar, toen plotseling de Duitse chirurg uit het ziekenhuis naar buiten kwam. Hij gaf de tankcommandant te verstaan dat hij door moest rijden en dat hijzelf de afgelopen dagen goed was behandeld. Daarna vertrokken de Duitsers en reed de tank langzaam richting Oosterbeek. De Duitse chirurg vertrok echter ook, waarbij hij helaas de laatste ambulance, die we nog had-den, meenam!
Het was kort na het einde van de Slag om Arnhem, op 28 september, toen dokter Van Hengel mij verzocht, in opdracht van de commandant van de Feldgendarmerie,
de SS-er Beger, mee te gaan met de Britse aalmoezenier Father McGowan. Deze zocht op het gevechtsterrein naar gesneuvelde Britse militairen en verzamelde daarbij gegevens voor hun identificatie.
Om met de motorfiets op straat te mogen rijden, vroeg ik een bewijs van de SS. Dat papier werd mij inderdaad geleverd. Zo kon ik Father McGowan naar de plaatsen brengen waar hij naartoe wilde, zoals naar Oosterbeek- Hoog, waar in de buurt van het station een groot aantal Britse gesneuvelden lag, die in een massagraf werden begraven.
In de periode, toen de stad reeds verlaten was, werd ik ook nog regelmatig gevraagd om met mijn motorfiets berichten en voedsel over te brengen naar adressen, waar zich Britse militairen schuil hielden. Een van die tochten is mij bijna noodlottig geworden. Toen ik voedsel moest brengen naar een huis op de Hoogkamp, bleek dat op het betreffende adres Duitsers zaten. Ik wist mij uit die situatie te redden door een heel verhaal te verzinnen, dat gelukkig werd geloofd.
Op zekere dag werd er een paard, dat eenzaam en hulpeloos over straat had gezworven, binnen gebracht in het St. Elisabeths Gasthuis. Het arme dier had een granaatsplinter in zijn achterlijf en die zouden we er wel even uithalen. Tijdens die ‘operatie’ voelde ik mij niet goed worden en viel van mijn stokje. Bewusteloos werd ik weggedragen en direct onderzocht door dokter Van Hengel, die een acute blindedarm ontsteking constateerde. Ik mocht niets meer eten en zou de volgende dag geopereerd worden. Omdat ik van nabij had meegemaakt dat operaties aan de lopende band werden uitgevoerd, vreesde ik het ergste vanwege het gevaar van infecties. De volgende dag voelde ik mij weer redelijk goed en zag de noodzaak van operatie niet in. Ondanks een ernstige waarschuwing van dokter Van Hengel stond ik op en ging omdat ik honger had naar de keuken. Daar vroeg ik de aanwezige zuster om eten. Dat kreeg ik volop. Maar dat heb ik geweten! Ik kreeg hevige krampen in mijn buik en wel zo ernstig, dat de dokter erbij werd geroepen. Deze beval een onmiddellijke operatie en ik werd op een brancard door mijn vrienden rechtstreeks naar de operatiekamer gebracht. Een non bracht mij snel onder narcose, waarna dokter Van Hengel mijn blindedarm verwijderde.
Toen ons werk in Arnhem er na enige tijd op zat, evacueerde ik via de Veluwe naar Nunspeet, waar ik eveneens in het ziekenhuis werkte.
Na de evacuatieperiode en de bevrijding in mei 1945 keerde ik terug naar Arnhem, waar ik in huis kwam bij de familie Wiessing aan de Huygenslaan. De heerWiessing, die in het bestuur zat van het St. Elisabeths Gasthuis, vroeg mij op zeker moment om naar het ziekenhuis te gaan, omdat daar opnamen zouden worden gemaakt voor een film over de Slag om Arnhem. In het ziekenhuis aangekomen moest ik mij opnieuw kleden in een witte jas en een witte helm op mijn hoofd dragen. Voor de lens van de filmcamera moest ik samen met anderen ‘gewonden’ de grote trap opdragen. Precies zoals ik dat had gedaan in september 1944.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.