MINISTORY No. 113
Onbekende helden van de Slag om Arnhem
Colonel (retd) John Waddy
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 127 van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek
September 2012

Lieutenant-Colonel M.E.M. Herford RAMC. (Foto: collectie Airborne Museum)

Lieutenant Colonel Martin Herford RAMC was in 1944, tijdens de operaties in Normandië en gedurende de opmars naar Nederland, commandant van 163 Field Ambulance. Op 23 september 1944 ontmoette hij in Nijmegen Brigadier Eagger, de chief medical offreer van het Ist Airborne Corps. Deze was erg bezorgd over de situatie waarin de gewonden van de Ist Airborne Diuision verkeerden, noordelijk van de Rijn. Het was bekend dat het ging om ongeveer 2000 gewonden, en dat de medische staf bijna geen voorraden meer had.
Er werd besloten dat Herford de leiding zou krijgen over een konvooi van 30 vrachtwagens en ambulances van de Ist Airborne Diuision ‘seaborne-tail’, die kort daarvoor Nijmegen over de weg had bereikt. Herford wilde proberen om deze voertuigen met de voorraden die nacht over de Rijn te krijgen.
Hij vertrok met zijn konvooi naar Driel, maar kwam onderweg Major General Thomas tegen die zei: ‘What the heil is a medical unit doing here? Get off the road at once.11 want guns’! Het konvooi moest dus halt houden. Herford ging vooruit naar het hoofdkwartier van 130 Infantry Brigade, en kwam overeen dat die nacht artsen en verplegers met een halve ton medische voorraden in zes DUKW’s zouden worden overgezet. Bovendien zouden later die nacht nog 30 man van de medische dienst met voorraden in aan- valsboten worden overgevaren. Maar deze beide pogingen mislukten.
In Driel was Herford getuige van een van de moedige pogingen van de RAF om voorraden te droppen in het bruggehoofd. Hij zag dat de RAF zware verliezen leed en dat het merendeel van de kostbare voorraden in vijandelijke handen viel.
Maar hij bleef erbij dat de voorraden naar het bruggehoofd in Oosterbeek moesten worden gebracht. Hij keerde terug naar het hoofdkwartier van de Wessex Division, waar hij Generaal Horrocks, de commandant van het 30e Britse Legerkorps, ontmoette. Herford kreeg toestemming om zelf de rivier over te steken, onder bescherming van een Rode Kruisvlag. Hij zou zes aanvalsboten met voorraden meenemen. Met hem zouden meegaan Captain Louis RAMC van de Ist Airborne Diuision en vier verplegers van zijn eigen Field Ambulance.
Met een aanvalsboot, die de nacht daarvoor stroom-afwaarts was afgedreven na de poging van de Polen om de Perimeter te bereiken, stak de kleine groep de Rijn over, westelijk van het Drielse veer. Maar op de noordoever werden ze vrijwel direct door Duitse militairen gevangen genomen. Herford sprak vloeiend Duits en hij trachtte uit te leggen dat hij een ‘boodschapper’ was, maar hij werd geblinddoekt afgevoerd naar een Duits hoofdkwartier. Daar werd hij door een officier ondervraagd, maar Herford bleef bij zijn standpunt: een vrijgeleide voor de medische voorraden, de mogelijkheid om de gewonden over de rivier te evacueren en de mogelijkheid om zijn kleine groepje te laten terugkeren. Nadat zijn blinddoek was verwijderd, zag hij dat hij tegenover een jonge luitenant- kolonel van de Waffen SS stond in een Nederlands huis, dat in gebruik was genomen als officiersmess. Daarna werd hij naar een divisiehoofdkwartier in Ede gebracht. Op 25 september werd hij meegenomen naar Paleis het Loo in Apeldoorn, dat door de Duitsers als hospital was ingericht. Daar ontmoette hij Oberst Zingerlin, de hoogste medische officier in het gebied, die hem in de koninklijke vertrekken thee aanbood, die werd geserveerd in fraaie Chinese porseleine kopjes. Terwijl ze zaten te praten voegde zich een gevreesde Nazi bij hen: Seyss Inquart, de ‘Rijkskommissaris’ voor Nederland.
Zingerlin vertelde Herford dat alle hospitalen in het gebied overvol waren met 2000 Duitse gewonden en dat hij ongeveer 1500 Britse gewonden uit het strijdgebied verwachtte. Er waren te weinig faciliteiten en daarom moesten de Britse gewonden, samen met Duitse gewonden, naar Duitsland worden vervoerd in veewagens.
Herford vroeg of hij zijn medische voorraden over de rivier kon laten brengen en of de Britse gewonden naar het zuiden konden worden geëvacueerd. Zingerlin belde met een aantal Duitse officieren en hoorde dat de Koning Willem III kazerne in Apeldoorn leeg stond. Na het gesprek bezochten ze samen enkele hospitalen in Apeldoorn.
In een van de hospitalen vond Herford Captain Theo Redman van de 133 Parachute Field Ambulance, die op 18 september op de Ginkelse Heide gewond was geraakt en krijgsgevangen was gemaakt. Hij deed nu fantastisch werk. Hij zorgde voor ongeveer honderd Britse gewonden en daarnaast hielp hij de Duitse chirurgen bij het opereren van zowel Britse als Duitse gewonden.
Herford stelde Zingerlin voor om de Nederlandse kazerne als een Brits hospitaal in te richten, met Britse artsen en verplegers, en dit werd goedgekeurd. Hoewel de Duitsers er nu van overtuigd waren dat ze het Britse bruggenhoofd bij Oosterbeek snel konden opruimen, waren ze wel nerveus over een verwachtte geallieerde opmars naar het noorden van Holland. Herford stelde daarom voor dat de Duitse gewonden naar Duitsland zouden worden vervoerd en dat de Britse gewonden zouden worden overgelaten aan de zorg van hun eigen medische staf of zouden worden geëvacueerd over de Rijn tijdens een wapenstilstand. Vijfhonderd Britse gewonden waren intussen al gearriveerd in de kazerne, waarTheo Redman en zijn staf de bovenmenselijke taak hadden om hen te verplegen, hoewel er zonder voldoende medische voorraden maar weinig kon worden gedaan.
Herford ging nu naar Arnhem, waar hij de Britse gewonden bezocht in het St.Elisabeth’s Gasthuis. Daarna ontmoette hij de hoogste medische officier van de SS in Nederland en vroeg hem of hij terug kon gaan naar de rivier om daar het overbrengen van medische voorraden te leiden en of Airborne medische teams naar de kazerne konden worden gebracht. De Duitser antwoordde dat hij erover zou denken, maar dat er een ernstig gebrek was aan transportmiddelen.
In de vroege uren van maandag 25 september gaven de Duitsers plotseling bevel om die dag 500 Britse lopende gewonden naar Duitsland af te voeren. Deze gewonde mannen, die na acht dagen van vechten nog totaal waren uitgeput, stelden zich op en marcheerden zingend weg, een fraai voorbeeld van moed, discipline en minachting voor de vijand. Herford weigerde om 40 zwaar gewonden op brancards in de veewagens te laten laden.
Nog meer gevangen genomen medisch personeel arriveerde in de kazerne, maar zij werden gedurende de nacht opgesloten en konden dus niet helpen.
Toen de strijd in Oosterbeek voorbij was en het restant van de divisie zich in de nacht van 25 op 26 september had terug getrokken over de Rijn, bleven medische troepen en de geestelijken achter bij de gewonden in de perimeter. De Duitsers brachten ongeveer 1000 gewonden met ambulances en vrachtwagens naar de kazerne in Apeldoorn, waar ze eerst werden neergelegd op de vloeren, die met stro waren bedekt. Samen met hen arriveerde de rest van de medische staf, die niet eerder krijgsgevangen was gemaakt. Hieronder bevonden zich Colonel Graeme Warrack, de ADMS (Assistant Director Medical Services) van de divisie, en de commandanten van de twee Field Ambulances, Lieutenant Colonel Marrable en L.eutenant Colonel Alford. Hoewel ze de voorgaande negen dagen tijdens de gevechten ononderbroken hadden gezorgd voor de grote aantallen gewonden, begonnen ze direct met enige orde in de chaos te scheppen. Er was echter een ernstig tekort aan medische voorraden .
Herford bleef bezig met zijn pogingen om betere faciliteiten en voorraden van de Duitsers te krijgen. Zijn nauwe kontakten met de Duitsers, het feit dat hij hun taal vloeiend sprak en het feit dat de Airborne dokters hem niet kenden, maakte hem in hun ogen enigszins verdacht, maar hij was snel in staat om zijn ware identiteit te bewijzen.
Colonel Warrack riep een vergadering bijeen met zijn eigen staf, met de Regimental Sergeant Major Bryon en met Colonel Herford, die was aangewezen als Warracks onder- commandant en die tevens verantwoordelijk was voor de kontakten met de Duitsers. Er werd besloten om voorlopig ontsnappingspogingen te ontraden, omdat dit zou kunnen leiden tot represailles.
Het eten was ver beneden de maat. Het bestond uit brood en aardappelen en af en toe uit waterige soep, die een beetje naar vlees smaakte. Een Nederlander bracht een hele doos met zalm, die aan de ernstige gewonden werd gegeven. Na veel aandringen mocht de medische staf gebruik maken van de grote keuken, waardoor de kwaliteit van het eten enigszins verbeterde. Er arriveerden zelfs een paar Rode Kruis pakketten, die zeer welkom waren. Nederlandse burgers boden regelmatig hulp en goederen aan, ondanks het feit dat dit door de Duitse bewakers werd bemoeilijkt.
De hulp en de vrijgevigheid van de Nederlandse burgers was hartverwarmend. Zeer belangrijk was de directe hulp die werd gegeven door dokter Trip van het Nederlandse Rode Kruis, die kontakten onderhield met de Ondergrondse. Hij bood aan dat Nederlandse chirurgen konden worden ingeschakeld bij de behandeling van veel zwaar gewonde mannen, die al lang op levensreddende operaties wachtten. Daarnaast werden voedsel, dekens en medische hulpmiddelen aangeboden.
Herford oefende dwang uit op Zingerlin om een hospitaaltrein te regelen voor de zwaar gewonden, maar helaas werden veel gewonden in veewagens naar Duitsland vervoerd, die overigens wel van een Rood Kruis waren voorzien. Op een zeker moment stond er een FLAK-trein, waarvan afweergeschut vuurde, naast een hospitaaltrein, totdat deze trein werd verplaatst op bevel van Zingerlin^ na aandringen van Herford.
Tijdens een bijeenkomst van de hoogste Duitse medische officier in Nederland, generaal Meijer, met Warrack en Herford bevestigde hij Zingelins belofte om goede hos- pitaaltreinen in te zetten. Maar Herford, die hoopte op een spoedige geallieerde opmars, drong aan dat Meijer
de Duitse gewonden moest evacueren en dat hij de Britse gewonden moest laten waar ze waren.

Winter 1944/1945. Father D. McGowan leidt een begrafenis in een krijgsgevangenkamp (Dulag-Luft) bij Wetzlar in Duitsland. (Foto: collectie Airborne Museum)

Echter, op 1 oktober 1944 bezochten twee Duitse chirurgen het Airborne ziekenhuis en verordonneerden dat alle gewonden konden worden vervoerd. De Britten protesteerden hiertegen, omdat dit volgens hen zou resulteren in de dood van veel van de gewonden als gevolg van ontberingen en gevaren tijdens de langdurige reis per trein naar de gevangenkampen in Duitsland. Na veel discussies kwam men overeen dat alleen 300 van de lichtgewonden zouden worden vervoerd.
Op 10 oktober kregen de Duitsers weer wat meer zelfver-trouwen en het aantal beperkingen voor de Britse staf nam toe, vooral wat betreft het bezoeken door Britse artsen van de verschillende hospitalen. Sommige leden van de medische staf en een aantal lichtgewonden bespraken de mogelijkheden van ontsnapping, maarWarrack drong er op aan dat zij dit pas op het laatste moment moesten doen, omdat hun eerste taak was de zorg voor de patiënten.Toch werden er alvast plannen gemaakt en voorbereidingen getroffen. Op 16 oktober werd het duidelijk dat het hele hospitaal de volgende dag zou worden geëvacueerd. Warrack, Herford en een paar anderen besloten dat zij zouden ontsnappen nadat de laatste gewonden waren afgevoerd.
Een paar dokters boden aan samen met Herford te ontsnappen, maar die wilde alleen gaan. Toch besloot Herford op het laatste moment om Danny McGowan, een van de RK geestelijken, mee te nemen. McGowan was kort daarvoor aangekomen uit Arnhem, waar hij in het St. Elisabeth’s Ziekenhuis had gewerkt. Ook had hij onder Duitse bewaking in het gebied langs de Rijn naar Britse gewonden gezocht en doden begraven. Daardoor wist hij veel over het gebied bij Heelsum, waar Herford over de Rijn wilde ontsnappen.
Graeme Warrack vond een plaats om zich te verbergen in een kast in een van de kazernegebouwen. Daar bleef hij totdat de laatste Duitsers waren verdwenen, waarna hij ontsnapte. Uiteindelijk slaagde hij erin om over de Rijn te komen, waarna hij Brigadier Shan Hackett ontmoette en een paar van zijn dokters, zoals Theo Redman.
Herford besloot rechtstreeks naar een moerassig gebied bij Heelsum te gaan, een 40 kilometer lange voettocht, en dan over de rivier te zwemmen. Hij had een legerkompas bij zich dat hij had gestolen van de Duitsers en Danny McGowan had een ontsnappingskompas en een voedsel-pakket. Gelukkig was het een donkere, regenachtige nacht toen zij langs de Duitse wachtposten kropen. Ze slaagden er in om open terrein te bereiken en vandaar liepen ze over velden en door bossen, totdat ze een verlaten huis vonden. Daar staken ze een vuurtje aan, droogden hun kleren en kookten wat aardappelen.
Daarna gingen ze weer op weg en schoten goed op, totdat ze verdwaalden en terecht kwamen bij een huis, waar een Nederlandse vrouw hen haastig vertelde dat ze in de buurt van Otterlo waren. Ze bleven enige tijd in dat huis, samen met een paar vriendelijke Nederlandse Rode Kruismannen, die hen instructies gaven en een gids. De hele nacht liepen ze in zuidelijke richting, staken de weg Arnhem-Ede over en vermeden de Duitse posities in de buurt van de landingszones. Wel slaagden ze erin om zwemvesten en gascapes uit een vernielde te glider te halen.
Op ongeveer 3 kilometer van de Rijn rustten ze wat uit in een bos, omringd door Duitse artillerie stellingen. Nadat het donker was geworden gingen ze weer op weg en bereikten ze het moerassig gebied bij Heelsum. Herford ging vooruit om de rivierbank te verkennen, maar toen hij terugkwam vond hij geen spoor meer van McGowan. Nadat hij enige tijd naar hem had gezocht, besloot Herford op z’n eentje de rivier over te zwemmen. Hij wikkelde zijn kleren in een gascape en met behulp van het zwemvest wist hij over de brede, koude en snel stromende rivier de Rijn te zwemmen. Toen hij de overkant had bereikt deed hij zijn nog gedeeltelijk droge kleren aan en ging op zoek naar geallieerde troepen. Hij zag een groep mannen met onbekende helmen en riep hen aan. Het antwoord was: ‘Sergeant Butch, 101 Airborne Division – who the heil are you?’ De Amerikaanse parachutisten namen hem mee naar hun bataljons hoofdkwartier, waar Herford hen verzocht om patrouilles uit te sturen om te kijken of McGowan op eigen gelegenheid de rivier had kunnen oversteken. Maar dit leverde niets op. Herford werd vervolgens meegenomen naar een hoofdkwartier van 101e Airborne Division en vandaar naar het hoofdkwartier van het 30e Corps in Nijmegen. Hier kon hij de lijst van alle gewonden in Apeldoorn overdragen.
Na 25 dagen achter de vijandelijke linies te hebben door-gebracht, kreeg hij twee weken verlof om naar huis te gaan. Dat gaf hem de gelegenheid om veel van de families van de mannen waarmee hij in Apeldoorn had gewerkt op te bellen en die op de hoogte te brengen van hun situatie. Zo kon hij Theo Redman’s moeder vertellen dat Theo nog leefde en dat hij zich in Apeldoorn geweldig had ingezet.

Naschrift
Op 17 april 1945 keerde Herford terug naar Apeldoorn, dat kort daarvoor was bevrijd door het Canadese leger. Daar ontmoette hij Captain Fraser RAMC, die in een door de Duitsers geleid Nederlands ziekenhuis was gebleven om voor een paar ernstig gewonde militairen te zorgen, die daar nog steeds lagen.
Danny McGowan vertelde hem later dat hij enige tijd had gewacht, maar toen naar de rivieroever was gelopen, totdat hij op Duitse loopgraven stuitte. Hij besloot terug te keren, maar een Duitse soldaat, die uit een loopgraaf kwam, zag hem en stak hem met een bajonet. Later werd hij ruw ondervraagd door een officier van de Waffen SS en bijna doodgeschoten. Hij werd naar Amersfoort gebracht en kwam uiteindelijk terecht in een krijgsgevangenkamp voor officieren van de RAF, bij Frankfurt. Daar ontmoette hij verschillende officieren van de Airborne Divisie.
McGowan keerde naar huis terug op 2 april 1945, maar generaal Urquhart stuurde hem weer terug naar Arnhem om een aantal van de 1500 gesneuvelden van de Airborne Divisie op te sporen, omdat hij in de dagen na de slag be-trokken was geweest bij het begraven van verschillende gesneuvelden. Ook werd hem opgedragen om de aanleg van een militaire begraafplaats voor te bereiden. Met steun van Jan ter Horst, de waarnemend burgemeester van Renkum, lukte dit. De Graves Registration Unit begon met haar werk in juni 1945 en de eerste herdenkingsdienst op de Airborne Begraafplaats vond plaats in september van dat jaar.
McGowan was een devoot katholiek, maar gedurende zijn tijd in het krijgsgevangenkamp was hij tot de conclusie gekomen dat er eigenlijk weinig verschil was tussen zijn kameraden die een andere godsdienst beleden. Het waren naastenliefde en hulp voor elkaar die telden en niet religieuze barrières. Hierdoor had hij een persoonlijk pro-bleem, dat hij allen kon oplossen door het priesterambt af te leggen en zich te wijden aan hulp aan mensen van alle gezindten
Danny McGowan kreeg het Military Cross voor al zijn moe-dige werk gedurende en na de slag in 1944.
Je zou kunnen zeggen dat Martin Herford ‘een interessante oorlog’ had gehad. Toen de oorlog in 1939 begon, was hij chirurg in een ziekenhuis in Bristol. Nadat Rusland in begin 1940 Finland was binnengevallen gaf hij zich op om naar dat land toe te gaan om daar te helpen als burgerdokter, want hij had een hekel aan het dragen van een uniform. Hij nam, samen met 200 anderen, dienst in het Britse contingent van de Internationale Vrijwilligers Brigade. Maar ze arriveerden op 13 maart 1940, de dag nadat de Russisch-Finse wapenstilstand was getekend. Dat was gunstig, want anders hadden ze de wapens moeten opnemen tegen de Russen, die later bondgenoten van de geallieerden zouden worden. Doordat hij persoonlijke kontakten had in Zweden kreeg hij uiteindelijk in december 1940 een visum voor Rusland. Na een lange reis door dat land en door Turkije, Libanon, Syrië en Palestina, arriveerde hij op 19 januari 1941 in Cairo. Twee dagen later werd hij tot officier benoemd, kreeg hij een uniform en moest hij aan het werk in 63 General Hospita] in Cairo. Vijf weken later slaagde hij er in om met een boot naar Griekenland te gaan, nadat de Duitsers dat land waren binnengevallen. Na een hectische en gevaarlijke tijd in Griekenland, kon hij ontsnappen naar Kreta met een RAF watervliegtuig en met een kruiser van de Britse Marine. Vandaar bereikte hij Alexandrië in Egypte.
De volgende twee jaar bracht hij door in de Egyptische en de Libische woestijn, waar hij betrokken was bij verschillende militaire operaties. Toen hij in de herfst van 1942 terug was in Alamein, raakte hij gewond, toen zijn auto op een mijn reed. Nadat hij was hersteld kwam hij bij de 200 Field Ambulance, die ingedeeld was bij de 231 (Malta) Brigade, die onder bevel stond van Brigadier ‘Roy’ Urquhart, die later commandant zou worden van de Ist British Airborne Diuision. Herford, die het bevel had over een medische compagnie in die brigade, kreeg veel bewondering voor het leiderschap van Urquhart tijdens de operaties in Sicilië en Italië. Herford zei dat het moeilijk was de brigadier ‘bij te houden’, want hij zat altijd direct in de frontlinie (deze eigenschap zou hem later, tijdens de Slag om Arnhem, in de problemen brengen).
Herford keerde eind 1943 terug in het Verenigd Koninkrijk en kreeg in maart 1944 de opdracht om de leiding te nemen over 163 Field Ambulance, die was verbonden aan een brigade van de Guards Armoured Diuision. Nadat ze in Juli 1944 in Normandië was geland, vocht de brigade in het bruggenhoofd, tot de uitbraak in augustus. Dat was het begin van de opmars door Frankrijk en België, totdat begin september de Nederlandse grens werd bereikt.
Na zijn terugkomst in het Verenigd Koninkrijk kreeg hij verlof, waarna hij zich in november 1944 weer kon voegen bij zijn 163 Field Ambulance. Die bevond zich op dat moment in België bij de Guards Armoured Diuision, die verwikkelt was in moeilijke operaties westelijk van de Rijn in de winter van 1944/1945. Hij nam deel aan de operaties om de Rijn over te steken en daarna aan de opmars door Duitsland. Onderweg hielp hij slachtoffers in het concentratiekamp Bergen-Belsen.Toen ze in de buurt van Hamburg bij een ander kamp kwamen ging Herford vooruit om met de Duitse bewakers te praten. Vervolgens werd hij geblinddoekt naar het kamp gebracht om te onderhandelen over de mogelijke terugtrekking van de Duitse eenheden.
Op 1 juni 1945 werd hij naar Goslar in het Harz-gebergte gestuurd, waar zijn eenheid moest proberen om de voed-selvoorziening en de medische verzorging te organiseren voor ziekenhuizen waarin bij elkaar bijna 40.000 Duitse militaire-en burgergewonden lagen. Eind 1945 besloot hij dat het tijd was om terug te keren naar het leven van dokter in de burgermaatschappij.
Hij eindigde zijn oorlog met de rang van kolonel en hij kreeg een DSO, twee MC’s en een MBE.
(Vertaling: Robert Voskuil)

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.