MINISTORY No. 105
De Slag om Arnhem, een persoonlijk verslag
John Waddy1
Bijlage bij Nieuwsbrief No. 119 van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek, augustus 2010

John Waddy
Bron: COLLECTIE JOHN WADDY

Majoor John Waddy.
Nadat wij eind 1943 waren teruggekeerd uit Italië, hadden we uitgebreid geoefend voor de invasie van Europa. Daarom was het voor ons een zware tegenvaller toen de 1ste Britse Airborne Divisie in juni 1944 niet werd ingezet bij de D-Day landingen, maar op de vliegvelden als reserve-eenheid klaar moest staan om te vertrekken in geval er problemen optraden in het bruggehoofd in Normandië.

Gedurende deze lange zomermaanden raakten we steeds meer gefrustreerd terwijl we wachtten op actie. Er werden verschillende operaties gepland, die we voorbereidden, maar die alle niet door gingen. In begin september 1944 werd operatie ‘Cornet’ aangekondigd, die moest worden uitgevoerd door de 1ste Britse Airborne Divisie en de Poolse Brigade. Later werd dit plan verder uitgebreid tot de operatie ‘Marhet Garden’.
In de ochtend van 17 september 1944 waren we allemaal opgewonden toen er boven Melton Mowbray, waar we gelegerd waren, grote formaties Dakota’s overvlogen. Het was de eerste ‘lift’ van operatie ‘Market’ en we wisten nu dat de operatie eindelijk doorging. Maar ’s nachts hoorden we dat het vertrekuur was uitgesteld. Toen wij de volgende ochtend, maandag 18 september, naar vliegveld Saltby reden, was het vreemd om te zien hoe de inwoners van Melton Mowbray naar hun werk gingen, terwijl wij ten strijde trokken. Op het vliegveld bleek dat er sprake was van nog meer vertraging als gevolg van laaghangende mist. Onze Amerikaanse Dakota bemanning kwam naar buiten en ik controleerde het toestel samen met de piloot. Hij was keurig gekleed in zijn uniform, maar hij wist niet of hij van noord naar zuid of van zuid naar noord moest vliegen! Ik zei hem dat hij dat dan maar snel moest uitzoeken, maar hij zei: ‘Shit, ik volg gewoon de rest!’ Eindelijk vertrokken we en vlogen in grote cirkels om in een V-formatie van negen vliegtuigen te komen, wat de Amerikanen ‘nine ship elements’ noemen.
We vlogen over de Nederlandse kust door wat licht afweervuur en vervolgens over gebieden die door de Duitsers onder water waren gezet. We wuifden naar burgers die op de daken van hun huizen waren geklommen.

Toen we zo’n 80 kilometer verder landinwaarts waren, gingen de formaties vliegtuigen wat dichter bij elkaar vliegen. Boven Den Bosch hielden we een noordoostelijke koers aan in de richting van de DZ’s (‘dropping zones’), 50 kilometer verderop. De jagerescorte, die in totaal bestond uit 1200 vliegtuigen, bleef dicht in de buurt, omdat aanvallen van Duitse Luftwaffe jagers werden verwacht. We begonnen door licht luchtafweervuur te vliegen en er werd met handwapens op ons geschoten. Wolkjes van zwarte rook waren zichtbaar tussen de vliegtuigen voor ons en een enkele vlakbij ons. Maar we werden maar één keer geraakt, zonder dat veel schade werd veroorzaakt. Omdat we maar op een hoogte van 250 meter vlogen, kon ik de bemanningen van het Duitse luchtafweer geschut naar boven zien kijken. Een toestel rechts van ons kreeg een voltreffer. Terwijl het van voor tot achter in brand stond, vloog het vlak onder ons door en stortte in een enorme vuurbal neer in een weiland, waarbij het ternauwernood twee doodsbange paarden miste. RAF lyphoons vlogen ook lager dan wij en bestookten de Duitse kanonnen.
Eindelijk bereikten we de laatste rivier, de Rijn. We stonden aangehaakt en waren klaar voor de sprong. In mijn toestel had ik assistentie van een RAF Flight Sergeant van Ringway. Verschillende van deze mannen van de daar gevestigde Parachute Training School (PTS) vlogen die dag mee met de 4e Brigade. Dit kon dankzij een privé afspraak tussen Brigadier Hackett, de commandant van de 4e Parachutisten Brigade en de PTS. Zij hadden van de RAF wel het bevel gekregen om ‘niet uit het vliegtuig te vallen’. Eindelijk sprong ik, terwijl onze vriend van de RAF mij na riep: ‘Geef ze van katoen, uit naam van Ringway!’
Ik maakte mijn gebruikelijke slordige landing, waarbij ik verward raakte in mijn Schmeisser (Duits machinepistool, dat ik in Italië had opgepikt), die ik in mijn parachutehar- nas droeg. Ik was iets noordelijk van de snelweg in aanleg (de huidige A12) op de Ginkelse Heide neergekomen en ik moest ongeveer een halve kilometer lopen om het ver-zamelpunt voor het 156e bataljon te bereiken. Dit lag in het bos in de noordwesthoek van de heide. Ik liep er naar toe, waarbij ik onderweg een aantal van mijn soldaten verzamelde. Ik haalde op een pad mijn plaatsvervangend compagniescommandant, kapitein Montgomery, in en riep hem toe: ‘Opschieten Monty, het is oorlog!’ Hij antwoordde: ‘Dat dacht ik al!’
Boven ons hoofd bleven de formaties overvliegen en de lucht was vol parachutes. In iets meer dan tien minuten werden meer dan 2000 man gedropt. De Amerikaanse vliegtuigbemanningen waren geweldig en ondanks de FLAK en het vuur van handwapens vlogen ze in een perfecte formatie. Maar aan het eind van de DZ zag ik een forse strook met vuur. Dat was ook de plaats waar het 10e bataljon moest vechten om hun verzamelpunt te bereiken. De piloten in de vliegtuigen die hun parachutisten hadden gedropt, gaven extra gas om hoogte te winnen en daarmee uit de gevarenzone te komen.
Op het verzamelpunt van het 156e bataljon verliep alles volgens plan. Mijn B-compagnie moest patrouilles uitsturen in noordelijke richting om het bataljonsverzamelpunt te beschermen tegen de vijand uit de nabijgelegen kazernes in Ede. Een soldaat werd gevangengenomen. Maar toen hij werd ondervraagd in het Duits, antwoordde hij in perfect Engels. Uiteindelijk bleek het een Pool te zijn. Na ongeveer een uur was het bataljon gereed om te vertrekken. Er mistten 90 man. Die hadden of in vliegtuigen gezeten die waren neergeschoten, of ze waren gesneuveld of gewond door vijandelijk vuur of ze waren gewond bij de landing. Een van mijn pelotonscommandanten was vermist; hij bleek te zijn gesneuveld en hij werd later gevonden op de DZ.
Vlakbij de spoorwegovergang in Wolfheze maakten we contact met het deel van het bataljon dat in zweefvlieg-tuigen was geland. Dat waren de jeeps van het hoofd-kwartier en van de support compagnie en de carriers en de anti-tank kanonnen. Deze waren geland ten zuiden van de spoorlijn. Vlak daarna werden we beschoten door Duitse ME109 jagers.
In het duister vervolgden we langzaam onze opmars. Maar de eerste vermoeidheid deed zich voelen, ondanks onze goede conditie. Het was een lange dag geweest: eerst een opwindende vlucht en landing en vervolgens een mars, waarbij iedereen zware uitrusting droeg van 40 tot 60 kilo.
C-compagnie van het 156e bataljon, die voorop ging, kreeg zware tegenstand toen die de ingesneden spoorweg bij Oosterbeek bereikte. De duisternis was vol oranje en lichtpaars strepen van lichtspoormunitie en spoedig werd de hemel verlicht door brandende huizen. Ons bataljon kreeg het bevel om halt te houden en pas bij het eerste ochtendlicht weer de opmars te hervatten. Nieuwe bevelen volgden. C-compagnie moest oprukken naar een hoog punt (althans wat in Holland hoog wordt genoemd!) in een bos iets noordelijk van station Oosterbeek-Hoog. Mijn B-compagnie moest hen vuursteun geven. Onze opmars verliep langzaam door alle heggen en door de hekken rond de tuinen van de keurige villa’s zuidelijk van de spoorbaan. Tot onze verbazing zagen we dat verschillende Nederlandse gezinnen rustig aan het ontbijt zaten! Weldra ontstond er een vuurgevecht, waarbij ook tanks op onze huizen schoten. Toen onze rol om vuursteun te geven voorbij was, moesten we ons weer helemaal terugtrekken langs en over de spoorlijn naar de bossen van Johannahoeve.
Bij de rand van een bos meldde ik mij bij mijn comman-dant voor nadere instructies. Kort daarvoor was Brigadier Shan Hackett bij hem geweest. Hij had bij het weggaan gezegd: ‘Er zitten bij de brug in Arnhem een heleboel Britse ogen ongeduldig naar ons uit te kijken , met andere woorden: ‘We moeten er snel naar toe!’
Ik kreeg te horen wat de positie was van de C-compagnie en dat de A-compagnie links (noordelijk) van hen een aanval had gedaan tot de weg die in zuidelijke richting naar Oosterbeek liep (de Dreijenseweg). Ik kreeg het bevel om door te breken en op te rukken naar de Lichtenbeek hoogte in de bossen, 250-300 meter oostelijk van de weg. Mij werd verteld dat daar slechts een paar Duitse sluipschutters zaten.
Later hoorde ik dat de A-compagnie was tegengehouden door hevig Duits vuur vanaf de Dreijensweg en dat majoor John Pott, die in 1943 een Military Cross had gekregen toen hij zijn compagnie had geleid in een moedige aanval op een door Duitse parachutisten versterkt punt, een aanval had gedaan om de weg te bereiken. Daar voerde hij een wanhopig gevecht met Duitse gemotoriseerd geschut en infanterie. Met zijn groep mannen wist hij de hoogte van de Lichtenbeek te bereiken. Daar hielden ze gedurende een aantal uren stand, totdat hij en de meeste van zijn mannen gewond of gesneuveld waren, waarna ze onder de voet werden gelopen.
Ik ging met twee pelotons vooruit aan beide zijden van een breed pad door het bos in de richting van de Dreijenseweg. Na korte tijd werden we beschoten door Spandau mitrailleurs en de kogels vlogen in alle richtingen. Ik kwam bij een stuk waar de bomen waren gekapt en bij een stapel hout was een pelotonshoofdkwartier van de A compagnie geweest. Alle mannen waren dood. Verderop joeg een Duits snelvuurkanon ‘high explosive’ granaten in de struiken waar mijn linker peloton probeerde vooruit te komen. Zij leden zware verliezen. Toen zag ik ineens het kanon op de weg, aan het einde van het pad. Het was een dubbelloops 20mm FLAK kanon op een halfrupsvoertuig. Omdat het kanon in mijn opmars route stond, besloot ik voorwaarts te gaan en te proberen het stuk buiten gevecht te stellen in samenwerking met een paar van mijn soldaten en met Tom Wainwright, de commandant van de Support compagnie. Overigens vroeg ik mij af hoe die bij ons terecht was gekomen.
Toen Tom het geluid van jachtvliegtuigen hoorde, stelde hij voor rennend de open plek in het bos over te steken, terwijl de vijand dekking zocht voor de jagers. Maar toen de vliegtuigen laag over kwamen zagen we duidelijk de zwarte kruisen op de romp. Het waren Duitse ME 109 jachtvliegtuigen en geen Britse Spitfires of Typhoons. Waren die er maar geweest! Desondanks rukten we op door de struiken, totdat we het kanon tot op 15 meter waren genaderd. De Duitsers schreeuwden naar elkaar en ik kon de lege granaathulzen ratelend op de vloer van het Duitse halfrupsvoertuig horen vallen. Ook werd het duidelijk dat er nog veel meer gepantserde voertuigen op de weg stonden. Juist op dat moment kreeg de soldaat rechts van mij een kogel in zijn voorhoofd. Ik zag dat er een Duitse sluipschutter in de boom boven het kanon zat. Ik had alleen mijn Colt.45 pistool bij mij en niet mijn Schmeisser machinepistool. Ik vuurde vijf schoten op hem af en op dat moment schoot hij of een andere Duitser mij in mijn onderbuik.Toen ik bij kwam en probeerde weg te

Majoor John Waddy op de Ginkelse Heide in september 1961

kruipen, vuurde hij nog een schot, dat de grond bij mijn hand raakte. Ik dook in elkaar en bleef stil liggen, totdat ik iemand door de struiken hoorde komen. Het was een grote Rhodesische soldaat, Ben Diedericks (wij hadden ongeveer twintig Rhodesiërs in ons bataljon, nadat we in het Midden Oosten hadden gezeten). Hij pakte mij op en droeg mij ongeveer 200 meter naar het compagnies hoofdkwartier. Op de Regimental Aid Post van het bataljon moet onze dokter, John Buck, gedacht hebben dat ik er geweest was, want het enige dat hij deed was mij zijn zilveren whisky fles in mijn handen duwen. Op de verbandplaats van de Field Ambulance, ongeveer een halve kilometer verderop kreeg ik een plasma transfusie, hetgeen beter hielp dat whisky. Vervolgens werd ik in een parachute gewikkeld en op een brancard met een jeep naar Hotel de Tafelberg in Oosterbeek gebracht, waar de 181 Airlanding Field Ambulance hun hospitaal hadden ingericht. De biljartruimte werd gebruikt als operatiekamer, en nadat ik was geopereerd, werd ik in de eetzaal neergelegd. Na een dag, toen er steeds meer gewonden werden binnengebracht, werd ik overgebracht naar een huis naast het hotel.
Omdat er geen nieuwe voorraden binnenkwamen, raakten voedsel en medische zaken snel op. De hele dag beschoten de Duitsers de Perimeter met granaten en mortieren. Omdat de hospitalen in de frontlinie lagen, werden die voortdurend geraakt, waarbij de gewonden opnieuw werden gewond of zelfs gedood. De nachten waren koud en het begon te regenen, een miezerige motregen. Er waren maar weinig dekens en de meesten van ons lagen halfnaakt op de vloer of deelden de matrassen van het hotel. Geuren kunnen vaak herinneringen oproepen. Tot op de huidige dag kan ik mij uit die dagen de lucht herinneren van een mengsel van natte aarde, verbrand kruit, kalk, steenstof en etter. Tegen het einde van de slag moeten er in de Perimeter meer dan 3000 gewonden onder dergelijke omstandigheden hebben verkeerd. Een groot aantal van hen werd overgebracht naar Duitse hospitalen gedurende een kort staakt het vuren, dat tot stand kwam dankzij de divisie-arts, dokter Graeme Warrack en een Duitse militaire dokter. Graeme Warrack was een rots in de branding en een bron van aanmoediging voor ons allen, die hulpeloos in de beschadigde huizen lagen. Hij was een van de grootste helden van de slag, evenals zijn hos-pitaalsoldaten, die zonder rust gedurende een week voor de gewonden zorgden, ondanks het feit dat de hospitalen onder vuur lagen van sluipschutters, mortieren en tanks.
Op een dag kreeg de kamer waarin ik lag een voltreffer, waarbij zes man werden gedood en anderen, waaronder ikzelf, werden gewond. Vervolgens rende een groep gehelmde Duitsers door het huis. De Britten zetten een tegenaanval in en joegen hen er weer uit. Dit herhaalde zich verschillende keren, totdat we uiteindelijk in Duitse handen vielen. l\vee Duitsers kwamen binnen en namen positie in bij het raam. Maar al snel werd een van hen geraakt door een Britse sluipschutter, die vuurde vanuit een huis aan de overkant van de straat. Een reusachtige Feldwebel kwam binnen en las ons de les over onze soldaten, die vuurden op een huis met een Rode Kruisvlag. Vervolgens begon hij te schreeuwen tegen de gewonde Duitser, die zielig lag te kreunen.
De volgende ochtend werd het gehele gebied rondom ons heen zwaar beschoten. Maar deze keer kwam dat van onze eigen medium artillerie (5.5 inch) die ons vuur- steun gaf.
Onze kamer kreeg opnieuw een voltreffer. Ik kwam bij, opnieuw gewond, onder een laag puin, maar de meeste anderen waren gedood, behalve een zweefvliegtuigpiloot, waarvan tijdens de landing beide benen waren verbrijzeld. Hij schreeuwde het uit, omdat een grote piano op zijn gewonde benen terecht was gekomen. Spoedig stond ons huis in brand en de hospitaalsoldaten droegen ons naar buiten. Ik lag op een veranda, met een gruwelijk uitzicht op ongeveer dertig opgestapelde dode lichamen. Dit moesten de mannen zijn die waren gestorven aan hun wonden of die in het hospitaal waren gedood door mortier of granaatvuur.
Plotseling stopte er een jeep. Daaruit sprong sergeant Chivers. Hij behoorde niet alleen tot ons eigen 156e batal-jon, maar hij had ook gediend in mijn vroegere regiment, The Somerset Light Infantry. Hij zei: ‘Goeie God, Majoor Waddy, wat doet u hier?’ Ik zei: ‘Haal me hier weg!’. Ik werd met enkele andere gewonden op zijn jeep geladen en we reden over een weg die bezaaid lag met kapotte voertuigen en afgebroken boomtakken. Ik dacht dat we inmiddels door het Tweede Leger waren ontzet. Maar toen we met de jeep een bocht omgingen en aankwamen bij een terrein, zag ik een rij van ongeveer honderd SS-soldaten met mitrailleurs. Het bleek dat de gewonden en de achtergebleven soldaten door de Duitsers bijeen werden gebracht. Dit gebeurde ook met de Britse medische staf en de geestelijken, die achterbleven om voor de gewonden te zorgen. Als er ooit ‘battle honours’ aan het Royal Army Medical Corps zouden worden gegeven, dan zouden ‘Arnhem’ en ‘Oosterbeek’ zeker tot de belangrijkste behoren!
Alle gewonden, en dat moeten er meer dan 3000 zijn geweest, werden naar grote lege kazernecomplexen in Apeldoorn gebracht, waar de medische staf van de divisie een Brits hospitaal inrichtte. Ik werd naar een Duits hospitaal gebracht, dat vol lag met gewonden, hoofdza-kelijk van de SS Panzer Division, waartegen we gevochten hadden. Maar gezien de manier waarop ze ons bij bin-nenkomst behandelden, zou je gedacht hebben dat ze aan onze kant stonden. Een lichtgewonde SS-korporaal hielp mij in bed te leggen en bij het uittrekken van wat er nog over was van mijn vuile en met bloed besmeurde kleren. Toen hij zag dat ik in mijn kaak was getroffen, schilde hij een appel, sneed die zorgvuldig in partjes en voerde die aan mij. Ik vroeg hem of hij kon uitvinden wat er gebeurd was met een jonge soldaat van het le bataljon, waarvan het gezicht zeer ernstig was gewond en die eerder naast mij had gelegen. De volgende dag kwam de SS-man terug en vertelde mij dat der Junge helaas was overleden.
De Duitse dokters en de rest van de staf waren zeer correct en zorgzaam gedurende de zes weken in het hospitaal, hoewel hun medische voorzieningen beperkt waren en hoofdzakelijk bestond uit papieren verband. Er was vooral gebrek aan verdovingsmiddelen voor andere behandelingen dan operaties. Kolonel Graeme Warrack bracht twee keer een bezoek aan andere hospitalen en hij zei dat het Duitse leger tien jaar achter liep wat betreft het doen van operaties op het slagveld.
Op een dag stonden er twee Duitse chirurgen bij mijn bed en discussieerden er over of zij mijn voet zouden amputeren of niet. Blijkbaar werden amputaties maar al te vaak als de beste behandeling gezien en een oudere Duitse hospitaalsoldaat gaf me een voorbeeld van wrange Duitse humor. Hij zei: ‘Meld je nooit ziek met hoofdpijn!’ De twee Duitse chirurgen braken abrupt hun discussie af toen een van hen opmerkte: ‘De majoor verstaat Duits’. Uiteindelijk werd het geval opgelost door een grote blonde Duitse verpleegster, die kort daarop een zes centimeter grote scherf van een mortiergranaat uit mijn voet trok, tegelijk met een sok, die was gebreid door mijn verloofde Ann, die later mijn echtgenote zou worden.
Er waren een paar dramatische gebeurtenissen. Een keer vuurde een RAF Spitfire een salvo af, waardoor in de operatiekamer een Duitse verpleegster en een Britse soldaat werden gedood. Ik werd door de hoofdverpleegster de les gelezen over het gebrek aan respect voor het Rode Kruisteken op het dak. Ze was een indrukwekkende hoofdverpleegster, net als zoveel andere militaire hoofd-verpleegsters.
Een andere keer klom soldaat Greer uit ons bataljon uit zijn bed, liep door de zaal naar het portret van Hitler dat aan de muur hing, draaide het om en zei: ‘Ik kan het gezicht van die klootzak niet langer verdragen!’. Eerst lachten de Duitsers. Hij is gek, zeiden ze en zij bedoelden natuurlijk Hitler. Maar de komst van een Duitse verpleegster veranderde de situatie en we kregen allemaal van haar op ons donder.
In november werden de laatste Airborne gewonden per trein naar Duitsland gebracht.
Wij verlieten Apeldoorn in een Duitse hospitaaltrein, waarvan in de middelste twee rijtuigen de Britse gewonden lagen. De reis over het zwaar beschadigde spoorwegnet in Duitsland, eerst naar Graz in Oostenrijk om de Duitsers uit te laden en weer naar het noorden naar een Stalag hospitaal, duurde in totaal zes dagen. De verveling
gedurende deze ongemakkelijke reis werd wat verminderd door de gewoonlijk onbedwingbare humor van de Britse militair. Op de borden op de buitenkant van de rijtuigen waren al spoedig grote V’s (‘V/or Victory’) gekalkt, hetgeen de nodige opwinding veroorzaakte wanneer de trein bij een perron aankwam, waar het vol stond met Duitse militairen en burgers. Op een van de stations had een soldaat uit onze trein een condoom opgeblazen en daarop het gezicht van Hitler getekend. Hij toonde die aan de wachtende menigte op het perron. Dit veroorzaakte eerst enige vrolijkheid, totdat er een bemoeizuchtige NAZI functionaris aan kwam.
Stalag Vila, bij Moosburg, was een gemengd kamp voor Russen, Fransen, Polen en Britse militairen. Maar het had een hospitaal, of iets wat er op leek, en hier bracht ik drie maanden door, voordat ik sterk genoeg werd geacht om naar een deel van het gewone kamp te gaan. Daar zaten ongeveer 120 officieren, hoofdzakelijk van luchtlandings-troepen en van speciale eenheden, die in Zuid-Europa gevangen waren genomen.
Voedsel was er nauwelijks in het kamp, maar dat was nog erger in het Russische gedeelte, waar de mensen bijna omkwamen van de honger. Dit gaf de Duitsers de gele-genheid om, zelfs nog in april 1945, Russen over te halen om dienst te nemen in het Duitse leger.
Toen het voorjaar van 1945 zich aandiende, werden de tekenen van de naderende fronten steeds duidelijker. We hadden bijna dagelijks een prachtig zicht op de massale bombardementen op doelen bij ons in de buurt, die overdag door de Amerikaanse luchtmacht werden uitgevoerd. En ’s nachts konden we horen en voelen hoe de Britse zware bommenwerpers hun werk deden.
Eind april hoorden we ’s nachts eindelijk artillerievuur in de verte. De volgende dag konden we tanks zien aankomen en kort daarop reden ze langs en verdwenen in de dichte naaldbossen voor een snelle opmars naar München en verder. Het was het leger van George Patton en het zag er zeer efficiënt uit. Tegen de middag zagen we een grote Amerikaanse vlag op de kerktoren van het op de heuvel gelegen Moosburg en vervolgens stond ik oog in oog met een grote Amerikaanse luchtmachtofficier. We waren bevrijd!
Een paar dagen later werden we met Amerikaanse vlieg-tuigen overgevlogen naar Reims in Frankrijk. Vandaar vlogen we terug naar Engeland met toestellen van RAF Bomber Command, maar wel met een dag vertraging om-dat de vliegtuigbemanningen eerst moesten bijkomen van het uitbundig vieren van het einde van de oorlog in Europa (‘VE-Day’).
Op een vliegveld in Buckinghamshire werden we door charmante dames van het vrijwilligers corps opgevangen met een kop thee en een pakje met tien Gold Flake sigaretten. We waren thuis, althans bijna…
Vertaling Robert Voskuil

Noot

  1. In september 1944 commandant van B compagnie, 156 Parachute Battalion, 4th Parachute Brigade.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.