MINISTORY XXVI
Bijlage bij Nieuwsbrief No.38
Tussen bommen en gliders.
door: R.P.G.A.Voskuil

Ongeveer een kilometer westelijk van het station Wolfheze staat eenzaam langs de spoorlijn Arnhem-Utrecht een klein huis. Het staat precies aan het noordelijke uiteinde van de Telefoonweg, naast de overweg naar de Buunderkamp.
In september 1944 woonde hier het gezin Kelderman, dat bestond uit vader, moeder, dochter en de 8-jarige zoon Cees. Vader Kelderman werkte aan het onderhoud van de spoorbaan.
De gehele oorlog was het betrekkelijk rustig geweest rond het huis. Wel bezochten regelmatig leden van het Verzet de familie Kelderman om voedsel te halen voor de vele onderduikers in de omgeving.
Op zondagochtend 17 september 1944 liepen vader en zoon Kelderman in de buurt van het huis, toen er vanuit Wolfheze een Duitse officier aan kwam fietsen. Hij stapte af en vroeg of hij het kleine hazewindhondje van de familie kon kopen. Nieuwsgierig volgde Cees het gesprek. Terwijl ze stonden te praten naderden uit oostelijke rich¬ting zes grote vliegtuigen. Ze vlogen evenwijdig aan de spoorbaan. “Toen ze onge¬veer recht boven ons waren”, herinnert Cees Kelderman zich, ”werd het plotseling volledig duister om ons heen. Mijn vader sleurde mij mee naar het lage taludje langs de weg voor ons huis en daar tegenaan zochten we dekking”. De duisternis werd veroorzaakt door tientallen bommen, die rond om hen heen vielen en die vader en zoon Kelderman onder het zand bedolven. Het merkwaardige was dat Cees de bommen niet hoorde fluiten of inslaan. ”Het enige dat we hoorden was het rinkelen van de ruiten van het huis. We waren niet verdoofd of buiten bewustzijn”.
Toen ze onder het zand vandaan krabbelden werd het duidelijk dat ze op het nippertje aan de dood ontsnapt waren. Nadat de rook en het stof waren opgetrokken zagen ze overal rond het huis enorme bomtrechters; het huis zelf was gelukkig niet getroffen.


Een deel van de landingszones “S” en “Z” aan weerszijden van de spoorlijn Arnhem-Utrecht, vol met gliders die daar op 17 en 18 september waren geland. Deze, helaas niet geheel scherpe, foto werd genomen door een verkennings¬vliegtuig van de US 7th Group iu het begin van de middag van 18 september. De pijl wijst naar het huis van de familie Kelderman. De witte plekken op de foto zijn bominslagen in de zandige grond.

Tussen twee bomkraters, die ongeveer twaalf meter van elkaar lagen, konden ze de plaats zien waar ze gelegen hadden. De bommen hadden de zandige ondergrond omge woeld en alles met een laag zand bedekt, behalve de plaats waar ze gelegen hadden, want daar was het groene gras nog zichtbaar.
De Duitser was spoorloos verdwenen, alleen zijn fiets lag er nog. Middenin de groentetuin, waar bieten en andijvie werden verbouwd, was een bom gevallen. Overal lagen de bieten en de kroppen andijvie verspreid, zelfs aan de overkant van de spoordijk. Op de spoorlijn zelf, die vermoedelijk het doel van het bombardement was geweest, was geen enkele bom terecht gekomen.
Tegen de helling van de spoordijk graasde altijd een geit. Als door een wonder was het beest niet geraakt door scherven. Vlakbij de geit was een bom gevallen en een scherf had de ketting waaraan zij liep dwars door midden gesneden. De geit liep nu vrij rond met een deel van de ketting aan haar halsband.
Van het houten schuurtje naast het huis, waar in de zomer altijd het eten werd gekookt, waren alle ruiten kapot. Er vlak naast was een bom neergekomen en al het eten op het fornuis, aardappelen met stoofperen, was bedekt met een laag zand. Dit deerde vader Kelderman kennelijk weinig want toen het etenstijd was schepte hij het zand eenvoudig van het eten en liet zich het middagmaal goed smaken. De andere gezinsleden waren echter nog teveel overstuur van dit plotselinge oor¬logsgeweld om een hap door hun keel te kunnen krijgen.
Tegen één uur, toen ze juist bezig waren de rommel een beetje op te ruimen, hoorden ze opnieuw het geluid van vliegtuigmotoren. Ze holden naar buiten en vanaf de oprit van de overweg naar de Buunderkamp zagen ze vanuit zuidwestelijke richting grote aantallen vliegtuigen naderen, die zweefvliegtuigen trokken. Plotseling zagen ze dat de zweefvliegtuigen loskoppelden en gingen landen op de bouwlanden aan weers¬zijden van de spoordijk. Vader Kelderman schreeuwde “Dit is de invasie, dat zijn de Engelsen!” Af en toe kwam er vlak bij het huis met een fluitend geluid een trekkabel naar beneden, die door een sleepvliegtuig was losgegooid. Bij de landing raakten enkele gliders elkaar, waardoor volgens Cees “met veel gekraak de splin- – ters ervan af vlogen”. Enkele hadden zo’n hoge landingssnelheid dat ze doorschoten en op de Parallelweg of tegen het spoorwegtalud tot stilstand kwamen.
Direkt na de landing werden de voertuigen uit de gliders gereden en vertrokken vervolgens in oostelijke en zuidelijke richting.
Kort na de landing van de gliders verschenen weer grote groepen vliegtuigen, nu echter zonder gliders. Daaruit sprongen parachutisten. De lucht was binnen enkele minuten gevuld met duizenden parachutes, die bijna allemaal schenen neer te komen op de bouwlanden langs de Telefoonweg. Ademloos zag de familie Kelderman hoe voor hun ogen de bevrijders letterlijk uit de lucht kwamen vallen. Overal zagen ze de parachutisten in groepjes van het land afkomen en zich verzamelen op de weg. Verschillende parachutisten droegen oranje “Afrikaantjes” in hun knoopsgat. Voor het eerst in hun leven zag de familie Kelderman jeeps, kleine motorfietsjes, opvouwbare fietsen en allerlei ander materiaal waarmee de Britten waren uitgerust. In een van de jeeps die bij het huis stopte zat een militair die vloeiend Neder¬lands bleek te spreken. Hij vroeg informatie over een tweetal Nederlandse burgers die hij op de landingsterreinen had opgepikt. De heer Kelderman kon hem echter niet helpen want hij kende die burgers niet.
Intussen waren de meeste Britten vertrokken. Een klein aantal bleef achter bij het huis, dat ze als een kleine commandopost gingen inrichten. Het waren manschappen van het eerste bataljon van het Border Regiment, die de opdracht hadden de landings¬terreinen te bewaken voor de landingen, die de volgende dag, maandag 18 september, zouden plaats vinden. De Britten maakten het zich gemakkelijk in en rond het huis’ Sommigen groeven schuttersputten; anderen sliepen tussen de tabaksplanten Ze hadden enorme voorraden eten bij zich en dat maakte grote indruk op de’familie Kelderman, die dat na vier jaar oorlog niet meer gewend was. Chocolade thee snoepjes, oranjemarmelade, maar ook zeep en cigaretten werden met containers’vol naar het huis gedragen. De kleine Cees Kelderman liep overal tussendoor en werd door de soldaten volgestopt met snoep. Mevrouw Kelderman deed niets anders dan liters thee maken voor haar vele dorstige gasten. Tot laat in de avond bleef iedereen op. Toen Cees om één uur ‘s nachts eindelijk naar bed ging hoorde hii overal nog praten en lachen. ’

 

Het gezin Kelderman, gefotografeerd enige tijd na de oorlog. V.l.n.r. vader, Cees, moeder met een logeetje en dochter Kelderman. Op de achtergrond de spoordijk.

De volgende ochtend waren de Britten al vroeg op. Een van hen wilde zich scheren en vroeg om warm water. Cees begreep niet wat hij wilde, maar liep met hem het huis binnen. Daar maakte de Engelsman duidelijk dat hij water wilde hebben. Nadat de kleine Cees dat voor hem had ingeschonken, gaf de man hem als dank een drie penny muntstuk uit 1941.
Buiten wachtten de Britten geduldig tot de tweede “lift” zou arriveren. In de middag kwam eindelijk die landing. Toen in de verte het geluid van vliegtuigen hoorbaar werd, bonden de soldaten gele driehoekige herkenningsdoeken op hun rug en liepen naar de rand van de landerijen. Deze landerijen, recht tegenover het huis van de familie Kelderman, die de dag ervoor dienst hadden gedaan als droppings- zone voor de parachutisten, werden nu gebruikt als landingsterrein voor de tweede glider lift. Opnieuw zag de familie Kelderman de reusachtige houten zweefvlieg¬tuigen neerkomen. Nadat ze waren uitgeladen vertrokken de bewakingstroepen van het Border Regiment en lieten de familie Kelderman weer alleen in hun huis. Na het opwindende etmaal dat ze achter de rug hadden, vormde deze rust een anti-climax en er heerste een wat bedrukte sfeer in huize Kelderman. De volgende uren kwam er alleen af en toe nog een jeep met Britten voorbij, maar verder bleef het rustig.
De volgende ochtend, dinsdag 19 september, kwam er uit de richting van de Buunderkamp een jeep met soldaten. Ze stopten op de overweg naast het huis en tuurden door hun kijkers in de richting Ede. Daar waren in de verte mensen zichtbaar, maar het was niet duidelijk of het Britten of Duitsers waren. Even later reden ze weer weg. Het waren de laatste Britten die de familie Kelderman zou zien. Intussen waren vader en zoon Kelderman begonnen allerlei op de landingsterreinen achtergelaten materiaal te verzamelen en naar huis te slepen. Ze sloopten bruik¬bare zaken uit de gliders en ook de parachutes, waarvan er honderden op de bouw¬landen lagen, kwamen goed van pas. Die konden prachtig worden gebruikt om kleren van de te maken.
Om ca. één uur ‘s middags zagen ze plotseling uit de richting Ede zwaar gecamou¬fleerde Duitse soldaten uit de bossen komen. Ze liepen in linie, ongeveer ander¬halve meter uit elkaar, “met het geweer vooruit, alsof ze aan het jagen waren”, herinnert Cees zich.

De familie Kelderman schrok geweldig en ze realiseerden zich dat de bevrijding nog niet was aangebroken nu de Duitsers weer waren teruggekomen. De soldaten vroegen of er “tommies” in het huis waren. Meneer Kelderman antwoordde ontkennend,waarop hij te horen kreeg dat “als ze er toch waren de hele familie zou worden doodgeschoten”. Ze liepen naar binnen en begonnen het huis te doorzoeken. Plotseling zagen ze in huis een stapel gekleurde parachutes liggen, waarop ze begonnen te schreeuwen en te dreigen. De heer Kelderman probeerde de situatie uit te leggen en gelukkig liepen ze weer in de richting van de gliders die in de buurt van het huis stonden en begonnen die te doorzoeken.
In de loop van de middag werden de eerste gliders door Duitse jachtvliegtuigen in brand geschoten en gedurende de volgende dagen lieten de Duitsers alle resterende gliders in vlammen opgaan.

De familie Kelderman vluchtte naar de grote schuilkelder van het huis van de familie Braat, enige honderden meters ten noorden van Hotel de Buunderkamp. Het landhuis zelf was op 19 september verbrand en er restte slechts een ruïne, maar de schuil¬kelder was nog intact. Daar bleef het gezin Kelderman met nog vele anderen onge¬veer veertien dagen, tot ze van de Duitsers het bevel kregen weg te gaan. Pas na acht maanden gedwongen evacuatie konden ze naar hun huis langs de spoorbaan terug¬ keren.
Bij hun terugkeer na de bevrijding in mei 1945 trof de familie Kelderman in en rond het huis een reusachtige ravage aan. Het huis en de tuin lagen vol munitie. Op een kruiwagen werd die naar de weg gereden en daar opgestapeld. Van het huis was geen ruit meer heel. Met behulp van glas uit de broeikassen van het huis van Braat repareerde de heer Kelderman echter spoedig alle ramen.
Overal in de landerijen hadden de Duitsers loopgrafen gemaakt, die waren gestut met planken en palen. Bij de loopgrafen bevonden zich onder de grond complete onderkomens. Daaruit haalde de heer Kelderman meubels en een kachel om daarmee zijn huis weer enigszins bewoonbaar te maken.
In de tuin werden alle bomkraters dichtgegooid om weer groenten te kunnen gaan verbouwen. Dat wilde echter de eerste tijd niet erg lukken.
Op de bouwlanden bij het huis, die het jaar tevoren dienst hadden gedaan als landingsterrein, lag het bezaaid met uitgebrande resten van zweefvliegtuigen. Slechts hier en daar was een staartstuk of een ander deel van de romp gespaard gebleven. Alleen van de gliders die in de bosranden terecht waren gekomen, waren grote delen niet verbrand. Van een stuk romp dat op de heide was blijven liggen bouwde Cees een hut om in te spelen. Van de enkele WACO gliders, die in september 1944 waren geland, was de linnen bekleding verdwenen en reste alleen nog het buizenframe.
Van de duizenden gekleurde parachutes, waaraan het jaar tevoren mannen en voor¬raden naar beneden waren gekomen, lagen er nog maar weinig op de bouwlanden. Maar in de bossen lagen en hingen er nog vele, vaak nog met containers of manden. De manden namen ze mee naar huis om er allerlei zaken in op te bergen.
In de bossen lagen ook veel wrakstukken van neergeschoten vliegtuigen en weste¬lijk van Hotel de Buunderkamp stond zelfs een vrijwel complete DAKOTA op een open plek in het bos. Deze had daar een noodlanding moeten maken.
Voor het onderzoek van de vliegtuigwrakken en voor het opruimen ervan kwam een speciaal team van de RAF naar de Buunderkamp. Ze waren uitgerust met grote, hoge vrachtwagens. De wrakstukken werden op verschillende plaatsen, waaronder langs de weg naar de Buunderkamp,opgestapeld, om vandaar te worden opgehaald. Ijzer en koper, dat overal verspreid lag, werd door de boeren verzameld om te kunnen verkopen.
Hoewel er door hulppolitie werd gepatrouilleerd, scharrelde Cees regelmatig rond om patronen en andere interessante zaken te verzamelen. Met het opruimen van munitie hield vooral de heer Oortgijs uit Wolfheze zich bezig, die daarvoor een aantal krijgsgevangen Duitse militairen in dienst had. Cees Kelderman ging regelmatig kijken wanneer er weer een voorraad munitie werd opgeblazen.
In de loop van de zomer van 1945 werden zo veel mogelijk restanten van de oorlog opgeruimd. De boeren begonnen hun landerijen weer te bewerken. De spoorlijn werd gerepareerd om weer treinverkeer tussen Arnhem en Utrecht mogelijk te maken. De scholen, die meer dan een jaar gesloten waren geweest, openden weer hun deuren en ook Cees Kelderman keerde in september 1945 terug naar de schoolbanken.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.