In 1944 woonde ik, Robbie, 8 jaar, als pleegkind bij mijn tantes Nel en Miep in een groot huis aan de Jonkheer Nedermeijer Van Rosenthalweg 25; samen met pleegzus Hanneke (12) en Tobias de hond. En we hadden sinds 1942 vier joodse onderduiksters in huis: de tantes Jet, Clara, Dinie en Nettie.

Jonkheer Nedermeijer van Rosenthalweg (Grindweg) nr. 25

1 september

Ging ik, na de zomervakantie, weer naar school. Ik zou naar de 3e klas gaan. Het afgelopen jaar was juffrouw Hendrika van der Vlist mijn onderwijzeres geweest en nu zou ik een meester krijgen. Maar juf Van der Vlist stond ons weer op te wachten! En slechts de helft van de leerlingen was present. Dat kwam omdat het onzekere tijden waren. Zo kwamen er de laatste tijd veel transporten van het Duitse leger door Oosterbeek en die werden soms aangevallen door Engelse vliegtuigen. Na enkele dagen ‘bezig gehouden’ te zijn, werden we naar huis gestuurd. Dat kwam mij goed uit, want het was prachtig zomerweer en nu kon ik dus iedere dag, met mijn vriendjes uit de buurt, naar het zwembad in de Rijn.

Wanneer we daar naar toe liepen, zagen we Duitse soldaten bezig om een luchtafweerkanon op te stellen. Ondertussen kondigde zich een feest aan: tante Nel haar verjaardag op 15 september. Maar we zouden het pas vieren op zondag, want dan hoefde ze niet te werken. De voorbereidingen voor het feest waren al weken eerder begonnen. Het cadeau dat Nel zou krijgen was namelijk een waterverfschilderij van Hanneke en mij. We hebben daarvoor diverse keren moeten poseren bij Dinie. Voor die gelegenheid had ik daarbij al de wintertrui aan die tante Clara had gebreid van allemaal restjes wol door elkaar. Het schilderij werd prachtig, tante Nel zou blij zijn. Tante Miep zou een appeltaart bakken en ‘s avonds zouden wij extra lekker eten. Het feest kon beginnen.

Feestdag

Zondag 17 september werden wij vroeger wakker dan normaal. Niet omdat een feestdag was, maar door het geschiet van Engelse vliegtuigen en de luchtafweer van de Duitsers. Tijdens het ontbijt overlegden we of we wel of niet naar de kerk en zondagsschool zouden gaan. Dat deden we namelijk elke zondag. Toen het buiten wat rustiger werd, besloten we om toch maar te gaan. De vier tantes en Tobias bleven zoals gebruikelijk thuis.

Tobias

Nel en Miep naar de Remonstrantse kerk in de Wilhelminastraat en Hanneke en ik naar het erachter gelegen gebouw waar de zondagsschool werd gehouden. Het blééf onrustig in de lucht tijdens de kerkdienst. En toen gebeurde er iets uitzonderlijks: wij kinderen werden gevraagd in de kerk te komen.

Toen wij allemaal bij onze familie zaten, zei dominee Kievid dat wij het Wilhelmus zouden gaan zingen. Iedereen stond op, het orgel zette in we zongen voor het eerst sinds jaren, weer ons volkslied. Nog voor we uitgezongen waren, werden de deuren geopend en stroomde de kerk leeg. Tijdens het naar huis lopen hebben we enkele keren ‘geschuild’ omdat er zo geschoten werd. Toen we thuis kwamen waren onze onderduik-tantes in paniek. Het bombardement dat wij in de kerk hadden gehoord, had zich namelijk vlak bij ons huis afgespeeld. Het duurde even voor Nel iedereen weer rustig kreeg.

Véél erger dan het oorlogslawaai vond ik het loeien van de koeien. Die stonden in de weilanden aan de rivier en die beesten waren gewond. Dat geluid ging me door merg en been. Vreselijk!!!

Gelukkig werd het later rustiger in de lucht en konden we onze plannen voor die dag gaan uitvoeren. We gingen allemaal naar de zitkamer op de eerste verdieping. De vier joodse tantes bleven net binnen zitten achter de vitrage en wij met z’n vieren op het grote balkon, want het was prachtig weer. We zongen Nel toe, ze kreeg haar schilderij en we aten appeltaart.

Wat later zagen we uit het zuidwesten allemaal vliegtuigen aankomen, maar het was voor ons gevoel ver weg. Totdat Hanneke ineens riep: “Parachutes!” Toen we goed keken, zagen we dat er mannetjes aan hingen. Het was een prachtig gezicht, het leken net de pluisjes van een paardenbloem, als je er tegen blaast.

Weer later kwamen er in de verte vliegtuigen voorbij, die grote vliegtuigen voorttrokken. Het was een indrukwekkend spektakel, maar we hadden geen idee dat we er iets mee te maken zouden krijgen.

Tot iemand van ons, in denk tante Nettie (want zij wilde altijd weten wat er buiten gebeurde; ze was ook de jongste van de onderduiktantes) de opmerking maakte: “de tram is niet teruggekomen”. Dat moet ik even toelichten, want er rijdt nu geen tram meer door Oosterbeek: vroeger reden er zelfs twee.  Eén over de Utrechtse weg en één over de Grindweg naar de Westerbouwing en Doorwerth naar golfslagbad “De Branding” en uitspanning “Kievitsdel”. De lijn die langs ons huis reeds, ging over één spoor. De tram die heen reed kwam dus ook terug. Maar hij kwam niet, dus moest er iets aan de hand zijn verderop.

Die hele middag hebben we heerlijk daar gezeten. Er werd in de verte wel geschoten, maar dat was veel minder heftig dan ‘s ochtends, toen het zich boven onze hoofden afspeelde. Het zal tegen vijf uur geweest zijn, toen Miep zei dat ze naar de keuken ging. Iedereen ging aan de slag: de boel opruimen, kopjes afwassen, tafel dekken, behalve ik.

Ik bleef op het balkon staan om te kijken of er nog iets gebeurde. Opeens kwam er met een enorme vaart een Duitse open auto uit de richting Arnhem rijden. Er zat een soldaat-chauffeur in en een officier met een platte pet. Op de hoek van de Vogelweg begon die officier te schreeuwen tegen zijn chauffeur.

Die remde met piepende remmen en keerde de wagen om. De officier pakte zijn verrekijker en tuurde minutenlang de Grindweg af naar de kruising met de Benedendorpsweg. Daarna reden ze met hoge snelheid terug richting Arnhem. Alhoewel ik geen Duits kende, begreep ik toch wel dat ze Engelse soldaten hadden gezien. En toen ik ook nog in de Acacialaan mensen naar de Benedendorpsweg zag lopen, wist ik genoeg. Ik stormde naar beneden en riep “de Tommies zijn er”‘. Ik ontmoette alleen maar ongeloof. “Robbie we gaan zo eten, ga jij maar vlug je handen wassen”. Ik bleef maar roepen, “de Tommies zijn er, ik ga kijken”. Tenslotte werd het eten afgezet en werd besloten om toch maar te gaan kijken.

Toen wij naar buiten kwamen, zagen we al buren naar het Stenenkruis (een pad) lopen. Nel, Miep, Hanneke en ik liepen dit pad af. Uit een tuin van een boerderij aan het eind, plukten Hanneke en ik afrikaantjes, want wij zagen de bevrijders al lopen. Een lange colonne Engelse soldaten trok voorbij. Er waren ook kleine open auto’s (jeeps) bij. De mannen waren duidelijk vermoeid en het verwonderde mij zelfs dat ze zo klein waren, in vergelijking met de Duitse reuzen. Voor onze bloemen hadden ze niet veel interesse.

Toen er verderop bij het viaduct onder de spoorlijn geweerschoten klonken, kwam de colonne even tot stilstand. Toen zijn wij maar naar huis gegaan. We waren bevrijd! Thuis gekomen hebben wij het fantastische nieuws aan onze onderduikers verteld. We waren allemaal erg opgewonden en van het feestmaal is niets terecht gekomen. Ik ging trouwens meteen terug naar mijn ‘uitkijkpost’ op het balkon. Er werd nu op de spoordijk in de richting van de brug flink geschoten.

Toen klonken er opeens twee keiharde knallen met een metalen klank, gevolgd door snel omhoog komen van de achterste overspanning, waaruit de brug bestond, en daarna het heel langzaam inzakken ervan.

Spoedig daarna werd het donker en werden Hanneke en ik naar bed gebracht. We sliepen zó in, na die dubbele feestdag.

In de straten van Oosterbeek

In de loop van de nacht werden we echter uit bed gehaald, want er werd in de buurt geschoten. De anderen waren al bezig zich te installeren in de kelder. Het was een heel grote kelder, met ruimte genoeg voor achter personen en een hond. Er werden stoeltjes naar beneden gehaald, kaarsen en lucifers klaargelegd. Tante Nel ging nog even naar boven om de badkuip vol water te laten lopen. Het werd nog best gezellig daar beneden. We waren immers bevrijd alleen de laatste Duitsers moesten nog even verslagen worden.

De volgende dag, maandag 18 september, waren er overal Tommies rondom ons huis en in de buurt. Ik zag ze rijden in jeeps en op het Stenenkruis reed een heel klein motorfietsje. Er was een officier, die regelmatig bij ons binnenkwam voor een praatje en alle tantes vonden het prachtig.

Er werd steeds meer geschoten en we besloten om maar in de kelder te blijven. Enkele tapijten werden van boven gehaald waarop matrassen werden gelegd.

Ik denk dat het dinsdag was toen de militaire situatie verslechterde. Er werd intens gevochten in onze buurt. Door het keldergat aan de oostkant van ons huis hoorden we die middag een angstaanjagend geluid… een tank… Dat ding piepte verschrikkelijk als hij reed. Dan stopte hij weer, dan gaf hij gas en ging voor of achteruit. Toch is hij uiteindelijk verdwenen. Van de officier begrepen we dat ze er bang van waren en er niet tegen opgewassen waren.

Later vertelde hij dat ze zouden gaan terugtrekken, ik meen naar de Acacialaan. Hij adviseerde ons om naar het westelijk deel van het dorp te gaan.

Hogerheide 3

Wat later kwam hij zeggen dat het even rustig was en dat we konden vertrekken. We pakten allemaal onze vluchtkoffer en liepen achter elkaar de weg af. Via het pad onderaan de Vogelweg liepen we naar Hogerheide 3, waar de gepensioneerde ouders van Nel woonden. Voor alle duidelijkheid: we vluchtten niet zo zeer voor het oorlogsgeweld, maar om onze onderduikers niet in Duitse handen te laten vallen!

Vlucht

Het was voor het eerst sinds twee jaar dat Jet, Carla, Dinie en Nettie weer buiten kwamen. Hoe dichter we bij ons doel kwamen, hoe rustiger het werd. We zagen veel Engelse soldaten. En zelfs hier en daar nog een Nederlandse vlag.

Oom Adriaan en tante Bets waren dan ook verbaasd om ons te zien, we waren toch bevrijd? Terwijl we rustig met elkaar in de zitkamer aan het overleggen waren wat te doen, ontplofte er vlakbij een granaat. De ruiten sprongen en kalk dwarrelde van het plafond. Het sein om toch maar de kelder in gereedheid te brengen. Iedereen ging daar mee aan de slag, behalve Jet, doe kon de stofboel niet aanzien en ging het glas opvegen en stof afnemen. De kelder van dit villaatje op een heuvel, was véél kleiner dan de onze. Dus werd er besloten om de hele vloer maar met matrassen te beleggen en er slechts twee stoeltjes neer te zetten. Toen we allemaal geïnstalleerd waren hoorden we boven een gil. Jet was aan een bovenarm verwond door een kogel of een scherf. Het bleek gelukkig maar een schampschot, maar het was duidelijk dat ook hier de strijd was begonnen.

Het haasje

Tante Bets had, toen de stroom nog niet uitgevallen was, alle aardappels die ze in huis had gekookt. Die avond en de dagen daarna aten we koude aardappelen met wat zout en nog wat restjes uit de frigidaire, de koelkast.

Toen we ‘s avonds gingen slapen was het een heel gepas en gemeet, met tien mensen en Tobias in die kleine ruimte. Ik realiseerde me op dat moment, dat ik mijn knuffel, het haasje, niet bij me had en was een tijdje ontroostbaar. Pas toen er beloofd was dat we het binnenkort even zouden gaan halen, legde ik er mij bij neer.

Chaos

In het begin wemelde het nog van de Engelse soldaten rondom ons huisje. En ook hier was er een officier die regelmatig een praatje kwam maken. Hij droeg een rode baret en géén helm zoals de andere soldaten. Later in de week kwam er alleen nog op het eind van de middag een patrouille langs. Tijdens de eerste dagen werd er nog geprobeerd om het gezellig te maken. Speciaal voor ons kinderen natuurlijk. Miep en Clara vertelden verhalen en we hebben ook nog liedjes gezongen.

Maar naarmate we langer in de kelder zaten en het oorlogsgeweld toenam, werd het eigenlijk alleen maar overleven. ‘s Nachts durfden we geen licht te maken. Wanneer iemand licht nodig had, dan hanteerde Nel de knijpkat. De WC functioneerde al snel niet meer en dus werd en met een po gewerkt. Die gooiden we na gebruik leeg achter de keukendeur.

Wassen deden we ons nauwelijks en uitkleden al helemaal niet, want we moesten ieder moment klaar staan als er iets zou gebeuren. Daar werden ook afspraken over gemaakt.

Voltreffer

Op een middag gebeurde het! Er kwamen heel laag vliegtuigen over, niet de eerste keer trouwens. En toen opeens een vreselijke klap.

Een bom dachten wij. Tante Nel nam Tobias onder de arm en ging als eerste de keldertrap op, deed de kelderdeur open en de rest van het gezelschap volgde. Toen we boven waren zagen we wat er gebeurd was: een enorme rieten mand aan een parachute was op de dakgoot gevallen en had de regenton verpletterd. Opgelucht gingen we terug in ons ‘hol’.

Dat liep dus goed af… of niet, want in die regenton zat onze watervoorraad. Toen die op was besloten Nel en Miep water te gaan halen uit de beek in het Zweiersdal. Het was al tegen de avond dat ze met twee emmers op pad gingen.

Ze hadden allebei een witte theedoek om het hoofd om op te vallen. Voor ons gevoel duurde het heel lang, maar ze kwamen veilig terug, met twee emmers water. Voedsel was natuurlijk ok een probleem. Gelukkig stonden er in de kelder van tante Bets veel weckflessen met ingemaakte vruchten en eieren. Ik herinner me niet het voedseltekort als een groot probleem: dat was het lawaai! Dat was zo oorverdovend, dat ik vaak gedacht heb: “Als ze nu maar 5 minuten stoppen met schieten, dan mogen ze daarna weer doorgaan.” Door dat lawaai, dat dag en nacht doorging, kon je ook niet slapen en dat is slopend.

Het regent, o wat regent het!

Toen het op een avond/nacht een keer enorm geregend heeft, is het schieten kennelijk even wat verminderd en prompt vielen we allemaal als blokken in slaap.

Tot we wakker werden van een geluid als een waterval. Toen we onze ogen open deden zagen we door het keldergat een enorme vonkenregen op ons huis komen. De huizen naast ons stonden in lichterlaaie en we vreesden dat de brand zou overslaan.

Toen iedereen gereed stond gingen we door de voordeur naar buiten, in de afgesproken formatie: Nel met Tobias voorop, dan Miep met mij, Jet met Hanneke enzovoorts. We belandden in een hel: brandende huizen, verschrikkelijk lawaai!

In de paniek verloor Dinie een schoen en Jet ging terug om hem te halen!

Bomvol!

Uiteindelijk gingen we het huis op het meest zuidelijke puntje van Hogerheide binnen, nummer 9. Miep deed de kelderdeur open en duwde mij als eerste naar binnen. Een enorm gegil klonk uit de kelder: “Vol! Vol”. En inderdaad, zelfs op de trap zaten mensen. Terug durfden we niet en dus zijn we maar in de woonkamer gaan zitten. Op de grond, want hij was helemaal leeg, op een heiligenbeeld na, dat stond op de grond voor het grote raam richting Jagerskamp. Het enige wat je kon doen, was je handen voor je gezicht houden. Die nacht heb ik ervaren wat doodsangst betekent.

De Kastanjeboom

Toen het licht werd is Nel gaan kijken hoe het met ons huis was gesteld. Het bleek niet in brand gevlogen te zijn, waarschijnlijk door de kletsnatte kastanjeboom die naast het huis van oom Adriaan stond. We zijn teruggelopen naar ons inmiddels vertrouwde keldertje. De laatste dagen werd het geluid van de oorlogsvoering overstemd door fluitende granaten. Tobias had daar veel last van en als hij begon te janken, dan hielden wij zijn oren dicht.

Tijdens één van die laatste dagen klonk er buiten opeens muziek. Toen ik ook nog een Engelse stem hoorde, concludeerde ik dat het gevecht voorbij was en dat de Tommies gewonnen hadden… Maar later ging het schieten weer ‘gewoon’ verder. Op een nacht werd dat bombardement nog eens opgevoerd en waarschijnlijk abrupt gestopt. Wij zijn in ieder geval in een diepe slaap gevallen, uitgeput als we waren.

Ze sloegen met hun geweerkolven op de deuren en schreeuwden dat we naar buiten moest komen: Moffen!! Onze wereld stortte in en vooral onze vier Joodse tantes moeten op dat moment gedacht hebben dat dit het einde was. Gelukkig waren die Duitse soldaten, die wel dronken leken, niet op zoek naar onderduikers. Ze bevalen ons in oostelijke richting te gaan. En zo liep onze haveloze groep even later de bult af de Weverstraat in. We waren verslagen.

Vogels

Ik denk niet dat iemand van ons toen wist welke dag of datum het was. Nú weet ik dat het dinsdag 26 september geweest is. Negen etmalen waren er verstreken sinds die zonnige Bevrijdingsdag. We liepen door doodstille en verwoeste straten. De weg was bezaaid met rommel, een tank, containers en parachutes. Er was bijna geen doorkomen aan. Maar we hoorden ook weer vogels fluiten!

We probeerden terug te gaan naar ons huis, maar bij de Emmastraat werden we tegengehouden door Duitse soldaten.Slijpsteen

Uiteindelijk vonden we een verlaten huis waar we ingetrokken zijn: Molenweg 12. Gewoontegetrouw ging iedereen de kelder in… behalve Robbie. Ik wilde niet meer en luisterde ook niet meer naar de bevelen uit de kelder. Zo nu en dan klonk er nog wel een kanonschot, waarschijnlijk bestemd voor de watertoren, niet ver van ons vandaan.

Dit huis kenden we al, want er was een winkel waar we weleens kwamen voor een reparatie. Het was namelijk en zadelmakerij/leerbewerker. Daarom hing er een mooi paardenhoofd boven het etalageraam. In de tuin stond een grote slijpsteen met een zwengel eraan. In dit huis lagen een stapel roeden en koperen dopjes voor het vastzetten van de traploper. Die dopjes toverde ik met behulp van de slijpsteen om tot klompjes ‘goud’, zo mooi gingen ze blinken.

Twee uur

Hoe en waarom we uit Oosterbeek weg moesten weet ik niet. Wat ik me herinner is dat er een mededeling of gerucht was dat het dorp om twee uur ‘s middags gebombardeerd zou worden en dat we vóór die tijd dus zouden moeten evacueren.

Hoe het ook geweest is, feit is dat op een gegeven moment alle bewoners op pad gingen naar veiliger streken. Die middag gingen wij ook weg. Op de Utrechtseweg was het een drukte van belang. Deze weg was vrijwel onbegaanbaar door de omgevallen bomen, tramleidingen, enzovoort. We liepen de Noorderweg op en daarna de Parallelweg, langs het talud.

Of het zo afgesproken was of dat het kwam door de chaos, maar bij station Oosterbeek-Hoog merkte ik dat drie van onze vier Joodse tantes niet meer achter ons liepen. (Later heb ik gehoord dat Clara, Dinie en Nettie via de Schelmseweg naar Apeldoorn zijn gelopen). Even verder konden oom Adriaan en tante Bets meerijden op een paard en wagen en verdwenen ook uit ons zicht.

Er was onderweg nog en incidentje dat illustreert hoe mensen in de war waren. Vlak vóór ons in de eindeloze colonne burgers, liep een oudere heer met zijn huishoudster, mensen die wij wel kenden. De man had als bagage een stuk of tien wandelstokken bij zich! Op een gegeven moment liet hij ze vallen en Hanneke struikelde er over. Toen we later die mijnheer inhaalden was hij erg boos op Hanneke, omdat ze de stokken niet had opgeraapt.

Niet kijken

Verderop liep er voor ons een moeder met een groot gezin. Zo nu en dan brulde de vrouw tegen haar kinderen “niet kijken”! Ik vond dat wel makkelijk, dan wist ik wanneer er interessante dingen waren te zien.

We liepen de weg langs de spoorlijn naar Wolfheze af, voor ons zeer bekend terrein. Bij het station was het een puinhoop en spoedig daarna zagen op de hei zweefvliegtuigen liggen, soms over de kop geslagen.

Uiteindelijk belandden we in Ede. We werden kennelijk verwacht en werden opgevangen in een school. De klassen waren leeg en er lag een dik pak stro op de vloeren. We konden ons een beetje wassen aan een lange rij wasbakjes in de gang. Later kregen we dikke boterhammen en erwtensoep. Zulke lekkere erwtensoep had ik mijn levenlang niet meer geproefd! Die nacht hebben we eindelijk weer eens ongestoord kunnen slapen.

Het bakhuis

De volgende ochtend kregen we melk en boterhammen. Vóór de school hadden zich ondertussen particulieren verzameld die bereid waren mensen in huis op te nemen. Onder hen was boer Jan Lagemaat, die met eend paard en wagen was gekomen en aanbod ons gezin mee te nemen. Nadat enige administratie was afgewerkt gingen we met hem mee. We reden naar zijn boerderij in de buurt van het dorp De Glind. Daar werden we opgewacht door zijn vrouw, drie kinderen, waaronder Jantje, een jongen van mijn leeftijd. We mochten gaan wonen in hun los van de boerderij staande, zogenaamde bakhûûs. Dat was een klein huisje met een oven, waarin de boerin bakte en eten bewaarde. Met wat passen en meten konden we er met ons vijven en Tobias net in. En we waren erg blij met ons nieuwe onderkomen.

Die avond kregen we onze eerste boerenmaaltijd. Een soort soep, gemaakt van karnemelk, bruine bonen en spekjes. Heerlijk! De volgende ochtend kwam de boerin ons huisje binnen en maakte de oven aan. Ze sneed daarna dikke plakken van een grijze vleespudding. Het heette balkenbrij. Die plakken werden gebakken en vormden voortaan ook ons ontbijt. Dat was wel even wennen.

Hanneke en ik gingen naar de lagere school in Achterveld: dat was een hele tippel.

Vrij snel hoorden we dat oom Adriaan en tantes Bets niet ver bij ons vandaan woonden bij een gepensioneerd hoofd van en school, de heer De Haan.

Later hoorden we dat Clara, Dinie en Nettie op een ‘veilig’ adres in Apeldoorn zaten. Nettie heeft wellicht gebruik kunnen maken van haar contacten dáár, want ze had er gewerkt als hulpverpleegster in het “Apeldoornsche Bosch”.

Robert Gunter

Naschrift

Ca. 18 april werden we bevrijd door Canadese troepen.

Pas in de tweede helft van juni kregen we een zg. “woonvergunning” en mochten we terug naar ons (zwaar beschadigde) huis in Oosterbeek.

Op 1 september begonnen de scholen weer. Mijn schoolgebouw had de oorlog niet overleefd. Daarom werden de leerlingen ondergebracht in diverse andere ruimten in het dorp. Later dat jaar werd er een noodschool gebouwd aan de Pietersbergseweg.

Alle kinderen in Oosterbeek waren het afgelopen schooljaar blijven zitten! Ik ging naar de derde klas, bij meester Gerrit van Ginkel.

Hij leidde ons op 25 september naar de eerste Airborne-herdenking op de nieuwe Engelse begraafplaats. We kregen allemaal een foto van die eerste bloemlegging; ik heb hem nog steeds!

Met Kerstmis kregen alle kinderen cadeaus uit Engeland! Ik kreeg een prachtige doos met plakkaatverf en penselen. Tijdens die vakantie heb ik een “schilderij” gemaakt van een denkbeeldig huis. En zette erboven: “Zoo was het in Oosterbeek”.
Zó ben ik dus aan de titel van dit ooggetuigenverslag gekomen.

 

Robert Gunter , Roosendaal (NB)
mail een reactie aan Robert Gunter

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.