MINISTORY 70
STURMGESCHÜTZ-BRIGADE 280
door Chris van Roekel

 

Iedereen die zich verdiept in hetgeen tijdens de Slag om Arnhem van de gevechtshandelingen op de gevoelige plaat werd vastgelegd, kent ze: de foto’s van de Duitse oorlogsverslaggevers Jacobsen en Wenzel. Daarop zijn zegevierende Duitse S.S.-eenhe- den te zien, gesteund door gepantserde rupsvoertuigen, al of niet met groepen Britse krijgsgevangenen, via Arnhem op weg naar Oosterbeek. Velen denken dat die ‘tanks’, z.g. Sturmgeschütze, deel uitmaakten van de 9.SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’. Dat is een vergissing, want een nadere bestudering van de bemanningen van deze StuGs laat zien dat zij behoorden tot een Wehrmacht-eenheid. De voertuigen en de soldaten maakten deel uit van Sturmgeschülz- Brigade 280, en zij waren tijdelijk aan de Hohen- staufendivisie toegevoegd.
In de verslagen van en over die divisie is bijzonder weinig informatie te vinden over deze eenheid, waarvan ik van mening ben dat juist zij de ommekeer in de Slag om Arnhem teweeg bracht. Zij stuitte immers op dinsdag 19 september 1944 de opmars van de vier Britse bataljons die op weg waren naar het onder commando van Frost bezette noordelijke bruggenhoofd van de Arnhemse verkeersbrug, en dreef hen terug naar Oosterbeek.
Er zijn ook tamelijk veel foto’s van deze voertuigen op de Utrechtseweg, de Weverstraat, de Ploegseweg en de Benedendorpsweg in Oosterbeek, die later in de strijd en na de bevrijding zijn gemaakt.
We kunnen constateren dat de verslaggeving over de beslissende inzet van deze eenheid ruim onder de korenmaat is gebleven, hoewel het voor mij vaststaat dat juist zij het was die op een beslissend tijdstip de Airborne troepen ‘de das om deed’.
Verwarring is er in de Britse rapporten, waarbij steevast gesproken wordt over Duitse tanks, meestal ‘Tigers’. Hel blijkt echter dal de voertuigen, hoewel gepantserd en voorzien van rupsbanden, helemaal geen tanks waren. Het Sturmgeschütz was een stuk gemotoriseerd of gemechaniseerd geschut (in het Engels afgekort tot SP: ‘self-propelled gun’), ontworpen als ondersteuningswapen voor de infanterie. Het had geen draaibare koepel (de loop van het kanon kon alleen omhoog en omlaag), en behoorde niet tot het wapen van de pantsereenheden, maar tot dat van de artillerie. De Wehrmacht-militairen die deze gepantserde kanonnen bemanden, droegen dan ook grijsgroene uniformen; dit in tegenstelling tot de zwarte kleding van de tanksoldaten.
De bedenker van deze Sturmartillerie was de latere veldmaarschalk Erich von Manstein, die reeds als
overste in 1935 een memorandum schreef aan de Duitse legerleiding, waarin hij een lans brak voor gepantserde mobiele artillerie ter directe ondersteu-ning van de infanterie-eenheden.
Toch duurde het omdat de voorstanders daarvan in ongenade vielen bij het Nazi-regime, tot 1940 voordat in bescheiden mate Sturmgeschütze ingezet werden tijdens de Franse veldtocht.
Hier bleek dat de StuGs, zoals ze al spoedig werden genoemd, behalve ter ondersteuning van de infante-rie, een geducht wapen waren tegen vijandelijk tanks. Vooral het lage silhouet verminderde de vijandelijke trefkans, hoewel het ontbreken van een draaibare toren het schootsveld aanzienlijk beperkte. Dit gebrek kon slechts worden gecompenseerd door het gehele voertuig te laten draaien.’
Von Manstein en de later door de Slag om Arnhem bekend geworden veldmaarschalk Walter Model (commandant van de Heersgruppe B) waren echter na verloop van tijd in staal de tegenstanders te over-tuigen van de waarde van dit relatief goedkope wapen, en in het begin van de oorlog werden de volgende specificaties geformuleerd:
• Grote vuurkracht door hel aanbrengen van 75 mm geschut.
• Grote terreinvaardigheid door de plaatsing van het wapen op een door rupsbanden voortbewogen chassis.
• Voldoende bescherming van de bemanning door een flinke bepantsering.
• Een zo laag mogelijk profiel.
Hoewel vele Duitse chassissoorten voldeden aan de voorwaarden, bleek hel onderstel van de Panzer III het best te voldoen/’ Hel nieuwe voertuig kreeg daarom de naam Sturmgeschütz lil (StuG. III).
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden ver-schillende modificaties aangebracht. Toen bleek dat de pantsering van de Russische T 34 tanks te dik was voor het oorspronkelijke 7,5-cm-Sturmkanone 40 L/24, werd dit vervangen door het effectievere 7,5-cm-Sturmkanone 40 L/48 met een langere loop. Deze lange vuurmond, samen met de zware frontbe- pantsering van 50 mm (de StuGs bij Arnhem hadden zelfs een frontpantser van 80 mm), veroorzaakte een minder prettige eigenschap: er ontstond een gewichtsverstoring aan de voorkant, waardoor de manoeuvreerbaarheid in ruw terrein in nadelige zin beïnvloed werd. Hoewel het geschut werd aangedreven door een krachtige 300 pk. 11,8 liter motor van het type Maybach, werd de snelheid door deze eigenschap beperkt, temeer daar de in de loop van de tijd
Vereniging Vrienden van hel Airborne Museum

steeds maar langer wordende loopconstructie bij hel ‘duiken’ in een geaccidenteerd terrein een obstakel bleek te zijn.
Bemand door een chauffeur, een richter en een lader/marconisten voorzien van ongeveer 100 gra-naten, haalde de 22 ton zware StuG. III (de latere types, en ook die bij Arnhem, wogen 23,9 ton) een snelheid van ongeveer 40 km per uur (op de weg), en had een actieradius van 165 km op de weg en 95 km in hel terrein.
Gedurende de oorlog werden verschillende verbete-ringen aangebracht. Het geschut werd meerdere malen aangepast, en de motor onderging diverse wij-zigingen. Ook werd naarmate de tegenstander effec-tievere anti-tankwapens ging gebruiken, de bepantsering verzwaard. Dit resulteerde vanaf 1943 in een nieuwe uitvoering, het type G. In de officiële Duitse legerterminologie werd dat: StuG. III Ausf. G (Sd.Kfz.142/1 = Sonderkraftfahrzeug 142/1), voor-zien van het 7,5 cm Stormkanon 40 L/48.
Een andere variant was het Sturmgeschütz dat was voorzien van een 10,5-cm-Sturmhaubitze 42 L/28 (een, veel kortere, houwitser). Dit type werd niet Sturmgeschütz maar Sturmhaubitze genoemd (StuH.), en was bestemd voor een meer directe infan- lerie-ondersteuning.
Vanaf 1943 werden ter bescherming tegen granaten met een holle lading de z.g. ‘Schürzen’ (5mm dikke schortjes van staalplaat) aan de zijkanten aangebracht als een aanvullende bepantsering. Dit had mede tot gevolg dat hel overwicht aan de voorkant werd gereduceerd. Aan die voorzijde werd als vervanging van de blokvormige kanonsmantel de z.g. ‘Saukopf’ (Zwijnenkop) geïntroduceerd. Door de ronde vorm daarvan ketsten inkomende granaten makkelijker af. Ook werd om kleefbommen te vermijden, de carrosserie voorzien van Zimmerit, een antimagnetische pleisterlaag.’1′
Bestudering van de ‘Arnhemse’ foto’s leert ons dat we hier te maken hebben mei StuGs type G en de StuH. type 42G. Een behoorlijk aantal ervan is voorzien van ‘Schürzen’.

StuG. III type G eerste versie.
(Illustratie uil: ‘Slurmgeschiilze vor!’ van F. Kurowski)

StuG. III type G met Schürzen en Saukopf.
(Illustratie uil: ‘Stunugeschütze vor!’ van F. Kurowski)

StuH. 42G met 105 min houwitser.
(Illustratie uil: ‘Sturmgeschütze vor!’ van F. Kurowski)

In 1943 werden de inmiddels gevormde ‘Abteilungen’ omgezet in ‘Brigaden’. Dit had geen consequenties voor de organieke opbouw van de eenheid. Enkele uitzonderingen daargelaten1′ ressorteerde zij rechtstreeks onder de legerbevelvoering. Een complete brigade telde 45 StuGs, verdeeld over drie batterijen, ieder met 14 StuGs; de resterende drie voertuigen waren ingedeeld bij de staf. Per batterij waren drie secties, ieder met vier voertuigen (de overige twee behoorden tot de staf). Hiervan waren er twee uitge-rust met de StuG. type G, en één met de StuH. 42G. Het geheel stond onder bevel van een majoor; de Batterien werden meestal gecommandeerd door een kapitein.
Verder was bij elke brigade een Infanterie-Begleit- Batterie ingedeeld, bestaande uit twee pelotons Sturmgrenadiere en één peloton Pioniere.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen in totaal ongeveer 100 Sturmgeschülzbrigades in actie, die in het voorjaar van 1944 20.000 geallieerde tanks buiten gevecht zouden hebben gesteld.Vl
In 1943 werd Sturmgeschütz-Abteilung 280 gefor-meerd in de omgeving van Tours in Frankrijk. Op 14 oktober van dat jaar kwam zij onder bevel van kapitein Kurt Kühme die tot 20 februari 1945 bij de eenheid zou blijven.
Op 5 november vertrok zij naar de omgeving van Kiew in de Sovjet-Unie. Zware gevechten met hoge verliezen aan manschappen en materieel in de strenge winter van 1943-1944 volgden. Bij Tarnopol kreeg de inmiddels tot brigade gepromoveerde eenheid voor de eerste keer te maken met de 9.SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’, waarmee zij optrok om dit strategische knooppunt in handen te krijgen. In april 1944 kostten die pogingen om de omsingeling van de Duitse troepen aldaar te doorbreken een groot deel van de voertuigen. Dit temeer daar door gebrek aan brandstof een aantal StuGs moest worden opgeblazen, teneinde te voorkomen dat ze onbeschadigd in Russische handen zouden vallen.
Uiteindelijk kwam de brigade voor een hergroepering terecht in de buurt van Lemberg (Polen), en daarna werden de restanten naar Denemarken verplaatst teneinde, nadat nieuw materieel was verstrekt, opnieuw te worden getraind en aangevuld met vers personeel. In september 1944 was de eenheid weer op oorlogssterkte, en zou worden ingezet aan het westelijke front in de buurt van het Belgische Aix la Chapelle, in de driehoek Aken-Maastricht-Verviers. Toen echter kwamen de luchtlandingen van operatie Market, en werd zij, toegevoegd aan het 15e Duitse leger, per trein getransporteerd naar de Nederlandse grens, en bij Bocholt uitgeladen. De vuurdoop van zowel vele soldaten als een groot deel van het materieel vond dus plaats in en rond Arnhem, waar zeer zware verliezen aan personeel en materieel werden geleden.
Over wat bij Arnhem gebeurde, vonden wij in de Cornelius Ryan Collectie een ooggetuigenverslagje van de destijds 22-jarige korporaal Wilhelm Rohrbach, die toentertijd tot de 3C Batterij behoorde. Hij vertelt dat zij op 15 september met 40 StuGs per trein vanuit Denemarken naar Bocholt werden gebracht, en dat zij pas op 18 september 1944 op het station van Hamburg te horen kregen dat hun bestemming was veranderd. Een officier had toevallig een radiobericht gehoord waarin gesproken werd over luchtlandingen in Holland; waarschijnlijk was deze officier de enige die wist waar Arnhem lag!
sel, chocolade, sigaretten en bovenal koffie konden bemachtigen.
De korporaal noemt vervolgens het moorddadige vuur van de Britten, en de hoge verliezen die gedu-rende de zeven dagen actie, tezamen met de Panzergrenadiers van de Hohenstaufendivisie, in en bij Arnhem werden geleden. Hij vermeldt dat hetgeen zij in Rusland meegemaakt hadden, niet te vergelijken was met de verbitterde gevechten in Arnhem. Het leek wel of alle Britse projectielen doel troffen, en hij memoreert dat meteen bij het begin van de tocht door Arnhem, richting Oosterbeek zes a zeven StuGs werden uitgeschakeld. Later in het verhaal zegt hij dat zij toen de gevechten hadden opgehouden, nog de beschikking hadden over zeven a acht operationele

Een StuG. III type G lijdt vanaf Onderlangs de Utrechtseweg in Arnhem op, 19 september 1944. Op deze foto is duidelijk de Wehrmacht-bemanning te herkennen. Ook zijn de Zimmerillaag, de Saukopf, en een deel van de Schürzen te zien.
(foto Bundesarchiv, Koblenz)

Rohrbach geeft dan volgens mij een objectief en goed verslag van de wapenstilstand op 24 september, teneinde het vervoer van geallieerde gewonden vanuit de Oosterbeekse Field Ambulances naar de Arnhemse ziekenhuizen te kunnen uitvoeren, en spreekt zijn verwondering uit over de correctheid van beide partijen, vergeleken met zijn Russische ervaringen. Hij beschrijft indringend hoe angstig de grotendeels onervaren bemanningen waren vanwege de Britse methoden de StuGs van achter aan te vallen met hun Piats (draagbare anti-tankwapens), teneinde zo het kwetsbare, licht gepantserde, motor- en brandstofcompartiment te kunnen treffen.
Ook vermeldt hij de opluchting van zijn groep op het moment dat zij hoorden dat 70-tons Königstigers waren gearriveerd™’, en de lol toen zij, evenals de Britten, van rode lichlkogels gebruik maakten bij een bevoorradingsdropping, en aldus blikken met voed-
gemotoriseerde kanonnen.
Deel uitmakend van het LXIVe Legerkorps bleef de brigade tot het einde van de Slag om Arnhem in actie, en werd op 29 september per trein vanuit Apeldoorn in de richting Antwerpen gedirigeerd. Daar werd de eenheid reeds op 30 september ingezet, maar in de periode volgend hierop werd ze langzaam teruggedrongen door troepen van het 1“ Canadese en 2e Britse Leger, tot het gebied ten noorden van de Moerdijk- bruggen.
Zware verliezen noopten hier opnieuw tot reorganisaties en aanvullingen, en op 19 november werd Slurmgeschütz-Brigade 280 teruggetrokken. Vanuit Utrecht vond het transport per trein plaats. In de periode van 24 november 1944 tot 9 februari 1945 vinden we de eenheid terug in de Elzas, in verbitterde gevechten met het le Franse Leger.
Op 14 december 1944 werd de commandant, majoor

September 1944. Een StuH. 42G rijdt de Van Eeghenweg op, vanaf de Weverstraat (voorgrond) in Oosterbeek. Op de hoek ligt hel lichaam van een gesneuvelde Britse militair.
(foto Horst Brink; particuliere collectie)

Kurt Kühme, onderscheiden mei het Ridderkruis (Ritterkreuz zum eisernen Kreuz), o.a. voor zijn inzet bij Arnhem en bij Antwerpen.
Na de gevechten in de Elzas werd de brigade op 15 maart 1945 ingezet in de sector Trier-Saarbrücken, en op 26 april bevond ze zich in de buurt van Swabisch Hall, gewikkeld in wanhopige achterhoedegevechten met Amerikaanse eenheden.
Hierna volgde spoedig de volledige ondergang.
Noten
I Het schootsveld was in zijwaartse richting slechts 12°, en de elevatie -10° tot +20°
II Behalve op het Panzer III chassis, herkenbaar aan zes loop-wielen aan iedere zijde, werden ook Sturmgeschütze gebouwd op het chassis van de Panzer IV (acht loopwielen): de StuG. IV.
III Slechts de commandanten hadden de beschikking overeen zend-/ontvanginstallatie waarmee ze contact konden onder-houden met hei hoofdkwartier; de andere voertuigen konden alleen onderling berichten uitwisselen.
IV In totaal zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog ongeveer 8200 StuGs gebouwd; de meeste bij de Altmarkische Ketten- fabrik (Altkett) te Berlijn – Tegel, de Mühlenbach Industrie AG (MIAG) en de Amme-Werke in Brunswijk.
v Op een lager niveau waren slechts enkele brigades actief,
o.a. bij het Panzerkorps ‘Gross Deutschland’ en bij enkele S.S.-divisies.
Vl Gegevens uit: ‘Sturmgeschütze vor!’ van F. Kurowski.
v” Uit de literatuur blijkt dal bij Arnhem een van de batterij- commandanten, Hauplmann Werner, sneuvelde, en dat aan Obervvachtmeister Josef Mathes van de 3e Batterij postuum hel Ridderkruis (Ritterkreuz zum eisernen Kreuz) werd ver-leend vanwege zijn optreden tijdens de Slag. Hij sneuvelde op 19 september 1944.
Vl” Dit waren de 45 Tiger II tanks van de schwere Panzer- Abteilung 506, waarvan er ongeveer 15 op 24 september in Oosterbeek in actie kwamen.
Geraadpleegde bronnen:
* Kurowski, F. en G. Tornau – Sturmartillerie, die dramatische Geschichte einer Waffengattung, 1939- 1945. Motorbuch Verlag, Stuttgart, 1987.
* Kurowski, F – Sturmgeschütze vor! Fedorowicz Publishing Ine, Winnipeg Manitoba, 1999.
* Fürbringer, H. – 9.SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’. Editions Helmdal, Bayeux, 1984.
* Een ingevulde vragenlijst door, en de schriftelijke neerslag van een interview met W. Rohrbach, Düsseldorf, 1967 (Cornelius Ryan Collection, Ohio University, USA).
** Marcel Zwarts (Alkmaar) en Peter Vrolijk (Rotterdam).

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.