MINISTORY 67
COMMENTAREN EN OVERPEINZINGEN

 

Niet altijd zijn kant en klare verhalen beschikbaar die als Ministory kunnen dienen. De redactionele eisen zijn hoog, en die hebben zozoel met het onderwerp, de historische feiten, het taalgebruik, en de lengte van het verhaal te maken. We hadden niet echt iets op plank liggen dat deze keer in de reeks past. Enkele auteurs hebben werk ingeleverd afzijn in de afrondende fase daarvan, maar hun onderwerp was sim-pelweg nog niet aan de beurt.
Mede omdat we altijd weer blij zijn met kritische en actieve lezers, laten we hieronder drie leden van onze vereniging aan het woord, die respectievelijk reageren op eerdere Ministeries en zelf enige spontaan opborrelende gedachten op het papier hebben gezet. Mochten hun epistels anderen aanzetten om ook iets te verwoorden, dan worden die van harte uitgenodigd zulks te doen.

De 14e Schiffsstamm-Abteilung (II)
door Peter Vrolijk

In de vorige nieuwsbrief werd melding gemaakt van de oprichting van de Werkgroep ‘Westgruppe’. De leden daarvan zijn al geruime tijd bezig informatie te verzamelen over de Divisie Von Tettau. Daarbij wordt ook veel materiaal ontdekt dat niet direct betrekking heeft op het eigenlijke onderzoek, maar desalniettemin vaak zeer interessante informatie bevat. Uit dergelijke bronnen kunnen enige aanvullingen worden gedaan met betrekking tot Ministory No. 62 over de 14e Schiffsstamm-Abteilung geschreven door Helmut Jensen.
Deze Kriegsmarine-afdeling (14.S.SI.A.) was oor-spronkelijk gelegerd in Glückstadt, en kreeg reeds in september 1940 Breda als ‘Standort’. Dus niet pas in 1944, zoals de auteur van de Ministory vermeldt; mogelijk is hij daar toen opgeroepen.
In oktober 1943 werd het 2.S.St.Regiment (opnieuw) gevormd, bestaande uit de S.St.Abteilungen 14,16, 20, 22 en 26. Er was al eerder een 2.S.St.Regiment geweest, waartoe de 14e afdeling behoorde, maar dat was op 4 november 1939 ontbonden. Sinds die tijd viel de Abteilung rechtstreeks onder de ‘Admiral in den Niederlanden’.
Ondanks dat het hoofdkwartier van de 14.S.SLA. te Breda was gevestigd, waren de compagnieën over een groot gedeelte van midden-Nederland verspreid. Met name in de periode na de Geallieerde landing in Normandië (juni 1944), toen veel eenheden uit de kustverdediging werden gehaald en naar het front in Frankrijk en later het zuiden van Nederland werden gestuurd, zijn de compagnieën gebruikt om de gaten in de Duitse verdediging enigszins te dichten. Zo werd een deel van de Abteilung nog op 31 augustus
van dat jaar naar Amsterdam verplaatst. Wanneer het hoofdkwartier zich in Zetten vestigde, is op het moment van schrijven niet bekend, maar vermoede-lijk gebeurde dit pas in september.
De le Compagnie van de 14.S.St.A. zette zich in de middag van 17 september 1944, nadat de geallieerde luchtlandingen waren begonnen, in beweging. Dat gebeurde onder verantwoordelijkheid van het hoofdkwartier van het 15e Leger, waaronder op dat moment de operationele militaire eenheden in de regio vielen. De compagnie vertrok richting Arnhem, om zich te voegen bij de rest van de Abteilung. De sterkte van deze eenheid bedroeg 345 man, waarvan 150 ouder waren dan 50 jaar.
Een dag later werd het onderdeel tegengehouden door de Kampfkommandant van ‘s Hertogenbosch, en kreeg de bevelvoerende luitenant de opdracht zijn mannen in stelling te brengen in een inderhaast opgerichte verdedigingslinie, die was gelegen ten oosten van de stad. Zowel op 19 als op 25 september verzocht de Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden (generaal F.C. Christiansen) het 15e Leger dringend om de compagnie vrij te geven, waarschijnlijk met als doel om de eenheid in de regio Betuwe/Oosterbeek (onder bevel van generaal H. von Tettau) in te zetten. Het verzoek bleef echter zonder resultaat. Op 28 september zond de Kampfkommandant van ‘s Hertogenbosch de 150 oudere mannen naar Rotterdam, waar zij werden ingezet bij bewakingsdoeleinden in de haven, aangezien zij niet geschikt werden bevonden voor een inzet aan het front.
De le Compagnie heeft dus niet aan de Slag om Arnhem deelgenomen.
Wat betreft de overige onderdelen kan het volgende worden vermeld.
De rest van de Abteilung lag op 17 september in de Betuwe. Het Hoofdkwartier, de 2e ,3e ,4e en 5e Compagnie in (de omgeving van) Zetten, en de 6e Compagnie te Opheusden.
Na de geallieerde luchtlandingen werden de 2e en 3e Compagnie naar de zuidzijde van de Arnhemse ver- keersbrug gezonden. Het Hoofdkwartier zou volgens de Duitse verslagen op 22 september nog steeds in Zetten zijn gesitueerd (volgens de Ministory in Elden). Mocht het eerste het geval zijn geweest, dan moet de staf na de dropping van de Poolse parachutisten bij Driel (een dag eerder) gescheiden zijn geweest van de rest van de afdeling.
De 4e en 5e Compagnie werden zondag de 17e naar Nijmegen gestuurd voor het vormen van een brug-genhoofd op de noordelijke oever van de Waal. Nadat de geallieerden de rivierovergangen bij Nijmegen hadden veroverd, trok de 5e Compagnie met achterlating van het peloton zware wapens zich op Eist terug. De 4e Compagnie en het hiervoor genoemde peloton zware wapens werden als verloren beschouwd, en de commandant van de 4e Cie zou zijn gesneuveld. De eenheden in de Betuwe kwamen nadat de Arnhemse brug in Duitse handen was gevallen (21 september) onder het bevel van de Kampfgruppe Knaust. Over de samenstelling en inzet van deze groep hopen we in de nabije toekomst een artikel, wellicht in de vorm van een Ministory, te publiceren.
De 6e Compagnie werd op 17 september via het Grebbeveer over de Rijn gezet, en werd onder bevel gesteld van de lO.S.St.A. In de dagen daarna trok men op langs de rivier in de richting van Heveadorp, en nam uiteindelijk stelling in de omgeving Westerbouwing – Kasteel Doorwerth, ter voorkoming van mogelijke geallieerde overzetpogingen.
Over de gevechtswaarde van de 14.S.St.A. schreef de chef-staf van de 9e SS Panzer Division (SS-Hauptsturmführer G. Scheffler) op 28 september 1944 het volgende in zijn verslag:
“Schiffs-Stamm Abt 14, Kdr. Fregattenkapitan Hauck, war seit dem 17.9., dem ersten Tag der fdl. Luftlandungen im hiesigen Raum, als Infanterie- Einheit für Abwehr- und Sicherungs-aufgaben ein- gesetzt. Die Abt. verfügt über eine ausreichende Anzahl von Inf. Waffen, (686 Gewehre, 84 Pistolen, 27 M.Pi, 21 le.M.G,. und 5 s.M.G.) sowie über 2 russ. Beute Pak.
FührungsmaBig ist die Abt. für den infanteristischen Einsatz nicht besonders geeignet, da den Offizieren und Unteroffizieren die Schulung und Ausbildung für einen derartigen Einsatz fehll. Die Waffenausbildung der Mannschaften ist ausreichend. Die Kampfgeist ist zufriedenstellend.
Zusammenfassend wird die Abt. für einen Angriffskampf als schlecht, für einen abwehrmaBigen Einsatz als Sperr-Einheit für durchaus geeignet ange- sehen.”
(14 S.St.A., onder commando van fregattenkapitein Hauck, was sinds 17 september, de eerste dag van de vijandelijke luchtlandingen in deze omgeving, als infanterie-eenheid met verdedigings- en beveiligings- taken ingezet. De afdeling beschikt over een voldoende aantal infanteriewapens (686 geweren, 84 pistolen, 27 machinepistolen, 21 lichte mitrailleurs, en vijf zware mitrailleurs) en over twee (veroverde) Russische anti-tankkanonnen. Qua bevelvoering is de afdeling voor een inzet als infanterie niet bepaald geschikt, omdat de officieren en de onderofficieren de training en opleiding voor een dergelijke inzet ontberen. De wapenbeheersing van de manschappen is voldoende. De strijdvaardigheid is bevredigend.
Samenvattend wordt de afdeling voor aanvallende acties als slecht, voor de verdediging (blokkade) als absoluut geschikt beoordeeld.)
De hierboven genoemde naam Hauck komen we overigens ook als Hauth tegen. Onduidelijk is nog welke de juiste is.
De sterkte van de Abteilung bedroeg op 28 september: 11 officieren, 90 onderofficieren en 578 manschappen. Behalve de 14.S.SI.A. werd een groot aantal Kriegsmarine-eenheden ingezet tijdens de Slag om
Arnhem. De lO.S.St.A. is al aangehaald m de M nistorv. De volgende marine-onderdelen waren er N dan ‘niet gedeeltelijk) eveneens bij betrokken. 20SStA, 22.SSt.A„ Marineschützen Battene 250, 1 Flottenstamm Regiment, en nog enkele kleinere onderdelen. Over deze eenheden zoeken we nog nadere gegevens.

Bronnen
Kriegstagebuch (KTB) Admiral in den Niederlanden für die Zeit vom 16. – 30. September 1944;
KTB LXXXVIII Armee Korps, augustus 1944;
‘Betr.: Kampfwert der der Div. unterstellten Marine- Einheiten’, 28 september 1944 (rapport van de 1. Generalstabsoffizier van de 9.SS-Panzer-Di vision ‘Hohenstaufen’);
Tagesbefehl 28.9.44, General Kommando 2.SS Panzer Armee Korps;
‘Die deutsche Kriegsmarine 1939-1945 – Gliederung – Einsatz – Stellenbesetzung’ (verschenen tussen 1956 en 1964, als losbladige uitgave; samenstellers: Walter Lohmann en Hans H. Hildebrand).
* Met dank aan Hans Jehee.

De fatale rit van kapitein Kavanagh (II)
door Hendrik J. Oberink

Het verslag van de heer Philip Reinders (Ministory No. 65, februari 2000) is duidelijk en logisch opge-bouwd, en getuigt van een grondige research.
Waarmee ik wel enige moeite heb, is de naar mijn mening tè positieve waardering voor de uitgevoerde actie. De eindconclusie dat de mannen van het Royal Army Service Corps (RASC) een moedige poging hebben ondernomen om de voorraden voor de divisie te verzamelen, is te mager. Men leest dit wel vaker in publicaties over de Slag om Arnhem; in feite mislukte operaties van Britse zijde worden steevast omschreven als doortastend, moedig en opofferend, terwijl over mogelijke punten van kritiek vaak vergoelijkend wordt gesproken.
Als we proberen aan geschiedschrijving te doen, dan gaat het om een zo goed mogelijke analyse van de verzamelde gegevens. De conclusie over de actie van kapitein Kavanagh zou ook kunnen luiden: ‘een slecht voorbereide en uitgevoerde actie, met als gevolg een nodeloos verlies van mensenlevens’. En daarvoor verdient een officier beslist geen medaille! Een hard oordeel? Helaas ja. Dit ondanks het feit dat kapitein Kavanagh, nadat hij merkte dat alles fout liep, zich opofferde om de aftocht van zijn mannen te dekken.
Laat ik proberen duidelijk te maken wat ik bedoel, door de voorbereiding en de uitvoering van de actie nader te bekijken.

Voorbereiding
Het peloton van kapitein Desmond Kavanagh bevond z.ch op 19 september 1944 bij de eigen compagnies-commandopost RASC onder leiding van luitenant-
kolonel St.J. Packe. Deze was in de nabijheid van het divisiehoofdkwartier, bij Hotel Hartenstein gevestigd. ‘ 6
Dat HQ (Sectie Operatiën en Inlichtingen) was op de hoogte van het feit dat het 10e en het 156e Parabataljon van de 4e Parabrigade de gevechten rond de Johannahoeve zouden afbreken. En dat de Dreyenseweg naar hotel de Leeren Doedel en omgeving in Duitse handen was.
Het 7e Bataljon The King’s Own Scottish Borderers (KOSB) zou ter plekke de aftocht van de 4e Para-brigade dekken. Dat was bekend bij overste Packe, en derhalve ook bij zijn commandopost.
De rond de Lichtenbeek/Klein Warnsborn gedropte voorraden lagen dus in vijandelijk gebied. Overigens, zouden dit de manden en containers kunnen zijn van de foto in Ministory No. 60 van oktober 1995?
Ik kan me niet voorstellen dat kapitein Kavanagh vanuit het divisiehoofdkwartier of van zijn eigen compagniescommandant opdracht/toestemming zou krijgen voor het uitvoeren van de beschreven actie, zonder dat eerst een grondige terreinstudie, ver-kenning, coördinatie en plan voor de uitvoering waren opgesteld.
Het lijkt mij daarom eerder een bij kapitein Kavanagh spontaan opgekomen plan. Op zich wel begrijpelijk, want het moet voor deze jonge 25-jarige officier bevoorrading zeer frustrerend zijn geweest te weten dat de containers en manden die hij bij de diverse divisie-eenheden zou moeten afleveren, in vijandelij-ke handen kwamen. Vandaar dit doldrieste plan, dat eigenlijk geen plan is. Een analyse van de relevante factoren van invloed (opdracht, eigen troepen en mid-delen, vijand, en terrein) heeft niet plaatsgevonden. Een dergelijke beoordeling van de toestand (ook in een kort tijdsbestek uitgevoerd) dient te allen tijde te worden gemaakt; juist om te voorkomen wat helaas is geschied.

Uitvoering
Ook in de uitvoering zijn basisfouten gemaakt’ Hoe is het mogelijk dat men in een colonne met vier tot vijf jeeps/aanhangers op pad gaat vanuit de omgeving van Hotel Hartenstein, en de Duitsers c.q. vijandelijk gebied tegemoet rijdt zonder een voorafgaande verkenning, en coördinatie met eigen troepen ter plekke (bijvoorbeeld met 7th KOSB)?!
Er is tijdens de rit geen verkenner vooruit gestuurd die controleerde of de route veilig was, om in dat geval dan sprongsgewijs de rest van de jeeps te laten aantrekken. Mocht de vijand deze scout uitschakelen, dan is de rest van de colonne gewaarschuwd. Overigens, kapitein Kavanagh had een verkennings- ploeg. Deze reed in de tweede jeep (waarom niet voorop?).
Er werd niet voldoende tussenruimte bewaard. Men reed zo dicht op elkaar, dat toen de eerste jeep weid getroffen, de rest er bovenop knalde!
Bij dit soort acties dient men uit veiligheidsoverwe-gingen toch wel 25 tot 50 meter afstand tussen de voertuigen te bewaren, om bij calamiteiten te kunnen reageren.
De commandant, kapitein Kavanagh, reed voorop, en hij maakte op deze manier een goede kans om als eer-ste te sneuvelen. Een bevelvoerende officier wordt desondanks geacht in een actie zijn manschappen te leiden door vooraan te rijden, maar niet voorop. Toen het misging, dekte de commandant de terugtocht van zijn mannen, waarbij hij inderdaad zijn leven heeft opgeofferd. Wellicht heeft hij op het moment dat alles in de soep liep, zich gerealiseerd dat deze onderneming verkeerd was aangepakt, en wilde hij toen nog redden wat te redden viel. De overlevenden zullen hem hiervoor terecht dankbaar zijn. We zullen nooit meer te weten komen wat op dat moment door zijn hoofd is gegaan.
Zouden de lichamen van de gesneuvelde Britten dezelfde zijn als de stoffelijke resten die G.H. Maassen sr. zag op zondag 24 september 1944 (Ministory No. 35 van augustus 1992)?

Naschrift
Er zijn meer voorbeelden van Britse commandan-ten/officieren die vooropgingen in een actie. Men is het liefst daar ‘where the action is…’ Gezien de Engelse traditie van ‘Regimental spirit’ en ‘Honour’ is dit wel verklaarbaar, maar een en ander heeft ook vaak te veel en te vroeg slachtoffers gekost, en dus een gemis veroorzaakt aan mensen voor een adequate vervolg-commandovoering.
Enkele voorbeelden zijn: de generaals Urquhart en Lathbury, samen op weg naar het bataljon van It.-kol. Frost; (plaatsvervangende) commandanten die om ‘relatief kleine zaken’ op verkenning of onderzoek gingen, zoals de majoors Sherriff en Gough; of kapi-tein Queripel van het 10e Parabataljon bij ‘La Cabine’, en kapitein Kavanagh, die allebei als commandant de aftocht van hun eenheid dekten.
Wellicht is de Britse commandovoering een goed onderwerp voor een Ministory.

Bureau-bespiegelingen
door John Waddy

Voor oude soldaten is het een favoriet tijdverdrijf om de lang geleden meegemaakte veldslagen regelmatig dunnetjes over te doen, dus laten we ons er nog eens keer in verlustigen.
Noot redactie: John Waddy was ten tijde van de Slag om Arnhem als majoor ‘Officer Commanding’ B Company, 156 Para Battalion.
In de afgelopen jaren is veel, te veel, geschreven over de fouten die op hoog militair niveau zijn gemaakt bij de planning van operatie Market Garden. Zoals bij-voorbeeld over het besluit om de verkeersbrug bij Nijmegen niet de hoogste prioriteit toe te kennen als doel voor de 82nd (US) Airborne Division. Of de beslissing om geen landingen van de Britse Airborne Division toe te staan ten zuiden van de Rijn, of dichter bij Arnhem dan vijf tot zes mijl. En het algemene beleid om per dag slechts één ‘lift’ te laten vertrekken. Om wat dit laatste punt betreft helemaal correct te zijn: de United States Army Air Force was niet getraind voor nachtvluchten. De commandant van de Royal Air Force die Arnhem en omgeving in portefeuille had, stelde voor dat zijn meer ervaren bemanningen op 17 september 1944 een tweede vlucht zouden uitvoeren, die dan hoogstwaarschijnlijk in de schemering zou plaatsvinden. Zijn aanbod werd niet aanvaard. Deze extra inzet van vliegtuigen had de hoofdmacht van 4th Para Brigade en de Polish Parachute Brigade, zes bataljons, op de eerste dag in actie kunnen brengen.
Deze fouten, samen met andere belangrijke factoren (zoals het weer, en natuurlijk de snelle reactie van de vijand) zorgden ervoor dat de operatie het grote doel niet bereikte. Hoewel, met een klein beetje geluk zou ook dat nog voor elkaar zijn gekomen.
Echter, bij de planning werden nog meer fouten gemaakt door ons divisiehoofdkwartier die bijdroe-gen aan de hierboven genoemde, grote miskleunen. Zo was daar het gebrek aan onderkenning van het belang van de hoogte van de Westerbouwing en van het Drielse Veer. En de overvoorzichtigheid door het gebruik van de gehele, numeriek sterke, Airlanding Brigade, alleen maar om de landingszones (LZ) voor de tweede lift te beschermen. Ist Para Brigade moest helemaal in d’r eentje de Arnhemse bruggen veroveren, en ook nog eens posities innemen op de belangrijkste aanvoerwegen naar de stad vanuit het noorden. Een van de Airlanding bataljons, met haar extra vervoermiddelen, had dat kunnen doen. Een tweede bataljon van die brigade had de aanval op Arnhem kunnen ondersteunen. De verdediging van de lan-dingszones had overgelaten kunnen worden aan het resterende bataljon, samen met de vele soldaten van de ondersteunende eenheden. En niet te vergeten de 550 zweefvliegtuigpiloten en de 180 soldaten van de Independent Parachute Company (Pathfinders).
Daar staat tegenover dat generaal Urquhart niet veel wist over de Duitse sterkte en posities. Hij maakte zich dan ook zorgen om de snelheid van hun reactie en het sturen van versterkingen; uit ervaring wist hij hoe vlug en krachtig dat zou gebeuren.
Een andere fout in de planning die misschien over het hoofd wordt gezien, was de volgorde bij het landen. De Airlanding Brigade, die de landingszones moest beschermen, kwam het eerst naar beneden (na de Pathfinders) op zone ‘S’ om 13.00 uur. Daarna volgden de divisie-eenheden op LZ ‘Z’. Ist Para Brigade moest zo snel mogelijk de bruggen bezetten, maar zweefde aan haar valschermen pas rond 13.50 uur richting ‘drop zone’ (DZ) ‘X’; het 2nd en 3rd Battalion marcheerden eerst om 15.00 uur af (twee uur en 20 minuten nadat de Pathfinders aan de grond waren gekomen). Het Reconnaissance Squadron, waarvan de taak was om als eerste bij de verkeersbrug te komen door middel van een ‘coup de main’-aanval, landde in twee gedeelten. De jeeps kwamen per glider (LZ ‘Z’) om ca. 13.30 uur, de beoogde inzittenden werden geparachuteerd (rond een half uur later, op DZ ‘X’). Het duurde natuurlijk enige tijd voordat ze elkaar hadden gevonden bij het rendez-vous punt op DZ ‘X’. Om 15.40 uur (drie uur na de Pathfinders) ging de eerste Troop op weg.
Er is wel eens gezegd dat een beter landingsplan er als volgt zou hebben kunnen uitgezien:
• Het Reconnaissance Squadron landt als eerste op LZ ‘L’ (dichter bij het doel) om 13.00 uur, met de bemanningen en de jeeps in zweefvliegtuigen. De eerste troepen zetten zich in beweging na,
misschien al, een half uur;
• Om 13.10 uur wordt Ist Parachute Brigade afge-worpen boven het zuidelijke deel van DZ ‘Z’. Een uur later zijn zij klaar om te vertrekken;
• De Airlanding Brigade landt op LZ S om 13.30 uur. Zij wordt na twintig minuten gevolgd door de divisie-eenheden.
Deze volgorde zou het Reconnaissance Squadron een tijdsvoordeel van meer dan twee uur geven. En de winst voor de Para Brigade zou zo’n 50 minuten bedragen. Deze tijdsverschillen zouden van groot belang zijn in de race naar de bruggen. Voordat het SS-bataljon van Krafft en de voorste patrouilles van de 9.SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’ hun blokka-des konden opzetten, zouden de geallieerde luchtlan-dingstroepen al gepasseerd zijn.
Op de tweede dag zou 4th Para Brigade op LZ ‘L’ landen in plaats van op DZ ‘Y’, en dat bracht hen veel dichter bij hun uiteindelijke doelen, ten noorden van Arnhem.
Het is ook een punt van discussie of tijdens de eerste lift waardevolle vliegtuigruimte is gebruikt voor het vervoeren van logistieke eenheden die niet meteen essentieel waren. In hun plaats zouden meer ‘bajonetten’, bijvoorbeeld een bataljon van 4th Para Brigade, overgevlogen kunnen zijn.
Interessant is het om te weten dat de 82nd en lOlst US Airborne Divisions op de eerste dag elk drie Parachute Regiments dropten (ieder regiment is bijna een brigade). Het 82c gebruikte slechts 50 gliders, voornamelijk geladen met artillerie; het I01e vervoer-de voor het merendeel transportmiddelen voor hun parachutisteninfanterie, in 70 zweefvliegtuigen Het wordt geheel en al begrijpelijk gevonden dat we nu, met het grote voordeel van achteraf praten, al deze fouten, als het al fouten zijn, wat gemakkelijker kunnen aanvaarden en onderkennen. En we moeten ons ook realiseren dat de oorspronkelijke plannen in een heel kort tijdsbestek en op volle snelheid gemaakt moesten worden. Daarbij had men slechts een vaag idee van hoeveel Duitsers met welke bewapening waar zaten.
De aandachtspunten in dit artikel zijn niet geplaatst met het doel kritiek te leveren op onze commandan-ten en stafofficieren. Ze worden hier naar voren gebracht om te dienen als basis voor een discussie tussen hen die geïnteresseerd zijn in het bestuderen van militaire geschiedenis in het algemeen, en de Slag om Arnhem in het bijzonder. Tegelijkertijd zou het commentaar van nut kunnen zijn voor de huidige lichting soldaten die in de toekomst mogelijk betrokken worden bij het voorbereiden van een luchtlandingsactie, hetzij per parachute of per helikopter. Een dergelijke operatie loopt het risico te mislukken als de ‘airborne force’ met op de juiste plaats op het goede moment in de correcte volgorde aan de grond wordt gezet, teneinde daar de tactische opdracht te kunnen uitvoeren. De commandant van die strijdmacht moet het laatste woord hebben bij de planning van het overvliegen en het landen.
Het aloude spreekwoord gaat nog steeds op: ‘Zij die de lessen van de geschiedenis negeren, zullen opnieuw dezelfde fouten maken’. Wie opent c.q. vervolgt de discussie?

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.