MINISTORY 66
DRIE ENGELSEN IN ONZE KELDER
door Netje Carp-Heijbroek

 

De aantekeningen uil een klein dagboekje die ik als 17-jarig meisje opschreef zittende in de kelder tijdens de slag om Arnhem en later uitwerkte in onze evacuatietijd in Amsterdam, aangevuld met gegevens uit de memoires van mijn Vader geschreven in 1950 en de herinneringen van mijn broer Daan uit 1993, vormen de bronnen van dit verhaal over onze belevenissen met drie Engelse militairen, verborgen in onze kelder.
Na ‘Dolle Dinsdag’ stuurde mijn Vader iedere dag een verslag van de situatie in Oosterbeek aan zijn oudste dochter en zijn twee ondergedoken zoons. In dit bulletin, zoals hij het noemde, vertelde hij over de situatie in het dorp, en over het komen en gaan van vele Duitse militairen. De meesten kwamen van de slagvelden in Normandië, en werden hier opgevangen, opnieuw geplaatst en getraind. Alle hotels zaten vol. De Bilderberg met grijze muizen (van het vrouwelijke hulpkorps), de Tafelberg met hoge officieren, en zelfs een Veldmaarschalk werd verwacht in Hotel Hartenstein.
De grote huizen hadden inkwartiering. Ook wij hadden twee grijze muizen, een officier en zijn adjudant, die gelukkig na Dolle Dinsdag vertrokken. Een paar dagen voor de landing kregen we inkwartiering van acht Wehrmacht-soldaten met een 75 mm kanon en een auto met rupsbanden. Zij behoorden tot de beschermingstroepen van het hoofdkwartier.
Mijn Vader schreef op 7 september:

“ Gisteren maakten we een prachtige aanval van Typhoons mee. Zij beschoten alles wat op de wegen reed en schoten in Wolfheze een munitie trein in brand, die 3 uur lang heeft geploft.”

Op 10 september kwamen de heer en mevrouw Pekelharing, die in Hotel Hartenstein geëvacueerd zaten, bij ons in huis wonen, daar de Duitsers het hotel hadden gevorderd.
Uit al deze bulletins bleek een groot vertrouwen in de goede en nabije afloop van de oorlog.
Dat deze hoop zo tenietgedaan werd, vertelt nu het verhaal van het kleine dagboekje.
Op die prachtige zondag van 17 september 1944 was de lucht vol vliegtuigen. Overal om ons heen werd gemitrailleerd en gebombardeerd, vooral Wolfheze had het zwaar te verduren. Rodekruisauto’s reden af en aan. Vele vluchtelingen kwamen langs, beladen met het weinige wat ze nog mee konden nemen. De Duitsers waren nerveus, de Wehrmacht trok terug, maar niet de onze
Toen we om 13.00 uur aan tafel zaten, die gedekt was in de waranda, kwam Hans Borggreve, onze buurjongen, opgewonden aanlopen: ‘er dalen parachutes op
de Wolfhezerheide’. We renden naar boven op het dak, waar we net goed en wel waren of we tuimelden weer terug omdat een vliegtuig luid mitraillerend overvloog. Overal zagen we grote vliegtuigen die langzaam overvlogen, en de kabels van de losgelaten zweefvliegtuigen achter zich hadden hangen.
Mijn Vader stelde meteen de noodtoestand in (als oud-officier had hij alle mogelijkheden voorzien, en zette de organisatie in). Ieder lid van de familie had zijn taak. Koffer pakken met kleren en belangrijke papieren, een stoel zetten in een uitgezocht veilig gangetje vlak bij de kelder, daarop een plaid en een warme jas. Baden vullen, flessen vullen met schoon water enz
Ons huis stond in Oosterbeek bij de kruising Utrechtseweg/Van Borsselenweg/Valkenburglaan. Het was een groot oud huis, gebouwd in 1830 op de fundamenten van een oude herberg. Het stond in een bocht van de Utrechtseweg, en het kanon van de Duitsers bestreek het westen en het oosten daarvan. Tegenover ons huis was het landgoed de Sonnenberg nog niet bebouwd,, maar hel bestond uit een kasteel mei een groot romantisch park. Onze tuin grensde aan de oostzijde aan de Van Lennepweg, en aan de westzijde aan de Van Borsselenweg. Aan de zuidzijde

Een gedeelte van een plattegrond van Oosterbeek uit ca. 1939 toont onder andere de omgeving van het in dit verhaal beschreven huis Valkenburg.
(Collectie Gemeentearchief Renkum)

begon het terrein van ‘De Oorsprong’, waar een beekje ontsprong.
Achter in onze tuin had mijn Vader een schuil-loop- graaf gemaakt en ingericht. Mijn Moeder, mijn jongste zusje van 15 jaar en ikzelf moesten daar naartoe toen de eerste Engelsen kwamen. Er was bij die loopgraaf een theekoepeltje, en daar hebben we met ons drieën gelegen, de kogels vlogen om ons heen. Wij wisten niet wat bij het huis gebeurde, en maakten ons grote zorgen. Gelukkig hoorden we de buurjongen roepen: ‘we zijn vrij’, en we renden naar ons huis, waar we rijen Tommy’s zagen lopen, komende uit Wolfheze.
Wal was er gebeurd in de tijd dat wij in de loopgraaf waren?
De Wehrmachtsoldaten kregen van een Feldwebel opdracht om te vertrekken; wat een opluchting. Mijn Vader schreef:

“Een eerste patrouille Engelsen kwam langs het huis; ze wuifden en marcheerden door naar Arnhem. Een tweede patrouille kwam in ons huis en een officier met mank been vroeg of ik hem kon zeggen waar hij was. Hij toonde mij een Engelse kaart, waarop mijn huis vermeld stond. Ik gaf hem de raad direct door te marcheren naar hotel ‘De Tafelberg’, waar vermoedelijk hoge Duitse officieren zaten. Juist toen de derde groep Engelsen mijn huis naderde, kwamen 2 vrachtauto’s vol vluchtende Duitse soldaten aanrijden. De Engelsen scholen alle banden stuk, de Duitsers vlogen in de tuinen van de Van Borselenweg en het terrein van ‘De Sonncnberg’. waarna een gevecht volgde. De Engelsen schoten door de ramen van het huis”.

Een jonge Duitser werd neergeschoten bij een lindeboom. Hij lag daar heel rustig, net of hij bij de natuur hoorde. Het was de eerste dode die ik zag, en ik moest denken aan zijn jonge leven.
Alle buren van de Van Borsselenweg verzamelden zich in onze tuin. We gaven de Engelsen water en veel vruchten. We hadden de vruchtbomen net geplukt, Wat waren we blij met onze bevrijders. We praatten met ze in ons beste Engels, wat na vier jaren Duitse bezetting niet veel training had gehad, Onder de Britten waren ook enkele Nederlanders, waaronder een Bakhuis, ‘geen familie van de voetballer’ zei hij.]) Wat waren we blij elkaar te zien. Tegen het einde van de middag moesten we van de Engelsen in ons huis; het werd te gevaarlijk.
Toen het weer rustiger werd, gingen de eerste groe-pen weg, en maakten plaats voor volgende parachu-tisten. Zij waren zichtbaar vermoeid van de lange tocht en de gevaren. Ook zij kregen water en vruch-ten.
Ons huis was nu vol met Britten. Overal liepen ze met radiootjes, ze kookten hun potjes eten, en verwenden ons met heerlijke chocolade, sweets en tabak. Wat zagen we veel nieuwe dingen. Jeeps, waarop ook gewonden werden vervoerd, kleine opvouwbare fietsjes en motorfietsjes.
We haalden onze radio te voorschijn, en doordat er nog stroom op halve kracht was, luisterden we naar de berichten. Ook telefoneerde ik met mijn vriendin, Lili Engel berts, in Arnhem. We gingen vroeg naar bed, terwijl de Engelsen door ons huis zwierven.

De volgende morgen was het rustig. We gingen het glas van de kapotte ruiten opruimen. Samen met onze buurjongen verzamelde ik kussens uit alle omliggende huizen. We brachten die naar de gewonden die lagen in de dépendance van Hotel De Bilderberg. Op de Utrechlseweg zagen we drie gestrande auto s: Eén Engelse met een gesneuvelde Tommy er in, een Engels karretje; en een grote Duitse auto waar vier gesneuvelde Duitsers inzaten en uithingen. Het was een naar gezicht, maar het had ook iets onwezenlijks. We waren nog niet goed en wel op de terugweg of er kwamen rijen Tommy’s aan, voorzichtig sluipend achter de bomen. Het sein was onveilig. We vluchtten in de J.P. Heije Stichting, die de Duitsers overhaast hadden verlaten, met achterlating van geweren en munitie, en later hoorde ik ook van verbandmateri- aal. We vluchtten achter de huizen, door de tuinen, en kwamen veilig thuis, waar we met gejuich werden ontvangen door de zeer verontruste familie.
Toen maandagavond de tweede groep Airbomes aan kwam lopen, was de stemming veel minder opge-wekt. De Engelsen waren midden tussen de tanks en het geschut van de Duitsers gedaald. Er was toevallig een pantserdivisie op weg naar Duitsland. Deze werd direct in Oosterbeek ingezet (woordelijk uit mijn dagboekje).
Dat alles niet liep zoals verwacht was, was voor ons ook merkbaar. De Britten begonnen zich in onze tuin in te graven. Op de Van Lennepweg, langs de heg van onze tuin, gingen wij nog kijken, en we zagen hoe ze in de loopgraven hun thee maakten.
We bleven allen rondlopen met vruchten en water. We spraken veel met hen in ons beste Engels, en we werden door hen verwend. Ze gedroegen zich heel correct.
Uit vele huizen waren de onderduikers te voorschijn gekomen. Eerst nog heel voorzichtig. Wat waren we verrast een van onze buurjongens, Wessel Lingbeek, terug te zien. En wat waren we blij dat de Nederlandse vlag van de huizen wapperde, getooid met de oranje wimpel. Een bord ‘Selbstandiges Quartiermachen isl verboten’, dat in onze tuin stond, werd met de hele buurt naar beneden gehaald.
De nacht van maandag op dinsdag hadden we onze eerste vluchtelingen. Een jongen en een meisje. Zij hadden hun Vaders in Wolfheze opgezocht, en kon-den niet meer terug naar huis.
Berichten uit het dorp kregen we niet, alleen nieuws van de Engelsen en van sommige vluchtelingen, meestal komend uit Wolfheze. We hadden geen idee wat er in hel dorp gebeurd was. De elektriciteit deed het niet meer, en dus hadden we ook geen radio. We leefden in ons buurtje als op een eiland.
Dinsdagmorgen vroeg, na een onrustige nacht, waren we allen om 07.00 uur op. Een uur later vertrok de sergeant-majoor met het rode oog. Hij had met zijn manschappen in en om ons huis gelegen. Onze vluchtelingen vertrokken richting Oosterbeek. We begonnen weer met hel glas op te ruimen om het huis.
Er zalen Duitse krijgsgevangenen in de J.P. Heije Stichting. En wat de bezetter betreft, hadden we ook gehoord dat een groot kanon bij de Kema stond, en dat een tank was ingegraven bij Bato’swijk

Op een gegeven moment kwamen verschillende geallieerde officieren met stafkaarten in ons huis confereren. Mijn Vader was daarbij, en adviseerde hen ook naar Driel en de Westerbouwing te gaan. Hij kreeg de indruk dal ze weinig wisten van wat zich in de omgeving afspeelde. Bij die bespreking was ook een luitenant aanwezig, die zijn regiment was kwijtgeraakt. Hij hoorde in Schaarsbergen te zijn, maar was verkeerd terechtgekomen. Het was de eerste kennismaking met een van onze latere Engelse onderduikers.
De situatie werd spannender. Steeds meer Engelsen groeven zich in, om ons huis. Er stond een mitrailleur op het platte dak van onze keuken. Mijn zusje en ik bleven rondlopen met water en vruchten, en spraken met vele Engelsen. Vooral het contact met een Schot McKinley, die zijn voorraadkar met munitie bij onze waranda, onder de linde, had verborgen, was groot. Door ons huis zwierf ook een onderduiker die de Tommy’s hielp.
Het grootste probleem voor de Engelsen was het slecht werken van de radio’s. Overal waren ze daar-mee bezig.
Die middag kwamen weer grote vliegtuigen overvliegen. Boven ons hoofd ging plotseling een luik open. Er kwamen manden en containers naar beneden aan parachutes. Het waren de weinige die in goede handen vielen. De parachutes mochten wij hebben. Deze gebruikten we later om de gaten in het dak te bedekken.
‘s Nachts hadden we twee gewonden in huis, die later
door twee rodekruissoldaten werden weggebracht naar Oosterbeek.
Woensdag werd het zo gevaarlijk dat we steeds in het gangetje op onze stoelen moesten zitten. We mochten niet meer buiten komen. De Engelsen waren vol zorg voor ons.
Alle mensen in de buurt trokken zich weer terug in hun huizen. Van de Engelsen hoorden we dat Frost de brug bereikt had, maar dat er hevig gevochten werd. Toch geloofden en hoopten we nog op de goede afloop ‘Dempsey is coming’, maar hij kwam niet, hij zat vast in Nijmegen.2) Wij hoorden ook dat in Oosterbeek hard gevochten werd. De gezichten van de Engelsen werden steeds somberder.
Er werd veel geschoten, ook door sluipschutters in de bomen. Op een gegeven moment kwamen drie gra- naattreffers op de keuken en de provisiekamer. Een grijze wolk van stof kwam door ons huis, en op streng advies van de Engelsen tuimelden we de kelder in. Iedereen vergat zijn koffer en zijn plaid.
Dat was het begin van de lange tijd in de kelder, en ook het begin van de geschiedenis van de drie Engelsen.
De eerste uren verliepen vol afwisseling. Bij elke gra- naattreffer werd de deur van de kelder geopend: ‘Is all O.K. in the cellar?’ ‘Yes’. ‘Stay in the cellar, it is still dangerous’.
We zaten met zes mensen in de kelder. Mijn ouders, de heer en mevrouw Pekelharing, mijn jongste zusje

Hel huis Valkenburg, op de oostelijke hoek Van Borsselenweg/Utrechlseweg, gezien vanuil het noordwesten, in de winter van 1942.
(Collectie inw. J.T. Carp-Heijbroek)

van 15 jaar, en ikzelf, 17 jaar. Ik had net dat jaar eindexamen gedaan op de Van Limburg Stirumschool in Arnhem.
De vrij ruime kelder met een gesloten trap naar boven, had langs de muur rekken, waarop weckflessen met groenten uit de tuin stonden. Er was een deur naar de verwarmingskelder. Daar stond een kolen- gestookte verwarmingsketel. En er was een stortgat voor kolen, dat uitkwam op een binnenplaatsje. In die kelder was een klein raampje met tralies. In de grote kelder was een groot raam met een keldergat, waarboven een groot rooster. Ook was er een silo, die vol was met nieuwe aardappelen. Er lagen een paar ten- nisstoelen.
Al heel gauw werd er een gewonde binnengedragen. Het was de Schot van het karretje, die aan beide benen gewond was. Hij had veel pijn, en toen hij door twee hospitaalsoldaten was verbonden en een morfine- injectie had gekregen, maakten we een bed voor hem van een jas en een plaid. Nadat hij een sigaret had opgestoken, praatte ik een beetje met hem. Hij bood toen al zijn sweets en chocolade uit zijn karretje aan, niet wetende dat we later, toen we uit de kelder kwamen, nauwelijks zijn karretje konden terugvinden. Op dat moment kwamen er een paar officieren in onze kelder om overleg te plegen. Zij gingen weer weg, alleen de luitenant bleef achter. De gewonde Schot werd door de rodekruis-soldaten weggebracht; zij kwamen later weer terug in onze kelder.
De luitenant ging naar boven, en kwam terug met een uit elkaar gesprongen stengun, die hij in de kelder weer probeerde in elkaar te zetten. Later hoorde ik via een andere Engelsman dat hij gevochten had bij ons koetshuis.
Die nacht sliepen we met de drie Britten in de kelder. Het was een moeilijke emotievolle nacht. We hebben niet veel geslapen. Er werd veel geschoten, en het was een groot lawaai. We lagen en zaten op de koude vloer van de verwarmingskelder.
De volgende morgen (donderdag) hoorden we om een uur of tien een groot gestommel. De deksel van het kolen-storlgat werd geopend, en daar tuimelden 16 vluchtelingen uit Ooslerbeek naar beneden. Het waren vier gezinnen: zeven volwassenen en negen kinderen, waarbij hele kleintjes. Gelukkig hadden we een doos Verkade speculaasjes, lang bewaard door mijn Moeder. Daarmee vingen we de kinderen op. Ze waren allen gevlucht uil de Mariaweg. Ze vertelden dat er zwaar werd gevochten in de straten. Bij bakker Riksen was dwars door het huis geschoten, zodat ze bang waren geworden en de kant van Heelsum op waren komen lopen. De Utrechtseweg lag vol met takken, en was moeilijk begaanbaar. Ze vertelden dat bij het huis van de heer Poort een grote witte parachute over de weg lag, waaronder vele doden waren verborgen. De Engelsen vonden de situatie zo gevaarlijk dat zij de vluchtelingen bij ons in de kelder brachten.
Het was een wonderlijke situatie in onze kelder. Daar zaten we nu met 25 mensen, waaronder drie Britse militairen.
Boven ons hoofd werd flink gevochten. Om 12.00 uur
hoorden we plotseling harde voetstappen; de deur van de kelder werd geopend, en weer dichtgedaan. Mijn Vader zat onder aan de trap met een witte vlag. Na een tijdje werd de deur weer open gedaan. Mijn Vader zei ‘Hello Tommy’. ‘Was Tommy?!’ De deur klapte weer dicht. Er waren Duitsers in ons huis. We waren weer Duits
Toen de eerste Duitsers beneden kwamen, renden alle Nederlanders uit de verwarmings-kelder. De Engelsen vluchtten er in, en de deur werd dicht-gedaan. Ongelooflijk hoe iedereen reageerde. Wat waren we dankbaar en eensgezind.
De Duitsers vroegen naar onze persoonsbewijzen, en zeiden: ‘Wenn ein Tommy gefunden ware, wird die ganze Keiler ausgerottet mit Frauen und Kinder’.
En toen begon de tijd met de Duitsers.
Boven ons ging het schieten voort. De Duitsers waren aan het winnen, maar wisten zelf wel dat Duitsland aan het verliezen was. Zij behoorden tot een keurkorps, aangevuld met jongens uit de Kriegsmarine, vele heel jong, 17 jaar. De meeste officieren waren moeilijk, onvoor-spelbaar, teleurgesteld, meestal dronken, en zeer bedreigend. Telkens kwamen weer Duitsers boven aan de trap, die werden opgevangen door mijn Vader met de witte vlag. Ze kwamen ook beneden, en onderzochten de kelder. De dreiging die van hen uitging, was heel groot. In de kelder waren we nooit meer alleen. Maar wal hielpen de Ooslerbekers. Met man en macht probeerden we te voorkomen dat de Duitsers de verwarmingskelder zouden binnen gaan. We zijn vaak ontsnapt aan de dood. Bij elke controle bleef toch die deur een verdacht object. Op een keer gaf een Feldwebel opdracht om erachter te kijken, maar een officier zei ‘Laat maar’. Wal waren we opgelucht en dankbaar.
Aan het einde van de middag werden we over-stroomd door Duitsers, die zich nestelden in onze kelder, Ze gingen grote gesprekken met ons houden, ze waren dronken. Dat ging vele avonden door. Iedere dag was er wel een reden om mijn Vader tegen de muur le zetten, dan weer een radio of een oud uniform, een portret van de Koningin, enz. Dat is een van de oorzaken, mede met de grote verantwoordelijkheden die hij le dragen had ten opzichte van zowel de Nederlanders als de Engelsen, dat hij langzaam overspannen raakte.
De Duitsers bleven komen, dan weer met een grammofoon met platen die ze hard draaiden, dan weer met drank…. Om de twee uur werden ze afgelost, vooral ‘s nachts werd dan iedereen wakker.
De Engelsen zaten ondertussen in de andere kelder verborgen. Door hun snelle verplaatsing hadden ze hun uitrusting in de grote kelder laten liggen. Wij konden niet bij hen komen met eten. Gelukkig konden ze water drinken uil het tapkraanlje van de verwarming. De Engelsen werden verkouden en begonnen te hoesten. Mijn Vader organiseerde toen een koor. We zongen Vaderlandse liederen temidden van het schieten boven ons. Wal moet dat wonderlijk zijn geweest.
Het bleek ook zeer noodzakelijk, want wat we niet wisten was dat in de kelder naast de onze, behorende bij mijn Grootmoeders huisje, veel Duitsers zaten. Vele jaren later, op een bijeenkomst van de Airborne- vereniging in het Elektrum, zat ik naast iemand die als jongen bij ons in de kelder had gezeten. Hij sprak mij aan, en vertelde dat dal zingen zo’n indruk op hem had gemaakt. 3)
Mijn ouders hadden natuurlijk niet gerekend op zoveel mensen. Hel eten was een groot probleem. We hadden eigenlijk alleen de weck, een paar flessen water, wat koekjes, die aan de kinderen opgingen, een paar blikjes gecondenseerde melk, en een silo vol met aardappelen waarop een heel gezin zal. Maar we had-den geen gas om op te koken. We begonnen de dag met koude boontjes uit de weck, en twee slokjes water. Een paar blikken erwtensoep waren godenspij-zen. Op een rustig moment wat later, haalde een Duitser, op verzoek van mijn Moeder, een butagasstel van boven, dal echter na twee dagen weer weg werd gehaald.
Op vrijdag waren er veel vliegtuigen in de lucht, eerst Duitse jagers, daarna Engelse bommenwerpers en Typhoons. Er werden voorraden uitgegooid. Dit merkten we doordat de Duitsers met blikjes, choco-lade en zuurtjes kwamen aanzetten. Eerst wilden we het niet aannemen, maar tenslotte namen we ze toch voor de kleine kinderen die zo’n dorst hadden.
Er werd nog steeds hard gevochten. Er stond een klein kanon vlak bij het kelderraam, dal maakte een reuze lawaai.
Het verschil van vechten tussen de Engelsen en de Duitsers was heel groot. De Engelsen waren doodstil, je hoorde alleen hun fluitjes en radiootjes. Voor ons waren ze vol zorg. De Duitsers maakten veel meer lawaai, ze vochten met ‘Sieg Heil’ en ‘Heil Hitler’. Ze waren vaak dronken, ze zweepten elkaar op, ze voch-ten grover, maar ze wonnen wel. Dal was de ellende! Er zaten ook veel sluipschutters in de bomen, die er wel vaak werden uitgeschoten, dal hoorden wij.
Met 22 mensen in de kelder was de WC een groot probleem. We hadden een grote inmaakpol, die na een paar dagen overstroomde. Buiten begon het le rege-nen, en door een groot gat in hel dak boven de kelder stroomde het water de kelder in. De matrassen, die mijn Moeder intussen door de Duitsers had laten halen, begonnen te drijven. Tenslotte sommeerde mijn Moeder een Duitser om de pot te legen, waarna we met de pot de regen opvingen.
Die dag kregen we contact met de jannen, die we inmiddels zo noemden uit voorzichtigheid. We kon-den ze wat eten geven.
Na twee dagen van veel schieten en bezorgde gezich-ten van de Duitsers, werden we dinsdag wakker en was het vrij stil. Hel bleek dat we helemaal Duits waren. De slag voor ons was verloren. Zoals ik in mijn dagboekje schreef ‘Het is afgelopen, we zijn weer Duits. Vandaag voor hel eerst gehuild’.
Wat was het wonderlijk: ‘De Stilte’, na al dat lawaai van het schieten.
Die dinsdag gingen de eerste twee gezinnen weg naar familie in Wolfheze. De kelder werd wat ruimer. Mijn Moeder stond boven aan de keldertrap, maar we mochten er nog niet uit.
Woensdagmorgen mochten we voor hel eerst in het huis wat rondlopen, maar niet overal want het hele huis was vol Duitsers, en veel kamers waren verbo-den.
Donderdagmorgen vroeg mijn Moeder aan de overige Oosterbekers of het mogelijk was, daar alles nu rustig was, of zij weg wilden gaan. Het was voor de toestand van mijn Vader beter. Na een hartelijk afscheid vertrokken allen. Wat hadden we samen veel meegemaakt.
Die dag mochten we ook boven komen, en wat we toen vonden, weten degenen die het hebben meege-maakt wel. De Duitsers hadden in de eetkamer een groot diner gehad, om de eettafel stonden allemaal luie stoelen, op de tafel ons mooie damast en de Chinese borden, gevonden in de kelder van mijn Grootmoeder. Vanuit de keldertrap hadden we al gezien dat ze kippen en konijnen slachtten. Boven vonden we alles in grote hopen, met grote ‘hopen…’ Daarbij lag alles onder stof en puin. Wonderen waren er ook. Temidden van alle scherven hing het schilderij van Bob Tunack, ‘de gekruisigde Christus’, zonder een schrammetje tegen de muur, terwijl de piano eronder vol scherven zat. Hel schilderij hangt nu in de Oude Kerk te Oosterbeek.
Langzamerhand vertrokken de mensen uit Oosterbeek. We hoorden nu ook iets meer van wat er gebeurd was. Wat waren we dankbaar dat we nog in ons huis zaten.
We hoorden dat Dokter Oorthuis spreekuur hield in de apotheek. Van hem kregen we medicijnen voor mijn Vader, die een rustkuur moest doen. We kwa-men nu veel in huis. We verzamelden dingen om de kelder wat geriefelijker te maken, ook voor de Jannen, die daar nog altijd verborgen waren.
De Duitsers bleven in ons huis, steeds andere groe-pen, die bezit namen van onze kamers.
‘s Avonds waren we altijd in de kelder. Hoe moeilijk was dit voor de Jannen, en ook voor ons.
We kwamen nu in de tuin, een grote ravage, vol loop-graven, waarin onze kastdeuren en gordijnen voor bescherming en warmte lagen. Mijn Moeder haalde de gordijnen eruit, en liet ze drogen. Gelukkig konden we bij de pomp water halen.
Om de beurt hielden we de wacht bij de Jannen. Tenslotte vertrokken de heer en mevrouw Pekelharing. Zij waren een grote steun geweest, een rustig baken in de woelige zee.
Die dag kwam de zoon van onze tuinman Peters langs om te vragen of wij iets van zijn Moeder wisten. Maar wij wisten niet wat er gebeurd was. Later heeft men haar gevonden, gesneuveld in de tuin samen met haar kostganger. Wat een verdriet.
De Duitsers hadden groot respect voor mijn Moeder. Zij deden alles wat ze vroeg. Zo legden ze zeilen op het dak, zodat we eindelijk de kelder wat droger kon-den krijgen.
Het werd steeds rustiger om ons heen. Zuster Dooyer kwam naar mijn Vader kijken, en vertelde dat de mensen langzamerhand wegtrokken. Alleen de families wier huizen nog bewoonbaar waren bleven achter.
Wij begonnen onze kamers wat op te ruimen, dingen te verzamelen, en het huis dicht te maken, wat moeilijk was omdat ons huis nog steeds vol Duitsers was. Mijn ouders waarschuwden mijn zusje en mij dat we altijd met ons tweeën moesten blijven, en als er iets was direct naar hen toe moesten komen.
Op een gegeven moment kwamen enkele buren van de Van Borsselenweg langs. Wat waren we blij dat we elkaar weer zagen. Ze hadden allen heel veel meegemaakt. Vooral de handgranaten die in hun kelders waren gegooid, en die niet waren afgegaan. Ook wonderen gebeurden er. Ze kwamen allen kijken wat er nog over was van hun huizen, en vertrokken weer.
Toen we dinsdagmorgen (3 oktober) wakker werden, was alles stil. Alle Duitsers waren vertrokken. Het huis was leeg. We vertelden het vlug aan de Jannen, die met grote vreugde hun spek opaten.
Het eerste wat we probeerden, was alle luiken voor de ramen te sluiten, en de deuren zoveel mogelijk te repareren, zodat we beneden alles dicht konden doen. Een versplinterde deur konden we niet sluiten, en daardoor kwamen natuurlijk weer onverwacht Duitsers binnen.
Er kwamen vele mensen langs ons huis, ook Dokter Oorthuis, die naar mijn Vader kwam kijken, en ons leerde licht maken, ik geloof met carbid of olie. Mijn Vader ging nu boven slapen in zijn eigen bed. De Jannen mochten even boven komen. Een grote verrassing was dat we ontdekten dat Langejan rood haar had. In alle donkerte van de kelder hadden we dat nooit gezien.
Opeens kwam er iemand met een groot verband om zijn hoofd bij ons binnen.
Het was onze jongste broer Daan, die vermomd uit Zutphen illegaal ons Sperrgebiet was binnengeko-men. Wat waren we blij, en wat was het heerlijk om weer een man bij ons te hebben.
Na alle verhalen uitgewisseld te hebben, werd meteen een plan de campagne gemaakt De versplinterde deur werd gerepareerd. Het dak werd gerestaureerd met pannen van de tuinschuur en het kippenhok. We moesten wel steeds zeer voorzichtig zijn. Uit de Betuwe werden nog steeds (geallieerde) raketten op het kruispunt afgevuurd.
Mijn broer ging nu plannen maken voor de Jannen. Wat moesten we voor ze doen? Oosterbeek was aan het evacueren. Wij zouden ook wel weg moeten. Zij wilden zich niet krijgsgevangen laten nemen. Dus allereerst moesten ze in goede conditie zijn. Ze kregen zo goed mogelijk te eten. In de puinhopen vonden we nog een zij spek. Ze rookten turfmolm en ze lazen Engelse boekjes, die ze verstopten onder hun matras. Iedere avond maakten mijn zusje en ik een praatje met hen als we ze eten brachten.
Mijn Moeder ging samen met de heer Ooms op de fiets naar Mooiland om eten te halen, en naar boerderij ‘De Kabeljauw’ waar we melk konden krijgen.

In de tuin van een van onze gevluchte buren mochten we groente halen. Dokter Oorthuis verdeelde de winkels uit het dorp: hij wees aan wie waar eten mocht halen uit leegstaande panden. Tijdens een van de voedsel toch ten nam mijn broer een geit met een klein bokje mee. Wat was die geitenmelk-waterpap, gekookt op een klein kacheltje heerlijk. We moesten wel eerst Ieren melken.
Vele mensen kwamen langs ons huis op weg naar Ede, waar een opvang van het Rode Kruis was. Mijn Moeder gaf brieven mee voor mijn oudste broer en zuster, die niets van ons wisten.
We hoorden vele verhalen over wat er in Oosterbeek was gebeurd, de vele gevechten, de toestanden in Schoonoord en op de Tafelberg. Bob Tunack, de glazenier die vroeger bij ons gewoond had, sprak lange tijd met mijn Vader. Dit deed mijn Vader heel veel goed. De familie Korporaal kwam water uit de pomp halen. Op een ochtend kwam de heer Ooms niet om naar Mooiland te gaan, en we waren erg ongerust. Bert Kuyk en zijn broer kwamen ons toen vertellen dat de heer Ooms door een granaat was getroffen.4) Hij vertelde dat iedere nacht Engelsen vanuit het Elisabeths Gasthuis over de Rijn gebracht werden. Pas na de oorlog hoorden wij dat de broers Kuyk enkele dagen later gefusilleerd waren.
Dokter Oorthuis heeft ons geweldig geholpen. Ook de Indische zuster kwam steeds langs. Zij had wegens de gevechten niet eerder uit Doorwerth weggekund. Het was daar vreselijk geweest.
Weet iemand hoe zij heette?
Nog steeds kwamen onverwacht Duitsers in ons huis. Op een avond was er grote consternatie. De Jannen liepen door het huis. Plotseling bezoek van twee Duitse officieren met een onderofficier met kaarten. Middeljan vloog de WC in, de twee andere vlogen de kelder in. De ‘kaartenman’ ging op onderzoek in ons huis. Met veel moeite konden we hem uit de kelder houden. Toen hij een grote pan eten op ons kleine kacheltje zag staan, zei mijn zusje dat dat het eten voor de hele week was. Gelukkig liep alles goed af. Op dal moment beseften we niet hoe gevaarlijk onze situatie was. Je moet handelen, en later krijg je de reactie.
Geregeld kwamen dezelfde Duitsers terug. Mijn zusje en ik hadden ze allen namen gegeven, de dronkaard, de mongool, de vloekert, roodoog. Vooral de mon- gool zat achter ons aan, en mijn ouders waarschuwden ons om zeer voorzichtig te zijn.
Er waren zoveel gevaarlijke situaties waarvan we ons helemaal niet bewust waren.
Op een dag kwamen er kerels met rode dasjes aan. Zij wilden ‘die Schwester’ zien. Wij verborgen ons zoveel mogelijk, maar zij kwamen altijd onverwachts in ons huis, meestal door de ramen. Ook twee Hollandse SS-ers, die waren het gevaarlijkst omdat zij Nederlands spraken.
Er kwamen Duitsers die de geit mee namen. Bij de kelder stond steeds een Duitse auto.
Iedere keer weer was er paniek, maar het leek wel of er een beschermengel was. Alles is voor ons uiteindelijk goed afgelopen.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.