MINISTORY 63
“PK-BERICHTER IM RAUM ARNHEIM”
DUITSE OORLOGSFOTOGRAFEN IN SEPTEMBER 1944
door B. Waalkens en P.R.A. van Iddekinge

 

De Duitse journalistieke oorlogsfotografie in het algemeen
door B. Waalkens
Tijdens de 2e Wereldoorlog werd het duidelijk dat voor de verslaggeving over het strijdtoneel naar hel thuisfront een steeds belangrijker rol was weggelegd. In de loop van de oorlogsjaren werd hieraan een steeds professioneler rol toegekend en werden de fotografen en reporters steeds beter toegerust.1) Informatie en (misleidende) propaganda werden dan ook sleutelwoorden en vooral het propaganda-ele- ment kreeg de overhand.
Zo opereerden op het Europese strijdtoneel: De US1S (United States Information Service), het Franse SPCA (Service Photographique el Cinématographique des Armées), de Britse AFPU (Army Film and Photographic Unit) en aan Duitse zijde de P.K. (Propaganda Kompanien).
Deze laatsten waren in 1943 wel 15000 man sterk, waarvan er 800 de functie van oorlogs-fotograaf uitoefenden maar waarbij ook, behalve chauffeurs en onderhoudspersoneel, journalisten, cameralieden, radioverslaggevers, ja zelfs auteurs, dichters, theater- en filmregisseurs, tekenaars, typografen, karikaturisten en kunstschilders waren ingedeeld.
Zij waren kenbaar aan zwarte mouwbanden met daarop in zilveren letters het woord “Propaganda- Kompanie” en droegen met lichtgrijs afgezette epau-letten en kraagspiegels.
De Propaganda-Kompanien ressorteerden rechtst-reeks onder het Ministerie van Voorlichting en Propaganda van Joseph Goebbels in Berlijn. De directe chef van de afdeling fotografie was Heinrich Hoffmann, Hitlers officiële fotograaf.
Alle belichte films werden, voorzien van naam, nummer en toelichting van de fotograaf, opgestuurd naar de ontwikkelcentrale in Berlijn, aldaar beoordeeld en voor propaganda-doeleinden beschikbaar gesteld aan de kranten en aan de bekende propagandabladen zoals “Signal”, “Der Ad Ier” en “Das Reich”.
De enige uitzondering werd gevormd door de foto-grafen van de Waffen S.S. Hun resultaten werden door hun eigen opperbevel beoordeeld.
Het opleidingscentrum voor oorlogsfotografen was gevestigd in de Alexanderkazerne te Potsdam en de kandidaten werden gerekruteerd uit zowel beroeps-fotografen als goede amateurs. Na hun opleiding kregen zij de rang van luitenant en werden ingedeeld bij

Een PK-er in actie. De Leica Illc is voorzien van de speciale Rasu (raamzoeker)

Wehrmacht, Luftwaffe, Kriegmarine, S.S., de Grüne Polizei of de S.D.
Zij kregen de beschikking over 2 Leica’s, voorzien van speciale zoekers en diverse lenzen.
Zo’n eenheid bestond uit ca 100 man, waaronder fotografen, filmers, geluidstechnici en ontwerpers en had bovendien de beschikking over diverse teleobjectie- ven, waarvan de grootste, een 400 mm lens, zelfs op een speciaal voertuig was gemonteerd.
De PK’s waren vrijgesteld van alle militaire diensten en hadden grote bewegingsvrijheid.
Daarentegen dreigde degradatie tot de rang van soldaat indien de resultaten van hun werk in een tijdsbestek van 6 maanden onder de verwachting van de Berlijnse deskundigen bleven. Ofschoon hun werk zich uitsluitend beperkte tol verslaggeving noopte dit selectiesysteem hen tot werken in de gevechtszones en het aantal gesneuvelden onder hen deed niet onder voor dat van de gevechtseenheden.

In verband met de registratie in Berlijn was iedere fotograaf verplicht als eerste opname zijn naam en onderdeel te foto-graferen. P.K.-er Henisch gebruikte een schoolkrijtje en een wiel van een voertuig. Sommige collega’s hadden speciale geschilderde bordjes bij zich.

Verlies van de kostbare Leica stond gelijk met het verliezen van een wapen en werd dienovereenkomstig bestraft!
Heden berust het merendeel van de 27000 films, formaat 24 x 36 mm, ruim 1 miljoen foto’s , waaronder een groot aantal in kleur, in het Bundesarchiv te Koblenz.
Dit is minder dan de helft van de totaal gemaakte hoeveelheid. Zeker is het dat dit slechts de lading van één vrachtautolading betreft. In 1945 werden op bevel van de hoogste leiding twee kolonels van het Algemeen Hoofdkwartier met de opdracht alle filmmateriaal te verbranden met twee vrachtauto’s vol films weggezonden. Een van de wagens kreeg onderweg pech en viel in handen van de Amerikanen terwijl de tweede vrachtauto met ca een miljoen negatieven spoorloos is.
Na de oorlog hebben de Amerikanen hel filmmate-riaal teruggegeven, zij het dat alle mappen met gegevens waren gescheiden van de desbetreffende negatieven zodat van enige registratie geen sprake was.
Na vele jaren arbeid is men, met behulp van de voormalige oorlogsfotografen, bij het Bundesarchiv in Koblenz geslaagd enige orde in deze chaos te scheppen.
Bovendien hielden talloze fotografen films achter en zij maakten tevens met een eigen camera foto’s. Het systeem van onder dwang te moeten presteren leidde tot een aanzienlijke hoeveelheid geënsce-neerde foto’s. Dit werd kennelijk geaccepteerd, want objectieve nieuwsvergaring was ondergeschikt aan het propaganda-element.
De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig uit “Prestige de la photographie” door Philippe Fortuné Durand (en anderen; z.j.).

De Leica, een wonder van cameratechniek
De Leitz Camera (Leica) werd in 1925 door Oskar Barnack, een Leitz ingenieur, uitgevonden en gebouwd. De firma Leitz bracht hiermee een omwen- teling teweeg, want de van vele accessoires voorziene camera, met onder anderen verwisselbare objectieven, maakte het mogelijk de 35mm bioscoopfilm van de filmindustrie te gebruiken.
De min of meer statische fotografie kreeg door deze flexibele camera een nieuwe dimensie; de mogelijk-heid voor moderne fotojournalistiek was geboren! Reeds in een vroeg stadium zag het Duitse militaire apparaat in dal deze camera voor diverse tactische doelen bruikbaar was en in 1935 werden de eerste fotografische verkenningen van Groot-Brittannië vanuit zeppelins die op weg naar de Verenigde Staten waren, met behulp van Leica’s uitgevoerd.
Na de invoering bij de Luftwaffe, volgden Wehrmacht en Kriegsmarinë.
De Luftwaffe beschikte voor tactisch gebruik zowel over handcamera’s als over Motor Leica’s die in diverse vliegtuigen werden ingebouwd, teneinde zowel verkenningen uit te voeren als de resultaten van acties vast te leggen.
Zeer karakteristiek zijn bijvoorbeeld de beelden van de Stuka-bombardementen die geregistreerd werden door speciale Stukacamera’s. Deze vaste motorcame- ra’s registreerden de precisiebombardementen; de waarnemer achter de piloot maakte bovendien met zijn handcamera diverse opnamen na de inslag van de bom.
In de Wehrmacht werd de Leica onder anderen gebruikt bij de artillerie om met behulp van zeer lange telelenzen verkenningen uit te voeren. Deze objectieven waren vaak op speciale terreinwagens gemonteerd en werden derhalve door de tegenstander vaak aangezien voor anlitankgeschut en als zodanig aangevallen.Behalve met kleur werd ook met infrarood films gewerkt, waardoor het mogelijk was ook bij nevel en mist opnamen te maken.

Een gesneuvelde P.K.-er in Rusland. Duidelijk is de Leica met de speciale Vidom zoeker zichtbaar. Op het zeil bevindt zich een tweede Leica voorzien van een teleobjectief.

Ook was het mogelijk door middel van een speciale koppeling het 5 cm objectief van de Leica’s aan de 10x vergrotende schaarkijkers te bevestigen en hiermee opnamen van de gevechtslinies te maken ten dienste van de artilleriewaarnemers.
De Kriegsmarine gebruikte de Leica als handcamera, maar had bovendien de mogelijkheid om via de periscoop van de onderzeeërs foto’s te maken. Vanaf de U-boten werden hiermee de getorpedeerde schepen op foto vastgelegd.
Nadat Amerika in de oorlog betrokken raakte, ver-schenen de U-boten voor de Amerikaanse kust en werden verbluffend scherpe foto’s gemaakt van onder andere New York en de scheepvaart aldaar. Zelfs werden, ter voorbereiding van de aanvallen met de V- (vergeldings) wapens, bepaalde aanvalsdoelen vastgelegd, maar gelukkig is het niet zover gekomen dat deze foto’s gebruikt werden!

Een bodemvondst van een Leica is uiterst zeldzaam.

Ook andere landen, zowel bondgenoten van Duitsland als de geallieerden, waren zeer geïnteresseerd in de wondercamera. Zo bedienden zowel de Italiaanse luchtmacht als de marine zich ervan. In Engeland liet het War Department via de importeur de verkochte camera’s opsporen en in beslag nemen, teneinde ze voor militaire doeleinden te gebruiken. Ook zagen de Britten kans via het neutrale Zweden Leica’s te bemachtigen.
Diverse onderdelen van Wehrmacht en Luftwaffe werden uitgerust met chrome en grijsgekleurde Leica’s.
De leden van de Propaganda Kompanien, die uitslui-tend op journalistieke resultaten ten behoeve van het thuisfront gericht waren, beschikten allen over de standaardleica’s van het type lllb (in productie sinds 1938) of het type 111c, dat vanaf 1940 tot na de oorlog werd gemaakt.
‘) Behalve deze journalistieke fotografie was er ook nog de fotografie niet tactische bedoelingen, die direct lot steun van de oorlogvoering was en onder verantwoordelijkheid van de commandanten werd uitgevoerd. Behalve in hel technische deel van dit artikel wordt in deze ministory hoofdzakelijk aandacht geschonken aan hel journalistieke element.

Duitse oorlogsfotografen in september 1944
door P.R.A. van Iddekinge
Omdat Market Garden, naar werd verwacht, de laat-ste grote geallieerde operatie in West-Europa zou zijn, vloog op 17 september 1944 een groot aantal oorlogscorrespondenten, fotografen en filmers mee, want deze ongetwijfeld gedenkwaardige actie moest worden vastgelegd voor het thuisfront en voor het nageslacht.
De cameramannen/fotografen Lewis, Smith en Walker, die bij de 1ste Britse Luchtlandingsdivisie waren ingedeeld, konden meteen op die eerste zon-dag vrijwel ongestoord aan het werk. De landingen waren buitengewoon ordelijk verlopen, de Duitse tegenstand was gering, en het was prachtig weer – ideaal voor fotografen en filmers. Het beeldmateriaal van die eerste dagen dat we van hen kennen, is dan ook overvloedig, en dat hoeft om nog een andere reden geen verbazing te wekken, want in navolging van de optimistische bevelhebbers rekenden ook zij met een snelle actie. Hun wederwaardigheden zijn in 1986 uitstekend beschreven door drs. R.P.G.A. Voskuil in diens gids bij de tentoonstelling ‘Fotograferen tijdens de Slag om Arnhem.’
Talrijk zijn hun foto’s en de meters film, maar door de bank genomen zijn ze niet erg spectaculair. Beelden van werkelijke actie zijn er vrijwel niet. Ik ken er maar een paar, waarvan die van de mannen met het mortier wel de meest indrukwekkende zijn. Maar ook daarvan twijfel ik of die niet in scène zijn gezet voor zowel de filmer als de fotograaf, die zo ongeveer rechtop boven de kuil moeten hebben gestaan. En zelfs de foto’s die later, onder duidelijk minder gunstige omstandigheden, zijn gemaakt van de stellingen rond Hartenstein, ontlenen hun dramatiek voornamelijk aan het feit dat we uit een andere bron weten wat daar gaande was of een enkele keer aan de vermelding dat

Een van de vele foto’s van Britse krijgsgevangenen die door PK-fotografen bij Arnhem werden gemaakt. Dit soort beelden vormden ideaal Duits propagandamateriaal. (Fotograaf onbekend; uit “SS Leitheft” No. 11, 1944; Collectie Airborne Museum).

een afgebeelde militair enkele ogenblikken later gesneuveld is. Een paar echte actiefoto’s zijn niet gemaakt door een officiële fotograaf maar door kapitein Jasper Booty, die tegen alle voorschriften een camera had meegenomen; hij maakte opnamen van onder andere de landing van de Poolse gliders op de Johannahoeve op dinsdagmiddag 19 september. Nog iets anders valt op. Geen van de officiële Britse fotografen/filmers is op zondag of maandag verder gekomen dan Oosterbeek. Voskuil beschrijft hoe ze op maandag de 18de nog wel een aantal malen hebben geprobeerd tot Arnhem door te dringen, maar zonder resultaat. Wel zijn van een amateur drie in Arnhem genomen foto’s bewaard gebleven: twee op de Hulkesteinseweg en één op de hoek Klingel- beekseweg/Ut rechtse weg, gemaakt op dinsdagmorgen door korporaal MacFarlane, die dus net als Booty clandestien een fototoestel bij zich had. De enige die (op maandag) in de omgeving van de verkeersbrug opnamen heeft gemaakt, was de Nederlander Sem Presser. Hij fotografeerde in de Weerdjesstraat en op het Eusebiusplein Britse parachutisten en krijgsge-vangen Duitsers. Beroemd geworden is zijn foto van een groep para’s die, half in een rookwolk, over het Eusebiusplein rennen.
Er is reden om aan te nemen dat in de eerste dagen van de slag niet door Duitsers is gefotografeerd. En als dat wél het geval was, is daarvan nooit iets gepubliceerd.
Dat wordt anders vanaf dinsdag 19 september. Vanaf het moment dat de kansen keerden, begaf zich een groot aantal fotografen en filmers naar Arnhem en Oosterbeek. Zij maakten allen deel uit van Propagandakompanien (PK), zowel van de Wehrmacht, de Luftwaffe en zelfs de Kriegsmarine als van de Waffen-SS. Vrij kort na de oorlog zijn enige tientallen van hun opnamen via nu niet meer te traceren kanalen in omloop gekomen. Vrijwel zeker zijn er verscheidene door geallieerde militairen buitgemaakt.
De Waffen-SS had zijn eigen Kriegsberichter- abteilung, vanaf 1943 SS-Standarte Kurt Eggers genoemd, naar de schrijver/dichter/oorlogscorre-spondent Kurt Eggers, een van die wonderlijke bevlogen desperado’s waaraan de Republiek van Weimar zo rijk was geweest.
Te jong om frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog geweest te zijn, had Eggers daarna dat gemis ruim-schoots ingehaald- In de woelige naoorlogse jaren vocht hij tegen de communisten en andere revolutio-nairen, en in 1921 nam hij deel aan gevechten tegen de Polen, die het op een deel van Silezië gemunt hadden. Intussen ontwikkelde hij zijn literaire talent. Nadat Hitler aan de macht was gekomen, had hij zijn ideaal gevonden in de SS. Als langzamerhand vooraanstaand nationaal-socialistische schrijver bezong hij in proza en poëzie het nieuwe Duitsland: ‘…wo trotzige Augen feindwarts schauen, wo Herzen bassen und

Op 19 september fotografeert Wenzel (links,met pet) het afvoeren van britse krijgsgevangenen bij het Gemeente
Museum op de Utrechtseweg in Arnhem. (Foto: Jacobsen; Bundesarchiv, Koblenz)

Fauste beben: dort keimt, dort reift das neue Leben für Deutschland!’. Als officier bij de Waffen-SS (Obersturmführer = 1ste luitenant) en tevens oorlogsverslaggever vocht hij aan het Oostfront, van waar hij vurige gedichten naar het thuisfront stuurde. In augustus 1943 sneuvelde hij bij Belgorod.
Bij zijn leven was hij al het idool van lal van Kriegsberichter geweest, en na zijn dood werd hij als een nationale, Germaanse held vereerd.
Medio jaren zestig werkte ik mee aan de productie van een documentaire film over de Slag om Arnhem door de Stichting Film en Wetenschap te Utrecht. Bij de selectie van het materiaal herinnerde ik mij ooit in een van de grote Duitse compilatiefilms over de Tweede Wereldoorlog een fragmentje van hooguit een paar seconden van de Arnhemse brug te hebben gezien. Omdat ik wilde weten of ik me al dan niet vergist had, ben ik in augustus 1967, een maand voor de film gereed moest zijn en tijdens de Filmweek Arnhem in première zou gaan, met mijn vrouw naar Koblenz gereisd, en heb daar in de filmbunker van het Bundesarchiv op Ehrenbreitstein een aantal afleveringen van het bioscoopjournaal Die Deutsche Wochenschau bekeken, die mogelijk fragmenten over de Slag om Arnhem bevatten. Het resultaat was negatief; de beelden die ik me herinnerde, zaten er niet in. En dat was dan dat. Jammer.

Zwaar Duits gemotoriseerd geschut rijdt over de Jhr. Nedermeijer van Rosenthalweg in Oosterbeek, even voorbij de hoek met de Emmastraat. De overmacht aan zware Duitse wapens komt op veel PK-foto’s duidelijk naar voren.
(Fotograaf Kutzner; Bundesarchiv, Koblenz)

Tot 1967 was dit de enige foto van PK-Berichter Jacobsen die aan de auteur van dit artikel bekend was. De foto werd genomen aan het eind van de Rijnstraat in Arnhem en toont de brandende stad.
(Foto: Bundesarchiv, Koblenz)

Omdat we er nu eenmaal toch waren, vroeg ik of er dan misschien foto’s waren. Ja, die waren er. Ik dacht: de meeste zal ik wel kennen, dus veel verwachtingen had ik niet. Maar dat liep even anders. Er werd een doos voor ons op tafel gezet, en toen ik die openmaakte, dacht ik een moment dat ik water zag branden. Te voorschijn kwamen stroken contactafdrukken van in totaal acht kleinbeeldfilms, afkomstig van de PK-Bildberichter Jacobsen, Wenzel en Seeger, meer dan tweehonderd opnamen, de meeste van uitstekende kwaliteit, en op één na (daarover straks) allemaal nog onbekend. Daarvan heb ik toen onmiddellijk ongeveer honderdvijftig nummers geselecteerd om te worden afgedrukt voor het Gemeentearchief Arnhem. Een paar jaar later heb ik er vijfenveertig opgenomen in Arnhem September 1944 (Gemeentearchief Arnhem, 1969; herdruk: Gijsbers & Van Loon Arnhem 1982).
De foto’s van Seeger zijn merendeels op de laatste dagen van de slag of kort erna genomen en kunnen niet precies gedateerd worden.
De meeste foto’s van Wenzel en Jacobsen zijn gemaakt op dinsdag 19 september, en doordat ze nog zo keurig aan de rol zaten, is hun route op die dag voor een groot deel te volgen. Interessant is ook dat ze een heel eind samen optrokken, en hier en daar elkaar fotografeerden.
De eerste opnamen zijn gemaakt op de Kastanjelaan, dicht bij de Boulevard Heuvelink. Vandaar lopen ze naar het Velperplein, waar ze een grote groep geallieerde krijgsgevangenen fotograferen die via de Jansbinnensingel naar Musis Sacrum wordt gebracht. Op het Willemsplein maken ze opnamen van een colonne gemotoriseerd geschut, die van onder de Zijpsepoort komt aanrijden. Bij het Stationsplein gaat

Enkele jaren geleden kwam een serie Duitse foto’s tevoorschijn, die voor het merendeel is genomen op de Dreyenseweg in Oosterbeek,. door een fotograaf van de Kriegsmarine.
Deze foto toont een Duits halfrupsvoerluig met daarop een zware mitrailleur. Op de achtergrond hangen bevoorradingsparachutes over de heg langs de weg.
(Foto: Bundesarchiv, Koblenz)

Wenzel rechtdoor, de Utrechtseslraat op, de colonne achterna. Jacobsen gaat linksaf, en maakt folo’s in de omgeving van de Oude Kraan, waar dan inmiddels niet meer gevochten wordt. Korte tijd later voegt hij zich weer bij Wenzel, die intussen bij het Gemeentemuseum vastlegt hoe de laatste South Staffordshires uit de huizen gehaald en gevangen genomen worden. Echte actie fotograferen ze verderop, waar de Utrechtseweg samenkomt met Onderlangs: soldaten zoeken dekking, het standpunt van de foto’s wordt lager. Kennelijk is geschoten uil huizen bij het Rijnhotel; daar worden vervolgens Britten en burgers uit de woningen gejaagd. Misschien diezelfde dag nog, en anders woensdagmorgen, fotograferen ze de evacuatie van lopende burgerpatiënten uit het St. Elisabeths Gasthuis. Ook maken ze een hele serie opnamen van krijgsgevangenen in Oosterbeek.
Al met al een belangwekkende reportage en een bij-drage tot onze kennis van de gebeurtenissen op die cruciale 19de september, de dag waarop de geallieerden in feite de slag om Arnhem verloren. Wat we niet weten, en waarschijnlijk ook wel niet meer te welen zullen komen, is of dit de enige films zijn die Jacobsen en Wenzel hebben volgeschoten. Zo is het vreemd dat er geen foto’s zijn van wat tussen het Gemeente museum en het St. Elisabeths Gasthuis gebeurde. Een andere vraag is of deze fotoserie ooit in Berlijn ter beoordeling is geweest. Een aantal opnamen zou dan beslist afgekeurd zijn omdat er Duitse gesneuvelden op te zien zijn. Ik kan mij ook niet herinneren ooit in Duitse kranten of tijdschriften uit het najaar van 1944 een van deze foto’s gezien te hebben. Datzelfde geldt trouwens voor de veel minder spectaculaire opnamen van Seeger.
Ik ken eigenlijk nog maar één soortgelijke, zij het kortere Duitse serie opnamen, ook van de 19de sep-tember, van acties op de Dreyenseweg. De naam van de fotograaf is onbekend; wel weten we dat hij bij de Kriegsmarine diende.
Aan ‘losse’ officiële Duitse foto’s – dat wil zeggen: veelal moeilijk te lokaliseren en te dateren opnamen, zonder een duidelijk onderlinge samenhang – ontbreekt het daarentegen bepaald niet. Ver-scheidene ervan zijn wél gepubliceerd bij de ver slagen van de slag, enkele nog weken daarna.
Dat het er zoveel zijn, is geen wonder, want het aantal PK-verslaggevers, fotografen en filmers dat vanaf 19 september in het gebied van de slag aan het werk gaat, is groot. Alleen al van 29 kennen we inmiddels de namen, sommige pas nadat vanaf 1989 ook de collecties uit de voormalige DDR beschikbaar waren gekomen, In alfabetische volgorde: Adendorf (SS-PK), Apfel (SS-PK), Arp(p)e, Bachmeier, Banckhardt (Luftwaffe), Böhm (SS-PK), Brink, Ertl, Fritsch (SS-PK), Hermann, Höppner, Höss, Jacobsen, Kutzner, Linden, Pauli, Peterson, Pirath, Pospesch (SS-PK), Reinsberg (SS-PK), Rieder, Rosé (SS-PK), Scheck, Seeger, Seuffert, Taubert, Tillmann (SS-PK), Wenzel, Zimmermann.
Van sommigen zijn maar enkele opnamen bekend, en dan soms nog uitsluitend doordat ze ooit met bronvermelding in een blad of een andere publicatie zijn afgedrukt. Een aantal van hen heeft alleen in de omgeving van het eigenlijke gevechtsgebied (het ‘Raum Arnheim’ werd ruim genomen) foto’s gemaakt: bijvoorbeeld van het overtrekken van het Pannerdens Kanaal door eenheden van de Frundsberg-divisie (Pospesch).
In Arnhem zelf zijn, behalve door Jacobsen en Wenzel, opnamen gemaakt door Höppner, Rieder, Reinsberg en Seeger, maar voor het merendeel na de slag. De enige die tijdens de gevechten bij de brug heeft gefotografeerd, was een amateur, Panzergrenadier Kaebel, die net als de Engelse kapitein Booty een camera had meegenomen. De meeste foto’s zijn echter in Oosterbeek gemaakt, met dikwijls krijgsgevangen en gesneuvelde Britten vol in beeld.
Het is begrijpelijk dat de Duitse propaganda op volle loeren draaide om de overwinning bij Arnhem uit te buiten. Vandaar natuurlijk die overmacht aan PK-ver- slaggevers. Maar daar houdt onze kennis op. Wat we zouden willen weten, is waar ze allemaal zo gauw vandaan kwamen en hoe hun opdracht luidde, en ook zou het interessant zijn te weten hoe hun werk door de bazen op het ministerie in Berlijn is beoordeeld en gebruikt. Voor zover mij tot dusverre bekend, zijn daarover geen gegevens bewaard gebleven. Het mag waar zijn dat deze verslaggevers een vrij grote mate van bewegingsvrijheid hadden, maar helemaal op eigen houtje zullen ze toch niet naar Arnhem zijn gegaan.
De enige die er iets over heeft meegedeeld, is Filmberichterstatter Hans Ertl in zijn boek “Hans Ertl als Kriegsberichter 1939-1945” (Innsbruck, 1985); daaruit is op te maken dal hij zich met zijn filmploeg in Oosterbeek moest melden bij het hoofdkwartier van veldmaarschalk Model, de bevelhebber van Heeresgruppe 13. Het relaas van zijn avontuurlijke wederwaardigheden is vlot geschreven, maar verschaft niet bijster veel extra informatie.
Van het archief van de SS-Standarte Kuit Eggers is na de zomer van 1944 nauwelijks meer iets over. Dat is buitengewoon jammer omdat dit ongetwijfeld interessante ‘Befundmeldungen’ zou hebben bevat. Ik

Nog een beeld dat de fotograaf van de Kriegsmarine vastlegde op de Dreyenseweg in Oosterbeek. Twee zware Duitse rupsvoertuigen passeren elkaar.
(Foto: Bundesarchiv, Koblenz)

 

Duitse militairen bekijken een buitgemaakte Britse Airborne jeep. Deze foto staal in een brochure van de SS, die onlangs in het bezit kwam van het Airborne Museum. Wie weel waar deze foto is genomen?
(Foto uil “SS Leitheft No. 11, 1944; Collectie Airborne Museum)

heb ze gezien over de reportages van de gevechten in Normandië, en die waren tamelijk uitvoerig en zeer streng. Fotografen die te ver achter de linies waren gebleven, werden daarover stevig onderhouden. Daarentegen werd iemand als SS-Sturmmann Flans Apfel van de Kriegsberichterzug van de Hohenstaufen-divisie uitvoerig geprezen om zijn ‘ausgezeichnete Einsa tzfilme von Angriffsunterneh- men unserer SS-Panzergrenadiere an der Invasions- front, die einsatzmassig als die bisher beste Arbeit dieser Art bezeichnet werden kann’. Van de bevorde- ringslijsten van de Standarte is meer bewaard geble-ven, en zo kunnen we lezen dal Apfel in november 1944 is bevorderd tol SS-Unterscharführer (waarbij de rang van Rottenführer zelfs werd overgeslagcn); of de opnamen die hij in september bij Arnhem maakte daarbij meegeteld hebben, wordt niet vermeld.
Apfel is de enige wiens adres ik jaren geleden heb weten te achterhalen, maar correspondentie met hem leverde helaas niets op. Hij weigerde te antwoorden op vragen over zijn ervaringen bij Arnhem en over eventuele oud-collega’s, met ongeveer de motivering dat het ons er toch alleen maar om te doen was de Waffen-SS in diskrediet te brengen.
Ik schreef in het voorgaande dat alle foto’s van Jacobsen, Seeger en Wenzel mij in 1967 onbekend
waren op één na. Het betreft een opname van Jacobsen, genomen aan hel eind van de Rijnstraat in de richting van de brandende stad. Die had ik eerder afgedrukt gezien in het door mij vertaalde boek van Christopher Hibberl, The Battle of Arnhem (Londen, Batsford, 1962 ). Als bron noemde hij Ullstein Verlag in Berlijn; de naam van Jacobsen stond er niet bij. Hoe de foto bij Ullstein is terechtgekomen, is niet meer te achterhalen. Maar ondertussen blijkt hieruit – wat we uit andere publicaties ook hebben kunnen opmaken – dal verscheidene foto’s van PK-Bildberichter in elk geval na de oorlog op de een of andere manier hun weg naar uitgeverijen en persbureaus hebben gevonden. Hibberl vermeldde ook nog de Süddeutsche Verlag in München in zijn verantwoording; daar heeft hij onder andere een foto van Kutzner betrokken, (zie blz. 5 boven).
Het is eigenlijk vreemd dat na de Tweede Wereld-oorlog niet een van deze fotografen – van wie een aantal mogelijk is terechtgekomen bij grote geïllustreerde bladen als Stern en Quick – nog eens iets over zijn Arnhem-ervaringen heeft geschreven, al of niet geïllustreerd met foto’s. Misschien heeft het zin nog één keer een poging te doen een aantal van hen te achterhalen. Een boeiende taak voor het Airborne Museum?

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.