MINISTORY XXVIII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.40
TYPHOON-AANVAL OP ARNHEM
door: R.J.E.M. van Zinnicq Bergmann

In september 1944 was ik de enige Nederlandse piloot in 181 squadron RAF. Dit squadron maakte deel uit van 124 Wing, 83 Group, 2nd Tactical Airforce RAF. 124 Wing was uitgerust met Typhoons, een eenpersoons jager, die naast vier kanonnen van 2 cm. bewapend kon worden met bommen of met acht rockets.
Op zondag 17 september 1944 stonden wij aangetreden bij onze ’operationstent’ op het vliegveld Melsbroek bij Brussel. Op grote schoolborden waren kaarten bevestigd van Nederland en stukken van België. Om half acht kwam de Wing-Commander uit de tent en sprak ons op zijn afgemeten zakelijke wijze toe. Vandaag zou de grootste luchtlandingsaanval van deze oorlog plaatsvinden. Parachutisten moesten de bruggen over Maas, Waal en Rijn intact in bezit zien te krijgen. Het leger zou snel op¬rukken vanuit hun aanvalsstelling aan het Albertkanaal en vandaar doorstoten naar Eindhoven, Nijmegen en Arnhem. Onze taak was de batterijen van de beruchte lucht- afweergordel bij Arnhem buiten gevecht te stellen. Onze speciale vijanden die ons het leven al zo lang zuur gemaakt hadden met hun barrages, als wij via de noorde¬lijke route Noord-Nederland binnen vlogen of daarlangs terugkeerden.
Het succes van de aanval van de parachutisten bij Arnhem zou in grote mate af¬hangen van hoe wij ons van onze taak daar zouden kwijten.De bestaande vuurkracht van de Duitse luchtdoelartillerie rond Arnhem zou een enorme slachtpartij kunnen aanrichten onder de langzame Dakota’s en de grote zweefvliegtuigen die de lucht¬landingstroepen en hun materieel daar moesten brengen. Ik was blij dat ik niet aan het stuur van zo’n toestel hoefde te zitten.
Het was ons allemaal wel duidelijk wat ons te doen en te wachten stond. Als pleister op de wonde voor dat laatste zei de Wing-Commander dat, indien de hele opzet zou slagen, het einde van de oorlog in zicht was. Hij legde verder uit welke doelen voor de verschillende squadrons bestemd waren en de formatie waarin zou worden gevlogen. De Wing-Commander zou ons zelf leiden en ik werd aangewezen als zijn nummer 2. Wel een compliment maar ook met extra risico. Terwijl de andere squadron-commandanten op de verschillende borden met hun mannen de luchtfoto’s van de hun toegewezen doelen bespraken, stonden wij om de Wing-Commander heen die ons zijn aanvals plan uitlegde.

F/Lt.van Zinnicq Bergmann in de cockpit van zijn Typhoon. (Foto: R.J.E.M.van Zinnicq Bergmann)

De bedoeling was dat alle squadrons min of meer tegelijk de aanval zouden inzetten op de batterijen die stonden opgesteld ten zuiden van de stad Arnhem, om daardoor geconcentreerd vuur van de vijand te voorkomen. Het startuur werd vastgesteld op 9.15 uur.
Met afgeladen jeeps en vrachtwagens gingen alle piloten terug naar hun squadron- hutten om verdere voorbereidingen te treffen. De chef mecanicien kreeg zijn instructies en een geweldige bedrijvigheid kwam op gang. De wachttijd voor een operatie was voor mij en ik dacht ook voor alle anderen, zoals altijd de moeilijkst te verwerken periode. Je kon alleen maar denken aan wat er zojuist besproken was en dat waren gedachten die zelfs de grootste optimist pessimistisch stemde.
Het enige aantrekkelijke van de hele opzet was dat wij nu echt de kans kregen onze persoonlijke vijanden bij Arnhem eindelijk eens onder vuur te kunnen nemen, hetgeen niet zonder succes min of meer hun alleenrecht was geweest tot nog toe. Gelukkig was er geen tijd meer om te piekeren toen ik in mijn cockpit zat. Ik kon het toestel van de Wing-Commander, de K-NL, duidelijk zien staan en toen ik zijn propeller zag ronddraaien drukte ook ik de ’Tits’ in, waarop mijn trouwe EL-L zonder haperen direct aansloeg. Een donderend geweld klonk op over het hele veld toen de 2400-paardekrachtmotoren van de meer dan 60 Typhoons op gang kwamen. De Wing-Commander taxiede al uit en ik sloot mij direct daar achter aan. Steeds meer machines kwamen via de verschillende rolbanen naar het begin van de startbaan. Om zo min mogelijk tijd te verliezen werd er gestart in formaties van vier. De brede startbaan maakte dat ook goed mogelijk. In steeds wijdere klimmende cirkels draaiden wij om de basis om de later startende toestellen de kans te geven zich bij ons te voegen. Steeds groter werd de formatie en toen eindelijk ook Truman Squadron, dat als laatste gestart was, naar ons toen kwam klimmen, zette de Wing- Commander koers naar het N-0, doorklimmend naar vier kilometer hoogte.
Een paar niet starters, de zogenaamde ‘krengen’, hadden hun leiders op de hoogte gesteld van hun problemen en hun plaatsen werden ingenomen door de reserves, die speciaal voor dat doel meegestart waren. Toen de Wing op hoogte was werden de overtollige reserves teruggestuurd en controleerde de Wing-Commander het radio¬contact met de verschillende squadron-commandanten. Dan was het weer stil, behalve het geruststellende gelijkmatige gebrom van mijn motor.
Wij vlogen in een ruit, de Wing-Commander met een squadron voorop, een squadron rechts, een squadron links en een squadron achteraan en boven ons als dekking. De formatie van 64 toestellen was de grootste waar ik ooit in gevlogen had en het was een machtig gezicht. Het was mooi weer met helder zicht en 63 paar ogen speurden de hemel af naar vijandelijke toestellen, terwijl de Wing-Commander de navigatie deed. Een van de squadrons was geklommen om betere dekking te kunnen geven tegen aanvallen uit de zon, hetgeen bij voorkeur de tactiek van de Duitse jagers was. Er kon geen twijfel over bestaan dat de Duitsers onze bewegingen volgden, maar onze eigen Controllers lieten niets van zich horen en ook vanuit de Wing kwamen geen waarschuwingen.
Bij het Albertkanaal konden wij duidelijk de lichtflitsen van de artillerie zien. Wij vlogen Brabant binnen en ik kon het niet laten om van tijd tot tijd te kijken waar we waren. Links in de verte kon ik Den Bosch, mijn geboortestad, duidelijk zien liggen en ook het meertje ‘de Ijzeren Man’ was duidelijk herkenbaar. Ook het grote rode bakstenen Retraite Huis werd zichtbaar en daar vlakbij zag ik een glimp van mijn ouderlijk huis, alleenstaand en omgeven door bomen en een weiland. Op onze eerdere vluchten boven Brabant had ik het al waargenomen en het was een geruststelling geweest dat het er nog stond en nu was er een grote kans dat het spoedig bevrijd zou worden. Het was een raar gevoel zo dichtbij en toch zo veraf daar boven te vliegen. Niemand daar had enige notie van wat er vandaag gebeuren ging en ze konden dan ook niet bevroeden wat de betekenis was van deze massale overvlucht. Ik wist wel dat in de harten van velen daar beneden, het de vurige wens was om in onze plaats hieraan deel te kunnen nemen, zoals ikzelf dat zo graag had gewild toen in dat eerste jaar van de bezetting de bommenwerpers óverkwamen. En eens te meer besefte ik wat een geluk ik had om op zo’n dag in deze luchtmacht te mogen vliegen, met deze vrienden waartussen zo’n band gegroeid was door de gemeenschappelijke ervaringen. Voor mij had deze vlucht nog veel meer betekenis dan voor hen. Immers, lukte deze aanval, dan was de bevrijding van Holland nabij. Al vroeg opende de luchtafweer van het vliegveld Volkel het vuur, maar wij waren daar snel doorheen. De Duitse jagers lieten zich nog steeds niet zien.

Waarschijnlijk dachten zij dat wij onderweg waren naar doelen verderop in Duitsland en wachtten zij ons in de Heimat op om hun benzine te sparen. De bruggen bij Grave en Nijmegen kwamen in zicht. Het was nauwelijks voor te stellen dat in dat nu nog zo rustige landschap over enkele uren de oorlog, met al zijn geweld, zou toeslaan. Wij gingen dat geweld inluiden en de squadrons gingen geleidelijk verder uit elkaar toen wij boven Nijmegen waren, ieder op weg naar hun opgekregen doelen. Toen de Wing-Commander de aanvalsformatie beval formeerden alle secties zich rechts van de squadron-leiders en alle no’s 2, 3 en 4 rechts van hun sectie-commandanten. De beruchte luchtafweerbarrage van Arnhem liet dan ook niet op zich wachten en overal om ons heen waren de zwarte wolkjes van exploderende granaten te zien.

Typhoons van 181 Squadron (kenteken EL) op weg naar hun doel. (Foto via R.J.E.M.van Zinnicq Bergmann)

De bedoeling was dat de vier squadrons min of meer tegelijk de aanval zouden inzetten en op het commando van de Wing-Commander: ‘Going down Jersey’, volgden dezelfde orders voor de drie andere squadrons. Met een zwaai naar links had de Wing-Commander zijn duik ingezet en ik en alle andere Jersey piloten volgden zijn manoeuvre met voldoende tussenruimte om elkaar bij het schieten niet te hinderen.
Alles wat er aan luchtafweerkalibers was uitgevonden kwam nu omhoog spuiten.
Zware middel en lichte granaten en lichtspoor van de kleine kalibers was om ons heen. Ik had moeite om mijn ogen niet dicht te knijpen. De lichtspoor die langs mij heen schoot was griezelig dichtbij. Van louter angst zou je met je kanonnen terug willen vuren maar we waren nog te ver van het doel en de ijzeren discipline weerhield je ervan de kogels te verspillen.
De vurende zware artillerie gaven met hun lichtflitsen hun opstelling prijs en de vijandelijke kanonnen en de bedienende manschappen waren nu duidelijk te onder¬scheiden. De rookpluimen zichtbaar achter het vliegtuig van de Wing-Commander gaven aan dat hij zijn eerste rockets had afgevuurd en het was nu mijn beurt.
Met mijn richtmiddel goed op het doel vuurde ik mijn rockets af en trok meteen op om niet in de grond te duiken vanwege de grote snelheid die wij hadden opgebouwd.

De ‘black-out’ was daarom ook vrij lang, maar toen de waas was opgelost zag ik de Wing-Commander links boven mij en volgde hem bij zijn tweede aanval. Opnieuw zochten wij een van de grote ronde putten waarin de 88 mm kanonnen stonden opge¬steld en probeerden onze rockets daarin te schieten. Overal om ons heen waren Typhoons in de aanval, eindelijk wraak nemend op hun vijand bij uitstek.
Toen onze rockets op waren deden wij een aanval met kanonnen op de lichte licht¬spoor vurende poms-poms, die ons met hun beruchte 4-lopen tegelijk vurende kanonnen van alle kanten bestookten. Ook hiervan werd het vuren minder maar net niet genoeg en toen ik uit een duik omhoog trok hoorde ik een doffe klap en werd mijn stuur- knuppel bijna uit mijn hand geslagen. God zij dank dat ik aan het klimmen was. Het toestel was ontzettend zwaar te hanteren maar ik klom echter wel door.
Ik meldde de Wing-Commander dat ik geraakt was en in zuidelijke richting opklom. De Wing-Commander gaf iemand de opdracht mij op te sporen en naar de basis terug te begeleiden. Een eenzame achterblijver was ten dode opgeschreven als er vijande¬lijke jagers zouden opdagen. Een Typhoon van ons squadron kwam naast mij vliegen en aan de letters herkende ik Jack Rendall, een oude rot in het vak. Hij riep mij op en gaf een ander radiokanaal door, zodat wij konden praten zonder het radio¬verkeer van de Wing te storen. Toen wij elkaar het ‘luid en duidelijk’ hadden gegeven op het nieuwe kanaal, ging Jack de schade opnemen en na een tijdje zat hij weer naast mij en gaf mij het vertrouwenwekkende gebaar met zijn duim, terwijl hij zei: ‘je haalt het wel’ .
Ik durfde mijn gashandle niet te verzetten omdat snelheidsveranderingen trillingen konden opwekken en ik de grootste moeite had gehad om na de klim met vol vermogen de hoeveelheid gas zo te doseren dat ik zonder veel trillingen horizontaal vloog. Hoger dan wij en reeds veel verder kon ik de Wing nog waarnemen op weg naar huis. Het was maar goed dat wij zo langzaam vlogen want risicogevallen moesten tot het laatste wachten om binnen te komen. Dit was om te voorkomen dat de startbaan bij een ongeluk bij de landing geblokkeerd zou worden.
Toen wij over de basis gingen hingen er nog een man of acht in de lucht, maar aangezien men in paren landde was het gauw de beurt aan Jack die nogmaals met zijn duim omhoog mij groette en afzwenkte om zijn landingsronde te beginnen. Toen was ik alleen in het circuit en had het hele veld voor mijzelf. Terug op het Wing-radiokanaal vroeg ik toestemming om binnen te mogen komen. Het antwoord was kort en duidelijk, ‘alles is gereed’. Iedere piloot wist wat dat betekende. De brandweerwagen en de ambulance stonden dan klaar met draaiende motoren op een tactische plek zodat zij snel ter plaatste konden zijn als er iets fout ging. Toen ik de wielen omlaag liet veranderde er weinig maar bij de klappen uit namen de trillingen erg toe en werd de stuurknuppel nog zwaarder en moeilijken te han¬teren. Ik haalde de klappen weer in en besloot zonder deze te landen. De baan was heel lang en ik hield meer snelheid aan dan bij een klappenlanding. De wielen raakten de grond en ik haalde mijn gas helemaal terug. Het toestel zakte op zijn achterwiel en ik kon gaan remmen. Van de toren kwam het compliment ‘good show Bergy’ en alle leed was geleden. Een groot gat in het draagvlak van het hoogte¬roer en de verbogen aanhechting waren de oorzaak van de trillingen en de zware besturing. De Typhoon had mij toch maar weer behouden thuisgebracht.
In de squadronhut was een opperbeste stemming want iedereen had het er goed van afgebracht en was blij eindelijk eens te hebben kunnen afrekenen met de lucht¬afweer, de aartsvijand die meestal rustig op ons had kunnen vuren omdat zij zelden het doel van een aanval was.
Onze eigen opgave over de toegebrachte schade klopte vrij aardig met wat door fotoverkennings Spitfires een half uur na de aanval werd vastgelegd. 70% van de afweerkanonnen was buiten werking gesteld. Dat was Arnhem voor ons. Wij werden niet meer ingeschakeld en volgden zoals de rest van de wereld de tragedie van de Slag om Arnhem. Een slag die verloren werd en het einde betekende van de illusie dat de oorlog snel afgelopen zou zijn.
Had het anders gekund ? Wing-Commander North-Lewis vond het een onbegrijpelijke zaak dat wij niet werden ingezet. Het weer was beslist een factor die in het voor¬deel van de Duitsers werkte, maar Duitse jagers vertoonden zich wel boven Arnhem. Eerder denk ik moet de reden van het niet inschakelen van de Typhoons gezocht worden in het feit dat de Slag om Arnhem vanuit Engeland geleid werd terwijl wij deel uitmaakten van de luchtsteun die ter beschikking stond van de troepen van Montgomery, die vanuit België oprukten.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.