MINISTORY XVII
Bijlage bij Nieuwsbrief No.28
EEN NEDERLANDSE BURGER NAM DEEL AAN “OPERATION BERLIN”
Samenstelling: Chr.van Roekel

Bij mijn weten heeft er slechts één Nederlander deelgenomen aan de terugtocht van de lst Airborne Division over de Rijn in de nacht van 25/26 september 1944.
Deze dramatische terugtocht, die de codenaam “Operation Berlin” droeg, eiste veel slachtoffers. In de ”Roll of Honour” kunt U hiervan een indruk krijgen. Op de begraaf-plaatsen van Renkum, Wageningen, Rhenen, Remmerden, en zelfs van Wijk bij Duurstede, liggen militairen begraven, die tijdens de terugtocht over de Rijn zijn gesneuveld of verdronken.
Weinig weten we van de persoonlijke belevenissen van de mensen die er bij waren en het geheel komt bij ons over als een nachtmerrie van gelaten wachten, hoop op redding en tragiek. Soms echter sluiten verschillende persoonlijke belevenissen op elkaar aan en vormen dan de aanleiding tot een Ministory.

In ”Hoog en Laag” van 26 de heer A.D.Polderman: juli 1984 stond de volgende ingezonden brief van ons lid,

Airborne-familie op zoek naar ,.jonge” Nederlander In 1978 maakte de heer A. D. Pol¬derman uit Zwijndrecht kennis met mr. en mrs. Douglas Ford uit Leicester bij het Drielse veer in Oosterbeek. Daaruit ontstonden blij¬vende contacten. Deze oud-Airborne landde maandag 18 septem¬ber op de Ginkelse heide met de 4th Parachute Brigade. Hij was in-gedeeld bij het 11e Battaiion van het Parachute Regiment. In de laatste dagen van de strijd in Oosterbeek maakte hij deel uit van de „Lonsdale Group”, die vocht
in het benedendorp. Bij de verdedi-ging van enige geruïneerde huizen trof hij in één daarvan een familie aan, die daar nog was gebleven en die de Airbornes van water voor¬zag. Bij de terugtocht over de Rijn stond Douglas Ford zijn plaats in één der boten af aan een vriend, die niet kon zwemmen. Zelf zwom hij zonder kleren de rivier over, in Nijmegen wat op verhaal komen¬de, zag hij een jongeman in Brits uniform die met de Airbornes over de Rijn was gegaan. Douglas Ford had die jongen eerder gezien. Het was één van degenen, die hij in de door hen verdedigde huizen in Oosterbeek-laag had gezien. Het laatste wat hij in Nijmegen op¬
merkte was dat de betreffende jon-geman door de militaire politie werd meegenomen ter ondervra¬ging. Graag wil de familie Douglas Ford nu weten wat er verder met hem gebeurde en of hij na de bevrijding in Oosterbeek terugkeer¬de. Wie kan opheldering geven? Mr. Ford en zijn echtgenote zullen tijdens de 40ste Airborne herden¬king te gast zijn bij de familie Pol¬derman en zullen graag met de be-treffende , Jonge” Nederlander in contact komen. Inlichtingen gaar¬ne aan de heer A. D. Polderman, Joh. Postslraat 145, 3333 BJ Zwijndrecht, tel. 078-128155.
Ik las het bericht van de heer Polderman en was waarschijnlijk de enige die in staat was met zekerheid te reageren omdat het voor mij direkt duidelijk was dat het hier ging om het huis van de familie Breman aan de Benedendorpsweg in Oosterbeek.
Op mijn verzoek heeft Douglas Ford zijn belevenissen op schrift gesteld en hieronder volgen enige fragmenten:
“Toen het even wat rustiger was kreeg ik van Luitenant Vickers (pelotonscommandant) de opdracht alle veldflessen te verzamelen die ik te pakken kon krijgen om te pro¬beren wat water te halen in de huizen achter ons. Ik liep de helling in de tuin af langs een paar traptreden en vond een pomp. Ik stond op het punt naar mijn stelling terug te keren, toen ik een man en een vrouw en ook een klein kind en een jonge man over de vensterbank zag kijken. Later moest ik nog een paar keer water halen en dat gezin was er nog steeds. Ik denk dat ze in de kelder schuilden en als het wat rus¬tiger was naar boven kwamen.
(De schrijver vertelt hoe hij met een groepje anderen ter versterking van het Border Regiment naar de westkant van de perimeter wordt gestuurd.)
Na een paar dagen gingen wij terug naar onze oorspronkelijke stellingen bij de kerk.
Ik ging ook weer terug naar de pomp om water en zag dat gezin weer.
Er werd ons gezegd dat we die avond geëvacueerd zouden worden, maar wij moesten als achterhoede tot het laatst blijven. Toen we uiteindelijk vertrokken werd het al licht. We kwamen bij de waterkant en kregen van een officier, die ik nog nooit gezien had, te horen: “De boten komen niet meer terug, er valt weinig meer te doen dus het is aan jullie om óf het bos in te gaan óf de rivier over te zwemmen”.
We konden een aantal mannen in het water zien zwoegen met hun kleren aan. We waren in totaal met z’n vijven, allemaal van het 11e bataljon. Eèn heette Edwards, een ander Griffin, maar ik kan me de namen van de andere twee niet herinneren.
We besloten te gaan zwemmen, maar Griffin zei dat hij het erop ging wagen zie ln het bos schuil te houden. (Later hoorde ik dat hij was omgekomen en in Rhenen ligt begraven). , , ,
De overigen deden hun kleren uit en gingen de rivier in. Er wer op ons gesc o en en één man werd getroffen. Een ander zwom terug maar kwam uiteindelijk toch de rivier over want ik zag hem in Nijmegen weer. .
Edwards en ik bereikten de oever en we kropen door een sloot, waarna we een oer enj binnengingen. Ik vond een jurk en een paar voetbalschoenen die ik aantro en wards
sloeg een deken om. Zo gingen we op weg totdat we een tank hoorden aankomen. nee,
niet nog eens” dachten we en doken een sloot in. We zagen dat het er een van de Guards Armoured Division was en begonnen te roepen. Ze adviseerden ons terug te lopen naar een ambulancepost. Langs de weg lagen troepen ingegraven die begonnen te fluiten toen ze ons zagen en je kunt je voorstellen wat ze allemaal zeiden !! We liepen goed voor schut maar voelden ons wel opgelucht.
Uiteindelijk kwamen we met nog anderen in Nijmegen. Ik kreeg een uniform dat me niet paste en goed te eten. Toen kregen we een slaapplaats aangewezen. Iemand anders in uniform kreeg het bed naast me. Ik dacht dat ik hem al eerder gezien had, maar ik kon hem eerst niet plaatsen. Ik sprak hem aan en besefte toen dat het de jonge man was die ik telkens gezien had als ik water ging halen. Ik ging iemand van de Militaire Politie halen. De jonge man werd meegenomen en ik zag hem niet meer terug. Vaak heb ik mij afgevraagd wat er van hem geworden was.
Ik was heel blij toen het raadsel opgelost werd toen ik hem bij toeval tegenkwam bij hetzelfde huis in Oosterbeek waar ik in september 1944 water haalde. Dat was bij de 40e herdenking van de Slag om Arnhem en ik was nooit eerder bij het huis terug ge¬weest ! ”
We laten nu Izak de Vries, die in 1944 bij de familie Breman was ondergedoken, aan het woord:
“In de kelder.
De nacht van 25 op 26 september 1944 sliep ik in de kelder van de familie Breman.
Ik weet niet meer wie mij wakker maakte. De vorige avond hadden we een karig maal ge¬had. Eten en water waren schaars. We hadden wat wijn bij het eten gedronken. Ik was ingedommeld en had redelijk goed geslapen. De zware hoofdpijn van de vorige avond was verdwenen en na een korte nachtrust voelde ik me best opgeknapt. Iemand vertelde me dat het grootste deel van de Airborne troepen weg was uit Oosterbeek en dat een paar achtergebleven soldaten de weg naar het veer gewezen wilden worden. Ik had geen idee dat het Drielse Veer, waar ik een paar dagen geleden nog geweest was, in Duitse han¬den was. Uit hun woorden maakte ik op dat de terugtocht naar de rivier ten westen van Oosterbeek plaats vond. Dit nieuws was natuurlijk zeer verontrustend, maar ik aarzelde niet. Vanaf het begin van de luchtlandingen had ik mijn vertrouwen en mijn lot in handen van de Airbornes gelegd, die letterlijk en figuurlijk door de hemel gezonden schepsels waren om de mensheid van de boosaardige vijand te verlossen.
Ik wilde maar al te graag de resterende tijd met hen delen en dus voldeed ik aan hun verzoek om als gids op te treden.
Naar de rivier.
We vertrokken met een klein groepje, waaronder een Schot die tussen twee andere soldaten hinkte, en korporaal Gerald Valvona, die met een revolver voorop ging, (zie het boekje “De Tommies komen”, Chr.v.R.)
Het was stikdonker en het regende hard, wat in zeker opzicht een geluk was We kwamen langs de Oude Kerk waar we, volgens Valvona, tussen de Duitse troepen moeten zijn doorgelopen. Vervolgens gingen we een pad op in de richting van de rivier Over de sloot lag een smalle voetbrug waarin een projectiel een gat geslagen had. Omdat ik niet zo gewend was aan de duisternis als de Airbornes, kwam ik met mijn been in het gat met de scherpe rand vast te zitten en kon er slechts met moeite uit loskomen We vervolgden onze weg naar de rivier. Ik was niet langer de gids- anderen die kennelijk wisten waar ze heen moesten, wezen nu mij de weg. Een stuk verderop raapte ik een geweer op en hing het aan mijn schouder. Ik wist niet veel af van die nieuwe wapens, maar in 1934 was ik in militaire dienst geweest, evenals in 1939/1940 Ik betwijfelde of ik er iets mee kon, maar het was een plezierig gevoel. Het had toch geen

Links: Izak (Piet) de Vries in een achtergebleven brencarrier vlakbij de plaats van de smalle voetbrug over de sloot langs de uiterwaarden, (voorjaar 1946).
Rechts: Douglas Ford, “I was a member of no 1 Section, no 1 Platoon, A Coy, llth Para Battalion”. (november 1944).

verschil gemaakt want als de Duitsers ons zouden hebben gesnapt, zou ik ter plekke als franc-tireur zijn gefusileerd.
Even later kwamen we bij de rivier waar een groot aantal soldaten wachtten om over¬gezet te worden. Ik kan mij niet herinneren de koorden en banden die de route aan¬gaven, waarover ik later las in verhalen over de terugtocht, te hebben gezien. Geduldig wachtten we op onze beurt in een vrij lange rij. Wij kwamen echter niet aan de beurt. Een van de militairen werd door een scherf aan zijn been gewond. Misschien was dat wel zijn geluk, want hij werd uit de rij gehaald en kreeg voor¬rang in een van de boten.
Omdat het zo donker was kan ik over het wachten en overzetten niet veel meer zeggen. De omgeving werd zo nu en dan door lichtkogels verlicht. Discipline en moreel waren voorbeeldig, evenals de dagen ervoor.
De overtocht.
De dageraad brak aan en in de richting van Arnhem werd het licht. Ik wilde mijn kleren en schoenen uittrekken maar Valvona raadde me dat af, en dat was maar goed ook want het was behoorlijk koud. Langzaam werd alles om ons heen zichtbaar.
Ik weet niet waarvandaan, maar plotseling verscheen er een wrakke boot die half vol water stond en waarvan de riemen ontbraken. Valvona en enkele anderen klommen erin en de mannen probeerden met hun helmen de boot naar de andere kant te brengen. Valvona nodigde mij uit ook in te stappen maar ik gaf er de voorkeur aan in het water te blijven hoewel ik al mijn kleren aan had. Zelfs gekleed kwam ik sneller vooruit dan de boot die maar heel langzaam ging. Om niet te veel in westelijke richting af te drijven moesten we tegen de sterke stroom op gaan. Ik weet nog dat ik even verderop twee militairen zag die elkaar bijstonden en om hulp riepen. Ik pro¬beerde hun kant op te zwemmen maar dat ging zo langzaam dat zij mij terug gebaarden. Ik zwom terug naar de boot en ging aan de kant zwemmen die enige dekking bood tegen

het vuur dat de Duitsers van de Westerbouwing op ons afgaven. Later ging ik naar de boeg en op mijn rug zwemmend hielp ik de boot naar de overkant te brengen. Kogels ketsten rondom ons op het water. Toen wij, Valvona en ik (de anderen kan ik me niet herinneren), de overkant bereikten was het volop licht. Het moeilijkste moest nog komen. Ik moest een eind rennen, tegen de dijk opklimmen en door een afzetting van prikkeldraad heen, die ervoor diende om de koeien op afstand van het water te houden. Het viel mij zo moeilijk omdat mijn kleren doorweekt waren en ik niet hard kon lopen. Het vuur van Duitse zijde nam steeds toe en deze laatste langzame sprint had iets van een nachtmerrie.
Toen ik op de dijk was aangeland, was ik zo uitgeput dat ik op de grond viel en me aan de andere kant naar beneden liet rollen. Behalve een paar schrammen op mijn hoofd en een pijnlijk been door het gat in het bruggetje, was ik ongedeerd.
Rillend van uitputting en kou bleef ik een paar minuten onderaan de dijk liggen, maar Valvona dwóng me op te staan en verder te gaan. Er verschenen Canadese mili¬tairen, die ons begroetten en thee gaven. Waarschijnlijk maakten zij deel uit van een tijdelijk bruggehoofd dat op de zuidelijke oever gevestigd was om ons op te vangen. Het was geweldig om die goed uitgeruste troepen te zien die zo goed voor ons zorgden. Ze brachten ons naar een boerderij waar we dekens kregen en zo raakte ik mijn burgerkleren kwijt.
Daarna werden we naar een kazerne in Nijmegen gebracht, waar andere Airbornes al waren gelegerd. Ik kreeg een militair uniform en dat, zo hoorde ik later, wekte de achterdocht van een van de militairen die mij op de noordoever van de Rijn in burger gezien had. Ik werd voor verhoor meegenomen, waarnaa ik weer terugging naar de ka¬zerne. Maar mijn goede vriend Valvona, met wie ik zoveel doorgemaakt had, was ver¬dwenen. Maar een aantal anderen die mij kenden -1) verwelkomden mij en verzorgden me uitstekend. Ze namen me in een vrachtwagen mee naar Brussel, maar terwijl ik in de open laadbak van het snelrijdende voertuig stond kreeg ik een boomtak in mijn ge¬zicht, boven mijn rechteroog. Het was zeer pijnlijk en mijn bril ging aan gruzele¬menten. Ik had een buil op mijn voorhoofd en kon een paar weken met mijn rechteroog niets zien. Later werd ik door een dokter behandeld.
In Brussel vroeg ik een doorlaatbewijs om zover mogelijk naar het noorden te mogen en ZD kwam ik terug in Nijmegen waar ik tot eind 1944 bleef.
1) O.a. Frankie (een Ier) en Charlie Gibson. Zie Ministory V en het boekje
“De Tommies komen”. (Chr.v.R.)
Het laatste deel van deze merkwaardige geschiedenis spreekt voor zichzelf:

EMBASSY OF ISRAËL

De heer Evert J.Breman en mevrouw Bertha Breman-Peters ontvangen beiden de Yad Vashem onderscheiding.
“Het echtpaar Breman bood in hun bescheiden woning in Oosterbeek, waar zij met hun twee dochters woonden, onderdak aan Izak de Vries. De heer Breman was smid en ondanks de zeer moeilijke omstandigheden heeft de familie Breman voor slechts geringe ver¬goeding Izak liefdevol gehuisvest in hun zolderkamer. Tevens boden zij geruime tijd onderdak aan enige Britse militairen. De joodse onderduiker verbleef in hun woning tot eind 1944 toen hij besloot het huis te verlaten”.
Het laatste woord is aan Gerald Valvona:
“Ik had het genoegen De Vries voor te dragen voor een Britse onderscheiding die in 1948 aan hem in mijn bijzijn werd verleend. De “Kings Medal for Courage in the Cause of Freedom” werd verleend voor hetgeen hij deed voor de Airbornes te Oosterbeek”.

Download ministory

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Vraag of reactie?
Laat hier uw reactie achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.